| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Scheepvaartverkeerswet
SCHEEPVAARTREGLEMENT
VOOR HET KANAAL VAN GENT NAAR
TERNEUZEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 11 december 1991, houdende een reglement
voor de scheepvaart op het Kanaal van Gent naar Terneuzen
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 januari
1990, nr. S/J 30.057/90, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme
Zaken;
Gelet op de artikelen 4, 18 en 31, tiende lid,
van de Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352);
De Raad van State gehoord (advies van 29 mei
1990, nr. W09.90.0029);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 2 december 1991, nr. DGSM/J 31.880/91,
Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Toepassingsgebied
1.Het reglement is van toepassing op:
a. het Kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de grens met
België tot aan de sluizen van Terneuzen, alsmede het gebied van
de Westsluis, de Middensluis en de Oostsluis te Terneuzen, de
Westbuitenhaven en de Oostbuitenhaven te Terneuzen, tot aan de
denkbeeldige lijn getrokken over de koppen van de havenhoofden;
b. Zijkanaal f en Zijkanaal g voor zover gelegen ten zuiden van
de denkbeeldige lijn getrokken over de meest zuidelijke punten van
de hoofden van de oude sluis te Sas van Gent;
c. Zijkanaal a, b, d, e, h, Zijkanaal c tot aan de grens tussen
de gemeente Sas van Gent en Axel ter hoogte van Axelse Sassing,
Zijkanaal g voor zover gelegen ten noorden van de denkbeeldige
lijn getrokken over de meest zuidelijke punten van de hoofden van
de oude sluis te Sas van Gent, de Noorder- en Zuiderkanaalhaven,
de Massagoedhaven, de Ro-ro-haven en de Zevenaarhaven.
2.Het gebied beschreven in het eerste lid, onder a, wordt in dit
reglement genoemd: kanaal.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
1. In dit reglement wordt verstaan onder:
a. schip:
een drijvend voorwerp, met inbegrip van een voorwerp zonder
waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of in staat om
te worden gebruikt als een middel van verplaatsing te water;
b. zeeschip:
een schip dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is;
c. binnenschip:
een schip dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe
bestemd is;
d. bovenmaats zeeschip:
een zeeschip dat wegens zijn afmetingen met inbegrip van zijn
diepgang in verband met de toestand van het vaarwater als dusdanig
door de terzake bevoegde autoriteit wordt aangegeven
overeenkomstig de door haar vastgestelde en aan varenden bekend
gemaakte normen;
e. sleepboot:
een werktuiglijk voortbewogen schip dat sleepdienst verricht of
assistentie verleent en hiertoe bestemd is;
f. zeilschip:
een schip dat onder zeil is, mits de voortstuwingswerktuigen,
indien aangebracht, niet worden gebruikt;
g. klein schip:
een schip met een lengte van minder dan 20 meter, behalve een
sleepboot, een duwboot en een veerpont;
h. samenstel:
een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel;
i. veerpont:
een schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij het vaarwater
wordt overgestoken en dat door de bevoegde autoriteit als veerpont
is aangeduid;
j. obstakel:
een wrak, wrakstuk, tuig of voorwerp dat op de bodem van het
vaarwater ligt of staat;
k. bijzonder transport:
een drijvend voorwerp dat in zodanige staat verkeert dat
ernstige kans bestaat dat het bij de vaart de veiligheid van de
scheepvaart in gevaar brengt, schade aan de werken veroorzaakt dan
wel zinkt of lading verliest;
l. werktuiglijk voortbewogen schip:
een schip, dat door eigen voortstuwingswerktuigen wordt
voortbewogen;
m. onmanoeuvreerbaar schip:
een schip dat wegens een buitengewone omstandigheid niet in
staat is te manoeuvreren zoals vereist volgens dit reglement en
dat daardoor niet in staat is voor een ander schip uit te wijken;
n. beperkt manoeuvreerbaar schip:
een schip dat door de aard van zijn werk beperkt is in zijn
mogelijkheid om te manoeuvreren zoals vereist volgens dit
reglement en daardoor niet in staat is voor een ander schip tijdig
uit te wijken.
Als beperkt manoeuvreerbaar schip wordt onder meer beschouwd:
1°. een schip bezig met het leggen, onderhouden of het
lichten van een navigatiemerk, een kabel of een pijpleiding;
2°. een schip bezig met bagger- of onderwaterwerkzaamheden
of met hydrografische verrichtingen;
o. duwstel:
een hecht samenstel van schepen waarvan er tenminste één is
geplaatst vóór de duwboot;
p. duwboot:
een werktuiglijk voortbewogen schip dat deel uitmaakt van een
duwstel, en gebouwd of ingericht is om dit door duwen voort te
bewegen;
q. exploitant: de eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die
de zeggenschap heeft over het gebruik van een schip;
r. richtlijn nr. 2002/59/EG: richtlijn nr. 2002/59/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni
2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en
informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van
Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 208);
s. een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen
vervoert: elk vrachtschip, iedere olie-, chemicaliën-, of
gastanker, of een passagiersschip, waarmee wordt vervoerd een
gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een
schadelijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel h, van
richtlijn nr. 2002/59/EG;
t. waterscooter: klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn
mechanische middelen tot voortbeweging, sneller dan 20 km per uur
ten opzichte van het water kan varen en gebouwd of ingericht is om
door een of meer personen skiënd door of over het water te worden
voortbewogen;
u. zeilplank: klein zeilschip voorzien van een vrij bewegende
zeiltuigage die is gemonteerd op een in alle richtingen draaibare
mastvoet en die tijdens het zeilen niet in een vaste positie wordt
ondersteund.
2. In dit reglement wordt verstaan onder:
a. bevoegde autoriteit:
1°. voor de wateren in beheer bij het Rijk: de ambtenaar
of ambtenaren die als zodanig worden aangewezen door Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat;
2°. voor de wateren in beheer bij een ander openbaar
lichaam: het bestuur van dat openbaar lichaam, dan wel de
ambtenaar of ambtenaren die als zodanig door het bestuur
worden aangewezen;
b. kapitein of schipper:
degene die over het schip of het samenstel het gezag voert of
die het gezag in feite waarneemt;
c. verkeersaanwijzing: een door een daartoe bevoegd persoon aan
een of meerdere verkeersdeelnemers gegeven gebod om een bepaald
resultaat in het verkeersgedrag te bewerkstelligen of opgelegd
verbod van een bepaald resultaat in het verkeersgedrag;
d. verkeersteken:
een in, naast of boven een vaarwater aangebracht voorwerp of
aangebrachte combinatie van voorwerpen waarmee aan het
scheepvaartverkeer wordt gegeven:
1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde
plaats in of een bepaald gedeelte van een vaarwater, of
2°. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod
onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het
verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een bepaald
gedeelte van een vaarwater.
e. bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken:
een schriftelijke mededeling aan het scheepvaartverkeer waarmee
aan dat verkeer wordt gegeven:
1°. een inlichting over de toestand van een bepaalde
plaats in of een bepaald gedeelte van het vaarwater, of
2°. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod
onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het
verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een bepaald
gedeelte van het vaarwater;
f. vaarwater:
het gedeelte van de bij artikel 1 bedoelde wateren dat door
schepen kan worden bevaren;
g. varende:
niet ten anker liggende, niet gemeerd zijnde en niet aan de
grond zittend;
h. assisteren:
het bijstaan van een werktuiglijk voortbewogen schip door één
of meer sleepboten die verbonden zijn aan of in aanraking zijn met
het werktuiglijk voortbewogen schip;
i. hoogte:
1°. voor alle schepen, uitgezonderd binnenschepen voorzien
van een meetbrief: de hoogte boven de romp of de hoogte boven
het hoogste doorlopende dek of, bij gebrek hieraan, boven het
potdeksel;
2°. voor binnenschepen voorzien van een meetbrief: de
hoogte boven het vlak gaande door de ijkmerken die het vlak
van de grootste diepgang aangeven;
j. lengte en breedte van een schip:
de lengte over alles en de grootste breedte buitenwerks;
k. schepen in zicht van elkaar:
vanaf het ene schip kan het andere met het oog worden
waargenomen;
l. beperkt zicht:
elke omstandigheid waarin het zicht wordt beperkt door mist,
nevelig weer, sneeuwval, zware regenbuien, rook, damp of andere
soortgelijke oorzaken;
m. keren:
het schip dat varende is verandert zodanig van vaarrichting dat
het komt te varen in een richting tegengesteld aan die waarin het
voer.
Artikel 2a
Een wijziging van richtlijn nr. 2002/59/EG gaat voor de toepassing
van dit reglement gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 3. Verantwoordelijkheid
1.De kapitein of schipper is verantwoordelijk voor de naleving van
de bepalingen van dit reglement tenzij uit die bepalingen blijkt dat
de naleving aan anderen is opgedragen.
2.Niets in dit reglement ontheft een schip, zijn reder, kapitein of
schipper of bemanning van de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van
enige nalatigheid in de naleving van dit reglement, dan wel van
veronachtzaming van enige voorzorgsmaatregel die volgens het gewone
zeemansgebruik of door de bijzondere omstandigheden waarin het schip
zich bevindt geboden is.
3.Bij het uitleggen en naleven van dit reglement moet goed rekening
worden gehouden met alle gevaren voor de navigatie en voor aanvaring
en met bijzondere omstandigheden, waaronder de beperkingen van de
betrokken schepen, die ter vermijding van onmiddellijk gevaar een
afwijken van dit reglement noodzakelijk kunnen maken.
4.De leden van de bemanning zijn verplicht te gehoorzamen aan de
bevelen van de kapitein of de schipper, welke hun ter naleving van de
voorschriften van dit reglement worden gegeven; zij moeten tot deze
naleving, ook zonder bevel, hun volle medewerking verlenen.
5.
a. de kapitein of schipper moet gevolg geven aan een
verkeersteken dat een verbod of een gebod bevat en rekening houden
met een verkeersteken dat een aanbeveling of een inlichting bevat
dan wel met een verkeersteken dat dient ter markering van het
vaarwater of van obstakels die daarin voorkomen.
b. Onderdeel a is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken.
6.De schipper van een binnenschip dat één of meer andere
binnenschepen voortbeweegt, is de schipper van het samenstel.
Wanneer meer dan één binnenschip voor de voortbeweging zorgt,
moet de schipper van het samenstel tijdig worden aangewezen.
7.Indien een stilliggend schip geen kapitein of schipper heeft,
a. is de eigenaar of de gebruiker, ieder afzonderlijk,
verantwoordelijk voor de naleving van artikel 42;
b. is de wachtsman, bedoeld in artikel 42, eerste lid, dan wel
de persoon die toezicht houdt, bedoeld in artikel 42, tweede lid,
dan wel de persoon die luisterwacht houdt, bedoeld in artikel 42,
derde lid, verantwoordelijk voor de naleving van de artikelen 9,
vierde, zesde tot en met negende en twaalfde lid, 20, 25, 27, 29,
zevende lid, 30, 31, derde en vijfde lid, 35, derde en vierde lid,
en 43 tot en met 48.
Hoofdstuk 2. Voorschriften betreffende de vaart
Afdeling 1. Gedrag van de schepen bij elk soort zicht
Artikel 4. Toepassing
De voorschriften in deze afdeling zijn van toepassing bij elk soort
zicht.
