|
BESLUIT van 27 februari 1996, houdende vaststelling
van aanvullende bepalingen voor de scheepvaart in de territoriale zee (Scheepvaartreglement
territoriale zee)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juli 1995,
nr. S/J 13.399/95, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Gelet op de artikelen 4, eerste en derde lid,
12, 18, 31, tiende lid, en 36 van de Scheepvaartverkeerswet;
De Raad van State gehoord (advies van 11
september 1995, nr. W09.95.0353);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 19 februari 1996, nr. S/J-96000464,
Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Toepassingsgebied
Artikel 1
1.Onverminderd de Internationale Bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee, 1972 (Trb. 1974, 51), zoals gewijzigd, is dit
besluit van toepassing in het gedeelte van de territoriale zee dat
zeewaarts is gelegen van de lijn, zoals beschreven in artikel 4,
eerste lid, van het besluit van 7 november 1989, houdende het van
toepassing verklaren van de Internationale Bepalingen ter voorkoming
van aanvaringen op zee, 1972 (Stb. 502), behoudens dat gedeelte van de
territoriale zee dat gemeentelijk is ingedeeld.
2.Het eerste lid is, voor wat de uitzondering van de
toepasselijkheid in het gemeentelijk ingedeelde deel van de
territoriale zee betreft, niet van toepassing ten aanzien van:
a. de verkeerstekens die zijn opgenomen in de bij dit besluit
behorende bijlage 2;
b. een aanloopgebied.
Begripsbepalingen
Artikel 2
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. bevoegde autoriteit: de als zodanig door Onze Minister voor
een bepaald gebied aangewezen persoon;
b. bijzonder transport: een schip of ander drijvend voorwerp dat
in zodanige staat verkeert, of een zodanig bijzonder karakter heeft,
dat ernstige kans bestaat dat het bij de vaart de veiligheid van de
scheepvaart in gevaar brengt of schade aan de werken veroorzaakt,
dan wel zinkt of lading verliest;
c. klein schip: een schip waarvan de lengte minder dan 20 m
bedraagt, waartoe als de lengte wordt aangemerkt de afstand van de
voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste deel
van de romp, zonder de boegspriet, de papegaaistok en het trimvlak,
zulks met uitzondering van:
– een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren,
– een veerpont,
– een vissersschip,
– een sleepboot;
d. aanloopgebied: een gebied als omschreven in de bij dit besluit
behorende bijlage 1;
e. territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden: de Nederlandse
territoriale zee, behoudens de in de bij dit besluit behorende
bijlage 1 omschreven aanloopgebieden;
f. exploitant: de eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die de
zeggenschap heeft over het gebruik van een schip;
g. richtlijn nr. 2002/59/EG: richtlijn nr. 2002/59/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002
betreffende de invoering van een communautair monitoring- en
informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van
Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 208);
h. een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen
vervoert: elk vrachtschip, iedere olie-, chemicaliën-, of
gastanker, of een passagiersschip, waarmee wordt vervoerd een
gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een
schadelijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel h, vanrichtlijn
nr. 2002/59/EG;
i. routeringssysteem: een systeem bestaande uit een of meer
routes of routeringsmaatregelen, gericht op het verminderen van
gevaar voor scheepsongevallen, met inbegrip van
verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer,
aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones
voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes.
Artikel 2a
Een wijziging van richtlijn nr. 2002/59/EG gaat voor de toepassing
van dit reglement gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Verantwoordelijkheid
Artikel 3
De kapitein is verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen
van dit besluit, tenzij uit de desbetreffende bepaling anderszins
blijkt.
Voorzorgsmaatregelen
Artikel 4
Ook bij het ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit
besluit, worden alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goede
zeemanschap zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat door of
vanaf het schip:
a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;
b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende
voorwerpen, dan wel waterstaatswerken, kustverdedigingen, of andere
werken en inrichtingen van welke aard ook; of
c. de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in
gevaar wordt gebracht.
Paragraaf 2. Ordening van het scheepvaartverkeer
Meld-, uitluister- en communicatieplicht
Artikel 5
1. Een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen
vervoert of een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de
Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer, doet geen in Nederland gelegen
haven, ankerplaats, terminal of een in de Nederlandse territoriale zee
gelegen laad- of losinrichting aan, voordat de kapitein, de exploitant
of de agent aan de bevoegde autoriteit van de eerste bestemming in
Nederland de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens heeft
gemeld omtrent het schip, de positie, het tijdstip van aankomst en
vertrek daarvan, de daarmee vervoerde lading, het aantal personen aan
boord en de uit te voeren reis, op een bij die regeling bepaalde
wijze.
