| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Scheepvaartverkeerswet
SCHEEPVAARTREGLEMENT
WESTERSCHELDE 1990
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 15 januari 1992, houdende een reglement voor de
scheepvaart op de Westerschelde
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19
januari 1990, nr. S/J 30.056/90, Directoraat-Generaal Scheepvaart en
Maritieme Zaken;
Gelet op de artikelen 4 en 31, tiende lid, van de
Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352);
De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 1990,
nr. W09.90.0030);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
van 7 januari 1992, nr. DGSM/J 31.881/92, Directoraat-Generaal
Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Toepassingsgebied
Dit reglement is van toepassing op de Westerschelde met haar
mondingen, met inbegrip van het gedeelte van de territoriale zee dat
wordt begrensd door de lijn over de kerktorens van Aagtekerke en Domburg
tot de positie 51°36’.95 N en 003°27’.12 E, vandaar naar 51°35’.55
N en 003°23’.22 E, vandaar naar 51°33’.95 N en 003°22’.12 E,
vandaar naar 51°26’.03 N en 003°18’.46 E, en vandaar naar
grenspaal 369.
De coördinaten zijn uitgedrukt in lengte en breedte volgens het
World Geodetic System (WGS-84), in graden en minuten.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
1. In dit reglement wordt verstaan onder:
a. schip:
een drijvend voorwerp, met inbegrip van een voorwerp zonder
waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of in staat om
te worden gebruikt als een middel van verplaatsing te water;
b. zeeschip:
een schip dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is;
c. binnenschip:
een schip dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe
bestemd is;
d. bovenmaats zeeschip:
een zeeschip dat wegens zijn lengte en/of zijn diepgang in
verband met de toestand van het vaarwater als dusdanig door de
Rijkshavenmeester Westerschelde wordt aangegeven overeenkomstig de
door hem vastgestelde en aan varenden bekend gemaakte normen;
e. sleepboot:
een werktuiglijk voortbewogen schip dat sleepdienst verricht of
assistentie verleent en hiertoe bestemd is;
f. zeilschip:
een schip dat onder zeil is mits de voortstuwingswerktuigen,
indien aangebracht, niet worden gebruikt;
f.1. zeilplank:
klein zeilschip voorzien van een vrij bewegende zeiltuigage die
is gemonteerd op een in alle richtingen draaibare mastvoet en die
tijdens het zeilen niet in een vaste positie wordt ondersteund;
g. klein schip:
een schip met een lengte van minder dan 20 meter, uitgezonderd
een sleepboot, een duwboot en een schip bezig met de uitoefening
van de visserij;
g.1. waterscooter:
klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische
middelen tot voortbeweging, sneller dan 20 km per uur ten opzichte
van het water kan varen en gebouwd of ingericht is om door een of
meer personen skiënd door of over het water te worden
voortbewogen;
h. samenstel:
een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel;
i. schip bezig met de uitoefening van de visserij:
een schip dat vist met netten, lijnen, sleepnetten of ander
vistuig die de manoeuvreerbaarheid beperken, maar niet een schip
dat vist met sleeplijnen of ander vistuig die de
manoeuvreerbaarheid niet beperken;
j. obstakel:
een wrak, wrakstuk, tuig of voorwerp dat op de bodem van het
vaarwater ligt of staat;
k. bijzonder transport:
een drijvend voorwerp dat in zodanige staat verkeert dat
ernstige kans bestaat dat het bij de vaart de veiligheid van de
scheepvaart in gevaar brengt of schade aan de werken veroorzaakt
dan wel zinkt of lading verliest;
l. werktuiglijk voortbewogen schip:
een schip, dat door eigen voortstuwingswerktuigen wordt
voortbewogen;
m. onmanoeuvreerbaar schip:
een schip dat wegens een buitengewone omstandigheid niet in
staat is te manoeuvreren zoals vereist volgens dit reglement en
dat daardoor niet in staat is voor een ander schip uit te wijken;
n. beperkt manoeuvreerbaar schip:
een schip dat door de aard van zijn werk beperkt is in zijn
mogelijkheid om te manoeuvreren zoals vereist volgens dit
reglement en dat daardoor niet in staat is voor een ander schip
tijdig uit te wijken.
Als beperkt manoeuvreerbaar schip wordt onder meer beschouwd:
1°. een schip bezig met het leggen, onderhouden of het
lichten van een navigatiemerk, een kabel of een pijpleiding;
2°. een schip bezig met bagger- of onderwaterwerkzaamheden
of met hydrografische verrichtingen;
o. exploitant: de eigenaar, rompbevrachter of ieder ander die
de zeggenschap heeft over het gebruik van een schip;
p. richtlijn nr. 2002/59/EG: richtlijn nr. 2002/59/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni
2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en
informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van
Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PbEG L 208);
q. een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen
vervoert: elk vrachtschip, iedere olie-, chemicaliën-, of
gastanker, of een passagiersschip, waarmee wordt vervoerd een
gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel g, of een
schadelijke stof als bedoeld in artikel 3, onderdeel h, van
richtlijn nr. 2002/59/EG.
2. In dit reglement wordt verstaan onder:
a. Rijkshavenmeester Westerschelde:
de functionaris die door Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat als zodanig is aangewezen.
b. kapitein of schipper:
degene die over het schip of het samenstel het gezag voert of
die het gezag in feite waarneemt;
c. vaarwater:
het gedeelte van de bij artikel 1 bedoelde wateren dat door
schepen kan worden bevaren;
d. vaargeul:
het gedeelte van het vaarwater dat betond of bebakend is;
e. hoofdvaargeul en nevenvaargeul:
de vaargeulen als zodanig aangeduid door de Rijkshavenmeester
Westerschelde;
f. varende:
niet ten anker liggende, niet gemeerd zijnde en niet aan de
grond zittend;
g. assisteren:
het bijstaan van een werktuiglijk voortbewogen schip door één
of meer sleepboten die verbonden of in aanraking zijn met het
werktuiglijk voortbewogen schip;
h. hoogte:
1°. voor alle schepen, uitgezonderd binnenschepen voorzien
van een meetbrief: de hoogte boven de romp of de hoogte boven
het hoogste doorlopende dek of, bij gebrek hieraan, boven het
potdeksel;
2°. voor binnenschepen voorzien van een meetbrief: de
hoogte boven het vlak gaande door de ijkmerken die het vlak
van de grootste diepgang aangeven;
i. lengte en breedte van een schip:
de lengte over alles en de grootste breedte buitenwerks;
j. schepen in zicht van elkaar:
vanaf het ene schip kan het andere met het oog worden
waargenomen;
k. beperkt zicht:
elke omstandigheid waarin het zicht wordt beperkt door mist,
nevelig weer, sneeuwval, zware regenbuien, rook, damp of andere
soortgelijke oorzaken;
l. opdraaien:
het schip dat vóór stroom of op stil water varende is
verandert zodanig van vaarrichting dat het komt te varen in een
richting tegengesteld aan die waarin het voer;
m. kop vóór nemen:
het schip dat tegen stroom varende is verandert zodanig van
vaarrichting dat het vóór stroom komt te varen.
n. verkeersaanwijzing:
een door of namens de Rijkshavenmeester Westerschelde aan een
of meerdere verkeersdeelnemers gegeven gebod om een bepaald
resultaat in het verkeersgedrag te bewerkstelligen of opgelegd
verbod van een bepaald resultaat in het verkeersgedrag.
Artikel 2a
Een wijziging van richtlijn nr. 2002/59/EG gaat voor de toepassing
van dit reglement gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij
ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een
ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 3. Verantwoordelijkheid
1.Niets in dit reglement ontheft een schip, zijn reder, kapitein of
schipper of bemanning van de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van
enige nalatigheid in de naleving van dit reglement, dan wel van
veronachtzaming van enige voorzorgsmaatregel die volgens het gewone
zeemansgebruik of door de bijzondere omstandigheden waarin het schip
zich bevindt geboden is.
2.Bij het uitleggen en naleven van dit reglement moet goed rekening
worden gehouden met alle gevaren voor de navigatie en voor aanvaring
en met bijzondere omstandigheden, waaronder de beperkingen van de
betrokken schepen, die ter vermijding van onmiddellijk gevaar afwijken
van dit reglement noodzakelijk kunnen maken.
3.De leden van de bemanning zijn verplicht te gehoorzamen aan de
bevelen van de kapitein of de schipper die hun ter naleving van de
voorschriften van dit reglement worden gegeven; zij moeten tot deze
naleving, ook zonder bevel, hun volle medewerking verlenen.
Hoofdstuk 2. Voorschriften betreffende het uitwijken
Afdeling 1. Gedrag van de schepen bij elk soort zicht
Artikel 4. Toepassing
De voorschriften in deze afdeling zijn van toepassing bij elk soort
zicht.
Artikel 5. Uitkijk
Een schip moet te allen tijde door kijken en luisteren alsook door
gebruik te maken van alle beschikbare middelen aangepast aan de
heersende omstandigheden en toestanden, goede uitkijk houden zodat de
omstandigheden en het gevaar voor aanvaring volledig kunnen worden
beoordeeld.
Artikel 6. Veilige vaart
1.Een schip moet te allen tijde een veilige vaart aanhouden zodat
het juiste en doeltreffende maatregelen kan nemen ter vermijding van
aanvaring en kan worden gestopt binnen een aan de heersende
omstandigheden en toestanden aangepaste afstand.
Bij de bepaling van een veilige vaart moet onder meer rekening
worden gehouden met de volgende factoren:
a. door alle schepen:
1°. het zicht;
2°. de verkeersdichtheid met inbegrip van concentraties
van schepen;
3°. de manoeuvreerbaarheid van het schip, in het bijzonder
wat betreft de afstand waarbinnen gestopt kan worden en de
wendbaarheid in verband met de heersende toestanden;
4°. bij nacht de aanwezigheid van achtergrondlicht zoals
van wallichten of het stralen van eigen lichten;
5°. de toestand van wind, zee, stroom en de nabijheid van
gevaren voor de navigatie;
6°. de diepgang ten opzichte van de beschikbare
waterdiepte;
b. bovendien, door schepen uitgerust met een goed werkende
radarinstallatie:
1°. de eigenschappen, doeltreffendheid en beperkingen van
de radarinstallatie;
2°. eventuele beperkingen opgelegd door het ingestelde
radarbereik;
3°. de invloed van de toestand van het vaarwater, het weer
en andere omstandigheden die de radarwaarneming storend kunnen
beïnvloeden;
4°. de mogelijkheid dat kleine schepen, ijs en drijvende
voorwerpen niet op voldoende afstand met radar worden
waargenomen;
5°. het aantal, de plaats en de beweging van de met radar
waargenomen schepen;
6°. de mogelijkheid tot nauwkeuriger beoordelen van het
zicht bij gebruik van de radar voor het bepalen van de afstand
tot schepen en andere voorwerpen in de omgeving;
c. bovendien voor schepen uitgerust met een goed werkende
marifooninstallatie: de verplichting doeltreffend gebruik te maken
van inlichtingen van walstations en van andere schepen.
2.Bovendien, om een veilige vaart in de hoofdvaargeul te kunnen
aanhouden:
a. moet een schip met een lengte van 12 meter of meer dat zich
in de hoofdvaargeul bevindt, tenzij het wordt gesleept of geduwd,
door een genoegzaam krachtige en gebruiksklare motor kunnen worden
voortbewogen;
b. moet een schip met een lengte van minder dan 12 meter dat
zich in de hoofdvaargeul bevindt, tenzij het wordt gesleept of
geduwd, voorzien zijn van een motor die:
1°. voor onmiddellijk gebruik gereed is;
2°. het schip in staat stelt een snelheid van ten minste 6
kilometer per uur door het water te kunnen handhaven.