Artikel 5. Uitkijk
Een schip moet te allen tijde door kijken en luisteren alsook door
gebruik te maken van alle beschikbare middelen aangepast aan de
heersende omstandigheden en toestanden, goede uitkijk houden zodat de
omstandigheden en het gevaar voor aanvaring volledig kunnen worden
beoordeeld.
Artikel 6. Veilige vaart
1.Een schip moet te allen tijde een veilige vaart aanhouden zodat
het juiste en doeltreffende maatregelen kan nemen ter vermijding van
aanvaring en kan worden gestopt binnen een voor de heersende
omstandigheden en toestanden aangepaste afstand. Bij de bepaling van
een veilige vaart moet onder meer rekening worden gehouden met de
volgende factoren:
a. door alle schepen:
1°. het zicht;
2°. de verkeersdichtheid met inbegrip van concentraties
van schepen;
3°. de manoeuvreerbaarheid van het schip, in het bijzonder
wat betreft de afstand waarbinnen gestopt kan worden en de
wendbaarheid in verband met de heersende toestanden;
4°. bij nacht de aanwezigheid van achtergrondlicht zoals
van wallichten of het stralen van eigen lichten;
5°. de toestand van wind en de nabijheid van gevaren voor
de navigatie;
6°. de diepgang ten opzichte van de beschikbare
waterdiepte;
7°. de afmetingen van het schip;
8°. de aard van de lading;
b. bovendien, door schepen met een goed werkende radar:
1°. de eigenschappen, doeltreffendheid en beperkingen van
de radarinstallatie;
2°. eventuele beperkingen opgelegd door het ingestelde
radarbereik;
3°. de invloed van de toestand van het vaarwater, het weer
en andere omstandigheden die de radarwaarneming storend kunnen
beïnvloeden;
4°. de mogelijkheid dat kleine schepen, ijs en drijvende
voorwerpen niet op voldoende afstand met radar worden
waargenomen;
5°. het aantal, de plaats en de beweging van de met radar
waargenomen schepen;
6°. de mogelijkheid tot nauwkeuriger beoordelen van het
zicht bij gebruik van de radar voor het bepalen van de afstand
tot schepen en andere voorwerpen in de omgeving;
c. bovendien, voor schepen uitgerust met een goed werkende
marifooninstallatie: de verplichting doeltreffend gebruik te maken
van inlichtingen van walstations en van andere schepen via het
door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen marifoonkanaal.
Afgezien van de verplichting via het aangewezen marifoonkanaal de
meldingen te doen die hun worden opgelegd door de bevoegde
autoriteit, mag het marifoonkanaal door schepen slechts worden
gebruikt voor mededelingen omtrent de veiligheid van de
scheepvaart en, in dringende gevallen, omtrent de beveiliging van
de personen aan boord.
2.Om een veilige vaart te kunnen aanhouden moet een schip, tenzij
het wordt gesleept of geduwd, uitgerust zijn met een gebruiksklare
motor waarmede een snelheid van ten minste 6 kilometer per uur door
het water kan worden gehandhaafd.
3.
a. De hierna genoemde schepen moeten met een goed werkende
marifooninstallatie zijn uitgerust en deze zo nodig gebruiken:
1°. zeeschepen;
2°. binnenschepen of duwstellen met een lengte van meer
dan 110 meter;
3°. binnenschepen, duwstellen en gekoppelde samenstellen
geladen met de gevaarlijke stoffen bedoeld in de bij dit
besluit behorende bijlagen 2, 3 of 4;
b. Indien de lengte van een binnenschip of van een duwstel meer
dan 110 meter bedraagt, moet dit van een in twee richtingen
werkende spreekverbinding zijn voorzien tussen de stuurhut en de
kop van het schip of tussen de duwboot en de kop van het duwstel.
4.Werktuiglijk voortbewogen schepen moeten hun vaart tijdig
verminderen en zo nodig stoppen, indien voor hen hierdoor geen
onmiddellijk gevaar dreigt:
a. telkens wanneer zij in de nabijheid komen van schepen
waarvoor golfslag of zuiging gevaar kan opleveren en die de bij
artikel 31, derde lid, voorgeschreven lichten of dagmerken voeren;
b. op plaatsen aangeduid door het teken A 9 van de bij dit
besluit behorende bijlage 5.
5.Wanneer schepen elkaar naderen met tegengestelde koersen bij een
engte waarvan de doortocht zo nauw is dat het tegelijkertijd doorvaren
gevaar kan opleveren, moet het schip dat geen hindernis aan zijn
stuurboordzijde heeft, zijn weg vervolgen en moet het andere wachten
totdat de engte vrij is.
6.Een schip mag slechts gebruik maken van een marifooninstallatie
indien deze is goedgekeurd door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat, en deze geschikt is voor gebruik van de daartoe aangewezen
kanalen.
7.Het is verboden met een schip met een lengte van 20 meter of meer
zeilen te voeren of te zeilen.
8.De maximum toegelaten snelheid bedraagt:
a. voor schepen met een diepgang van 10 meter of meer: 9
kilometer per uur;
b. voor schepen met een diepgang tussen 4,50 en 10 meter: 12
kilometer per uur;
c. voor schepen met een diepgang van 4,50 meter of minder: 16
kilometer per uur.
9.Een schip mag niet varen indien door de wijze van belading of
anderszins de stabiliteit in gevaar wordt gebracht, of indien het
schip slecht bestuurbaar is of dreigt te zinken.
Artikel 7. Gevaar voor aanvaring
1.Een schip moet alle beschikbare middelen gebruiken, passend in de
heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of gevaar voor
aanvaring bestaat. In geval van twijfel wordt zodanig gevaar geacht te
bestaan.
2.Wanneer op een schip een goed werkende marifooninstallatie en
goed werkende radarapparatuur zijn aangebracht, moet daarvan dusdanig
gebruik gemaakt worden, dat vroegtijdige waarschuwing voor het gevaar
voor aanvaring wordt verkregen.
3.Er mogen geen gevolgtrekkingen worden gemaakt op grond van
summiere gegevens, vooral niet van summiere gegevens verkregen met
behulp van radar.
Artikel 8. Maatregelen ter vermijding van aanvaring
1.Alle maatregelen ter vermijding van aanvaring moeten, indien de
omstandigheden zulks toelaten, doelmatig en duidelijk zijn en op tijd
worden genomen, daarbij goed rekening houdend met de gebruiken van
goede zeemanschap.
2.Indien zulks noodzakelijk is ter vermijding van aanvaring of om
meer tijd te verkrijgen ter beoordeling van de situatie, moet een
schip vaart minderen of de vaart er geheel uithalen door stoppen of
achteruit slaan.
3.De maatregelen genomen ter vermijding van aanvaring met een ander
schip moeten zodanig zijn dat zij leiden tot het voorbijvaren op
veilige afstand. De doeltreffendheid van de maatregelen moet
zorgvuldig worden gecontroleerd totdat het andere schip geheel voorbij
is gevaren en goed vrij is.
Artikel 9. Gedrag in en buiten het kanaal
1.Een schip dat in het kanaal varende is en de richting ervan
volgt, moet de oever van het kanaal aan zijn stuurboordzijde houden,
zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
2.Een schip dat een vaarwater geheel of gedeeltelijk oversteekt of
van zijn ligplaats vertrekt, mag de koerslijn van een schip dat in dat
vaarwater varende is en de richting ervan volgt, niet kruisen indien
laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou worden koers of vaart te
wijzigen om aanvaring te voorkomen. Bij gevaar voor aanvaring moet het
schip dat een vaarwater geheel of gedeeltelijk oversteekt of van zijn
ligplaats vertrekt uitwijken.
3.
a. Een schip dat het kanaal wil binnenvaren, mag de koerslijn
van een schip dat in het kanaal vaart en de richting ervan volgt,
niet kruisen indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou
worden koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen.
Bij gevaar voor aanvaring moet eerstgenoemd schip, daar waar
het het kanaal binnenvaart, uitwijken voor een schip dat het
kanaal volgt.
b. Een schip mag de Westerschelde niet invaren, indien daardoor
een schip dat dit vaarwater in gestrekte koers volgt, zou worden
genoodzaakt zijn koers of snelheid te wijzigen.
4.Het is zonder toestemming van de bevoegde autoriteit verboden met
een schip:
a. zich zodanig op te houden of af te meren dat andere schepen
daarvan hinder kunnen ondervinden;
b. ten anker te komen, ten anker te liggen of een anker te
hebben uitstaan;
c. een anker, een kabel of een ketting te laten slepen.
5.Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing:
a. indien dit voor de veiligheid noodzakelijk is;
b. op de door de bevoegde autoriteit aangewezen ligplaatsen en
op wachtplaatsen voor sluizen en bruggen, mits dat niet geschiedt
binnen een afstand van 100 meter van plaatsen waar zich kabels of
buisleidingen bevinden.
6.Het is verboden in het kanaal met een schip af te meren, tenzij
dit is toegestaan middels verkeerstekens dan wel door de bevoegde
autoriteit.
7.De kapitein of schipper van een gemeerd schip is verplicht:
a. aan een ander schip dat wil vertrekken of verhalen, laden of
lossen dan wel ruimte wil hebben voor het langszij komen van een
schip ten behoeve van overslag, de nodige medewerking te geven;
b. te gedogen dat een ander schip verbinding met de wal heeft
anders dan om te laden of te lossen;
c. op eerste vordering van de bevoegde autoriteit zijn schip
onverwijld te verhalen of te doen verhalen, dan wel met zijn schip
de haven of vaarweg te verlaten.
8.Voor het vastmaken van meerdraden, kabels of kettingen mag alleen
gebruik gemaakt worden van de daartoe bestemde voorzieningen.
9.Een schip mag ankeren noch afmeren binnen de afstanden van een
ander schip zoals hieronder wordt bepaald:
a. binnen 10 meter van een schip dat een blauw licht of een
blauwe kegel, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, voert;
b. binnen 50 meter van een schip dat twee blauwe lichten of
kegels, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder b, of een rood
helder rondom zichtbaar licht of de internationale seinvlag
"B", bedoeld in artikel 25, eerste lid, voert;
c. binnen 100 meter van een schip dat drie blauwe lichten of
kegels, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder c, voert.
10.Het verbod in het negende lid, onder a, geldt niet voor een
schip dat eveneens dit licht of dit dagmerk voert. Het verbod geldt
evenmin voor een schip dat, zonder dat het dit licht of dit dagmerk
voert, is voorzien van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in het
Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR)
nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften voor een
schip dat ingevolge artikel 25, tweede lid, onder a, verplicht is een
blauw licht of een blauwe kegel te voeren.
11.De bevoegde autoriteit kan voor het ankeren en afmeren kleinere
afstanden toestaan dan die in het negende lid worden vermeld.
12.Het bepaalde in het negende, tiende en elfde lid is van
overeenkomstige toepassing voor de afstanden waar binnen een schip,
bedoeld in artikel 25, niet mag ankeren of afmeren ten opzichte van
een ander schip.
