St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Scheepvaartverkeerswet

 

SCHEEPVAARTREGLEMENT  TERRITORIALE  ZEE

Tekst zoals deze geldt op 26 januari 2012

 

  
 

 

 
BESLUIT van 27 februari 1996, houdende vaststelling van aanvullende bepalingen voor de scheepvaart in de territoriale zee (Scheepvaartreglement territoriale zee)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juli 1995, nr. S/J 13.399/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
     Gelet op de artikelen 4, eerste en derde lid, 12, 18, 31, tiende lid, en 36 van de Scheepvaartverkeerswet;
     De Raad van State gehoord (advies van 11 september 1995, nr. W09.95.0353);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 februari 1996, nr. S/J-96000464, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

 

Toepassingsgebied

 

Artikel 1

1.Onverminderd de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Trb. 1974, 51), zoals gewijzigd, is dit besluit van toepassing in het gedeelte van de territoriale zee dat zeewaarts is gelegen van de lijn, zoals beschreven in artikel 4, eerste lid, van het besluit van 7 november 1989, houdende het van toepassing verklaren van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972 (Stb. 502), behoudens dat gedeelte van de territoriale zee dat gemeentelijk is ingedeeld.

2.Het eerste lid is, voor wat de uitzondering van de toepasselijkheid in het gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee betreft, niet van toepassing ten aanzien van:

a. de verkeerstekens die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage 2;

b. een aanloopgebied.

 

Begripsbepalingen

 

Artikel 2

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. bevoegde autoriteit: de als zodanig door Onze Minister voor een bepaald gebied aangewezen persoon;

b. bijzonder transport: een schip of ander drijvend voorwerp dat in zodanige staat verkeert, of een zodanig bijzonder karakter heeft, dat ernstige kans bestaat dat het bij de vaart de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengt of schade aan de werken veroorzaakt, dan wel zinkt of lading verliest;

c. klein schip: een schip waarvan de lengte minder dan 20 m bedraagt, waartoe als de lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste deel van de romp, zonder de boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak, zulks met uitzondering van:

– een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren,

– een veerpont,

– een vissersschip,

– een sleepboot;

d. aanloopgebied: een gebied als omschreven in de bij dit besluit behorende bijlage 1;

e. territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden: de Nederlandse territoriale zee, behoudens de in de bij dit besluit behorende bijlage 1 omschreven aanloopgebieden;

f. exploitant: de eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die de zeggenschap heeft over het gebruik van een schip;

g. richtlijn nr. 2002/59/EG: richtlijn nr. 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 208);

h. een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert: elk vrachtschip, iedere olie-, chemicaliën-, of gastanker, of een passagiersschip, waarmee wordt vervoerd een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een schadelijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel h, vanrichtlijn nr. 2002/59/EG;

i. routeringssysteem: een systeem bestaande uit een of meer routes of routeringsmaatregelen, gericht op het verminderen van gevaar voor scheepsongevallen, met inbegrip van verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer, aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes.

 

Artikel 2a

Een wijziging van richtlijn nr. 2002/59/EG gaat voor de toepassing van dit reglement gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

 

Verantwoordelijkheid

 

Artikel 3

De kapitein is verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van dit besluit, tenzij uit de desbetreffende bepaling anderszins blijkt.

 

Voorzorgsmaatregelen

 

Artikel 4

Ook bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit besluit, worden alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goede zeemanschap zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat door of vanaf het schip:

a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;

b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende voorwerpen, dan wel waterstaatswerken, kustverdedigingen, of andere werken en inrichtingen van welke aard ook; of

c. de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.

 

Paragraaf 2. Ordening van het scheepvaartverkeer

 

Meld-, uitluister- en communicatieplicht

 

Artikel 5

1. Een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert of een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer, doet geen in Nederland gelegen haven, ankerplaats, terminal of een in de Nederlandse territoriale zee gelegen laad- of losinrichting aan, voordat de kapitein, de exploitant of de agent aan de bevoegde autoriteit van de eerste bestemming in Nederland de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens heeft gemeld omtrent het schip, de positie, het tijdstip van aankomst en vertrek daarvan, de daarmee vervoerde lading, het aantal personen aan boord en de uit te voeren reis, op een bij die regeling bepaalde wijze.