3.Werktuiglijk voortbewogen schepen moeten hun vaart tijdig
verminderen en zo nodig stoppen indien voor hen hierdoor geen
onmiddellijk gevaar dreigt telkens wanneer zij in de nabijheid komen
van schepen waarvoor golfslag of zuiging gevaar kan opleveren en die
de bij artikel 31, derde lid, voorgeschreven lichten of dagmerken
voeren.
4.
a. Wanneer in een vaarwater waar stroom loopt schepen elkaar
naderen met tegengestelde koersen bij een engte, bocht of
aanlegplaats waarvan of waarbij de doortocht zo nauw is dat het
tegelijkertijd doorvaren gevaar voor aanvaring kan opleveren, moet
het tegen stroom varend schip gaande houden totdat het vóór
stroom varend schip de engte of de bocht is doorgevaren ofwel de
aanlegplaats is voorbijgevaren.
b. Wanneer in een vaarwater over stil water schepen elkaar
naderen met tegengestelde koersen bij een bocht waarvan de
doortocht zo nauw is dat het tegelijkertijd doorvaren gevaar voor
aanvaring kan opleveren, moet het schip dat de grote bocht aan
zijn stuurboordzijde heeft zijn weg vervolgen en moet het andere
wachten totdat de bocht vrij is.
c. Wanneer in een vaarwater over stil water schepen elkaar
naderen met tegengestelde koersen bij een engte waarvan de
doortocht zo nauw is dat het tegelijkertijd doorvaren gevaar voor
aanvaring kan opleveren, moet het schip dat geen hindernis aan
zijn stuurboordzijde heeft, zijn weg vervolgen en moet het andere
wachten totdat de engte vrij is.
5.Werktuiglijk voortbewogen schepen die zorgen voor de
voortbeweging van een samenstel moeten daartoe geschikt zijn en
voldoende vermogen hebben om de goede bestuurbaarheid en
manoeuvreerbaarheid van het geheel te verzekeren.
6.Het is verboden een schip dwarsstrooms te laten drijven. Dit
verbod geldt niet voor verplaatsingen over korte afstand.
7.Het is verboden te ankeren dan wel enig tuig over de grond te
laten slepen binnen de afstand van 200 meter boven tot 200 meter
beneden de plaats waar een kabel of een leiding is gelegen.
Artikel 7. Gevaar voor aanvaring
1.Een schip moet alle beschikbare middelen gebruiken, passend in de
heersende omstandigheden en toestanden, om te bepalen of gevaar voor
aanvaring bestaat. In geval van twijfel wordt zodanig gevaar geacht te
bestaan.
2.Wanneer op een schip een goed werkende marifooninstallatie en
goed werkende radarapparatuur zijn aangebracht, moet daarvan dusdanig
gebruik gemaakt worden, dat vroegtijdige waarschuwing voor het gevaar
voor aanvaring wordt verkregen.
3.Er mogen geen gevolgtrekkingen worden gemaakt op grond van
summiere gegevens, vooral niet van summiere gegevens verkregen met
behulp van radar.
Artikel 8. Maatregelen ter vermijding van aanvaring
1.Alle maatregelen ter vermijding van aanvaring moeten, indien de
omstandigheden zulks toelaten, doelmatig en duidelijk zijn en ruim op
tijd worden genomen, daarbij goed rekening houdend met de gebruiken
van goede zeemanschap.
2.Indien zulks noodzakelijk is ter vermijding van aanvaring of om
meer tijd te verkrijgen ter beoordeling van de situatie moet een schip
vaart minderen of de vaart er geheel uithalen door stoppen of
achteruit slaan.
3.De maatregelen genomen ter vermijding van aanvaring met een ander
schip moeten zodanig zijn dat zij leiden tot het voorbijvaren op
veilige afstand. De doeltreffendheid van de maatregelen moet
zorgvuldig worden gecontroleerd totdat het andere schip geheel voorbij
is gevaren en goed vrij is.
Artikel 9. Gedrag in en buiten een vaargeul
1.Een schip dat in een vaargeul varende is en de richting ervan
volgt moet de rand van de vaargeul aan zijn stuurboordszijde houden,
zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
2.Met uitzondering van een schip met een lengte van minder dan 12
meter, moet elk schip stroomopwaarts van het Oude Hoofd van
Walsoorden, dat buiten de vaargeul varende is en de richting ervan
volgt stuurboordswal houden zo dicht als veilig en uitvoerbaar is.
3.Een schip met een lengte van minder dan 12 meter, stroomopwaarts
van het Oude Hoofd van Walsoorden of in de Sardijngeul en het Oostgat
tussen de parallel van het licht "Noorderhoofd" en de
parallel van het licht "Leugenaar", moet zich waar dit
veilig en uitvoerbaar is uit de hoofdvaargeul verwijderd houden.
4.Behoudens het gestelde in artikel 18 voor onmanoeuvreerbare
schepen, bovenmaatse zeeschepen, beperkt manoeuvreerbare schepen en
kleine schepen:
a. mag een schip dat een vaargeul geheel of gedeeltelijk
oversteekt de koerslijn van een schip dat in die vaargeul varende
is en ervan de richting volgt niet kruisen indien laatstgenoemd
schip daardoor verplicht zou worden koers of vaart te wijzigen om
aanvaring te voorkomen. Bij gevaar voor aanvaring moet het schip
dat de vaargeul geheel of gedeeltelijk oversteekt uitwijken;
b. mag een schip dat een vaargeul wil binnenvaren de koerslijn
van een schip dat in die vaargeul vaart en ervan de richting volgt
niet kruisen indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou
worden koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen. Bij
gevaar voor aanvaring moet eerstgenoemd schip, daar waar het de
vaargeul binnenvaart, uitwijken voor een schip dat de vaargeul
volgt;
c. mag een schip dat een vaargeul wil verlaten de koerslijn van
een schip dat buiten die vaargeul vaart en ervan de richting volgt
niet kruisen indien laatstgenoemd schip daardoor verplicht zou
worden koers of vaart te wijzigen om aanvaring te voorkomen. Bij
gevaar voor aanvaring moet eerstgenoemd schip, daar waar het de
vaargeul verlaat, uitwijken voor bedoeld schip dat buiten de
vaargeul vaart.
5.Schepen moeten, indien voor hen geen bepaalde ankerplaats door de
Rijkshavenmeester Westerschelde is aangewezen, deze kiezen buiten de
vaargeul. Indien zij alleen in de vaargeul kunnen varen moeten zij
ankerplaats kiezen zo dicht mogelijk langs de zijde daarvan zodanig
dat de doorgaande vaart niet wordt belemmerd.
6.Schepen mogen zich zonder de toestemming van de Rijkshavenmeester
Westerschelde niet vóór of nabij havenmonden, in bochten en in
lichtenlijnen ophouden, ankeren of vastmaken zodanig dat andere
schepen daarvan hinder kunnen ondervinden.
7.Tenzij met toestemming van de Rijkshavenmeester Westerschelde is
het een niet-gemeerd schip verboden te laden, te lossen of te
bunkeren. Aan deze toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
8.Het is verboden herstellings-, schoonmaak-, ontgassings-,
ontsmettings-, of andere werkzaamheden op of aan schepen te
verrichten, wanneer deze gevaar, schade of hinder voor de scheepvaart
kunnen opleveren, tenzij die werkzaamheden plaatsvinden met
toestemming van de Rijkshavenmeester Westerschelde. Aan deze
toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
9.Het eerste lid is niet van toepassing op door de
Rijkshavenmeester Westerschelde aan te duiden reddingsschepen die in
de Sardijngeul en het Oostgat opereren.
Artikel 10. Opdraaien en kop vóór nemen
1.Een schip dat vóór stroom vaart en dat wil opdraaien moet dit
tijdig aan de in de nabijheid zijnde schepen kenbaar maken door het
geven van één lange stoot gevolgd door één of twee korte, indien
het opdraaien respectievelijk over stuurboord dan wel over bakboord
gebeurt; dit sein moet zo nodig worden herhaald. Elk in de nabijheid
tegen stroom varend schip moet in dat geval gaande houden en elk ander
in de nabijheid vóór stroom varend schip zijn vaart minderen tot het
opdraaiende schip geen hinder tot doorvaren meer vormt.
2.Een schip dat wil opdraaien over stil water moet dit tijdig aan
de in de nabijheid zijnde schepen kenbaar maken door het geven van
één lange stoot gevolgd door één of twee korte, indien het
opdraaien respectievelijk over stuurboord dan wel over bakboord
gebeurt; dit sein moet zo nodig worden herhaald. In de nabijheid
zijnde schepen moeten zo nodig ruimte maken.
3.Een schip mag slechts kop vóór nemen indien daardoor andere
schepen niet worden gehinderd. Bovendien moet het, mede bij vertrek
van een anker- of meerplaats, zijn bedoeling van kop vóór te nemen
eveneens kenbaar maken aan de in de nabijheid zijnde schepen door het
geven van één lange stoot gevolgd door één of twee korte, indien
het kop vóór nemen respectievelijk over stuurboord dan wel over
bakboord gebeurt; dit sein moet zo nodig worden herhaald.
4.Het is verboden met een schip vóór een havenmond op te draaien
of kop vóór te nemen wanneer andere schepen die havenmond aanlopen
of verlaten.
Afdeling 2. Gedrag van de schepen in zicht van elkaar
Artikel 11. Toepassing
De voorschriften in deze afdeling zijn van toepassing op schepen die
in zicht van elkaar zijn.
Artikel 12. Zeilschepen
Wanneer twee zeilschepen elkaar naderen, zodanig dat gevaar voor
aanvaring bestaat, gelden onderstaande regelen:
a. Indien één der zeilschepen in de vaargeul de stuurboordzijde
daarvan houdt of buiten de vaargeul stuurboordwal houdt, moet het
andere zeilschip uitwijken.
b. Indien geen van beide zeilschepen in de vaargeul de
stuurboordzijde daarvan houdt of buiten de vaargeul de stuurboordwal
houdt:
1°. ingeval beide zeilschepen over verschillende boeg
liggen, moet het zeilschip dat over stuurboordboeg ligt
uitwijken voor het zeilschip dat over bakboordboeg ligt;
2°. ingeval beide zeilschepen over dezelfde boeg liggen,
moet het zeilschip aan loefzijde uitwijken voor het zeilschip
aan lij;
3°. ingeval een zeilschip dat over stuurboordboeg ligt, aan
zijn loefzijde een zeilschip ziet en niet met zekerheid kan
bepalen of dat zeilschip over stuurboord- dan wel over
bakboordboeg ligt, moet het daarvoor uitwijken;
4°. in dit artikel wordt onder loefzijde verstaan de andere
zijde dan die waarover het grootzeil wordt gevoerd of, ingeval
van een vierkant getuigd schip, de andere zijde dan die waarover
het grootste langscheepse zeil bijstaat.
Artikel 13. Oplopen en verbod op gelijke hoogte te blijven varen
1.Onafhankelijk van hetgeen is voorgeschreven in hoofdstuk 2,
afdelingen 1 en 2, alsmede in artikel 42, moet elk schip dat een ander
schip oploopt, uitwijken voor het schip dat wordt opgelopen.
2.Een schip wordt geacht op te lopen wanneer het een ander schip
nadert uit een richting van meer dan 22,5° achterlijker dan dwars,
dit wil zeggen in zodanige positie met betrekking tot het schip dat
wordt opgelopen dat het bij nacht alleen het heklicht daarvan zou
kunnen zien doch geen van de beide zijdelichten. Geen daaropvolgende
verandering van de peiling tussen de beide schepen zal het oplopende
schip kunnen maken tot koerskruisend in de zin van dit reglement of
het kunnen ontslaan van de plicht uit te wijken voor het opgelopen
schip totdat dit geheel is voorbijgevaren en goed vrij is.