Artikel 10. Keren
1.Een schip dat wil keren, mag de koerslijn van een schip dat in
het vaarwater varende is en de richting ervan volgt, niet kruisen
indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou worden koers of
vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen. Een schip dat wil keren
moet dit tijdig aan de in de nabijheid zijnde schepen kenbaar maken
door het geven van één lange stoot gevolgd door één of twee korte
indien het keren respectievelijk over stuurboord dan wel over bakboord
gebeurt; dit sein moet zo nodig worden herhaald.
2.Een schip mag niet keren vóór de ingang van een haven,
zijkanaal of de toegang tot een sluis wanneer andere schepen die
verlaten of aanlopen.
Afdeling 2. Gedrag van de schepen in zicht van elkaar
Artikel 11. Toepassing
De voorschriften in deze afdeling zijn van toepassing op schepen die
in zicht van elkaar zijn.
Artikel 12. Afstand houden van schepen die gevaarlijke stoffen
vervoeren
Behalve bij oplopen en bij voorbijvaren met tegengestelde koersen,
mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 meter van een schip
dat de lichten of dagmerken voert voorgeschreven in artikel 25, eerste
lid en tweede lid, onder a, b en c.
Artikel 13. Oplopen en verbod op gelijke hoogte te blijven varen
1.Elk schip dat een ander schip oploopt, moet uitwijken voor het
schip dat wordt opgelopen.
2.Een schip wordt geacht op te lopen wanneer het een ander schip
nadert uit een richting van meer dan 22,5° achterlijker dan dwars,
dat wil zeggen in zodanige positie met betrekking tot het schip dat
wordt opgelopen dat het bij nacht alleen het heklicht daarvan zou
kunnen zien doch geen van de beide zijdelichten. Geen daaropvolgende
verandering van de peiling tussen de beide schepen zal het oplopende
schip kunnen maken tot koerskruisend in de zin van dit reglement of
het kunnen ontslaan van de plicht uit te wijken voor het opgelopen
schip totdat dit geheel is voorbijgevaren en goed vrij is.
3.Wanneer een schip in twijfel verkeert of het een ander schip
oploopt, moet het zich als oplopend schip beschouwen en uitwijken.
4.Een schip dat een ander schip oploopt, moet aan de bakboordzijde
van dat schip voorbijvaren. Wanneer het oplopen slechts kan
plaatsvinden indien het opgelopen schip maatregelen neemt om een
veilig voorbijvaren mogelijk te maken, moet het schip dat wil oplopen
tijdig zijn voornemen kenbaar maken door het geven van twee lange
stoten gevolgd door twee korte. Kan het opgelopen schip ruimte aan
zijn bakboordzijde geven dan moet het naar stuurboord uitwijken en
één korte stoot geven.
5.Wanneer de omstandigheden daartoe noodzaken, mag, in afwijking
van hetgeen in het vierde lid is voorgeschreven, het oplopende schip
aan de stuurboordzijde van het opgelopene voorbijvaren. Wanneer het
oplopen slechts kan plaatsvinden indien het opgelopen schip
maatregelen neemt om een veilig voorbijvaren mogelijk te maken, moet
het schip dat wil oplopen tijdig zijn voornemen kenbaar maken door het
geven van twee lange stoten gevolgd door één korte. Kan het
opgelopen schip ruimte aan zijn stuurboordzijde geven dan moet het
naar bakboord uitwijken en twee korte stoten geven.
6.Het opgelopen schip moet ten minste vijf korte stoten geven
indien het niet kan medewerken tot het oplopen of indien naar zijn
mening het oplopen onmogelijk is.
7.Een schip mag, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit,
een bovenmaats zeeschip dat varende is en de lichten of het dagmerk
voert omschreven in artikel 28 niet oplopen en voorbijvaren.
8.Het opgelopen schip is verplicht het oplopen te vergemakkelijken
door tijdig en genoegzaam vaart te verminderen en het oplopende schip
zoveel mogelijk ruimte te geven.
9.Schepen mogen niet op gelijke hoogte blijven varen tenzij dit
zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart kan geschieden.
Artikel 14. Recht tegen elkaar in sturen
1.Wanneer twee werktuiglijk voortbewogen schepen op tegengestelde
of bijna tegengestelde koersen tegen elkaar insturen zodanig dat dit
gevaar voor aanvaring medebrengt, moeten beide naar stuurboord
uitwijken zodat ze elkaar aan bakboord voorbijvaren.
2.Een zodanige situatie wordt geacht te bestaan wanneer een schip
een ander dusdanig recht of bijna recht vooruit ziet dat het, bij
nacht, de toplichten daarvan in één lijn of nagenoeg in één lijn
en/of beide zijdelichten zou kunnen zien. Wanneer een schip in twijfel
verkeert of een zodanige situatie bestaat, moet het aannemen dat dit
het geval is en dienovereenkomstig handelen.
Artikel 15. Koers kruisen
Wanneer de koersen van twee werktuiglijk voortbewogen schepen elkaar
kruisen zodanig dat dit gevaar voor aanvaring medebrengt, moet, behalve
waar artikel 9, tweede en derde lid, anders voorschrijft, het schip dat
het andere aan stuurboordzijde van zich heeft uitwijken en, wanneer de
omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het andere over te lopen.
Artikel 16. Maatregelen van het schip dat moet uitwijken
Elk schip dat verplicht is uit te wijken voor een ander schip moet,
voor zover dit mogelijk is, bijtijds ruim voldoende maatregelen nemen om
goed vrij te blijven.
Artikel 17. Maatregelen van het schip dat koers moet houden
1.Wanneer één van beide schepen verplicht is uit te wijken, moet
het andere zijn koers behouden voor zover bij dit reglement niet
anders is bepaald.
2.Het schip dat zijn koers moet behouden mag echter maatregelen
nemen ter vermijding van aanvaring door zelf een manoeuvre uit te
voeren zodra hem duidelijk wordt dat het schip dat verplicht is uit te
wijken niet de passende maatregelen neemt die ingevolge dit reglement
zijn voorgeschreven.
3.Indien ten gevolge van enige oorzaak het schip dat verplicht is
koers te behouden zich zo dicht bij het andere bevindt dat aanvaring
door een handeling van het schip dat moet uitwijken alléén niet kan
worden vermeden, moet het de maatregelen nemen die het best kunnen
bijdragen tot het vermijden van aanvaring.
4.Dit voorschrift ontheft het schip dat verplicht is uit te wijken
niet van die verplichting.
Artikel 18. Voorrangsregels
1.Behalve waar artikel 13 anders voorschrijft:
a. moet een schip dat varende is uitwijken voor:
1°. een onmanoeuvreerbaar schip;
2°. een bovenmaats zeeschip;
3°. een beperkt manoeuvreerbaar schip;
b. moet een bovenmaats zeeschip dat varende is uitwijken voor
een onmanoeuvreerbaar schip;
c. moet een beperkt manoeuvreerbaar schip dat varende is
uitwijken voor een onmanoeuvreerbaar schip en voor een bovenmaats
zeeschip;
d. moet een klein schip dat varende is uitwijken voor andere
dan kleine schepen.
2.Buiten de gedeelten van het kanaal die door de bevoegde
autoriteit zijn aangegeven, is het een bovenmaats zeeschip verboden
een ander bovenmaats zeeschip met tegengestelde koers voorbij te
varen.
3.Buiten de gedeelten van het kanaal die door de bevoegde
autoriteit zijn aangegeven, is het een zeeschip met een lengte van 245
meter of meer en een duwstel of een gekoppeld samenstel met een
breedte van 15 meter of meer verboden elkaar met tegengestelde koersen
voorbij te varen.
4.Wanneer twee kleine schepen elkaar zodanig naderen dat gevaar
voor aanvaring bestaat en één van die schepen houdt de
stuurboordzijde van het vaarwater, dan moet dit schip zijn weg
vervolgen en moet het andere schip uitwijken.
5.Wanneer een werktuiglijk voortbewogen klein schip, een door
spierkracht voortbewogen klein schip of een klein zeilschip elkaar
zodanig naderen dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet, behoudens in
het geval genoemd in het vierde lid:
a. het werktuiglijk voortbewogen klein schip uitwijken voor het
andere schip;
b. het door spierkracht voortbewogen klein schip uitwijken voor
het zeilschip.
6.Wanneer, behoudens in het geval genoemd in het vierde lid:
a. twee werktuiglijk voortbewogen kleine schepen zodanig recht
of bijna recht tegen elkaar insturen dat gevaar voor aanvaring
bestaat, moeten beide naar stuurboord uitwijken zodat ze elkaar
aan bakboord voorbijvaren;
b. de koersen van twee werktuiglijk voortbewogen kleine schepen
elkaar zodanig kruisen dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het
schip dat het andere aan stuurboordzijde van zich heeft,
uitwijken.
7.Een klein schip dat ingevolge het bij het eerste, vierde, vijfde
of zesde lid gestelde verplicht is uit te wijken, moet dit tijdig en
naar stuurboord doen en moet, indien de omstandigheden dit toelaten,
vermijden vóór het andere schip over te lopen.
8.Indien twee kleine zeilschepen elkaar zodanig naderen dat gevaar
voor aanvaring bestaat, moet, behoudens in het geval genoemd in het
vierde lid:
a. wanneer beide schepen over verschillende boeg liggen, het
schip dat over stuurboordboeg ligt uitwijken voor het schip dat
over bakboordboeg ligt;
b. wanneer beide schepen over dezelfde boeg liggen, het
loefwaartse schip wijken voor het lijwaartse;
c. een schip dat over stuurboordboeg ligt en dat aan zijn
loefzijde een schip ziet waarvan niet met zekerheid is te bepalen
of het over stuurboord- dan wel over bakboordboeg ligt, voor
laatstgenoemd schip uitwijken.
Afdeling 3. Gedrag van de schepen bij beperkt zicht
Artikel 19. Gedrag bij beperkt zicht
1. Bij beperkt zicht maakt een schip gebruik van radar. Als een
schip niet op radar kan varen, gaat het bij beperkt zicht op de
dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats stilliggen.
2. Elk schip moet een veilige vaart aanhouden aangepast aan de
heersende omstandigheden en de toestanden van beperkt zicht en zonodig
stoppen. Een werktuiglijk voortbewogen schip moet zijn machines gereed
hebben ten einde onmiddellijk te kunnen manoeuvreren.
3. Een schip dat alleen met radar de aanwezigheid van een ander
schip waarneemt, moet vaststellen of zich een situatie ontwikkelt
waarin men elkaar zo dicht nadert dat gevaar voor aanvaring kan
ontstaan. Is dit het geval dan moet het bijtijds maatregelen ter
vermijding daarvan nemen.
4. Behalve wanneer is vastgesteld dat geen gevaar voor aanvaring
bestaat, moet elk schip dat meent voorlijker dan dwars het mistsein te
horen van een ander schip of dat een dicht naderen van een schip
voorlijker dan dwars niet kan vermijden, zijn vaart verminderen tot
het minimum waarbij het op koers kan worden gehouden. Indien nodig
moet de vaart geheel uit het schip worden gehaald en in elk geval
uiterst voorzichtig gemanoeuvreerd worden tot het gevaar voor
aanvaring is geweken.