2. De in het eerste lid bedoelde melding geschiedt:
a. door een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke
stoffen vervoert:
1°. indien de bestemming bij de afvaart uit de haven van
bevrachting bekend was, bij die afvaart, of
2°. indien de bestemming bij de afvaart uit de haven van
bevrachting nog niet bekend was of tijdens de reis wordt
gewijzigd, zodra deze bekend is;
b. door een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de
Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer dat geen bepaalde gevaarlijke
of schadelijke stoffen vervoert:
1°. ten minste vierentwintig uur voor aankomst, of
2°. indien de bestemming bij de afvaart uit de vorige
haven bekend was en de reisduur minder dan vierentwintig uur
bedraagt, uiterlijk op het tijdstip waarop het schip de vorige
haven verlaat, of
3°. indien de bestemming bij de afvaart uit de vorige
haven nog niet bekend was of tijdens de reis wordt gewijzigd,
zodra deze bekend is.
3. Onverminderd het eerste lid, vaart een schip als bedoeld in dat
lid, de Nederlandse territoriale zee niet binnen, tenzij de kapitein
de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens heeft gemeld aan
de bevoegde autoriteit van het aanloopgebied waarnaar het schip op weg
is, op het voor het aanloopgebied voorgeschreven marifoonkanaal.
4. De kapitein, de exploitant of de agent van een zeeschip dat
bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert, deelt voor de
afvaart van dat schip van een in de Nederlandse territoriale zee
gelegen ankerplaats of laad- of losinrichting met een andere
bestemming dan een in Nederland gelegen haven, ankerplaats, laad- of
losinrichting of wachtplaats, aan de bevoegde autoriteit van het
desbetreffende aanloopgebied de bij ministeriële regeling
vastgestelde gegevens mede omtrent het schip, het tijdstip van vertrek
daarvan, de daarmee vervoerde lading, het aantal personen aan boord en
de uit te voeren reis, op een bij die regeling bepaalde wijze.
5. Een schip als bedoeld in het eerste lid, luistert in een
aanloopgebied uit en neemt, indien nodig, op het voorgeschreven
marifoonkanaal aan ter plaatse gevoerde communicatie deel.
6. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing op ieder schip
dat is uitgerust met een marifoon.
7. De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de in het
eerste en vierde lid bedoelde meldingsplichten met betrekking tot een
zeeschip als bedoeld in die leden, dat in lijndienst vaart tussen twee
in Nederland gelegen havens of tussen een in Nederland gelegen haven
en een haven gelegen in een andere staat, als wordt voldaan aan de
voorschriften, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van
richtlijn nr. 2002/59/EG.
8. De bevoegde autoriteit trekt de ontheffing in wanneer niet meer
wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het zevende lid.
9. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een schip
als bedoeld in artikel 2, tweede lid, in samenhang met artikel 6 bis
van richtlijn nr. 2002/59/EG.
10. De kapitein of exploitant van een schip dat behoort tot een bij
ministeriële regeling vast te stellen categorie schepen meldt aan de
bevoegde instantie de bij die regeling vast te stellen gegevens op een
bij die regeling vast te stellen tijdstip voordat met het schip een in
Nederland gelegen haven, een in de Nederlandse territoriale zee
gelegen offshore-installatie of een ankerplaats ter hoogte van die
haven of offshore-installatie wordt aangedaan.
Artikel 5a. Routerings-en meldingssystemen
1.Bij ministeriële regeling kunnen voor in die regeling vermelde
categorieën schepen in de Nederlandse territoriale zee,
overeenkomstig richtlijnen en criteria van de Internationale Maritieme
Organisatie, routeringssystemen en meldingssystemen worden
vastgesteld.
2.Degene die een schip voert maakt gebruik van de op grond van het
eerste lid vastgestelde routeringssystemen en voldoet daarbij aan de
voorschriften van de op grond van dat lid vastgestelde
meldingssystemen.
Mededelingsplicht
Artikel 6
Van een schip wordt zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteit
medegedeeld dat het:
a. aan de grond is geraakt of gezonken;
b. in aanraking is gekomen met een ander schip en daarbij schade
van betekenis is ontstaan of zich persoonlijke ongevallen hebben
voorgedaan;
c. een boei, baken of waterstaatswerk heeft aangevaren,
verplaatst of beschadigd;
d. in een toestand verkeert waardoor de manoeuvreerbaarheid of de
veiligheid nadelig wordt beïnvloed; of
e. voorwerpen of stoffen heeft verloren of dreigt te verliezen,
die het scheepvaartverkeer in gevaar kunnen brengen.