3.Wanneer een schip in twijfel verkeert of het een ander schip
oploopt, moet het zich als oplopend schip beschouwen en uitwijken.
4.Een werktuiglijk voortbewogen schip dat een ander schip oploopt,
moet aan de bakboordzijde van dat schip voorbijvaren. Wanneer het
oplopen slechts kan plaatsvinden indien het opgelopen schip
maatregelen neemt om een veilig voorbijvaren mogelijk te maken, moet
het schip dat wil oplopen tijdig zijn voornemen kenbaar maken door het
geven van twee lange stoten gevolgd door twee korte. Kan het opgelopen
schip ruimte aan zijn bakboordzijde geven dan moet het naar stuurboord
uitwijken en één korte stoot geven.
5.Wanneer de omstandigheden daartoe noodzaken mag, in afwijking van
hetgeen in het vierde lid is voorgeschreven, het oplopende schip aan
de stuurboordzijde van het opgelopene voorbijvaren. Wanneer het
oplopen slechts kan plaatsvinden indien het opgelopen schip
maatregelen neemt om een veilig voorbijvaren mogelijk te maken, moet
het schip dat wil oplopen tijdig zijn voornemen kenbaar maken door het
geven van twee lange stoten gevolgd door één korte. Kan het
opgelopen schip ruimte aan zijn stuurboordzijde geven dan moet het
naar bakboord uitwijken en twee korte stoten geven.
6.Het opgelopen schip moet ten minste vijf korte stoten geven
indien het niet kan medewerken tot het oplopen of indien naar zijn
mening het oplopen onmogelijk is.
7.Een zeilschip moet een ander schip bovenwinds oplopen en zijn
voornemen, naargelang de omstandigheid, kenbaar maken door het
geluidssein omschreven in het vierde of vijfde lid.
8.Het opgelopen schip is verplicht het oplopen te vergemakkelijken
door tijdig en genoegzaam vaart te verminderen en het oplopende schip
zoveel mogelijk ruimte te geven.
9.Dit artikel is niet van toepassing op een schip dat binnen de
vaargeul een buiten de vaargeul varend schip oploopt en omgekeerd.
10.Schepen mogen niet op gelijke hoogte blijven varen tenzij dit
zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart kan geschieden.
Artikel 14. Recht tegen elkaar in sturen
1.Wanneer twee werktuiglijk voortbewogen schepen op tegengestelde
of bijna tegengestelde koersen tegen elkaar insturen zodanig dat dit
gevaar voor aanvaring medebrengt, moeten beide naar stuurboord
uitwijken zodat ze elkaar aan bakboord voorbijvaren.
2.Een zodanige situatie wordt geacht te bestaan wanneer een schip
een ander dusdanig recht of bijna recht vooruit ziet dat het, bij
nacht, de toplichten daarvan in één lijn of nagenoeg in één lijn
en/of beide zijdelichten zou kunnen zien. Wanneer een schip in twijfel
verkeert of een zodanige situatie bestaat, moet het aannemen dat dit
het geval is en dienovereenkomstig handelen.
Artikel 15. Koers kruisen
Wanneer de koersen van twee werktuiglijk voortbewogen schepen elkaar
kruisen zodanig dat zulks gevaar voor aanvaring medebrengt moet, behalve
waar artikel 9, vierde lid, anders voorschrijft, het schip dat het
andere aan stuurboordzijde van zich heeft uitwijken en, wanneer de
omstandigheden het toelaten, vermijden vóór het andere over te lopen.
Artikel 16. Maatregelen van het schip dat moet uitwijken
Elk schip dat verplicht is uit te wijken voor een ander schip moet,
voor zover dit mogelijk is, bijtijds ruim voldoende maatregelen nemen om
goed vrij te blijven.
Artikel 17. Maatregelen van het schip dat koers moet houden
1.Wanneer één van beide schepen verplicht is uit te wijken, moet
het andere zijn koers behouden voor zover bij dit reglement niet
anders is bepaald.
2.Het schip dat zijn koers moet behouden mag echter maatregelen
nemen ter vermijding van aanvaring door zelf een manoeuvre uit te
voeren zodra hem duidelijk wordt dat het schip dat verplicht is uit te
wijken niet de passende maatregelen neemt die ingevolge dit reglement
zijn voorgeschreven.
3.Indien tengevolge van enige oorzaak het schip dat verplicht is
koers te behouden zich zo dicht bij het andere bevindt dat aanvaring
door een handeling van het schip dat moet uitwijken alléén niet kan
worden vermeden, moet het de maatregelen nemen die het best kunnen
bijdragen tot het vermijden van aanvaring.
4.Dit voorschrift ontheft het schip dat verplicht is uit te wijken
niet van die verplichting.
Artikel 18. Voorrangsregels
Behalve waar artikel 13 anders voorschrijft:
a. moet een werktuiglijk voortbewogen schip dat varende is,
uitwijken voor:
- een onmanoeuvreerbaar schip;
- een bovenmaats zeeschip;
- een beperkt manoeuvreerbaar schip;
- een schip bezig met de uitoefening van de visserij buiten
de vaargeul;
b. moet een zeilschip dat varende is, uitwijken voor de in het
eerste lid genoemde schepen, met inbegrip van een werktuiglijk
voortbewogen schip;
c.
1°. moet een schip bezig met de uitoefening van de visserij
in de vaargeul, uitwijken voor:
- een onmanoeuvreerbaar schip;
- een bovenmaats zeeschip;
- een beperkt manoeuvreerbaar schip;
- een werktuiglijk voortbewogen schip;
- een zeilschip;
2°. moet een schip bezig met de uitoefening van de visserij
buiten de vaargeul, voor zover mogelijk, uitwijken voor:
- een onmanoeuvreerbaar schip;
- een bovenmaats zeeschip;
- een beperkt manoeuvreerbaar schip;
d.
1°. moet een bovenmaats zeeschip dat varende is, uitwijken
voor een onmanoeuvreerbaar schip;
2°. moet een bovenmaats zeeschip dat varende is en in zijn
koers gehinderd wordt door een beperkt manoeuvreerbaar schip dat
in de vaargeul in bedrijf is en ten anker ligt, zijn voornemen
dit laatste voorbij te varen te kennen geven door een
geluidssein van drie korte stoten gevolgd door één lange. In
dat geval moet het beperkt manoeuvreerbare schip zich zo spoedig
mogelijk naar de rand van de vaargeul begeven;
3°. mag een bovenmaats zeeschip, voor zover mogelijk, een
vaargeul niet geheel of gedeeltelijk oversteken, niet verlaten
of niet binnenvaren, dan nadat het zich er van heeft vergewist
dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere
schepen verplicht zouden worden koers of vaart te wijzigen;
e.
1°. moet een beperkt manoeuvreerbaar schip dat varende is,
uitwijken voor een onmanoeuvreerbaar schip en voor een
bovenmaats zeeschip;
2°. mag een beperkt manoeuvreerbaar schip, voor zover
mogelijk, een vaargeul niet geheel of gedeeltelijk oversteken,
niet verlaten of niet binnenvaren, dan nadat het zich er van
heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder
dat andere schepen verplicht zouden worden koers of vaart te
wijzigen;
f. moeten een draagvleugelboot en een luchtkussenvaartuig aan
andere schepen de ruimte laten die deze nodig hebben om hun koers te
volgen en om te manoeuvreren;
g. moet een klein schip dat varende is, uitwijken voor andere dan
kleine schepen.
Afdeling 3. Gedrag van de schepen bij beperkt zicht
Artikel 19. Gedrag bij beperkt zicht
1. Bij beperkt zicht maakt een schip gebruik van radar. Als een
schip niet op radar kan varen, gaat het bij beperkt zicht op de
dichtstbijzijnde daarvoor geschikte plaats stilliggen.
2. Elk schip moet een veilige vaart aanhouden aangepast aan de
heersende omstandigheden en de toestanden van beperkt zicht. Een
werktuiglijk voortbewogen schip moet zijn machines gereed hebben ten
einde onmiddellijk te kunnen manoeuvreren.
3. Een schip dat alleen met radar de aanwezigheid van een ander
schip waarneemt, moet vaststellen of zich een situatie ontwikkelt
waarin men elkaar zo dicht nadert dat gevaar voor aanvaring kan
ontstaan. Is dit het geval, dan moet het bijtijds maatregelen ter
vermijding daarvan nemen.
4. Behalve wanneer is vastgesteld dat geen gevaar voor aanvaring
bestaat, moet elk schip dat meent voorlijker dan dwars het mistsein te
horen van een ander schip of dat een dicht naderen van een schip
voorlijker dan dwars niet kan vermijden, zijn vaart verminderen tot
het minimum waarbij het op koers kan worden gehouden. Indien nodig
moet de vaart geheel uit het schip worden gehaald en in elk geval
uiterst voorzichtig gemanoeuvreerd worden tot het gevaar voor
aanvaring is geweken.
Hoofdstuk 3. Lichten en dagmerken
Artikel 20. Toepassing
1.Zeeschepen moeten de lichten en dagmerken voeren zoals
voorgeschreven bij de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee en op de bij die bepalingen voorgeschreven wijze,
voor zover niet bij dit reglement wordt bepaald dat op zeeschepen de
voorschriften van dit reglement van toepassing zijn.
2.De voorschriften in dit hoofdstuk moeten onder alle
weersomstandigheden worden nageleefd.
3.
a. De voorschriften betreffende de lichten zijn van toepassing
van zonsondergang tot zonsopgang en gedurende die tijd mogen geen
andere lichten worden getoond, behalve lichten die niet kunnen
worden verward met bebakenings- of betonningslichten of met de in
deze voorschriften omschreven lichten, waarvan de zichtbaarheid of
het kenmerkend karakter niet mogen worden aangetast of waardoor
het houden van goede uitkijk niet wordt belemmerd.
b. De voorgeschreven lichten moeten, indien zij worden gevoerd,
ook worden getoond van zonsopgang tot zonsondergang bij beperkt
zicht en mogen onder alle andere omstandigheden worden getoond
wanneer dat noodzakelijk wordt geacht.
c. Schepen mogen geen verblindende lichten gebruiken waardoor
voor andere schepen gevaar of hinder kan ontstaan.
4.De voorschriften betreffende de dagmerken moeten overdag worden
nageleefd en gedurende die tijd mogen geen andere dagmerken worden
getoond, tenzij deze niet kunnen worden verward met de in deze
voorschriften omschreven dagmerken, waarvan de zichtbaarheid of het
kenmerkend karakter niet mogen worden aangetast of waardoor het houden
van goede uitkijk niet wordt belemmerd.
5.De in dit reglement vermelde lichten of dagmerken mogen alleen
worden gevoerd of getoond in de omstandigheden en voor de doeleinden
voorzien bij dit reglement.