5. Schepen mogen slechts met behulp van radar varen indien:
a. ze zijn uitgerust met een voor de behoeften van de
binnenvaart geschikte radarinstallatie en een bochtaanwijzer;
b. ze zijn uitgerust met een marifooninstallatie waarmede het
onderhouden van verbinding tussen schepen onderling mogelijk is;
c. zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een
diploma dat overeenkomstig de daaromtrent vastgestelde regelen is
afgegeven;
d. zowel de in onderdeel c bedoelde persoon als een tweede
persoon, die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is,
zich voortdurend in de stuurhut bevinden. Voor een schip waarvan
de stuurstelling zodanig is ingericht, dat het voeren van het
schip dat vaart met behulp van radar, door één persoon kan
geschieden, behoeft de tweede persoon slechts aan boord
beschikbaar te zijn.
De radar, de marifooninstallatie en de bochtaanwijzer moeten goed
functioneren en goedgekeurd zijn door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat.
6. Bij het varen bij beperkt zicht met behulp van radar moet de
marifooninstallatie voortdurend op het kanaal zijn ingeschakeld dat
door de bevoegde autoriteit is voorgeschreven en aan de scheepvaart is
bekend gemaakt, hetzij om uit te luisteren, hetzij om inlichtingen te
geven ten behoeve van andere schepen. De marifooninstallatie moet
tevens worden gebruikt voor het onderhouden van verbinding met de
bevoegde personen aan de wal.
Hoofdstuk 3. Lichten en dagmerken
Artikel 20. Toepassing
1.Zeeschepen moeten de lichten en dagmerken voeren zoals
voorgeschreven bij de van kracht zijnde internationale bepalingen ter
voorkoming van aanvaringen op zee en op de bij die bepalingen
voorgeschreven wijze, voor zover niet bij dit reglement wordt bepaald
dat op zeeschepen in afwijking daarvan de voorschriften van dit
reglement van toepassing zijn.
2.De voorschriften in dit hoofdstuk moeten onder alle
weersomstandigheden worden nageleefd.
3.
a. De voorschriften betreffende de lichten zijn van toepassing
van zonsondergang tot zonsopgang en gedurende die tijd mogen geen
andere lichten worden getoond.
b. De voorgeschreven lichten moeten, indien zij worden gevoerd,
ook worden getoond van zonsopgang tot zonsondergang bij beperkt
zicht en mogen onder alle andere omstandigheden worden getoond
wanneer dat noodzakelijk wordt geacht.
c. Schepen mogen geen verblindende lichten gebruiken waardoor
voor andere schepen of voor het verkeer te land gevaar of hinder
kan ontstaan.
4.De voorschriften betreffende de dagmerken moeten overdag worden
nageleefd en gedurende die tijd mogen geen andere dagmerken worden
getoond.
5.De in dit reglement vermelde lichten of dagmerken mogen alleen
worden gevoerd of getoond in de omstandigheden en voor de doeleinden
voorzien bij dit reglement.
Artikel 21. Begripsomschrijvingen
1.Lichten
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. toplicht:
een wit krachtig licht, geplaatst in het midscheepse verticale
vlak in langsrichting van het schip, ononderbroken zichtbaar over
een boog van de horizon van 225°, van recht vooruit tot 22,5°
achterlijker dan dwars aan elke zijde van het schip;
b. zijdelichten:
een groen helder licht geplaatst aan stuurboordzijde en een
rood helder licht geplaatst aan bakboordzijde, ononderbroken
zichtbaar over een boog van de horizon van 112,5°, van recht
vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars, elk aan hun zijde, en
op één lijn loodrecht op het midscheepse verticale vlak in
langsrichting;
c. heklicht:
een wit helder of gewoon licht geplaatst zo dicht mogelijk bij
het hek als uitvoerbaar, dat ononderbroken zichtbaar is over een
boog van de horizon van 135°, van recht achteruit over 67,5°
naar elke zijde van het schip;
d. sleeplicht:
een geel helder licht met dezelfde kenmerken als het heklicht,
omschreven onder c;
e. rondom zichtbaar licht:
een licht dat ononderbroken zichtbaar is over een boog van de
horizon van 360°;
f. flikkerlicht:
een rondom zichtbaar licht dat flikkert met regelmatige
tussenpozen met een frequentie van ten minste 50 flikkeringen per
minuut.
2.Dagmerken
a. De voorgeschreven dagmerken moeten, tenzij in dit reglement
anders bepaald, zwart zijn en moeten de volgende afmetingen
hebben:
1°. een bal: een middellijn van ten minste 0,50 meter;
2°. een cylinder: een middellijn van ten minste 0,50 meter
en een hoogte van tweemaal zijn middellijn;
3°. een kegel: een grondvlak met een middellijn van ten
minste 0,50 meter en een hoogte gelijk aan zijn middellijn;
4°. een ruit bestaat uit twee kegels zoals beschreven
onder 3°, die het grondvlak gemeen hebben.
Elk der voorgeschreven dagmerken kan worden vervangen door een
voorwerp dat als zodanig gezien wordt.
b. De voorgeschreven vlaggen moeten rechthoekig zijn en zij
moeten een hoogte hebben van ten minste 0,75 meter bij een breedte
van ten minste 0,90 meter.
c. Vorm en kleur van de dagmerken moeten steeds herkenbaar
zijn.
3.Onderlinge afstand tussen lichten of dagmerken
De loodrechte onderlinge afstand tussen de lichten of de dagmerken
bedraagt, tenzij in dit reglement anders is bepaald, ten minste 0,50
meter en ten hoogste 2 meter.
Indien meer dan twee van dergelijke lichten of dagmerken worden
gevoerd moeten de onderlinge afstanden gelijk zijn.
4.Bijzondere regeling
Indien de afmetingen van het schip een belemmering vormen om de
lichten en dagmerken te voeren als voorzien in het tweede en het derde
lid, mogen dagmerken met kleinere afmetingen, passend bij de grootte
van het schip, worden gebruikt en mogen de onderlinge afstanden tussen
lichten of dagmerken dienovereenkomstig worden verminderd.
Artikel 22. Zichtbaarheid van de lichten
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. zichtbaar:
zichtbaar bij donkere nacht en bij heldere dampkring;
b. gewoon licht, helder licht en krachtig licht:
1. voor zeeschepen:
lichten die op een afstand van onderscheidenlijk ten minste
1.000 meter, 2.000 meter en 3.000 meter zichtbaar zijn;
2. voor binnenschepen:
de lichten die voldoen aan de eisen van bijlage 1.5 van de
Binnenvaartregeling.
Artikel 23. Werktuiglijk voortbewogen schepen
1.Een werktuiglijk voortbewogen schip, dat varende is, moet voeren:
a. een toplicht op het voorschip;
b. een tweede toplicht achterlijker en hoger dan het voorste;
c. zijdelichten;
d. een heklicht.
Een werktuiglijk voortbewogen binnenschip met een lengte van 110
meter of minder is niet verplicht het tweede toplicht te voeren maar
mag dit wel doen.
2.Het voorste toplicht of, indien slechts één toplicht wordt
gevoerd, dat toplicht, wordt voor schepen met een lengte van 40 meter
of meer op ten minste 6 meter hoogte, en voor schepen met een lengte
van minder dan 40 meter op ten minste 4 meter hoogte geplaatst, en in
elk geval ten minste 1 meter hoger dan de zijdelichten.
3.Wanneer twee toplichten worden gevoerd, moet het achterste ten
minste 3 meter hoger zijn geplaatst dan het voorste of het hoogste van
de bij artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde lichten. De
horizontale afstand tussen beide lichten mag niet minder zijn dan de
helft van de lengte van het schip.
4.Bij het varen door de doorvaartopening van een brug met een
beperkte doorvaarthoogte dan wel van een ander kunstwerk, mogen de in
het tweede en derde lid bedoelde lichten zoveel lager worden gevoerd
als hiervoor nodig is.
5.De zijdelichten moeten op gelijke hoogte zijn geplaatst.
6.Samenstellen van varende langszij aan elkaar gekoppelde schepen,
niet zijnde kleine schepen, moeten voeren:
a. op elk voortstuwend schip het toplicht of de toplichten;
b. op elk niet voortstuwend schip een rondom zichtbaar wit
helder licht geplaatst op voldoende hoogte doch niet hoger dan het
voorste toplicht van het voortstuwende schip, en bij een lengte
van meer dan 110 meter twee dergelijke lichten, één voorop en
één achterop, op gelijke hoogte;
c. de zijdelichten geplaatst aan de buitenzijde van het
gekoppelde samenstel en voor zover als mogelijk op gelijke hoogte
en ten minste 1 meter lager dan het licht bedoeld onder b;
d. op elk schip het heklicht.
Artikel 24. Slepen en assisteren
1.Een sleepboot of een werktuiglijk voortbewogen schip dat één of
meer schepen sleept of assisteert moet, behalve de zijdelichten en het
heklicht, onder of boven het in artikel 23, eerste lid, onder a,
bedoelde toplicht een tweede licht voeren van gelijke inrichting en
sterkte als dit toplicht.
2.Wanneer twee of meer sleepboten gezamenlijk één of meer schepen
slepen of assisteren moet ieder, onder of boven de in het eerste lid
genoemde lichten, een derde wit licht voeren van gelijke inrichting en
sterkte.
3.De in het eerste en tweede lid bedoelde lichten moeten in
verticale lijn staan en wel zodanig dat het onderste gevoerd wordt op
een hoogte van ten minste 4 meter op een schip met een lengte van
minder dan 40 meter, en op een hoogte van ten minste 6 meter op een
schip met een lengte van 40 meter en meer.
4.Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is eveneens van
toepassing op zeeschepen.
5.Op een binnenschip dat sleept, moet het heklicht worden vervangen
door een geel licht van gelijke inrichting en sterkte.
6.Een zeeschip dat wordt gesleept, moet behalve de zijdelichten en
het heklicht ook het toplicht of de toplichten voeren en bovendien de
lichten of de dagmerken voorgeschreven in artikel 27, eerste lid.
7.Een binnenschip dat wordt gesleept, moet bij nacht één rondom
zichtbaar wit helder licht voeren op een hoogte van ten minste 6
meter. Bij een scheepslengte van meer dan 110 meter moeten twee
dergelijke lichten worden gevoerd, één voorop en één achterop, op
gelijke hoogte; het laatste binnenschip van een sleep moet daarbij het
heklicht voeren.
Bij dag voert een binnenschip dat wordt gesleept een gele bal op
een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat deze van alle
zijden zichtbaar is.
8.Een niet of weinig opvallend, zich gedeeltelijk onder water
bevindend schip of voorwerp dat wordt gesleept, moet voeren, daar waar
dat het best kan worden gezien:
a. een rondom zichtbaar wit gewoon licht aan of nabij het
voorste uiteinde en een zelfde licht aan of nabij het achterste
uiteinde van de sleep;
b. een ruitvormig dagmerk aan of nabij het achterste uiteinde
van de sleep.
9.Een schip dat wordt geassisteerd, moet de lichten voeren van een
werktuiglijk voortbewogen schip van zijn soort en lengte.
10.Voor het lager voeren van de in dit artikel bedoelde lichten, is
artikel 23, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25. Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren
1. Een zeeschip dat gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in de bij
dit besluit behorende bijlage 1, moet, behalve de lichten of dagmerken
die worden voorgeschreven bij de overige bepalingen van dit reglement,
voeren:
- bij nacht: een rondom zichtbaar rood helder licht;
- bij dag: de seinvlag "B" van het Internationaal
seinboek;
waar zij het best kunnen worden gezien en op een hoogte van ten
minste 6 meter boven het dek.