2. De in het eerste lid bedoelde melding geschiedt:

a. door een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert:

1°. indien de bestemming bij de afvaart uit de haven van bevrachting bekend was, bij die afvaart, of

2°. indien de bestemming bij de afvaart uit de haven van bevrachting nog niet bekend was of tijdens de reis wordt gewijzigd, zodra deze bekend is;

b. door een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer dat geen bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert:

1°. ten minste vierentwintig uur voor aankomst, of

2°. indien de bestemming bij de afvaart uit de vorige haven bekend was en de reisduur minder dan vierentwintig uur bedraagt, uiterlijk op het tijdstip waarop het schip de vorige haven verlaat, of

3°. indien de bestemming bij de afvaart uit de vorige haven nog niet bekend was of tijdens de reis wordt gewijzigd, zodra deze bekend is.

3. Onverminderd het eerste lid, vaart een schip als bedoeld in dat lid, de Nederlandse territoriale zee niet binnen, tenzij de kapitein de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens heeft gemeld aan de bevoegde autoriteit van het aanloopgebied waarnaar het schip op weg is, op het voor het aanloopgebied voorgeschreven marifoonkanaal.

4. De kapitein, de exploitant of de agent van een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert, deelt voor de afvaart van dat schip van een in de Nederlandse territoriale zee gelegen ankerplaats of laad- of losinrichting met een andere bestemming dan een in Nederland gelegen haven, ankerplaats, laad- of losinrichting of wachtplaats, aan de bevoegde autoriteit van het desbetreffende aanloopgebied de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens mede omtrent het schip, het tijdstip van vertrek daarvan, de daarmee vervoerde lading, het aantal personen aan boord en de uit te voeren reis, op een bij die regeling bepaalde wijze.

5. Een schip als bedoeld in het eerste lid, luistert in een aanloopgebied uit en neemt, indien nodig, op het voorgeschreven marifoonkanaal aan ter plaatse gevoerde communicatie deel.

6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op ieder schip dat is uitgerust met een marifoon.

7. De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de in het eerste en vierde lid bedoelde meldingsplichten met betrekking tot een zeeschip als bedoeld in die leden, dat in lijndienst vaart tussen twee in Nederland gelegen havens of tussen een in Nederland gelegen haven en een haven gelegen in een andere staat, als wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van richtlijn nr. 2002/59/EG.

8. De bevoegde autoriteit trekt de ontheffing in wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het zevende lid.

9. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een schip als bedoeld in artikel 2, tweede lid, in samenhang met artikel 6 bis van richtlijn nr. 2002/59/EG.

10. De kapitein of exploitant van een schip dat behoort tot een bij ministeriële regeling vast te stellen categorie schepen meldt aan de bevoegde instantie de bij die regeling vast te stellen gegevens op een bij die regeling vast te stellen tijdstip voordat met het schip een in Nederland gelegen haven, een in de Nederlandse territoriale zee gelegen offshore-installatie of een ankerplaats ter hoogte van die haven of offshore-installatie wordt aangedaan.

 

Artikel 5a. Routerings-en meldingssystemen

1.Bij ministeriële regeling kunnen voor in die regeling vermelde categorieën schepen in de Nederlandse territoriale zee, overeenkomstig richtlijnen en criteria van de Internationale Maritieme Organisatie, routeringssystemen en meldingssystemen worden vastgesteld.

2.Degene die een schip voert maakt gebruik van de op grond van het eerste lid vastgestelde routeringssystemen en voldoet daarbij aan de voorschriften van de op grond van dat lid vastgestelde meldingssystemen.

 

Mededelingsplicht

 

Artikel 6

Van een schip wordt zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteit medegedeeld dat het:

a. aan de grond is geraakt of gezonken;

b. in aanraking is gekomen met een ander schip en daarbij schade van betekenis is ontstaan of zich persoonlijke ongevallen hebben voorgedaan;

c. een boei, baken of waterstaatswerk heeft aangevaren, verplaatst of beschadigd;

d. in een toestand verkeert waardoor de manoeuvreerbaarheid of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed; of

e. voorwerpen of stoffen heeft verloren of dreigt te verliezen, die het scheepvaartverkeer in gevaar kunnen brengen.