Artikel 21. Begripsomschrijvingen
1.Lichten
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. toplicht:
een wit krachtig licht geplaatst in het midscheepse verticale
vlak in langsrichting van het schip, ononderbroken zichtbaar over
een boog van de horizon van 225°, van recht vooruit tot 22,5°
achterlijker dan dwars aan elke zijde van het schip;
b. zijdelichten:
een groen helder licht geplaatst aan stuurboordzijde en een
rood helder licht geplaatst aan bakboordzijde, ononderbroken
zichtbaar over een boog van de horizon van 112,5°, van recht
vooruit tot 22,5° achterlijker dan dwars, elk aan hun zijde, en
op één lijn loodrecht op het midscheepse verticale vlak in
langsrichting;
c. heklicht:
een wit helder licht geplaatst zo dicht mogelijk bij het hek
als uitvoerbaar dat ononderbroken zichtbaar is over een boog van
de horizon van 135°, van recht achteruit over 67,5° naar elke
zijde van het schip;
d. sleeplicht:
een geel helder licht met dezelfde kenmerken als het heklicht,
omschreven onder c;
e. rondom zichtbaar licht:
een licht dat ononderbroken zichtbaar is over een boog van de
horizon van 360°;
f. flikkerlicht:
een rondom zichtbaar licht dat flikkert met regelmatige
tussenpozen met een frequentie van ten minste 50 flikkeringen per
minuut.
2.Dagmerken
a. De voorgeschreven dagmerken moeten, tenzij in dit reglement
anders is bepaald, zwart zijn en moeten de volgende afmetingen
hebben:
1°. een bal: een middellijn van ten minste 0,50 meter;
2°. een cilinder: een middellijn van ten minste 0,50 meter
en een hoogte van tweemaal zijn middellijn;
3°. een kegel: een grondvlak met een middellijn van ten
minste 0,50 meter en een hoogte gelijk aan zijn middellijn;
4°. een ruit bestaat uit twee kegels zoals beschreven in
3°, die het grondvlak gemeen hebben.
Elk der voorgeschreven dagmerken kan worden vervangen door een
voorwerp dat als zodanig gezien wordt.
b. De voorgeschreven vlaggen moeten rechthoekig zijn en zij
moeten een hoogte hebben van ten minste 0,75 meter bij een breedte
van ten minste 0,90 meter.
c. Vorm en kleur van de dagmerken moeten steeds herkenbaar
zijn.
3.Onderlinge afstand tussen lichten of dagmerken
De loodrechte onderlinge afstand tussen de lichten of de dagmerken
bedraagt, tenzij in dit reglement anders is bepaald, ten minste 0,50
meter en ten hoogste 2 meter. Indien meer dan twee van dergelijke
lichten of dagmerken worden gevoerd moeten de onderlinge afstanden
gelijk zijn.
4.Bijzondere regeling
Indien de afmetingen van het schip een belemmering vormen de
lichten en dagmerken te voeren als voorzien bij het tweede en derde
lid, mogen dagmerken met kleinere afmetingen passend bij de grootte
van het schip worden gebruikt en mogen de onderlinge afstanden tussen
de lichten of dagmerken dienovereenkomstig worden verminderd.
Artikel 22. Zichtbaarheid van de lichten
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. zichtbaar:
zichtbaar bij donkere nacht en bij heldere dampkring;
b. gewoon licht, helder licht en krachtig licht:
1. voor zeeschepen:
lichten die op een afstand van onderscheidenlijk ten minste
1.000 meter, 2.000 meter en 3.000 meter zichtbaar zijn;
2. voor binnenschepen:
de lichten die voldoen aan de eisen van bijlage 1.5 van de
Binnenvaartregeling.
Artikel 23. Werktuiglijk voortbewogen schepen
1.Een werktuiglijk voortbewogen schip dat varende is, moet voeren:
a. een toplicht op het voorschip;
b. een tweede toplicht achterlijker en hoger dan het voorste;
c. zijdelichten;
d. een heklicht.
Een werktuiglijk voortbewogen binnenschip met een lengte van 110
meter of minder, is niet verplicht het tweede toplicht te voeren maar
mag dit wel doen.
2.Het voorste toplicht of indien slechts één toplicht wordt
gevoerd dat toplicht, wordt voor schepen met een lengte van 40 meter
of meer op ten minste 6 meter hoogte, en voor schepen met een lengte
van minder dan 40 meter op ten minste 4 meter hoogte geplaatst, en in
elk geval ten minste 1 meter hoger dan de zijdelichten.
3.Wanneer twee toplichten worden gevoerd, moet het achterste ten
minste 3 meter hoger zijn geplaatst dan het voorste of het hoogste van
de bij artikel 24, eerste en tweede lid, bedoelde lichten. De
horizontale afstand tussen beide lichten mag niet minder zijn dan de
helft van de lengte van het schip.
4.De zijdelichten moeten op gelijke hoogte zijn geplaatst.
5.Samenstellen van varende, langszij aan elkaar gekoppelde schepen,
niet zijnde kleine schepen, moeten voeren:
a. op elk voortstuwend schip het toplicht of de toplichten;
b. op elk niet voortstuwend schip een rondom zichtbaar wit
helder licht geplaatst op voldoende hoogte doch niet hoger dan het
voorste toplicht van het voortstuwend schip, en bij een lengte van
meer dan 110 meter, twee dergelijke lichten, één voorop en één
achterop op gelijke hoogte;
c. de zijdelichten geplaatst aan de buitenzijde van het
gekoppeld samenstel en voor zover als mogelijk op gelijke hoogte
en ten minste 1 meter lager dan het licht bedoeld onder b;
d. op elk schip het heklicht.
Artikel 24. Slepen en assisteren
1.Een sleepboot of een werktuiglijk voortbewogen schip dat één of
meer schepen sleept of assisteert moet, behalve de zijdelichten en het
heklicht, onder of boven het in artikel 23, eerste lid, onder a,
bedoelde toplicht een tweede wit licht voeren van gelijke inrichting
en sterkte als dit toplicht.
2.Wanneer twee of meer sleepboten gezamenlijk één of meer schepen
slepen of assisteren, moet ieder, onder of boven de in het eerste lid
genoemde lichten, een derde wit licht voeren van gelijke inrichting en
sterkte.
3.De bij het eerste en tweede lid bedoelde lichten moeten in
verticale lijn staan en wel zodanig dat het onderste gevoerd wordt op
een hoogte van ten minste 2 meter op een schip met een lengte van
minder dan 50 meter en op een hoogte van ten minste 3 meter op een
schip met een lengte van 50 meter en meer.
4.Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is eveneens van
toepassing op zeeschepen.
5.Op een binnenschip dat sleept, moet het heklicht worden vervangen
door een sleeplicht.
6.Een zeeschip dat wordt gesleept, moet behalve de zijdelichten en
het heklicht ook het toplicht of de toplichten voeren en bovendien de
lichten of de dagmerken voorgeschreven in artikel 27, eerste lid.
7.
a. Een binnenschip dat wordt gesleept, moet één rondom
zichtbaar wit helder licht voeren op een hoogte van ten minste 4
meter. Een binnenschip met een lengte van meer dan 110 meter dat
wordt gesleept, moet twee dergelijke lichten voeren, één voorop
en één achterop, op gelijke hoogte. Het laatste binnenschip van
een sleep moet bovendien het heklicht voeren.
b. Elk binnenschip dat wordt gesleept, moet als dagmerk een
gele bal voeren, daar waar deze het best kan worden gezien.
8.Een niet of weinig opvallend, zich gedeeltelijk onder water
bevindend schip dat wordt gesleept, moet voeren, daar waar dit het
best kan worden gezien:
a. een rondom zichtbaar wit gewoon licht aan of nabij het
voorste uiteinde en een zelfde licht aan of nabij het achterste
uiteinde van de sleep;
b. een ruitvormig dagmerk aan of nabij het achterste uiteinde
van de sleep.
9.Een schip dat wordt geassisteerd, moet de lichten voeren van een
werktuiglijk voortbewogen schip van zijn soort en lengte.
Artikel 25. Zeilschepen
1.Een zeilschip met een lengte van 20 meter of meer dat varende is,
moet voeren de zijdelichten en het heklicht zomede, aan of nabij de
top van de mast, daar waar deze het best kunnen worden gezien, twee
rondom zichtbare heldere lichten, het ene loodrecht onder het andere,
het bovenste rood en het onderste groen.
2.Een schip dat onder zeil is en tevens werktuiglijk wordt
voortbewogen, moet op het voorschip, daar waar deze het best kan
worden gezien, een kegel voeren met de punt naar beneden.
Artikel 26. Schepen bezig met de uitoefening van de visserij
Een schip bezig met de uitoefening van de visserij moet voeren:
a. twee rondom zichtbare heldere lichten, het ene loodrecht onder
het andere, het bovenste groen en het onderste wit, of een dagmerk
bestaande uit twee kegels met de punten tegen elkaar, de ene
loodrecht onder de andere.
b. ingeval het vaart door het water loopt, tevens de zijdelichten
en het heklicht.
Artikel 27. Onmanoeuvreerbare, beperkt manoeuvreerbare schepen en
bijzondere transporten
1.Een onmanoeuvreerbaar schip moet voeren:
a. twee rondom zichtbare rode heldere lichten, het ene
loodrecht onder het andere, daar waar deze het best kunnen worden
gezien. Wanneer het vaart door het water loopt tevens het toplicht
of de toplichten, de zijdelichten en het heklicht;
b. twee ballen, de ene loodrecht onder de andere, daar waar
deze het best kunnen worden gezien.
2.Een beperkt manoeuvreerbaar schip moet voeren:
a. drie rondom zichtbare heldere lichten, in verticale lijn,
daar waar deze het best kunnen worden gezien. Het bovenste en
onderste licht moeten rood en het middelste licht moet wit zijn;
b. drie dagmerken, in verticale lijn, daar waar deze het best
kunnen worden gezien. Het bovenste en onderste dagmerk moeten een
bal en het middelste moet een ruit zijn;
c. aan de zijde waar het vaarwater niet vrij is, daar waar deze
het best kunnen worden gezien, twee rondom zichtbare rode heldere
lichten, het ene loodrecht onder het andere, of twee ballen, de
ene loodrecht onder de andere;
d. aan de zijde waar het vaarwater vrij is, daar waar deze het
best kunnen worden gezien, twee rondom zichtbare groene heldere
lichten, het ene loodrecht onder het andere, of twee ruiten, de
ene loodrecht onder de andere;
e. wanneer het vaart door het water loopt: tevens het toplicht
of de toplichten, de zijdelichten en het heklicht;
f. wanneer ankers uitstaan, zodanig dat deze een gevaar voor de
scheepvaart kunnen vormen, moeten ze, ter aanduiding van de
ligging ervan, worden aangeduid door een gele drijver voorzien van
een radarreflector en een rondom zichtbaar geel helder licht.
3.Een bijzonder transport moet de lichten of de dagmerken voeren
voorgeschreven voor een onmanoeuvreerbaar schip. Indien dit niet
uitvoerbaar is moeten alle maatregelen worden genomen om het bijzonder
transport goed te verlichten of om zijn aanwezigheid goed zichtbaar
aan te duiden.
4.Het bepaalde in dit artikel is eveneens van toepassing op
zeeschepen.
Artikel 28. Bovenmaatse zeeschepen
Een bovenmaats zeeschip dat varende is, moet voeren, daar waar dit
het best kan worden gezien:
a. behalve de lichten voorgeschreven voor een werktuiglijk
voortbewogen schip, drie rondom zichtbare rode krachtige lichten
geplaatst in verticale lijn;
b. een cilinder als dagmerk.
Artikel 29. Loodsschepen
1.Een loodsschip, bezig met de uitoefening van de loodsdienst, moet
voeren:
a. aan of nabij de top van de mast twee rondom zichtbare
heldere lichten, het ene loodrecht onder het andere, het bovenste
wit en het onderste rood;
b. wanneer het varende is, tevens de zijdelichten en het
heklicht;
c. wanneer het ten anker ligt, behalve de lichten
voorgeschreven onder a, de lichten of het dagmerk voorgeschreven
voor een ten anker liggend schip.