2.
a. Een binnenschip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert,
bedoeld in het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
over de Rijn (ADNR) nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, moet, behalve de
lichten of dagmerken die worden voorgeschreven bij de overige
bepalingen van dit reglement, voeren:
- bij nacht: één rondom zichtbaar blauw licht;
- bij dag: één blauwe kegel met de punt naar beneden.
In plaats van één blauwe kegel, kan ook één blauwe kegel op
het voor- en één op het achterschip op een hoogte van ten minste
3 meter boven het vlak der inzinkingsmerken worden gevoerd.
b. Een binnenschip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke
stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0,
moet, behalve de lichten of dagmerken die worden voorgeschreven
bij de overige bepalingen van dit reglement, voeren:
- bij nacht: twee rondom zichtbare blauwe lichten;
- bij dag: twee blauwe kegels met de punt naar beneden; in
een verticale lijn en met een onderlinge afstand van ongeveer
1 meter.
In plaats van twee blauwe kegels, kunnen ook telkens twee
blauwe kegels op het voor- en op het achterschip worden gevoerd,
waarvan de ondersten op een hoogte van ten minste 3 meter boven
het vlak der inzinkingsmerken worden gevoerd.
c. Een binnenschip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert,
bedoeld in ADNR, nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, moet, behalve de
lichten of dagmerken die worden voorgeschreven bij de overige
bepalingen van dit reglement, voeren:
- bij nacht: drie rondom zichtbare blauwe lichten;
- bij dag: drie blauwe kegels met de punt naar beneden; in
een verticale lijn en met een onderlinge afstand van ongeveer
1 meter.
In plaats van drie blauwe kegels, kunnen ook telkens drie
blauwe kegels op het voor en op het achterschip worden gevoerd,
waarvan de ondersten op een hoogte van ten minste 3 meter boven
het vlak der inzinkingsmerken worden gevoerd.
d. Indien een duwstel of een gekoppeld samenstel één of meer
schepen bevat, bedoeld in het eerste of tweede lid, moet, in
plaats van dit schip of van deze schepen, de duwboot of het schip
dat dient voor het voortbewegen van het gekoppeld samenstel het
licht of de lichten, dan wel de kegel of de kegels, vermeld in het
eerste of tweede lid, voeren.
e. Een binnenschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel,
geladen met verschillende gevaarlijke stoffen, als bedoeld onder
a, b, en c, moet uitsluitend de lichten of kegels voeren
voorgeschreven voor de gevaarlijke stof die volgens dit lid het
grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.
f. De sterkte van de blauwe lichten voorgeschreven in dit lid
dient ten minste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.
3. Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing op tankschepen,
die na het lossen van de in de bij dit besluit behorende bijlage 1
bedoelde stoffen nog niet gereinigd, ontgast of geheel geïnertiseerd
zijn.
4. Een binnenschip, dat in het bezit is van een certificaat van
goedkeuring als bedoeld in het ADNR, nr. 8.1.8 en dat voldoet aan de
veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, mag, indien het gelijktijdig geschut wil
worden met een schip dat de tekens van het tweede lid, onder a, moet
voeren, bij nadering van een sluis de tekens, bedoeld in het tweede
lid, onder a, voeren.
Artikel 26. Lichten voor duwstellen
1.Een duwstel met een lengte van meer dan 110 meter of met een
breedte van meer dan 12 meter, dat varende is, moet voeren:
a.
1°. drie toplichten vóór op het voorste schip of,
ingeval meerdere schepen zich vooraan bevinden, vóór op het
aan bakboord geplaatste van die voorste schepen, opgesteld in
de vorm van een gelijkzijdige driehoek met horizontale basis
in een vlak loodrecht op de lengte-as van het duwstel, het
bovenste licht op een hoogte van ten minste 6 meter en de
beide onderste lichten ongeveer 1,25 meter uit elkaar en
ongeveer 1,10 meter onder het bovenste licht;
2°. een toplicht op het voorschip van elk ander schip dat
van voren over de volle breedte zichtbaar is, voorzover
mogelijk 3 meter lager dan het bovenste licht, bedoeld onder
1°;
b. zijdelichten op het breedste gedeelte van het duwstel, zo
dicht mogelijk bij de duwboot, ten hoogste 1 meter binnen de
zijkanten van het duwstel en op een hoogte van ten minste 2 meter;
c.
1°. drie heklichten op de duwboot in een horizontale lijn
loodrecht op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 meter uit
elkaar, op een zodanige hoogte dat zij niet door een ander
schip van het duwstel aan het zicht kunnen worden onttrokken;
2°. een heklicht op elk ander schip dat van achteren over
de volle breedte zichtbaar is; indien, behalve de duwboot,
meer dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit
licht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden
gevoerd.
2.Een duwstel met een lengte van 110 meter of minder en met een
breedte van 12 meter of minder, dat varende is, moet de lichten voeren
voorgeschreven bij artikel 23 voor een werktuiglijk voortbewogen
schip.
Artikel 27. Onmanoeuvreerbare, beperkt manoeuvreerbare schepen en
bijzondere transporten
1.Een onmanoeuvreerbaar schip moet voeren:
a. twee rondom zichtbare rode heldere lichten, het ene
loodrecht onder het ander, daar waar deze het best kunnen worden
gezien.
Wanneer het vaart door het water loopt tevens het toplicht of
de toplichten, de zijdelichten en het heklicht;
b. twee ballen, de ene loodrecht onder de andere, daar waar
deze het best kunnen worden gezien.
Een onmanoeuvreerbaar binnenschip mag in plaats van de
voorgeschreven lichten of dagmerken bij nacht een rood licht en bij
dag een rode vlag tonen waarmee heen en weer wordt gezwaaid.
2.Een beperkt manoeuvreerbaar schip moet voeren:
a. drie rondom zichtbare heldere lichten, in verticale lijn,
daar waar deze het best kunnen worden gezien; het bovenste en
onderste licht moeten rood en het middelste licht moet wit zijn;
b. drie dagmerken, in verticale lijn, daar waar deze het best
kunnen worden gezien; het bovenste en het onderste dagmerk moeten
een bal en het middelste moet een ruit zijn;
c. aan de zijde waar het vaarwater niet vrij is, daar waar deze
het best kunnen worden gezien, twee rondom zichtbare rode heldere
lichten, het ene loodrecht onder het andere, of twee ballen, de
ene loodrecht onder de andere;
d. aan de zijde waar het vaarwater vrij is, daar waar deze het
best kunnen worden gezien, twee rondom zichtbare groene heldere
lichten, het ene loodrecht onder het andere of twee ruiten de ene
loodrecht onder de andere;
e. wanneer het vaart door het water loopt, tevens het toplicht
of de toplichten, de zijdelichten en het heklicht;
f. wanneer ankers uitstaan, zodanig dat deze een gevaar voor de
scheepvaart kunnen vormen, moet de ligging ervan worden aangeduid
door een gele drijver voorzien van een radarreflector en een
rondom zichtbaar geel of wit helder licht.
3.Een bijzonder transport moet de lichten of de dagmerken voeren
voorgeschreven voor een onmanoeuvreerbaar schip. Indien dit niet
uitvoerbaar is moeten alle maatregelen worden genomen om het bijzonder
transport goed te verlichten of om zijn aanwezigheid goed zichtbaar
aan te duiden.
4.Het bepaalde in dit artikel is eveneens van toepassing op
zeeschepen.
Artikel 28. Bovenmaatse zeeschepen
Een bovenmaats zeeschip dat varende is, moet voeren, daar waar dit
het best kan worden gezien:
a. behalve de lichten voorgeschreven voor een werktuiglijk
voortbewogen schip, drie rondom zichtbare rode krachtige lichten
geplaatst in verticale lijn;
b. een cylinder.
Artikel 29. Lichten en dagmerken voor kleine schepen
1.Een klein werktuiglijk voortbewogen schip dat varende is, moet
voeren:
a. een toplicht. Dit licht moet echter een helder licht zijn.
Dit licht mag op het voorschip dan wel achterlijker zijn
geplaatst. Het moet ten minste 1 meter hoger dan de zijdelichten
zijn aangebracht maar het mag lager dan 4 meter boven de romp zijn
geplaatst;
b. zijdelichten. Deze lichten moeten zich op gelijke hoogte en
in één lijn loodrecht op de lengte-as van het schip bevinden.
Zij behoeven niet achterlijker dan het toplicht te zijn geplaatst.
Zij moeten naar de binnenzijde van het schip zodanig zijn
afgeschermd, dat het groene licht niet aan bakboordzijde en het
rode licht niet aan stuurboordzijde kan worden gezien. Zij mogen
worden verenigd in één lantaarn, gevoerd in de lengte-as van het
schip;
c. een heklicht. Dit licht mag worden weggelaten indien het
onder a bedoelde toplicht vervangen wordt door een rondom
zichtbaar wit helder licht.
2.Een klein werktuiglijk voortbewogen schip dat varende is, waarvan
de lengte minder is dan 7 meter en de hoogst bereikbare snelheid niet
meer dan 7 zeemijlen (13 kilometer) per uur, mag, in plaats van de in
het eerste lid voorgeschreven lichten, een rondom zichtbaar wit helder
licht voeren, daar waar dit het best kan worden gezien. Indien
uitvoerbaar, moet zulk een schip ook zijdelichten voeren.
3.Een klein werktuiglijk voortbewogen schip dat slechts kleine
schepen sleept dan wel slechts langszijde daarvan vastgemaakte kleine
schepen voortbeweegt, moet de in het eerste lid voorgeschreven lichten
voeren.
4.Een klein schip dat wordt gesleept dan wel langszijde van een
ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen, moet een rondom zichtbaar
wit helder licht voeren, daar waar dit het best kan worden gezien.
Bijboten van schepen behoeven dit licht niet te voeren.
5.Een klein zeilschip dat varende is moet voeren:
a. hetzij de zijdelichten en een heklicht. De zijdelichten
moeten zich op gelijke hoogte en in één lijn loodrecht op de
lengte-as van het schip bevinden. Zij moeten worden aangebracht op
een plaats, waar zij niet door de zeilen worden afgeschermd. Zij
moeten naar de binnenzijde van het schip zodanig zijn afgeschermd
dat het groene licht niet aan bakboordzijde en het rode licht niet
aan stuurboordzijde kan worden gezien. Zij mogen worden verenigd
in één lantaarn, gevoerd in de lengte-as van het schip;
b. hetzij de zijdelichten en een heklicht, gecombineerd in
één lantaarn die is geplaatst op de top van de mast dan wel
nabij de top van de mast zodanig dat zij rondom zichtbaar is;
c. hetzij, voor een schip met een lengte van minder dan 7
meter, een rondom zichtbaar wit gewoon licht, daar waar dit het
best kan worden gezien.
Een klein zeilschip dat onder zeil is en tevens werktuiglijk wordt
voortbewogen, voert op het voorschip daar waar deze het best kan
worden gezien, een kegel met de punt naar beneden.
6.Een klein door spierkracht voortbewogen schip dat varende is,
moet een rondom zichtbaar wit gewoon licht voeren.