 

Bijzonder transport

 

Artikel 7. Bijzonder transport en werkzaamheden

1.Een bijzonder transport dan wel een schip door middel waarvan werkzaamheden worden verricht, vaart niet dan met toestemming van de bevoegde autoriteit.

2.In afwijking van het eerste lid vaart een bijzonder transport dan wel een schip door middel waarvan werkzaamheden worden verricht, dat zich zowel in een aanloopgebied als in de territoriale zee begeeft, niet dan met toestemming van de bevoegde autoriteit voor de territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden.

3.Het verlenen of onthouden van toestemming als bedoeld in het tweede lid geschiedt in overeenstemming met de bevoegde autoriteit van het aanloopgebied waarin het bijzonder transport dan wel het schip door middel waarvan de werkzaamheden worden verricht vaart.

 

Voor anker gaan

 

Artikel 8

[Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2010/748.]

Een schip gaat in een aanloopgebied niet voor anker, dan na daartoe van de bevoegde autoriteit toestemming te hebben verkregen.

 

Bescherming van verkeerstekens

 

Artikel 9

Een schip meert niet af aan een verkeersteken.

 

Radarreflector

 

Artikel 10 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Een klein schip voert in een aanloopgebied een radarreflector die dat schip voor radar zichtbaar maakt.

 

Verkeersaanwijzingen

 

Artikel 11

Verkeersaanwijzingen worden opgevolgd.

 

Evenementen

 

Artikel 12

1.Een sportevenement, een festiviteit of een ander evenement, oefeningen en trainingen daaronder begrepen, waarbij een of meer schepen zijn betrokken of waarbij zich personen anders dan op een schip te water bevinden, vindt niet plaats, tenzij dat minimaal 6 weken van te voren bij de bevoegde autoriteit is gemeld.

2.Een activiteit als bedoeld in het eerste lid die de veiligheid van de scheepvaart in gevaar kan brengen, vindt niet plaats, tenzij daartoe toestemming van de bevoegde autoriteit is verkregen.

3.In afwijking van het tweede lid geschiedt een in het eerste lid bedoelde activiteit, die zowel in een aanloopgebied als in de territoriale zee plaatsvindt, niet dan met toestemming van de bevoegde autoriteit voor de territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden.

4.Het verlenen of onthouden van toestemming als bedoeld in het derde lid geschiedt in overeenstemming met de bevoegde autoriteit van het aanloopgebied waarin de in het eerste lid bedoelde activiteit plaatsvindt.

 

Toestemming laden, lossen en bunkeren

 

Artikel 13

Een schip wordt niet geladen, gelost, of gebunkerd, tenzij daartoe door de bevoegde autoriteit toestemming is verleend.

 

Paragraaf 3 [Vervallen per 29-10-2004]

 

Artikel 14 [Vervallen per 29-10-2004]

 

Paragraaf 4. Verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken

 

Vaststellen van verkeerstekens

 

Artikel 15

De bij dit besluit behorende bijlage 2 vermeldt de verkeerstekens ter markering van het vaarwater of van obstakels daarin.

 

Opvolgen van en rekening houden met verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken

 

Artikel 16

1.Een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken inhoudende een gebod of verbod wordt opgevolgd.

2.Met een verkeersteken ter markering, of met een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken inhoudende een aanbeveling of inlichting, wordt rekening gehouden.

 

Paragraaf 5. Bijzondere bepalingen

 

Regels voor een diepstekend schip

 

Artikel 17

1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de deelname aan het scheepvaartverkeer door schepen in de Eurogeul, de Maasgeul en de IJgeul, die een in die regeling vastgestelde diepgang hebben.

2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen slechts voorschriften inhouden aangaande:

a. de toegelaten afmetingen van een schip;

b. de bouw, de uitrusting, het motorvermogen en de manoeuvreerbaarheid van een schip;

c. de grootste snelheid waarmede mag worden gevaren;

d. de meteorologische omstandigheden waaronder mag worden gevaren; of

e. de minimale waterdiepte onder de kiel en in verband daarmee het tijdstip waarop een schip zich op een bepaalde plaats mag bevinden.