2.Een loodsschip, niet bezig met de uitoefening van de loodsdienst,
moet de lichten of dagmerken voeren voorgeschreven voor een schip van
zijn soort en lengte.
Artikel 30. Ten anker liggende, gemeerde, aan de grond zittende en
gezonken schepen en obstakels voor de scheepvaart
1.Ten anker liggende schepen
Een ten anker liggend schip moet voeren op het voorschip of daar
waar het trekkend anker uitstaat, op een hoogte van ten minste 3 m,
een rondom zichtbaar wit helder licht of een bal en op het achterschip
of op het voorschip indien het trekkend anker niet daar uitstaat, een
tweede wit licht van gelijke inrichting en sterkte, ten minste 2 m
lager dan het eerstgenoemde licht. Wanneer schepen gekoppeld ten anker
liggen, moet elk van die schepen de lichten of het dagmerk voeren als
hierbovenomschreven.
2.Gemeerde schepen
Een gemeerd schip moet voeren, tenzij het vanaf de wal voldoende
wordt verlicht, aan de zijde van het vaarwater en zo mogelijk ter
hoogte van het dek op het voorschip en aan of nabij het hek: een
rondom zichtbaar wit helder licht.
3.Aan de grond zittende of gezonken schepen en andere obstakels
voor de scheepvaart
a. Een schip dat aan de grond zit of gezonken is en elk ander
obstakel voor de scheepvaart, moet voeren daar waar dit het best
kan worden gezien:
- de ankerlichten als bedoeld in het eerste lid;
- twee rondom zichtbare rode heldere lichten het ene
loodrecht onder het andere;
- drie ballen in verticale lijn geplaatst.
Indien uitvoerbaar, moet het schip of obstakel tevens de
lichten en dagmerken voeren die ingevolge de overige bepalingen
van dit reglement van toepassing zijn.
b. Indien de omstandigheden ter plaatse van het schip of van
het obstakel vorderen dat wordt aangeduid of het aan geen enkele
zijde, aan één zijde of aan beide zijden kan worden
voorbijgevaren, moeten in plaats van de onder a bedoelde lichten
of dagmerken, worden gevoerd:
1°. aan de zijde of de zijden waar de doorvaart niet vrij
is: twee rondom zichtbare rode heldere lichten, het ene
loodrecht onder het andere of twee ballen, de ene loodrecht
onder de andere, daar waar deze het best kunnen worden gezien;
2°. aan de zijde of de zijden waar de doorvaart vrij is:
twee rondom zichtbare groene heldere lichten, het ene
loodrecht onder het andere of twee ruiten, de ene loodrecht
onder de andere, daar waar deze het best kunnen worden gezien.
c. De Rijkshavenmeester Westerschelde kan ontheffing verlenen
van de verplichting tot het voeren van de onder a en b
voorgeschreven lichten en dagmerken.
d. Indien de lichten of de dagmerken niet door het schip of het
obstakel zelf kunnen worden gevoerd, moeten zij worden aangebracht
op een andere doelmatige wijze.
e. In plaats van door de lichten en dagmerken als voornoemd kan
het schip of het obstakel worden aangeduid door betonning volgens
het IALA maritiem betonningsstelsel voor zone A.
4.Het bepaalde in dit artikel is eveneens van toepassing op
zeeschepen.
Artikel 31. Bijzondere lichten en dagmerken
1. Een schip belast met een bijzondere politie-opdracht kan zowel
bij dag als bij nacht, behalve de lichten en de dagmerken elders
voorgeschreven door dit reglement, een blauw flikkerlicht voeren.
Indien twee of meer dergelijke schepen dat blauwe flikkerlicht
voeren, is de tussen deze schepen gelegen zone voor de scheepvaart
verboden.
2. Behoudens de lichten voorgeschreven voor zijn soort mag een
varend of ten anker liggend schip bezig met werkzaamheden, zowel bij
dag als bij nacht, daar waar dit het best kan worden gezien, een geel
helder flikkerlicht voeren om aan te duiden dat het werkzaamheden
uitvoert.
3. Ten anker liggende, gemeerde, aan de grond zittende of gezonken
schepen, met inbegrip van zeeschepen, waarvoor gevaar voor golfslag of
zuiging veroorzaakt door snel voorbijvarende schepen zou kunnen
ontstaan moeten, behalve de lichten en de dagmerken elders in dit
reglement voorgeschreven, voeren:
a. twee heldere lichten, het ene loodrecht onder het andere,
het bovenste rood en het onderste wit, op een zodanige hoogte dat
zij rondom zichtbaar zijn en niet met andere lichten kunnen worden
verward;
b. een vlag met twee horizontale banen van gelijke breedte, de
bovenste rood en de onderste wit, op een geschikte plaats en op
een zodanige hoogte dat zij rondom zichtbaar is. Deze vlag mag
worden vervangen door twee vlaggen, waarvan de bovenste rood en de
onderste wit is. De vlaggen mogen worden vervangen door borden van
vermelde kleuren.
4. Drijvende leidingen, vast verbonden aan de wal of aan ten anker
liggende dan wel gemeerde schepen, die de scheepvaart kunnen hinderen,
moeten over de gehele lengte worden aangeduid door rondom zichtbare
gele gewone lichten of gele vlaggen geplaatst op een onderlinge
afstand van ten hoogste 50 meter en op een hoogte van ten minste 1,50
meter boven de leiding.
5. Een zeeschip geladen met gevaarlijke stoffen, bedoeld in de bij
dit besluit behorende bijlage 1, moet, behalve de lichten en dagmerken
elders in dit reglement voorgeschreven, voeren:
a. een rondom zichtbaar rood helder licht, daar waar dit het
best kan worden gezien, op een hoogte van ten minste 6 meter;
b. een seinvlag B van het Internationaal seinboek.
6.
a. Een binnenschip geladen met bepaalde brandbare stoffen,
bedoeld in het Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
over de Rijn (ADNR) nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, moet, behalve de
lichten of dagmerken die worden voorgeschreven bij de overige
bepalingen van dit reglement, voeren:
- bij nacht: één rondom zichtbaar blauw licht;
- bij dag: één blauwe kegel met de punt naar beneden.
In plaats één blauwe kegel, kan ook één blauwe kegel op het
voor- en één op het achterschip op een hoogte van ten minste 3
meter boven het vlak der inzinkingsmerken worden gevoerd.
b. Een binnenschip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke
stoffen vervoert, bedoeld in het ADNR, nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0,
moet, behalve de lichten of dagmerken die worden voorgeschreven
bij de overige bepalingen van dit reglement, voeren:
- bij nacht: twee rondom zichtbare blauwe lichten;
- bij dag: twee blauwe kegels met de punt naar beneden; in
een verticale lijn en met een onderlinge afstand van ongeveer
1 meter.
In plaats van twee blauwe kegels, kunnen ook telkens twee
blauwe kegels op het voor- en op het achterschip worden gevoerd,
waarvan de ondersten op een hoogte van ten minste 3 meter boven
het vlak der inzinkingsmerken worden gevoerd.
c. Een binnenschip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert,
bedoeld in het ADNR, nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, moet, behalve de
lichten of dagmerken die worden voorgeschreven bij de overige
bepalingen van dit reglement, voeren:
- bij nacht: drie rondom zichtbare blauwe lichten;
- bij dag: drie blauwe kegels met de punt naar beneden; in
een verticale lijn en met een onderlinge afstand van ongeveer
1 meter.
In plaats van drie blauwe kegels, kunnen ook telkens drie
blauwe kegels op het voor- en op het achterschip worden gevoerd,
waarvan de ondersten op een hoogte van ten minste 3 meter boven
het vlak der inzinkingsmerken worden gevoerd.
d. Indien een duwstel of een gekoppeld samenstel één of meer
schepen bevat, bedoeld in het vijfde of het zesde lid, moet, in
plaats van dit schip of van deze schepen, de duwboot of het schip
dat dient voor het voortbewegen van het gekoppeld samenstel het
licht of de lichten, dan wel de kegel of de kegels, vermeld in het
vijfde of zesde lid, voeren.
e. Een binnenschip, een duwstel of een gekoppeld samenstel,
geladen met verschillende gevaarlijke stoffen als bedoeld onder a,
b, en c moet uitsluitend de lichten of kegels voeren
voorgeschreven voor de gevaarlijke stof die volgens dit lid het
grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.
f. De sterkte van de blauwe lichten voorgeschreven in dit lid
moet ten minste gelijk zijn aan die van blauwe gewone lichten.
7. Het vijfde en zesde lid zijn ook van toepassing op tankschepen,
die na het lossen van de in de bij dit besluit behorende bijlage 1
bedoelde stoffen nog niet gereinigd, ontgast of geheel geïnertiseerd
zijn.
Hoofdstuk 4. Geluids- en lichtseinen
Artikel 32. Begripsomschrijvingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. fluit:
elk middel geschikt tot het geven van de voorgeschreven korte en
lange stoten;
b. korte stoot:
een geluidssein van ongeveer één seconde duur;
c. lange stoot:
een geluidssein van vier tot zes seconden duur.
Artikel 33. Middelen voor geluidsseinen
1.Een schip met een lengte van 20 meter of meer moet zijn voorzien
van een fluit en van een klok; een schip met een lengte van 100 meter
of meer moet tevens zijn voorzien van een gong, waarvan de toon en het
geluid niet kunnen worden verward met die van de klok. De fluit, de
klok en de gong moeten deugdelijk zijn. De fluit moet zodanig op het
schip zijn geplaatst dat de goede werking ervan niet nadelig wordt
beïnvloed. De klok of de gong of beide mogen worden vervangen door
andere middelen, die dezelfde onderscheiden geluidskenmerken bezitten,
met dien verstande dat het altijd mogelijk moet zijn om de vereiste
seinen door bediening met de hand te geven.
2.Een klein schip is niet verplicht de toestellen voor het geven
van geluidsseinen voorgeschreven bij het eerste lid, aan boord te
hebben, doch indien het deze niet heeft, moet het zijn voorzien van
een ander middel voor het geven van een doelmatig geluidssein.
3.De in dit reglement vermelde geluidsseinen mogen alleen worden
gegeven in de omstandigheden en voor de doeleinden voorzien bij dit
reglement.
Artikel 34. Manoeuvreer-, waarschuwings- en bijzondere seinen
1.Manoeuvreer- en waarschuwingsseinen
a. Behoudens wanneer het een klein schip is, moet een varend
schip, indien het handelt ter voorkoming van aanvaring met een
ander in zicht zijnd schip, zijn handeling door een der volgende
seinen kenbaar maken:
- één korte stoot voor: ik verander mijn koers naar
stuurboord;
- twee korte stoten voor: ik verander mijn koers naar
bakboord;
- drie korte stoten voor: ik sla achteruit;
- vier korte stoten voor: ik kan niet manoeuvreren.
Een klein schip mag in de hierbedoelde omstandigheden genoemde
geluidsseinen geven.
Een zeeschip mag in de hierbedoelde omstandigheden genoemde
geluidsseinen aanvullen met lichtseinen, gegeven met een rondom
zichtbaar wit krachtig licht, die zo nodig kunnen worden herhaald.
Deze lichtseinen hebben de volgende betekenis:
- één schittering: ik verander mijn koers naar
stuurboord;
- twee schitteringen: ik verander mijn koers naar bakboord;
- drie schitteringen: ik sla achteruit;
- vier schitteringen: ik kan niet manoeuvreren.