7.Een klein schip dat ten anker of gemeerd ligt moet, tenzij het
vanaf de wal voldoende wordt verlicht, daar waar dit het best kan
worden gezien, een rondom zichtbaar wit gewoon licht voeren.
8.Het bepaalde bij artikel 25 is van overeenkomstige toepassing op
kleine schepen. De voorgeschreven dagmerken mogen van kleinere
afmetingen zijn.
9.Een klein schip moet zijn voorzien van een deugdelijke
radarreflector, bij zeilschepen ten minste 4 meter boven het
wateroppervlak, en bij werktuiglijk voortbewogen schepen zo hoog
mogelijk boven de opbouw.
Artikel 30. Ten anker liggende, gemeerde, aan de grond zittende en
gezonken schepen en obstakels voor de scheepvaart
1.Ten anker liggende schepen
Een ten anker liggend schip moet op het voorschip, op een hoogte
van ten minste 3 meter, een rondom zichtbaar wit helder licht voeren
of een bal en op het achterschip een tweede wit licht van gelijke
inrichting en sterkte, ten minste 2 meter lager dan het eerstgenoemde
licht. Wanneer schepen gekoppeld ten anker liggen moet elk van die
schepen de lichten of het dagmerk voeren als hierboven omschreven.
2.Gemeerde schepen
a. Een gemeerd schip moet voeren, tenzij het vanaf de wal
voldoende wordt verlicht, aan de zijde van het vaarwater en zo
mogelijk ter hoogte van het dek op het voorschip en aan of nabij
het hek: een rondom zichtbaar wit helder licht.
b. Een gemeerd schip dat een anker heeft uitstaan dat gevaar
kan opleveren voor de scheepvaart moet de lichten bedoeld in het
eerste lid voeren en een bijkomend rondom zichtbaar wit helder
licht ongeveer 1 meter onder het licht dat zich het dichtst nabij
dit anker bevindt.
3.Aan de grond zittende of gezonken schepen en andere obstakels
voor de scheepvaart
a. Een schip dat aan de grond zit of gezonken is en elk ander
obstakel voor de scheepvaart, moet voeren daar waar dit het best
kan worden gezien:
- de lichten voorgeschreven in het eerste lid;
- twee rondom zichtbare rode heldere lichten, het ene
loodrecht onder het andere;
- drie ballen in verticale lijn geplaatst.
Indien uitvoerbaar moet het schip of obstakel tevens de lichten
en dagmerken voeren, die ingevolge de overige bepalingen van dit
reglement van toepassing zijn.
b. Indien de omstandigheden ter plaatse van het schip of van
het obstakel vorderen dat wordt aangeduid dat het aan geen enkele
zijde, aan één zijde of aan beide zijden kan worden
voorbijgevaren, moeten in plaats van de onder a bedoelde lichten
of dagmerken, worden gevoerd:
1°. aan de zijde of de zijden waar de doorvaart niet vrij
is: twee rondom zichtbare rode heldere lichten, het ene
loodrecht onder het andere of twee ballen, de ene loodrecht
onder de andere, daar waar deze het best kunnen worden gezien;
2°. aan de zijde of de zijden waar de doorvaart vrij is:
twee rondom zichtbare groene heldere lichten, het ene
loodrecht onder het andere of twee ruiten, de ene loodrecht
onder de andere, daar waar deze het best kunnen worden gezien.
c. De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de
verplichting tot het voeren van de onder a en b voorgeschreven
lichten en dagmerken.
d. Indien de lichten of de dagmerken niet door het schip of het
obstakel zelf kunnen worden gevoerd, moeten zij worden aangebracht
op een andere doelmatige wijze.
4.Het bepaalde in dit artikel is eveneens van toepassing op
zeeschepen.
Artikel 31. Bijzondere lichten en dagmerken
1.Een schip belast met een bijzondere politieopdracht kan zowel bij
dag als bij nacht, behalve de lichten en de dagmerken elders
voorgeschreven door dit reglement, een blauw helder flikkerlicht
voeren. Indien twee of meer dergelijke schepen dat blauwe flikkerlicht
voeren, is de tussen deze schepen gelegen zone voor de scheepvaart
verboden.
2.Behoudens de lichten voorgeschreven voor zijn soort mag een
varend of ten anker liggend schip bezig met werkzaamheden zowel bij
dag als bij nacht, daar waar dit het best kan worden gezien, een geel
helder flikkerlicht voeren om aan te duiden dat het die werkzaamheden
uitvoert.
3.Ten anker liggende, gemeerde, aan de grond zittende of gezonken
schepen, met inbegrip van zeeschepen, waarvoor gevaar voor golfslag of
zuiging veroorzaakt door voorbijvarende schepen zou kunnen ontstaan
moeten, behalve de lichten en de dagmerken elders in dit reglement
voorgeschreven, voeren:
a. twee heldere lichten, het ene loodrecht onder het andere,
het bovenste rood en het onderste wit, op een zodanige hoogte dat
zij rondom zichtbaar zijn en niet met andere lichten kunnen worden
verward;
b. een vlag met twee horizontale banen van gelijke breedte, de
bovenste rood en de onderste wit, op een geschikte plaats en op
een zodanige hoogte dat zij rondom zichtbaar is. Deze vlag mag
worden vervangen door twee vlaggen waarvan de bovenste rood en de
onderste wit is. De vlaggen mogen worden vervangen door borden van
vermelde kleuren.
4.Een veerpont voert bij nacht behoudens de zijdelichten en het
heklicht een rondom zichtbaar groen helder licht ongeveer 1 meter
boven een rondom zichtbaar wit helder licht, daar waar deze het best
kunnen worden gezien.
5.Drijvende leidingen, die vast verbonden zijn aan de wal of aan
ten anker liggende of gemeerde schepen, en die de scheepvaart kunnen
hinderen, moeten over de gehele lengte worden aangeduid door rondom
zichtbare gele gewone lichten of gele vlaggen geplaatst op een
onderlinge afstand van ten hoogste 50 meter en op een hoogte van ten
minste 1,50 meter boven de leiding.
Hoofdstuk 4. Geluids- en lichtseinen
Artikel 32. Begripsomschrijvingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. fluit:
elk middel geschikt tot het geven van de voorgeschreven korte en
lange stoten;
b. korte stoot:
een geluidssein van ongeveer één seconde duur;
c. lange stoot:
een geluidssein van vier tot zes seconden duur.
Artikel 33. Middelen voor geluidsseinen
1.Een schip met een lengte van 20 meter of meer moet zijn voorzien
van een fluit en van een klok. De fluit en de klok moeten deugdelijk
zijn. De fluit moet zodanig op het schip zijn geplaatst dat de goede
werking ervan niet nadelig wordt beïnvloed. De klok mag worden
vervangen door een ander middel dat dezelfde onderscheiden
geluidskenmerken bezit, met dien verstande dat het altijd mogelijk
moet zijn om de vereiste seinen door bediening met de hand te geven.
2.Een klein schip is niet verplicht de toestellen voor het geven
van geluidsseinen voorgeschreven in het eerste lid, aan boord te
hebben, doch indien het deze niet heeft, moet het zijn voorzien van
een ander middel voor het geven van een doelmatig geluidssein.
3.De in dit reglement vermelde geluidsseinen mogen alleen worden
gegeven in de omstandigheden en voor de doeleinden voorzien bij dit
reglement.
Artikel 34. Manoeuvreer-, waarschuwings- en bijzondere seinen
1.
a. Behoudens wanneer het een klein schip is, moet een varend
schip, indien het handelt ter voorkoming van aanvaring met een
ander in zicht zijnd schip, zijn handeling door een der volgende
seinen kenbaar maken:
- één korte stoot voor: ik verander mijn koers naar
stuurboord;
- twee korte stoten voor: ik verander mijn koers naar
bakboord;
- drie korte stoten voor: ik sla achteruit;
- vier korte stoten voor: ik kan niet manoeuvreren.
Een zeeschip mag in de hierbedoelde omstandigheden genoemde
geluidsseinen aanvullen met lichtseinen, gegeven met een rondom
zichtbaar wit krachtig licht, die zonodig kunnen worden herhaald.
Deze lichtseinen hebben de volgende betekenis:
- één schittering: ik verander mijn koers naar
stuurboord;
- twee schitteringen: ik verander mijn koers naar bakboord;
- drie schitteringen: ik sla achteruit;
- vier schitteringen: ik kan niet manoeuvreren.
De duur van elke schittering moet ongeveer één seconde zijn,
de tijdsruimte tussen de schitteringen ongeveer één seconde en
de tijdsruimte tussen de achtereenvolgende seinen niet minder dan
tien seconden.
b. Wanneer schepen die in zicht van elkaar zijn, elkaar naderen
en één van die schepen de voornemens of handelingen van het
andere niet begrijpt dan wel twijfelt of het andere voldoende
handelingen verricht om aanvaring te voorkomen, moet eerstgenoemd
schip die twijfel kenbaar maken door het geven van een reeks van
ten minste vijf snel opeenvolgende zeer korte stoten. Deze
verplichting geldt niet voor kleine schepen. Een zeeschip mag in
de hierbedoelde omstandigheden genoemd geluidssein aanvullen met
een lichtsein bestaande uit een reeks van ten minste vijf snel
opeenvolgende zeer korte schitteringen gegeven met een rondom
zichtbaar wit krachtig licht.
c. Behoudens wanneer het een klein schip is, moet een
werktuiglijk voortbewogen binnenschip, gelijktijdig met de gegeven
geluidsseinen, lichtseinen geven van dezelfde duur met een rondom
zichtbaar geel helder licht. Deze bepaling geldt niet voor de
klokslagen of reeksen klokslagen.
2.Een aan de grond zittend schip, waarvan de
voortstuwingswerktuigen in werking zijn, moet dit aan naderende
schepen kenbaar maken door vier korte stoten gevolgd door twee lange
stoten.
Artikel 35. Geluidsseinen bij beperkt zicht
1.De geluidsseinen genoemd in dit artikel moeten zowel overdag als
bij nacht worden gegeven in of nabij een gebied met beperkt zicht.
2.
a. Een werktuiglijk voortbewogen schip, een duwstel of een
gekoppeld samenstel dat vaart door het water loopt moet, met
tussenpozen van niet meer dan twee minuten, één lange stoot
geven.
b. Een werktuiglijk voortbewogen schip, een duwstel of een
gekoppeld samenstel, dat varende is, doch geen vaart door het
water loopt, moet, met tussenpozen van niet meer dan twee minuten,
twee lange stoten geven, gescheiden door een tussenpoos van
ongeveer twee seconden.
c. Een onmanoeuvreerbaar schip, een beperkt manoeuvreerbaar
schip, een bovenmaats zeeschip of een schip dat een ander schip
sleept, dat varende is moet, in de plaats van de seinen
voorgeschreven onder a en b, met tussenpozen van niet meer dan
twee minuten, één lange stoot gevolgd door twee korte stoten
geven.
d. Een schip dat wordt gesleept of, in geval meer dan één
schip wordt gesleept, het laatste schip van de sleep, moet, met
tussenpozen van niet meer dan twee minuten, één lange stoot
gevolgd door drie korte stoten geven.
Indien mogelijk wordt dit sein gegeven onmiddellijk na het door het
slepende schip gegeven sein.
3.Een ten anker liggend schip moet met tussenpozen van niet meer
dan één minuut snel de klok luiden gedurende ongeveer vijf seconden.