Bijzonder transport
Artikel 7. Bijzonder transport en werkzaamheden
1.Een bijzonder transport dan wel een schip door middel waarvan
werkzaamheden worden verricht, vaart niet dan met toestemming van de
bevoegde autoriteit.
2.In afwijking van het eerste lid vaart een bijzonder transport dan
wel een schip door middel waarvan werkzaamheden worden verricht, dat
zich zowel in een aanloopgebied als in de territoriale zee begeeft,
niet dan met toestemming van de bevoegde autoriteit voor de
territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden.
3.Het verlenen of onthouden van toestemming als bedoeld in het
tweede lid geschiedt in overeenstemming met de bevoegde autoriteit van
het aanloopgebied waarin het bijzonder transport dan wel het schip
door middel waarvan de werkzaamheden worden verricht vaart.
Voor anker gaan
Artikel 8
[Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken
door Stb. 2010/748.]
Een schip gaat in een aanloopgebied niet voor anker, dan na daartoe
van de bevoegde autoriteit toestemming te hebben verkregen.
Bescherming van verkeerstekens
Artikel 9
Een schip meert niet af aan een verkeersteken.
Radarreflector
Artikel 10 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Een klein schip voert in een aanloopgebied een radarreflector die dat
schip voor radar zichtbaar maakt.
Verkeersaanwijzingen
Artikel 11
Verkeersaanwijzingen worden opgevolgd.
Evenementen
Artikel 12
1.Een sportevenement, een festiviteit of een ander evenement,
oefeningen en trainingen daaronder begrepen, waarbij een of meer
schepen zijn betrokken of waarbij zich personen anders dan op een
schip te water bevinden, vindt niet plaats, tenzij dat minimaal 6
weken van te voren bij de bevoegde autoriteit is gemeld.
2.Een activiteit als bedoeld in het eerste lid die de veiligheid
van de scheepvaart in gevaar kan brengen, vindt niet plaats, tenzij
daartoe toestemming van de bevoegde autoriteit is verkregen.
3.In afwijking van het tweede lid geschiedt een in het eerste lid
bedoelde activiteit, die zowel in een aanloopgebied als in de
territoriale zee plaatsvindt, niet dan met toestemming van de bevoegde
autoriteit voor de territoriale zee, behoudens de aanloopgebieden.
4.Het verlenen of onthouden van toestemming als bedoeld in het
derde lid geschiedt in overeenstemming met de bevoegde autoriteit van
het aanloopgebied waarin de in het eerste lid bedoelde activiteit
plaatsvindt.
Toestemming laden, lossen en bunkeren
Artikel 13
Een schip wordt niet geladen, gelost, of gebunkerd, tenzij daartoe
door de bevoegde autoriteit toestemming is verleend.
Paragraaf 3 [Vervallen per 29-10-2004]
Artikel 14 [Vervallen per 29-10-2004]
Paragraaf 4. Verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking
als een verkeersteken
Vaststellen van verkeerstekens
Artikel 15
De bij dit besluit behorende bijlage 2 vermeldt de verkeerstekens ter
markering van het vaarwater of van obstakels daarin.
Opvolgen van en rekening houden met verkeerstekens en bekendmakingen
met dezelfde strekking als een verkeersteken
Artikel 16
1.Een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken
inhoudende een gebod of verbod wordt opgevolgd.
2.Met een verkeersteken ter markering, of met een bekendmaking met
dezelfde strekking als een verkeersteken inhoudende een aanbeveling of
inlichting, wordt rekening gehouden.
Paragraaf 5. Bijzondere bepalingen
Regels voor een diepstekend schip
Artikel 17
1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de deelname aan het scheepvaartverkeer door schepen in
de Eurogeul, de Maasgeul en de IJgeul, die een in die regeling
vastgestelde diepgang hebben.
2. De in het eerste lid bedoelde regels kunnen slechts
voorschriften inhouden aangaande:
a. de toegelaten afmetingen van een schip;
b. de bouw, de uitrusting, het motorvermogen en de
manoeuvreerbaarheid van een schip;
c. de grootste snelheid waarmede mag worden gevaren;
d. de meteorologische omstandigheden waaronder mag worden
gevaren; of
e. de minimale waterdiepte onder de kiel en in verband daarmee
het tijdstip waarop een schip zich op een bepaalde plaats mag
bevinden.