De duur van elke schittering moet ongeveer één seconde zijn,
de tijdsruimte tussen de schitteringen ongeveer één seconde en
de tijdsruimte tussen de achtereenvolgende seinen niet minder dan
tien seconden.
b. Wanneer schepen die in zicht van elkaar zijn elkaar naderen
en één van die schepen de voornemens of handelingen van het
andere niet begrijpt dan wel twijfelt of het andere voldoende
handelingen verricht om aanvaring te voorkomen, moet eerstgenoemd
schip die twijfel kenbaar maken door het geven van een reeks van
ten minste vijf snel opeenvolgende zeer korte stoten. Deze
verplichting geldt niet voor kleine schepen.
Een zeeschip mag in de hierbedoelde omstandigheden genoemd
geluidssein aanvullen met een lichtsein bestaande uit een reeks
van ten minste vijf snel opeenvolgende zeer korte schitteringen
gegeven met een rondom zichtbaar wit krachtig licht.
c. Behoudens wanneer het een klein schip is, moet een
werktuiglijk voortbewogen binnenschip, gelijktijdig met de gegeven
geluidsseinen, lichtseinen geven van dezelfde duur met een rondom
zichtbaar geel helder licht. Deze bepaling geldt niet voor de
klok- en gongslagen of reeksen klok- en gongslagen.
2.Bijzondere geluidsseinen
a. Een aan de grond zittend schip, waarvan de
voortstuwingswerktuigen in werking zijn, moet dit aan naderende
schepen kenbaar maken door vier korte stoten gevolgd door twee
lange stoten.
b. Een zeeschip, dat wordt geassisteerd of dat wordt gesleept,
mag aan de sleepboten en deze mogen aan het zeeschip de volgende
geluidsseinen geven:
- één korte stoot van het zeeschip om aan te geven:
"De vóórsleepboten moeten het voorschip stuurboord uit
trekken";
- twee korte stoten van het zeeschip om aan te geven:
"De vóórsleepboten moeten het voorschip bakboord uit
trekken;
- één korte stoot en één lange stoot van het zeeschip
om aan te geven: "De achtersleepboten moeten het
achterschip bakboord uit trekken";
- twee korte stoten en één lange stoot van het zeeschip
om aan te geven: "De achtersleepboten moeten het
achterschip stuurboord uit trekken";
- een reeks korte stoten van het zeeschip om aan te geven:
"De sleepboten moeten ophouden met trekken";
- een reeks korte stoten van een achtersleepboot om aan te
geven:
"Het schip komt te ver achteruit"; - een reeks korte
stoten van een vóórsleepboot om aan te geven: "Het schip komt
te ver vooruit".
De sleepboten moeten het door het zeeschip gegeven geluidssein
herhalen.
Artikel 35. Geluidsseinen bij beperkt zicht
1.In of nabij een gebied met beperkt zicht moeten zowel overdag als
bij nacht de onderstaande voorschriften in acht worden genomen.
2.Door schepen die varende zijn
a. Een werktuiglijk voortbewogen schip, een duwstel of een
gekoppeld samenstel dat vaart door het water loopt moet, met
tussenpozen van niet meer dan twee minuten, één lange stoot
geven.
b. Een werktuiglijk voortbewogen schip, een duwstel of een
gekoppeld samenstel moet, wanneer het gestopt ligt en geen vaart
door het water loopt, met tussenpozen van niet meer dan twee
minuten, twee lange stoten geven gescheiden door een tussenpoos
van ongeveer twee seconden.
c. Een onmanoeuvreerbaar schip, een beperkt manoeuvreerbaar
schip, een bovenmaats zeeschip, een zeilschip, een schip bezig met
de uitoefening van de visserij of een schip dat een ander schip
sleept moet, in plaats van de seinen voorgeschreven onder a en b,
met tussenpozen van niet meer dan twee minuten, één lange stoot
gevolgd door twee korte stoten geven.
d. Een schip dat gesleept wordt of, ingeval meer dan één
schip wordt gesleept, het laatste schip van de sleep moet, met
tussenpozen van niet meer dan twee minuten, één lange stoot
gevolgd door drie korte stoten geven. Indien mogelijk wordt dit
sein gegeven onmiddellijk na het door het slepende schip gegeven
sein.
3.Door ten anker liggende schepen
Een ten anker liggend schip moet, met tussenpozen van niet meer dan
één minuut, gedurende ongeveer vijf seconden snel de klok luiden.
Op een schip met een lengte van 100 meter of meer wordt de klok
geluid op het voorschip of daar waar het trekkend anker uit staat en
wordt, onmiddellijk na het luiden van de klok, de gong gedurende
ongeveer vijf seconden snel geluid op het achterschip of op het
voorschip indien het trekkend anker niet daar uit staat.
Een ten anker liggend schip mag bovendien één korte, één lange
en één korte stoot geven om een naderend schip te waarschuwen.
4.Door aan de grond zittende schepen
Een aan de grond zittend schip moet het sein met de klok geven en,
indien vereist, het sein met de gong, zoals voorgeschreven bij het
derde lid, en bovendien drie van elkaar gescheiden duidelijke slagen
op de klok onmiddellijk vóór en onmiddellijk na het snelle luiden
van de klok. Het schip mag daarenboven twee korte stoten gevolgd door
één lange stoot geven.
5.Een schip bezig met de uitoefening van de visserij wanneer ten
anker en een beperkt manoeuvreerbaar schip dat werkzaamheden uitvoert
terwijl ten anker, moeten de seinen geven voorgeschreven bij het
tweede lid, onder c.
Artikel 36. Aandachts- en waarschuwingsseinen
1.Wanneer het nodig is om de aandacht te trekken van een ander
schip mag elk schip een licht- of een geluidssein geven dat niet kan
worden verward met een bij dit reglement voorzien sein noch met een
licht of een sein dat bij de betonning of bij de bebakening in gebruik
is. Het mag tevens zijn zoeklicht laten schijnen in de richting van
het gevaar, zonder daardoor een ander schip te hinderen of in
verwarring te brengen.
2.Een schip dat een bocht of een gedeelte van de vaargeul nadert
waar het zicht is belemmerd door omstandigheden die geen verband
houden met beperkt zicht, moet tijdig als waarschuwingssein een lange
stoot geven.
3.Eveneens moet een lange stoot als waarschuwingssein worden
gegeven, indien het onder bijzondere omstandigheden nodig is de
aandacht te trekken ter voorkoming van aanvaring.
4.Zo nodig moeten de in dit artikel bedoelde seinen tijdig worden
herhaald.
5.Het gebruik van zeer felle flikker- of zwaailichten zoals "strobe"-lichten
om de aandacht te trekken is verboden.
Artikel 37. Noodseinen
Indien een schip in nood verkeert en hulp verlangt, gebruikt, toont
of geeft het de volgende seinen, hetzij gezamenlijk hetzij afzonderlijk:
a. een aanhoudend geluid met een toestel voor mistseinen;
b. een sein, door middel van radiotelegrafie of enige andere
seinwijze uitgezonden, bestaande uit de groep ...---... (S.O.S.) van
de Morse code;
c. een sein, uitgezonden door middel van radiotelefonie,
bestaande uit het gesproken woord "meedee";
d. een rooksignaal dat oranje gekleurde rook afgeeft;
e. langzaam en herhaald op en neer bewegen van de naar beide
zijden uitgestrekte armen;
f. seinen uitgezonden door noodradiobakens die de positie
aanduiden;
g. een licht dan wel een vlag of ieder ander geschikt voorwerp
waarmee in het rond wordt gezwaaid;
h. reeksen klokslagen of herhaalde lange stoten.
Hoofdstuk 5. Duwvaart
Artikel 38. Begripsomschrijvingen
1.In dit reglement wordt verstaan onder:
a. duwstel:
een hecht samenstel van schepen waarvan er ten minste één is
geplaatst vóór de duwboot;
b. duwboot:
een werktuiglijk voortbewogen schip dat deel uitmaakt van een
duwstel en gebouwd of ingericht is om dit door duwen voort te
bewegen.
2.Behoudens waar afzonderlijke bepalingen voor duwstellen zijn
gesteld wordt voor de toepassing van dit reglement een duwstel als
één schip beschouwd.
Artikel 39. Lichten voor duwstellen
1.Een duwstel met een lengte van meer dan 110 meter of met een
breedte van meer dan 12 meter, dat varende is, moet voeren:
a.
1°. drie toplichten vóór op het voorste schip of ingeval
meerdere schepen zich vooraan bevinden, vóór op het aan
bakboord geplaatste van die voorste schepen, opgesteld in de
vorm van een gelijkzijdige driehoek met horizontale basis in
een vlak loodrecht op de lengte-as van het duwstel, het
bovenste licht op een hoogte van ten minste 6 meter en de
beide onderste lichten ongeveer 1,25 meter uit elkaar en
ongeveer 1,10 meter onder het bovenste licht;
2°. een toplicht op het voorschip van elk ander schip dat
van voren over de volle breedte zichtbaar is, voor zover
mogelijk 3 meter lager dan het bovenste licht, bedoeld onder
1°;
b. zijdelichten op het breedste gedeelte van het duwstel, zo
dicht mogelijk bij de duwboot, ten hoogste 1 meter binnen de
zijkanten van het duwstel en op een hoogte van ten minste 2 meter;
c.
1°. drie heklichten op de duwboot in een horizontale lijn
loodrecht op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 meter uit
elkaar, op een zodanige hoogte dat zij niet door een ander
schip van het duwstel aan het zicht kunnen worden onttrokken;
2°. een heklicht op elk ander schip dat van achteren over
de volle breedte zichtbaar is; indien, behalve de duwboot,
meer dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit
licht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden
gevoerd.
2.Een duwstel met een lengte van 110 meter of minder en met een
breedte van 12 meter of minder, dat varende is, moet de lichten voeren
voorgeschreven bij artikel 23 voor een werktuiglijk voortbewogen
schip.
Hoofdstuk 6. Bepalingen voor kleine schepen
Artikel 40. Toepassing
Dit hoofdstuk stelt de bepalingen voor zover die voor kleine schepen
afwijken van hetgeen elders in dit reglement is voorgeschreven.
Artikel 41. Lichten en dagmerken
1.Een klein werktuiglijk voortbewogen schip dat varende is, moet
voeren:
a. een toplicht. Dit licht moet echter een helder licht zijn.
Dit licht mag op het voorschip dan wel achterlijker zijn
geplaatst. Het moet ten minste 1 meter hoger dan de zijdelichten
zijn aangebracht, maar het mag lager dan 4 meter boven de romp
zijn geplaatst;
b. zijdelichten. Deze lichten moeten zich op gelijke hoogte en
in één lijn loodrecht op de lengte-as van het schip bevinden.
Zij behoeven niet achterlijker dan het toplicht te zijn
geplaatst.
Zij moeten naar de binnenzijde van het schip zodanig zijn
afgeschermd, dat het groene licht niet aan bakboordzijde en het
rode licht niet aan stuurboordzijde kan worden gezien.
Zij mogen worden verenigd in één lantaarn, gevoerd in de
lengte-as van het schip;
c. een heklicht. Dit licht mag worden weggelaten indien het
onder a bedoelde toplicht vervangen wordt door een rondom
zichtbaar wit helder licht.
2.Een klein werktuiglijk voortbewogen schip dat varende is, waarvan
de lengte minder dan 7 meter en de hoogst bereikbare snelheid niet
meer is dan 7 zeemijlen (13 kilometer) per uur, mag, in plaats van de
bij het eerste lid voorgeschreven lichten, een rondom zichtbaar wit
helder licht voeren, daar waar dit het best kan worden gezien. Indien
uitvoerbaar, moet zulk een schip ook zijdelichten voeren.
3.Een klein werktuiglijk voortbewogen schip dat slechts kleine
schepen sleept dan wel slechts langszijde daarvan vastgemaakte kleine
schepen voortbeweegt, moet de bij het eerste lid voorgeschreven
lichten voeren.