Een ten anker liggend schip mag bovendien één korte, één lange en
één korte stoot geven om een naderend schip te waarschuwen.
4.Een schip dat aan de grond zit moet het sein met de klok, bedoeld
in het derde lid, geven en bovendien drie van elkaar gescheiden
duidelijke slagen op de klok, onmiddellijk vóór en onmiddellijk na
het snelle luiden van de klok. Het schip mag daarenboven twee korte
stoten gevolgd door een lange stoot geven.
5.Een veerpont die varende is moet met tussenpozen van niet meer
dan één minuut één lange stoot gevolgd door vier korte stoten
geven.
Artikel 36. Aandachts- en waarschuwingsseinen
1.Wanneer het nodig is om de aandacht te trekken van een ander
schip mag elk schip een licht- of een geluidssein geven dat niet kan
worden verward met een bij dit reglement voorzien sein noch met een
licht of een sein dat bij de betonning of bij de bebakening in gebruik
is. Het mag tevens zijn zoeklicht laten schijnen in de richting van
het gevaar, zonder daardoor een ander schip te hinderen of in
verwarring te brengen.
2.Een schip dat een bocht of een gedeelte van het vaarwater nadert
waar het zicht is belemmerd door omstandigheden die geen verband
houden met beperkt zicht, moet tijdig als waarschuwingssein één
lange stoot geven.
3.Eveneens moet een lange stoot als waarschuwingssein worden
gegeven, indien het onder bijzondere omstandigheden nodig is de
aandacht te trekken ter voorkoming van aanvaringen.
4.Zonodig moeten de in dit artikel bedoelde seinen tijdig worden
herhaald.
5.Het gebruik van zeer felle flikker- of zwaailichten zoals "strobe"-lichten
om de aandacht te trekken, is verboden.
Artikel 37. Noodseinen
Indien een schip in nood verkeert en hulp verlangt, gebruikt, toont
of geeft het de volgende seinen, hetzij gezamenlijk hetzij afzonderlijk:
a. een aanhoudend geluid met een toestel voor mistseinen;
b. een daartoe geëigend sein, door middel van radiotelegrafie of
enige andere seinwijze uitgezonden;
c. een daartoe geëigend sein, uitgezonden door middel van
radiotelefonie;
d. een rooksignaal dat oranje gekleurde rook afgeeft;
e. langzaam en herhaald op en neer bewegen van de naar beide
zijden uitgestrekte armen;
f. seinen uitgezonden door noodradiobakens die de positie
aanduiden;
g. een licht of een vlag of ieder ander geschikt voorwerp waarmee
in het rond wordt gezwaaid;
h. reeksen klokslagen of herhaalde lange stoten.
Hoofdstuk 5. Diverse bepalingen
Artikel 38. Toegelaten afmetingen en diepgang
1. Het is verboden te varen met een schip of samenstel dat de
hieronder vermelde grootst toegelaten afmetingen en diepgang,
uitgaande van een waterstand in het kanaal van Normaal Amsterdams Peil
+ 2,13 meter in zoet water, overschrijdt:
a. voor zeeschepen:
lengte: 265 meter
breedte: 34 meter
diepgang:
1° 12,50 meter in opvaart
2°. 12,30 meter in afvaart;
b. voor binnenschepen en gekoppelde samenstellen:
lengte: 140,00 meter
breedte: 23,00 meter
diepgang: 4,30 meter wat de Oostsluis betreft;
c. voor duwstellen:
lengte: 200 meter
breedte: 23 meter
diepgang: 4,30 meter wat de Oostsluis betreft;
d. diepgang op de toeleidings- en zijkanalen:
1. toeleidingskanaal naar de Middensluis: 7,25 meter
2. toeleidingskanaal naar de Oostsluis: 4,30 meter
3. Axelse Vlakte te Sluiskil: 9,00 meter
4. Zijkanaal F (naar Passluis): 2,60 meter
5. Zijkanaal G (naar Sas van Gent): 5,00 meter.
2. De bevoegde autoriteit kan vrijstelling of ontheffing verlenen
van de in het eerste lid vermelde grootst toegelaten afmetingen en
diepgang.
Artikel 39. Doorvaren van sluizen
1.Een schip moet tijdig voor het invaren van een sluis zijn gemeld
bij de bevoegde autoriteit volgens de door deze gestelde regels.
2.Behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit mag een schip
geen ligplaats nemen op de wachtplaats van een sluis anders dan om te
worden geschut.
3.Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip,
dat met een marifooninstallatie is uitgerust, uitluisteren op het
daartoe aangewezen kanaal.
4.Tenzij de bevoegde autoriteit anders bepaalt, geschiedt het
invaren in een sluis in volgorde van aankomst op een door de bevoegde
autoriteit aangewezen plaats. Een klein schip dat samen met andere
schepen wordt geschut mag de sluis slechts invaren na deze andere
schepen.
5.Recht van voorrang bij schutting hebben, in de hierna genoemde
volgorde:
a. schepen van toezichthoudende ambtenaren en brandweerboten
die in verband met spoedeisende redenen van dienstvervulling
onderweg zijn;
b. schepen waaraan de bevoegde autoriteit het recht van
voorrang bij schutting heeft toegekend.
Schepen die het recht van voorrang bij schutting hebben dienen dit
tijdig per marifoon kenbaar te maken.
6.De kapitein of schipper is verplicht te zorgen dat bij het
invaren van een sluis de nodige meertrossen gereed worden gehouden. De
kapitein van een zeeschip is bovendien verplicht te zorgen dat aan
boord en op de wal het nodige daartoe bekwame personeel aanwezig is om
die trossen aan te nemen en vast te maken.
7.Het is verboden zeilen te voeren bij het naderen van de
wachtplaatsen, bij het in- of uitvaren van een sluis en tijdens het
schutten.
8.In een sluis:
a. moet een schip ligplaats nemen binnen de door stopstrepen of
op andere wijze aangegeven grenzen;
b. moet tijdens het vullen en het ledigen van de sluiskolk en
totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan een schip
zodanig zijn gemeerd en moet het zijn meerdraden zodanig vieren of
doorhalen, dat het niet de sluismuren, de sluisdeuren, de
beschermingsinrichtingen of andere schepen kan beschadigen;
c. mag een schip slechts voorwerpen die niet kunnen zinken als
wrijfhout gebruiken;
d. mag een schip geen water op het sluisterrein of op andere
schepen storten of laten vloeien;
e. mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het uitvaren
van de sluis wordt toegestaan, geen gebruik maken van de
voortstuwingsmiddelen.
9.Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip
een zijwaartse afstand van ten minste 10 meter in acht nemen ten
opzichte van een schip dat een blauw licht of een blauwe kegel,
bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, hetzij een rood licht of
de seinvlag "B", bedoeld in artikel 25, eerste lid, voert.
Deze verplichting geldt niet voor schepen die hetzelfde licht of
dagmerk voeren.
10.Een schip dat twee of drie blauwe lichten dan wel twee of drie
blauwe kegels, bedoeld in artikel 25, tweede lid onder b en c, voert,
mag een sluis niet invaren indien het niet afzonderlijk zou worden
geschut. Een ander schip mag een sluis niet invaren indien het samen
met een schip dat deze lichten of dagmerken voert, zou worden geschut.
Het voorgaande is niet van toepassing op schepen die onderling
hetzelfde sein voeren.
11.Een schip dat een blauw licht of een blauwe kegel, bedoeld in
artikel 25, tweede lid onder a, hetzij een rood licht of de seinvlag
"B", bedoeld in artikel 25, eerste lid, voert, mag een sluis
niet invaren indien het samen met een passagiersschip zou worden
geschut. Een passagiersschip mag een sluis niet invaren indien het
samen met een schip dat deze lichten of dagmerken voert, zou worden
geschut.
12.De bevoegde autoriteit kan in afwijking van het negende, tiende
en elfde lid anders bepalen.
Artikel 40. Bijzondere transporten
Een bijzonder transport mag slechts varen met de toestemming van de
bevoegde autoriteit.
Artikel 41. Bijzondere voorschriften met betrekking tot samenstellen
1.Werktuiglijk voortbewogen schepen die zorgen voor de
voortbeweging van een samenstel moeten daartoe geschikt en uitgerust
zijn en voldoende vermogen hebben om de goede bestuurbaarheid en
manoeuvreerbaarheid van het geheel te verzekeren.
2.De koppelingen van een duwstel moeten de hechtheid daarvan
verzekeren. Ze moeten gelijkmatig gespannen worden gehouden door
geschikte inrichtingen. Het koppelen en ontkoppelen moet op veilige,
eenvoudige en gemakkelijke wijze kunnen geschieden.
3.Een duwstel mag alleen van een sleepboot gebruik maken in
uitzonderlijke en plaatselijke omstandigheden en wanneer de
scheepvaart daarvan geen hinder ondervindt.
4.Het is verboden met een duwstel of een gekoppeld samenstel
sleepdienst te verrichten.
5.Indien aan de kop van een duwstel uitsluitend een zeeschipbak is
geplaatst, dan moet deze van een kopbak zijn voorzien.
6.Het is verboden te varen met een gekoppeld samenstel dat uit meer
dan twee schepen bestaat.
7.Het is verboden:
a. meer dan één schip te slepen;
b. een binnenschip te slepen waarvan de lengte meer dan 110
meter bedraagt;
c. te slepen indien de afstand tussen het hek van het slepende
schip en de boeg van het gesleepte binnenschip meer dan 40 meter
bedraagt.
8.Op een sleep dienen zodanige maatregelen getroffen te zijn dat
een goede communicatie tussen het slepende schip en het gesleepte
schip of drijvend voorwerp is gewaarborgd.
9.De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van dit artikel.
Artikel 42. Verplichting tot wacht houden
1.Een schip dat niet varende is en dat is geladen met gevaarlijke
stoffen, bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlagen 1, 2, 3 of
4, moet onder toezicht staan van een zich voortdurend aan boord
bevindende ter zake kundige wachtsman.
2.Een ander schip dat niet varende is, moet, wanneer het geen
kapitein of schipper aan boord heeft, onder toezicht staan van een
persoon die zonodig snel kan ingrijpen.
3.Aan boord van een schip dat niet varende is en dat is uitgerust
met een marifooninstallatie, moet een persoon luisterwacht houden op
een door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal en bij het
oproepen door de bevoegde autoriteit daarop antwoord geven.
4.De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van dit artikel.
Artikel 43. Meldingsplicht
1.De kapitein of schipper moet onverwijld de bevoegde autoriteit
melden indien een schip
a. aan de grond is geraakt of gezonken, of
b. in aanraking is gekomen met een ander schip en daarbij
schade van betekenis is ontstaan of zich persoonlijke ongevallen
hebben voorgedaan, of
c. een boei, baken of kunstwerk heeft aangevaren, verplaatst of
beschadigd, of
d. lading, brandstof of voorwerpen heeft verloren of dreigt te
verliezen, of
e. brand aan boord heeft, of
f. zodanige schade heeft opgelopen dat de manoeuvreerbaarheid
van het schip of de veiligheid door die schade wordt beïnvloed,
of
g. een hindernis in de vaarweg aantreft.