Artikel 17a. Belading
1. Een schip neemt niet deel aan de scheepvaart indien het zodanig
is beladen, dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant van de
inzinkingsmerken, dan wel indien het zodanig is beladen, dat het een
geringer vrijboord heeft dan blijkens de afgegeven certificaten is
toegestaan.
2. Een schip neemt niet deel aan de scheepvaart indien door de
wijze van belading de stabiliteit in gevaar wordt gebracht.
Artikel 18. Maatregelen in geval van gevaarlijke ijsgang
In geval van gevaarlijke ijsgang kan de bevoegde autoriteit verlangen
dat schepen die zich in het betrokken gebied bevinden en die een haven
of terminal willen binnen- of uitvaren of een ankerplaats willen
verlaten, met documenten kunnen aantonen dat zij aan sterkte- en
vermogenseisen voldoen die op de ijsgang in het betrokken gebied zijn
afgestemd.
Aan toestemming te verbinden voorschriften
Artikel 19
Aan een toestemming als bedoeld in de artikelen 7, eerste en tweede
lid, 8, 12, tweede en derde lid, en 13, kunnen voorschriften worden
verbonden.
Paragraaf 6. Strafbepaling
Strafbaarstelling
Artikel 20. Strafbaarstelling
Overtreding van de bij of krachtens dit besluit vastgestelde regels,
alsmede overtreding van de aan toestemming verbonden voorschriften, is
een strafbaar feit.
Paragraaf 7. Wijzigingen in andere besluiten
Wijzigingen Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar
Terneuzen
Artikel 21
[Wijzigt het Scheepvaartreglement voor het Kanaal van Gent naar
Terneuzen]
Wijzigingen Scheepvaartreglement Westerschelde 1990
Artikel 22
[Wijzigt het Scheepvaartreglement Westerschelde 1990]
Wijzigingen Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer
Artikel 23
[Wijzigt het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer]
Wijziging Besluit van 15 april 1992, houdende regelen met betrekking
tot de bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel
verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen
eisen (Stb. 234)
Artikel 24
[Wijzigt het Besluit houdende regelen met betrekking tot de
bevoegdheid tot het geven van verkeersinformatie dan wel
verkeersaanwijzingen en de daartoe aan de bevoegde personen te stellen
eisen]
Wijziging Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement
Artikel 25
[Wijzigt het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement]
Wijziging Binnenvaartpolitiereglement
Artikel 26
[Wijzigt het Binnenvaartpolitiereglement]
Paragraaf 8. Slotbepalingen
Intrekking Bijzonder reglement Rotterdamse Waterweg
Artikel 27
Het Bijzonder reglement Rotterdamse Waterweg wordt ingetrokken.
Intrekking besluit betonning, bebakening, kust- en oeververlichting
Artikel 28
Het Besluit van 11 augustus 1934, houdende regeling van het Bestuur
over de betonning, bebakening, kust- en oeverlichten langs de zeekusten,
in de zeegaten, op de benedenrivieren en het IJsselmeer van het
Koninkrijk der Nederlanden (Stb. 138), wordt ingetrokken.
Intrekking Besluit informatieverstrekking schepen met bepaalde
stoffen
Artikel 29
Het Besluit informatieverstrekking schepen met bepaalde stoffen wordt
ingetrokken.
Wijziging grondslag
Artikel 30
Na inwerkingtreding van artikel 22, onderdeel D, van dit besluit,
berust de bekendmaking aan de Scheepvaart Scheldemond «Marifoonblokindeling»
van de Rijkshavenmeester Westerschelde van 4 november 1994, nr. Bass
134/94 (Stcrt. 216) op artikel 51, eerste, en tweede lid, van het
Scheepvaartreglement Westerschelde 1990.
Inwerkingtreding
Artikel 31
De artikelen 1 tot en met 20, artikel 23, onderdeel A, 2°, en
onderdeel B, en de artikelen 27 tot en met 29, treden in werking op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. De
artikelen 21, 22, 23, onderdeel A, 1°, en 24 tot en met 26 treden in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
Citeertitel
Artikel 32
Dit besluit wordt aangehaald als: Scheepvaartreglement territoriale
zee.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 27 februari 1996
BEATRIX
De Minister van Verkeer en
Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de achtentwintigste
maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Bijlagen niet opgenomen
|