4.Een klein schip dat wordt gesleept dan wel langszijde van een
ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen, moet een rondom zichtbaar
wit helder licht voeren, daar waar dit het best kan worden gezien.
Bijboten van schepen behoeven dit licht niet te voeren.
5.Een zeilschip met een lengte van minder dan 20 meter dat varende
is, moet voeren:
a. hetzij de zijdelichten en een heklicht. De zijdelichten
moeten zich op gelijke hoogte en in één lijn loodrecht op de
lengte-as van het schip bevinden. Zij moeten zijn aangebracht op
een plaats, waar zij niet door de zeilen worden afgeschermd. Zij
moeten naar de binnenzijde van het schip zodanig zijn afgeschermd
dat het groene licht niet aan bakboordzijde en het rode licht niet
aan stuurboordzijde kan worden gezien. Zij mogen worden verenigd
in één lantaarn, gevoerd in de lengte-as van het schip;
b. hetzij de zijdelichten en een heklicht, gecombineerd in
één lantaarn die is geplaatst op de top van de mast dan wel
nabij de top van de mast zodanig dat zij rondom zichtbaar is;
c. hetzij, voor een schip met een lengte van minder dan 7
meter, een rondom zichtbaar wit gewoon licht, daar waar dit het
best kan worden gezien.
6.Een klein door spierkracht voortbewogen schip dat varende is,
moet een rondom zichtbaar wit gewoon licht voeren.
7.Een klein schip dat ten anker of gemeerd ligt, moet, tenzij het
vanaf de wal voldoende wordt verlicht, daar waar dit het best kan
worden gezien een rondom zichtbaar wit gewoon licht voeren.
8.Een klein schip behoeft de voorgeschreven dagmerken niet te
voeren, behalve de bij artikel 25, tweede lid, en artikel 31, vijfde
of zesde lid, voorgeschreven dagmerken die van kleinere afmetingen
mogen zijn.
9.Een klein schip, met uitzondering van een zeilplank, moet zijn
voorzien van een deugdelijke radarreflector; bij zeilschepen moet deze
worden gevoerd ten minste 4 meter boven het wateroppervlak en bij
werktuiglijk voortbewogen schepen zo hoog mogelijk boven de opbouw.
Artikel 42. Vaarregels
1.Wanneer twee kleine schepen elkaar zodanig naderen dat gevaar
voor aanvaring bestaat en één van die schepen houdt de
stuurboordzijde van het vaarwater dan moet dit schip zijn weg
vervolgen en het andere schip uitwijken.
2.Wanneer een werktuiglijk voortbewogen klein schip, een door
spierkracht voortbewogen klein schip of een zeilschip met een lengte
van minder dan 20 meter elkaar zodanig naderen dat gevaar voor
aanvaring bestaat, moet, behoudens in het geval genoemd in het eerste
lid:
a. het werktuiglijk voortbewogen klein schip uitwijken voor het
andere schip;
b. het door spierkracht voortbewogen klein schip uitwijken voor
het zeilschip.
3.Wanneer, behoudens in het geval genoemd in het eerste lid:
a. twee werktuiglijk voortbewogen kleine schepen zodanig recht
of bijna recht tegen elkaar insturen dat gevaar voor aanvaring
bestaat, moeten beide naar stuurboord uitwijken zodat ze elkaar
aan bakboord voorbijvaren;
b. de koersen van twee werktuiglijk voortbewogen kleine schepen
elkaar zodanig kruisen dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet het
schip dat het andere aan stuurboordzijde van zich heeft uitwijken.
4.Een klein schip dat ingevolge het bij het eerste, tweede of derde
lid gestelde verplicht is uit te wijken, moet dit tijdig en naar
stuurboord doen en moet, indien de omstandigheden dit mogelijk maken,
vermijden vóór het andere schip over te lopen.
5.Indien twee zeilschepen met een lengte van minder dan 20 meter
elkaar zodanig naderen dat gevaar voor aanvaring bestaat moet,
behoudens in het geval genoemd in het eerste lid:
a. wanneer beide schepen over verschillende boeg liggen, het
schip dat over stuurboordboeg ligt uitwijken voor het schip dat
over bakboordboeg ligt;
b. wanneer beide schepen over dezelfde boeg liggen, het
loefwaartse schip uitwijken voor het lijwaartse;
c. een schip dat over stuurboordboeg ligt en dat aan zijn
loefzijde een schip ziet waarvan niet met zekerheid is te bepalen
of het over stuurboord- dan wel over bakboordboeg ligt voor
laatstgenoemd schip uitwijken.
Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen voor het redegebied Vlissingen
Artikel 43. Redegebied Vlissingen; voorzorgsgebied
1. Het redegebied Vlissingen wordt begrensd:
a. aan de noordzijde door de lijn lopende langs de wal van
Walcheren, over de koppen van de havendammen van de Koopmanshaven,
de koppen van de havendammen van de buitenvoorhaven van het kanaal
door Walcheren, en de koppen van de havendammen van de Sloehaven;
b. aan de westzijde door de lijn gaande over het gedoofde
oeverlicht«Kruishoofd» op de wal van Zeeuws-Vlaanderen tot de
boei«Trawl» en vervolgens door de lijn in ongeveer
noordoostelijke richting over de boei OG 12 naar de wal van
Walcheren;
c. aan de oostzijde door de meridiaan van het groene havenlicht
van de Sloehaven;
d. aan de zuidzijde door de lijn lopende langs de wal van
Zeeuws-Vlaanderen en over de koppen van de havendammen van de
veerhaven van Breskens en vervolgens door de parallel van het rode
havenlicht van deze veerhaven.
2. Als voorzorgsgebied wordt aangeduid het gedeelte van het
redegebied Vlissingen, dat als volgt wordt begrensd:
a. aan de noordzijde door de lijn gaande over de boeien W 6, W
8, W 10, SG-W, SG 3, SG 1, OG 21, OG 19 tot aan het snijpunt met
de lijn gaande over de boeien «Trawl» en OG 14, vervolgens in
ongeveer noordoostelijke richting gaande tot aan de boei OG 14,
vervolgens gaande over de boeien OG 16, SG 2, SG 4 en over het
worteleinde van het Leugenaarshoofd, vervolgens gaande langs de
wal van Walcheren, over de koppen van de havendammen van de
Koopmanshaven, vervolgens gaande over de boeien RV 2, RV 4, RV 6,
de koppen van de havendammen van de buitenvoorhaven van het kanaal
door Walcheren, vervolgens gaande over de boei 2 en de koppen van
de havendammen van de Sloehaven;
b. aan de oostzijde door de meridiaan van het groene havenlicht
aan de Sloehaven;
c. aan de zuidzijde door de lijn gaande over de boeien 7, 5, 3,
1, H-SS, SS 1, Songa, W9 en W7;
d. aan de westzijde door de lijn gaande over het gedoofde
oeverlicht«Kruishoofd» op de wal van Zeeuws-Vlaanderen en de
boei«Trawl».
De Rijkshavenmeester Westerschelde kan ter vervanging van bedoelde
boeien en tonnen andere punten ter begrenzing van het voorzorgsgebied
vaststellen. Deze punten worden in de Staatscourant gepubliceerd.
3. Het voorzorgsgebied wordt beschouwd als hoofdvaargeul.
4. Op het redegebied Vlissingen zijn artikel 9, eerste en vierde
lid, onder a, en artikel 18, onder d 3° en e 2°, niet van
toepassing.
Artikel 44. Uitoefening van de visserij
Een schip bezig met de uitoefening van de visserij in het redegebied
Vlissingen dat buiten het voorzorgsgebied is gelegen, mag de bewegingen
van elk ander dan een klein schip niet belemmeren.
Artikel 45. Gedrag in het voorzorgsgebied
1. Een schip met oostelijke koers vermijdt zoveel als mogelijk te
varen ten noorden van de lijn lopende van een door de
Rijkshavenmeester Westerschelde vastgesteld punt ten zuiden van het
westelijke hoofd van de Koopmanshaven te Vlissingen naar een door de
Rijkshavenmeester Westerschelde vastgesteld punt ten zuiden van het
rode licht van de Buitenhaven te Vlissingen. Deze punten worden in de
Staatscourant gepubliceerd.
2. Een schip met westelijke koers moet zoveel als mogelijk
vermijden te varen ten zuiden van de bij het eerste lid vermelde lijn,
met dien verstande dat een schip dat het voornemen heeft door de
Wielingen te varen deze lijn reeds mag overschrijden voordat het de
westelijke grens daarvan heeft bereikt.
3. Een schip dat van loods moet verwisselen, moet zoveel als
mogelijk vermijden een ander schip op te lopen.
Artikel 46. Waarschuwing dat schepen uit de Sardijngeul komen
Wanneer aan de radartoren, die zich langs de boulevard te Vlissingen
bevind, een geel schitterlicht wordt getoond ter aanduiding dat uit zee
komende schepen over de Galgeput of de Sardijngeul naderen, moet een
naar zee gaand schip dat wil opdraaien daarbij vermijden ten westen van
het sectorlicht op het westelijke hoofd van de Koopmanshaven te
Vlissingen te komen.
Artikel 47. Verbod tot ankeren
1. In het voorzorgsgebied mag een schip niet ankeren.
2. Buiten het voorzorgsgebied mag een schip niet ankeren in een
strook die aan de noordzijde wordt begrensd door de zuidgrens van de
vaargeul van het voorzorgsgebied. De westelijke grens wordt gevormd
door de witte sectorbegrenzing 024°, lopende over de lichtboei Songa,
van het oeverlicht Boulevard De Ruyter. De oostelijke grens wordt
gevormd door de witte sectorbegrenzing 013°, lopende over de
lichtboei ARV-VH, van het oeverlicht Boulevard De Ruyter.
3. De Rijkshavenmeester Westerschelde kan ontheffing verlenen van
de bij het eerste en tweede lid gestelde verboden.
Artikel 48 [Vervallen per 25-05-2011]
Artikel 49 [Vervallen per 25-05-2011]
Hoofdstuk 8. Diverse bepalingen
Artikel 50. Verplichting tot wacht houden
1.Tenzij door de Rijkshavenmeester Westerschelde daarvan ontheffing
wordt verleend, moet op een gemeerd of ten anker liggend dan wel aan
de grond zittend schip een persoon aanwezig zijn die de wacht houdt en
die, bij aanroepen door de Rijkshavenmeester Westerschelde of een
opsporingsambtenaar verplicht is antwoord te geven.
2.Tenzij door de Rijkshavenmeester Westerschelde daarvan ontheffing
wordt verleend, moet op een gemeerd of ten anker liggend dan wel aan
de grond zittend zeeschip uitgerust met een marifooninstallatie de bij
het eerste lid genoemde of een andere persoon luisterwacht houden op
een door de Rijkshavenmeester Westerschelde daartoe aangewezen
marifoonkanaal en bij het oproepen door de Rijkshavenmeester
Westerschelde daarop antwoord geven.
Artikel 50a. Bescherming van verkeerstekens
Een schip gebruikt geen verkeerstekens om daaraan te meren of daaraan
te verhalen, beschadigt ze niet en maakt ze niet ongeschikt voor hun
bestemming.
Artikel 50b. Belading
1. Een schip neemt niet deel aan de scheepvaart indien het zodanig
is beladen dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant van de
inzinkingsmerken, dan wel indien het zodanig is beladen dat het een
geringer vrijboord heeft dan blijkens de afgegeven certificaten is
toegestaan.
2. Een schip neemt niet deel aan de scheepvaart indien door de
wijze van belading de stabiliteit in gevaar wordt gebracht.