 

Artikel 17a. Belading

1. Een schip neemt niet deel aan de scheepvaart indien het zodanig is beladen, dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant van de inzinkingsmerken, dan wel indien het zodanig is beladen, dat het een geringer vrijboord heeft dan blijkens de afgegeven certificaten is toegestaan.

2. Een schip neemt niet deel aan de scheepvaart indien door de wijze van belading de stabiliteit in gevaar wordt gebracht.

 

Artikel 18. Maatregelen in geval van gevaarlijke ijsgang

In geval van gevaarlijke ijsgang kan de bevoegde autoriteit verlangen dat schepen die zich in het betrokken gebied bevinden en die een haven of terminal willen binnen- of uitvaren of een ankerplaats willen verlaten, met documenten kunnen aantonen dat zij aan sterkte- en vermogenseisen voldoen die op de ijsgang in het betrokken gebied zijn afgestemd.

 

Aan toestemming te verbinden voorschriften

 

Artikel 19

Aan een toestemming als bedoeld in de artikelen 7, eerste en tweede lid, 8, 12, tweede en derde lid, en 13, kunnen voorschriften worden verbonden.

 

Paragraaf 6. Strafbepaling

 

Strafbaarstelling

 

Artikel 20. Strafbaarstelling

Overtreding van de bij of krachtens dit besluit vastgestelde regels, alsmede overtreding van de aan toestemming verbonden voorschriften, is een strafbaar feit.

 

Paragraaf 7. Wijzigingen in andere besluiten

 

Wijzigingen Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen

 

Artikel 21

[Wijzigt het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen]

 

Wijzigingen Scheepvaartreglement Westerschelde 1990

 

Artikel 22

[Wijzigt het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990]

 

Wijzigingen Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer

 

Artikel 23

[Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer]

 

Wijziging Besluit van 15 april 1992, houdende regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen eisen (Stb. 234)

 

Artikel 24

[Wijzigt het Besluit houdende regelen met betrekking tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen eisen]

 

Wijziging Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement

 

Artikel 25

[Wijzigt het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement]

 

Wijziging Binnenvaartpolitiereglement

 

Artikel 26

[Wijzigt het Binnenvaartpolitiereglement]

 

Paragraaf 8. Slotbepalingen

 

Intrekking Bijzonder reglement Rotterdamse Waterweg

 

Artikel 27

Het Bijzonder reglement Rotterdamse Waterweg wordt ingetrokken.

 

Intrekking besluit betonning, bebakening, kust- en oeververlichting

 

Artikel 28

Het Besluit van 11 augustus 1934, houdende regeling van het Bestuur over de betonning, bebakening, kust- en oeverlichten langs de zeekusten, in de zeegaten, op de benedenrivieren en het IJsselmeer van het Koninkrijk der Nederlanden (Stb. 138), wordt ingetrokken.

 

Intrekking Besluit informatieverstrekking schepen met bepaalde stoffen

 

Artikel 29

Het Besluit informatieverstrekking schepen met bepaalde stoffen wordt ingetrokken.

 

Wijziging grondslag

 

Artikel 30

Na inwerkingtreding van artikel 22, onderdeel D, van dit besluit, berust de bekendmaking aan de Scheepvaart Scheldemond «Marifoonblokindeling» van de Rijkshavenmeester Westerschelde van 4 november 1994, nr. Bass 134/94 (Stcrt. 216) op artikel 51, eerste, en tweede lid, van het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.

 

Inwerkingtreding

 

Artikel 31

De artikelen 1 tot en met 20, artikel 23, onderdeel A, 2°, en onderdeel B, en de artikelen 27 tot en met 29, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. De artikelen 21, 22, 23, onderdeel A, 1°, en 24 tot en met 26 treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

 

Citeertitel

 

Artikel 32

Dit besluit wordt aangehaald als: Scheepvaartreglement territoriale zee.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 27 februari 1996

 

BEATRIX

 

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink

 

Uitgegeven de achtentwintigste maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

Bijlagen niet opgenomen

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x