2.Wanneer er tevens gevaar, schade of hinder voor de scheepvaart
kan ontstaan, moet de kapitein of schipper bovendien de naderende
vaart waarschuwen.
Artikel 43a. Melding gegevens
1. Een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen
vervoert of een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de
Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer, vaart geen aan het kanaal gelegen
haven, ankerplaats, laad- of losinrichting of wachtplaats binnen,
voordat de kapitein, de exploitant of de agent aan de bevoegde
autoriteit van de eerste bestemming de bij ministeriële regeling
vastgestelde gegevens heeft gemeld omtrent het schip, de positie, het
tijdstip van aankomst en vertrek daarvan, de daarmee vervoerde lading,
het aantal personen aan boord en de uit te voeren reis, op een bij die
regeling bepaalde wijze.
2. De in het eerste lid bedoelde melding geschiedt:
a. door een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke
stoffen vervoert:
1°. indien de bestemming bij de afvaart uit de haven van
bevrachting bekend was, bij die afvaart, of
2°. indien de bestemming bij de afvaart uit de haven van
bevrachting nog niet bekend was of tijdens de reis wordt
gewijzigd, zodra deze bekend is, maar uiterlijk bij het
binnenvaren van de Nederlandse territoriale zee;
b. door een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de
Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer dat geen bepaalde gevaarlijke
of schadelijke stoffen vervoert:
1°. ten minste vierentwintig uur voor aankomst, of
2°. indien de bestemming bij de afvaart uit de vorige
haven bekend was en de reisduur minder dan vierentwintig uur
bedraagt, uiterlijk op het tijdstip waarop het schip de vorige
haven verlaat, of
3°. indien de bestemming bij de afvaart uit de vorige
haven nog niet bekend was of tijdens de reis wordt gewijzigd,
zodra deze bekend is, maar uiterlijk bij het binnenvaren van
de Nederlandse territoriale zee.
3. De kapitein, de exploitant of de agent van een zeeschip dat
bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert, deelt voor de
afvaart van dat schip uit een aan het kanaal gelegen haven,
ankerplaats, laad- of losinrichting of wachtplaats, aan de bevoegde
autoriteit de bij ministeriële regeling vastgestelde gegevens mede
omtrent het schip, het tijdstip van vertrek daarvan, de daarmee
vervoerde lading, het aantal personen aan boord en de uit te voeren
reis, op een bij die regeling bepaalde wijze.
4. De in het eerste lid bedoelde meldingsplicht is niet van
toepassing op een in aanloop zijnd schip dat zich reeds op grond van
het Scheepvaartreglement territoriale zee heeft gemeld.
5. De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de in het
eerste en het derde lid bedoelde meldingsplichten met betrekking tot
een zeeschip als bedoeld in die leden, dat in lijndienst vaart tussen
twee in Nederland gelegen havens of tussen een in Nederland gelegen
haven en een haven gelegen in een andere staat, als wordt voldaan aan
de voorschriften, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede lid, van
richtlijn nr. 2002/59/EG.
6. De bevoegde autoriteit trekt de ontheffing in wanneer niet meer
wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het vijfde lid.
7. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op een schip
als bedoeld in artikel 2, tweede lid, in samenhang met artikel 6 bis
van richtlijn nr. 2002/59/EG.
Artikel 43b [Vervallen per 29-10-2004]
Artikel 44. Buitenboord steken van voorwerpen
1.Een schip mag geen voorwerpen hebben uitsteken, tenzij daarmee
geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan andere
schepen en aan kunstwerken kan worden veroorzaakt.
2.Een schip moet een anker waarvan geen gebruik wordt gemaakt
geheel inhieuwen.
Artikel 45. Vrijmaken van het vaarwater
1.De kapitein of schipper moet de nodige maatregelen nemen om het
vaarwater zo spoedig mogelijk vrij te maken, indien een schip is
vastgevaren of gezonken, of indien een door een schip verloren
voorwerp het vaarwater geheel of gedeeltelijk verspert of dreigt te
versperren.
2.Het eerste lid geldt ook voor de kapitein of schipper wiens schip
dreigt te zinken of onmanoeuvreerbaar wordt.
3.Indien vanaf een schip stoffen of voorwerpen te water raken, moet
de kapitein of schipper er voor zorgen dat deze zo spoedig mogelijk
worden opgeruimd.
4.Bij de in het eerste, tweede en derde lid gestelde verplichtingen
moeten de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit worden opgevolgd.
Artikel 46. Laden en lossen
Schepen mogen alleen geladen of gelost worden op de daartoe bestemde
of door de bevoegde autoriteit aangewezen plaatsen.
Artikel 47. Werkzaamheden op of aan schepen
Het is verboden herstellings-, schoonmaak-, ontgassings-,
ontsmettings-of andere werkzaamheden op of aan schepen te verrichten
wanneer deze gevaar, schade of hinder voor de scheepvaart kunnen
opleveren, tenzij die werkzaamheden plaatsvinden:
a. met toestemming van de bevoegde autoriteit, of
b. op een scheepswerf dan wel op of aan het terrein van een
herstellingsinrichting.
Artikel 48. Diverse aktiviteiten
Behoudens vergunning van de bevoegde autoriteit is het verboden:
a. een schip op een ligplaats te gebruiken als opslagplaats of
voor het uitoefenen van een bedrijf;
b. met een schip, al dan niet varend, goederen of diensten aan te
bieden;
c. schepen te slopen;
d. zich met een schip te vestigen tot het houden van vast
verblijf of het verlenen van huisvesting;
e. een schip vanaf de wal te water te laten of met een schip
proef te draaien.
Artikel 49. Bijzondere gebeurtenissen
Zonder vergunning van de bevoegde autoriteit is het verboden een
sportevenement, een waterfeest of een vergelijkbare gebeurtenis te
houden.
Artikel 49a. Afwijken van voorschriften door handhavingsdiensten,
brandweer en schepen bestemd tot inzet bij calamiteiten
1. Schepen van handhavingsdiensten en brandweer, en
reddingsvaartuigen betrokken bij reddingsoperaties mogen, behoudens
het bepaalde in artikel 3, afwijken van de voorschriften van dit
besluit voor zover dat voor een goede vervulling van hun taak
noodzakelijk is.
2. Artikel 31, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op
schepen van de brandweer die hulp bieden of daartoe op weg zijn en op
reddingsvaartuigen die betrokken zijn bij een reddingsoperatie met
toestemming van de Rijkshavenmeester Westerschelde.
Artikel 49b. Watersport
1. Zwemmen, onderwatersport, watersport zonder gebruik te maken van
een schip, waterskiën of doen waterskiën of op soortgelijke wijze
van het vaarwater gebruik maken of gebruik doen maken, varen met een
waterscooter, varen met een zeilplank of varen met een door een
vlieger voortbewogen plank, vinden niet plaats in het
toepassingsgebied als omschreven in artikel 1, eerste lid.
2. De bevoegde autoriteit kan vrijstelling of ontheffing verlenen
van het eerste lid.
Artikel 50. Toestemmingen, ontheffingen, vrijstellingen en
vergunningen
Aan toestemmingen, ontheffingen, vrijstellingen en vergunningen
kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 51. Verkeerstekens
De verkeerstekens die kunnen worden aangebracht en hun betekenis zijn
vermeld in de bij dit besluit behorende bijlagen 5 en 6.
Artikel 51a. Bescherming van verkeerstekens
Een schip gebruikt geen verkeerstekens om daaraan te meren of daaraan
te verhalen, beschadigt ze niet en maakt ze niet ongeschikt voor hun
bestemming.
Artikel 51b. Belading
1. Een schip neemt niet deel aan de scheepvaart indien het zodanig
is beladen dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant van de
inzinkingsmerken, dan wel indien het zodanig is beladen dat het een
geringer vrijboord heeft dan blijkens de afgegeven certificaten is
toegestaan.
2. Een schip neemt niet deel aan de scheepvaart indien door de
wijze van belading de stabiliteit in gevaar wordt gebracht.
3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, neemt een
binnenschip niet deel aan de scheepvaart indien aan boord niet
aanwezig zijn:
a. het certificaat van onderzoek overeenkomstig artikel 7,
tweede lid, van de Binnenvaartwet;
b. het stuwplan of de ladinglijst voor de actuele
beladingstoestand;
c. de stabiliteitsberekening, met inbegrip van de daarbij
gebruikte berekeningsmethode en het resultaat daarvan, voor de
actuele, of een vergelijkbare vorige, dan wel een standaard
beladingstoestand.
Artikel 52. Te beschermen belangen
1.Toepassing van de artikelen 47, 48 en 51 kan, behalve in het
belang van de veiligheid of het vlotte verloop van het
scheepvaartverkeer, geschieden in het belang van:
a. het in stand houden van scheepvaartwegen en het waarborgen
van de bereikbaarheid daarvan;
b. het voorkomen of beperken van schade door het
scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en
waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen.
2.Toepassing van de artikelen 47, 48 en 51 ten behoeve van een in
het eerste lid genoemd belang kan mede geschieden in het belang van
het voorkomen of beperken van:
a. hinder of gevaar door het scheepvaartverkeer voor personen
die zich anders dan op een schip te water bevinden;
b. schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke
of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin
scheepvaartwegen zijn gelegen.
Artikel 53. Aanwijzingen en bekendmakingen
1. In het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het
scheepvaartverkeer alsmede in het belang van de instandhouding van de
werken kunnen door of namens de bevoegde autoriteit
verkeersaanwijzingen worden gegeven.
2. Onder de in het eerste lid genoemde verkeersaanwijzingen worden
mede verstaan de bekendmakingen aan de scheepvaart die door de
bevoegde autoriteit worden uitgevaardigd.
3. De bekendmakingen, bedoeld in het tweede lid, worden
gepubliceerd in de Staatscourant.
4. Kapiteins en schippers moeten aan de verkeersaanwijzingen gevolg
geven en de bekendmakingen aan de scheepvaart naleven.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 54. Verplichting tot aan boord hebben van een reglement
Aan boord van elk schip, met uitzondering van een open klein schip,
waarop dit reglement van toepassing is, moet een volledig bijgewerkt
exemplaar van dit reglement in papieren vorm of dat via een elektronisch
middel op ieder moment geraadpleegd kan worden aanwezig zijn, en dat op
eerste aanvraag van een opsporingsambtenaar door deze kan worden
ingezien.
Artikel 55. Strafbare feiten
Overtreding van de bij of krachtens dit besluit vastgestelde
bepalingen, alsmede overtreding van de aan een vergunning, ontheffing,
vrijstelling of toestemming verbonden voorschriften, is een strafbaar
feit.
Artikel 56. Intrekking Vaarreglement en Bijzonder reglement van
politie
Het Vaarreglement, vastgesteld bij koninklijk besluit van 8 maart
1965 (Stb. 133) en het Bijzonder reglement van politie voor het
Nederlandsche gedeelte van het kanaal van Gent naar Ter Neuzen,
vastgesteld bij koninklijk besluit van 27 januari 1912 (Stb. 16) worden
ingetrokken.
Artikel 57. Wijziging Bijzonder reglement kleine vaartuigen
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 58. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 59. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Scheepvaartreglement voor het
Kanaal van Gent naar Terneuzen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 11 december 1991
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de zestiende januari 1992
De Minister van Justitie a.i.,
C.I. Dales
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|