3. onverminderd het bepaalde in het tweede lid, neemt een
binnenschip niet deel aan de scheepvaart indien aan boord niet
aanwezig zijn:
a. het certificaat van onderzoek overeenkomstig artikel 7,
tweede lid, van de Binnenvaartwet;
b. het stuwplan of de ladinglijst voor de actuele
beladingstoestand;
c. De stabiliteitsberekening, met inbegrip van de daarbij
gebruikte berekeningsmethode en het resultaat daarvan, voor de
actuele, of een vergelijkbare vorige, dan wel een standaard
beladingstoestand.
Artikel 50c. Watersport
1. Een persoon die zwemt dan wel op andere wijze watersport
bedrijft zonder gebruik te maken van een schip houdt voldoende afstand
tot een varend schip of tot een schip bezig met het verrichten van
werkzaamheden.
2. Een persoon die waterskiet of doet waterskiën of op
soortgelijke wijze van het vaarwater gebruik maakt of gebruik doet
maken, of vaart met een waterscooter, een zeilplank of met een door
een vlieger voortbewogen plank, houdt voldoende afstand tot een varend
schip of tot een schip bezig met het verrichten van werkzaamheden.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen gedragen zich
zodanig dat geen gevaar of hinder voor andere gebruikers van het
vaarwater kan worden veroorzaakt.
4. Zwemmen, onderwatersport, watersport zonder gebruik te maken van
een schip, waterskiën of doen waterskiën of op soortgelijke wijze
van het vaarwater gebruik maken of gebruik doen maken, varen met een
waterscooter, varen met een zeilplank of varen met een door een
vlieger voortbewogen plank vinden niet plaats:
a. op of in de onmiddellijke nabijheid van een ankerplaats;
b. in de vaargeul;
c. in routes van veerponten;
d. nabij de ingangen van havens;
e. in de nabijheid van meergelegenheden;
f. in de door de Rijkshavenmeester Westerschelde aangewezen
gebieden.
5. De Rijkshavenmeester Westerschelde kan vrijstelling of
ontheffing verlenen van het vierde lid. Aan een vrijstelling of
ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 51. Meldingsplicht
1.De kapitein of schipper van een schip dat behoort tot een door de
Rijkshavenmeester Westerschelde aangewezen categorie van schepen, moet
zich in de door de Rijkshavenmeester Westerschelde aangegeven gevallen
melden op het door deze aangewezen marifoonkanaal.
2.De Rijkshavenmeester Westerschelde kan nadere voorschriften
stellen met betrekking tot de inhoud van de melding en de wijze waarop
de melding dient plaats te vinden.
3.De kapitein of schipper moet onverwijld de Rijkshavenmeester
Westerschelde melden indien een schip
a. aan de grond is geraakt of gezonken, of
b. in aanraking is gekomen met een ander schip en daarbij
schade van betekenis is ontstaan of zich persoonlijke ongevallen
hebben voorgedaan, of
c. een boei, baken of kunstwerk heeft aangevaren, verplaatst of
beschadigd, of
d. lading, brandstof of voorwerpen heeft verloren of dreigt te
verliezen, of
e. brand aan boord heeft, of
f. zodanige schade heeft opgelopen dat de manoeuvreerbaarheid
ervan of de veiligheid daardoor wordt beïnvloed, of
g. een hindernis in de vaarweg aantreft.
4.Wanneer er tevens gevaar, schade of hinder voor de scheepvaart
kan ontstaan, moet de kapitein of schipper bovendien de naderende
vaart waarschuwen.
Artikel 51a. Melding gegevens
1. Een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen
vervoert of een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de
Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer, vaart geen in het gebied waarop
dit reglement van toepassing is gelegen ankerplaats, laad- of
losinrichting of wachtplaats of een aan dat gebied grenzende haven
binnen, voordat de kapitein, de exploitant of de agent aan de
Rijkshavenmeester Westerschelde de bij ministeriële regeling
vastgestelde gegevens heeft gemeld omtrent het schip, de positie, het
tijdstip van aankomst en vertrek daarvan, de daarmee vervoerde lading,
het aantal personen aan boord en de uit te voeren reis, op een bij die
regeling bepaalde wijze.
2. De in het eerste lid bedoelde melding geschiedt:
a. door een zeeschip dat bepaalde gevaarlijke of schadelijke
stoffen vervoert:
1°. indien de bestemming bij de afvaart uit de haven van
bevrachting bekend was, bij die afvaart, of
2°. indien de bestemming bij de afvaart uit de haven van
bevrachting nog niet bekend was of tijdens de reis wordt
gewijzigd, zodra deze bekend is, maar uiterlijk bij het
binnenvaren van de Nederlandse territoriale zee;
b. door een zeeschip met een bruto-tonnage als bedoeld in de
Meetbrievenwet 1981 van 300 of meer dat geen bepaalde gevaarlijke
of schadelijke stoffen vervoert:
1°. ten minste vierentwintig uur voor aankomst, of
2°. indien de bestemming bij de afvaart uit de vorige
haven bekend was en de reisduur minder dan vierentwintig uur
bedraagt, uiterlijk op het tijdstip waarop het schip de vorige
haven verlaat, of
3°. indien de bestemming bij de afvaart uit de vorige
haven nog niet bekend was of tijdens de reis wordt gewijzigd,
zodra deze bekend is, maar uiterlijk bij het binnenvaren van
de Nederlandse territoriale zee.
3. Onverminderd het eerste lid, meldt de kapitein van een schip als
bedoeld in dat lid, dat op weg is naar het gebied waarop dit reglement
van toepassing is, voor vertrek van een ankerplaats gelegen in de
Nederlandse territoriale zee de bij ministeriële regeling
vastgestelde gegevens aan de Rijkshavenmeester Westerschelde.
4. De kapitein, de exploitant of de agent van een zeeschip dat
bepaalde gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert, deelt voor de
afvaart van dat schip van een in het gebied waarop dit reglement van
toepassing is gelegen ankerplaats, laad- of losinrichting of
wachtplaats, aan de Rijkshavenmeester Westerschelde de bij
ministeriële regeling vastgestelde gegevens mede omtrent het schip,
het tijdstip van vertrek daarvan, de daarmee vervoerde lading, het
aantal personen aan boord en de uit te voeren reis, op een bij die
regeling bepaalde wijze.
5. De in het eerste en het derde lid bedoelde meldingsplicht is
niet van toepassing op een in aanloop zijnd schip dat zich reeds op
grond van het Scheepvaartreglement territoriale zee heeft gemeld.
6. De Rijkshavenmeester Westerschelde kan ontheffing verlenen van
de in het eerste en vierde lid bedoelde meldingsplichten met
betrekking tot een zeeschip als bedoeld in die leden, dat in
lijndienst vaart tussen twee in Nederland gelegen havens of tussen een
in Nederland gelegen haven en een haven gelegen in een andere staat,
als wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in artikel 15, eerste
en tweede lid, van richtlijn nr. 2002/59/EG.
7. De Rijkshavenmeester Westerschelde trekt de ontheffing in
wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorschriften, bedoeld in het
zesde lid.
8. Het eerste, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op een
schip als bedoeld in artikel 2, tweede lid, in samenhang met artikel 6
bis van richtlijn nr. 2002/59/EG.
Artikel 51b [Vervallen per 29-10-2004]
Artikel 52. Bijzondere transporten
1.Een bijzonder transport mag slechts varen met toestemming van de
Rijkshavenmeester Westerschelde.
2.Aan de toestemming kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 53. Bijzondere gebeurtenissen
1.Zonder vergunning van de Rijkshavenmeester Westerschelde is het
verboden een sportevenement, een waterfeest of een vergelijkbare
gebeurtenis te houden.
2.Aan de vergunning kunnen voorschrifen worden verbonden.
Artikel 53a. Afwijken van voorschriften door handhavingsdiensten,
brandweer en schepen bestemd tot inzet bij calamiteiten
1. Schepen van handhavingsdiensten en brandweer, en
reddingsvaartuigen betrokken bij reddingsoperaties mogen, behoudens
het bepaalde in artikel 3, afwijken van de voorschriften van dit
besluit voor zover dat voor een goede vervulling van hun taak
noodzakelijk is.
2. Artikel 31, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op
schepen van de brandweer die hulp bieden of daartoe op weg zijn en op
reddingsvaartuigen die betrokken zijn bij een reddingsoperatie met
toestemming van de Rijkshavenmeester Westerschelde.
Artikel 54. Verkeersaanwijzingen
1.Kapiteins en schippers zijn verplicht de verkeersaanwijzingen op
te volgen welke in bijzondere gevallen door of namens de
Rijkshavenmeester Westerschelde met betrekking tot de doorvaart worden
gegeven in het belang van de veiligheid van de schepen en van de
scheepvaart alsook voor de instandhouding van de werken.
2.Onder de in het eerste lid genoemde verkeersaanwijzingen worden
mede verstaan de bekendmakingen aan de scheepvaart van bedoelde
Rijkshavenmeester Westerschelde die worden gepubliceerd in de
Staatscourant en die worden opgenomen in de Berichten aan de
Scheepvaart.
Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
Artikel 55. Verplichting tot aan boord hebben van reglement en
zeekaart
Aan boord van elk schip, met uitzondering van een open klein schip,
waarop dit reglement van toepassing is, moeten een volledig bijgewerkt
exemplaar van dit reglement en de meest recente uitgave van, of een
volledig bijgewerkte zeekaart van het in artikel 1 genoemde gebied
aanwezig zijn. Een volledig bijgewerkt exemplaar van dit reglement en
een volledig bijgewerkt exemplaar van de zeekaart die via een
elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kunnen worden, zijn
eveneens toegestaan. Deze moeten op eerste aanvraag van een
opsporingsambtenaar door deze kunnen worden ingezien.
Artikel 56. Strafbare feiten
Overtreding van de bij of krachtens dit besluit vastgestelde
bepalingen, alsmede overtreding van de aan een vergunning, vrijstelling,
ontheffing of toestemming verbonden voorschriften, is een strafbaar
feit.
Artikel 57 [Vervallen per 25-05-2011]
Artikel 58. Intrekking Scheepvaartreglement Westerschelde
Het Scheepvaartreglement Westerschelde (Stb. 1981, 620) wordt
ingetrokken.
Artikel 59. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 60. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: Scheepvaartreglement
Westerschelde 1990.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van
toelichting en bijlagen in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 15 januari 1992
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de elfde februari 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage 1. Vervoer van gevaarlijke stoffen door zeeschepen
De gevaarlijke stoffen, bedoeld in artikel 31, vijfde lid, zijn:
1. Stoffen van klasse 1, gevarengroep 1.1 en 1.5 van de
International Maritime Dangerous Goods Code (IMDG-Code), indien het
schip in totaal meer vervoert dan 100 kg bruto;
2. Stoffen van klasse 1, gevarengroep 1.2, 1.3 of 1.4 of stoffen
van klasse 5.2, deze laatste voor zover de verpakking overeenkomstig
de IMDG-Code moet zijn voorzien van een gevaarsetiket: ontplofbaar,
indien het schip in totaal meer vervoert dan 1000 kg bruto;
3. Stoffen van klasse 2, die overeenkomstig de IMDG-Code moeten
zijn voorzien van een gevaarsetiket: giftig, indien het schip in
totaal meer vervoert dan 1000 kg bruto.
4. Stoffen behorende tot één der gevarenklassen van de
IMDG-Code, voor zover deze in bulk per tankschip worden vervoerd,
ongeacht de hoeveelheid.
Bijlage 2
[Vervallen]
Bijlage 3
[Vervallen]
Bijlage 4
[Vervallen]
Bijlage 5 [Vervallen per 25-05-2011]
|
|
|