| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Schepenwet
BEMANNINGSEISENBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
20 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 12 november 1991, houdende uitvoering van
artikel 4, eerste lid, van de Wet op de zeevaartdiploma's en artikel 5
van de Schepenwet
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 juni 1991,
nr. S/J 30.890./91, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Gelet op artikel 4, eerste lid, van de Wet op
de zeevaartdiploma's (Stb. 1935, 456) en artikel 5 van de
Schepenwet (Stb. 1932, 86);
Gelet op het Internationaal verdrag betreffende
de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst,
1978 (Trb. 1981, 144);
De Raad van State gehoord (advies van 11
september 1991, W09.91.0292);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 8 november 1991, nr. S/J31.956/91,
Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. De definities, vermeld in artikel 1 van het Besluit
zeevaartdiploma's (Stb. 1988, 260) zijn van toepassing.
2. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. maritiem officier specialisatie navigatie: de maritieme
officier, gediplomeerd door een instelling voor hoger beroepsonderwijs
als bedoeld in de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1986,
289), studierichting maritiem officier, met specialisatie navigatie,
tevens houder van ten minste het diploma als derde stuurman voor de
grote handelsvaart en het diploma A als scheepswerktuigkundige;
b. maritiem officier specialisatie werktuigkunde: de maritieme
officier, gediplomeerd door een instelling voor hoger beroepsonderwijs
als bedoeld in de Wet op het hoger beroepsonderwijs, studierichting
maritiem officier, met specialisatie werktuigkunde, tevens houder van
ten minste het diploma A als scheepswerktuigkundige en het diploma als
derde stuurman voor de grote handelsvaart;
c. middelbaar maritiem officier A: de houder van ten minste het
diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart tezamen met het
aanvullingsdiploma als stuurman voor de kleine handelsvaart en het
diploma A als scheepswerktuigkundige;
d. middelbaar maritiem officier M: de houder van ten minste het
diploma als stuurman voor de kleine handelsvaart tezamen met het
aanvullingsdiploma als stuurman voor de kleine handelsvaart en het
diploma als motordrijver.
Artikel 2
1. Dit besluit is niet van toepassing op gesleepte schepen en
op zeilschepen.
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt het diploma als
stuurman voor de kleine handelsvaart tezamen met het aanvullingsdiploma
als stuurman voor de kleine handelsvaart, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, van de Wet op de zeevaartdiploma's (Stb. 1935, 456), gelijk
gesteld met het diploma als derde stuurman voor de grote handelsvaart.
Hoofdstuk II. Scheepstechnicus
Artikel 3
1. Scheepstechnicus is de houder van een getuigschrift als
scheepstechnicus, afgegeven door de inspecteur-generaal.
2. De adspirant scheepstechnicus dient:
a. 18 jaar of ouder te zijn;
b. in het bezit te zijn van het diploma scheepstechnicus, afgegeven
op grond van de door Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen en
Onze Minister goedgekeurde Eindexamenregeling van het project
scheepstechnicus en het bijbehorende examenprogramma, dan wel van een
overeenkomstig artikel 4, eerste lid, erkend bewijsstuk;
c. na het behalen van het onder b bedoelde diploma of
bewijsstuk negen maanden diensttijd te hebben behaald aan boord van
schepen met een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer en
d. gedurende die diensttijd ten genoegen van de inspecteur-generaal
een praktijkboek te hebben bijgehouden.
3. De diensttijd, bedoeld in het tweede lid, onder c, mag
ook zijn behaald aan boord van schepen met een voortstuwingsvermogen van
minder dan 750 kW, mits aan boord van deze schepen een middelbaar
maritiem officier M dienst doet.
4. Indien het praktijkboek niet in alle opzichten naar behoren is
bijgehouden kan de inspecteur-generaal de adspirant scheepstechnicus een
of meer aanvullende opdrachten geven, die binnen een daarbij te bepalen
termijn van ten hoogste zes maanden dienen te worden uitgevoerd.
Artikel 4
1. Onze Minister kan andere bewijsstukken dan het diploma
scheepstechnicus erkennen, indien zij worden afgegeven op grond van
een examen dat naar zijn oordeel voldoende overeenkomt met een examen,
afgelegd op grond van de Eindexamenregeling van het project
scheepstechnicus en het bijbehorende examenprogramma.
2. Onze Minister kan de erkenning intrekken indien naar zijn
oordeel de voldoende overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, niet meer
aanwezig is.
Artikel 5
Ter verkrijging van het getuigschrift als scheepstechnicus wendt de
adspirant scheepstechnicus zich tot de inspecteur-generaal onder
overlegging van:
a. het geldig paspoort of het monsterboekje van de aanvrager;
b. het in artikel 3, tweede lid, onder b, bedoelde diploma
scheepstechnicus of bewijsstuk;
c. het bewijs dat hij de voorgeschreven diensttijd heeft behaald;
d. het gedurende de diensttijd bijgehouden praktijkboek en
e. een bewijs van betaling van de in artikel 7 bedoelde kosten.
Artikel 6
Een duplikaat van het getuigschrift als scheepstechnicus wordt,
indien het verloren gaan van het getuigschrift aannemelijk wordt
gemaakt, op verzoek van belanghebbende door of namens de
inspecteur-generaal afgegeven, nadat een bewijs van betaling van de in
artikel 7 bedoelde kosten is overgelegd.
Artikel 7
Onze Minister stelt de tarieven vast voor de te berekenen kosten van
de behandeling van de aanvraag van het getuigschrift alsmede van een
duplikaat van het getuigschrift als scheepstechnicus.
Artikel 8
Het model van het getuigschrift als scheepstechnicus en het model van
het praktijkboek worden door de inspecteur-generaal vastgesteld.
Hoofdstuk III. Bemanningseisen
Artikel 9
1. In afwijking van het daaromtrent bepaalde in het Besluit
zeevaartdiploma's en in de artikelen 110, 111 en 112 van het
Schepenbesluit 1965 (Stb. 367) kan een schip, indien het naar
het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal daartoe geschikt is,
worden bemand overeenkomstig een van de in dit besluit opgenomen
bemanningssamenstellingen. De reder dient daartoe, onder opgaaf van de
bemanningssamenstelling die hij wenst, een verzoek in bij de
inspecteur-generaal.
2. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 10 tot en met 20
met betrekking tot het bezit van diploma's en bewijzen van diensttijd,
kan worden volstaan met het bezit van een verklaring van geschiktheid en
bekwaamheid, uitgereikt op grond van artikel 119 van het Schepenbesluit
1965, waaruit blijkt dat de houder bevoegd is de desbetreffende functie
te vervullen.
Artikel 10
1. Aan boord van een vrachtschip met een bruto-tonnage van 9000
of meer kan de volgende bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
3°. een tweede stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een derde stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart;
5°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma C als scheepswerktuigkundige;
6°. een tweede scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma B als scheepswerktuigkundige;
7°. een derde scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma A als scheepswerktuigkundige;
8°. een vierde scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver, met dien verstande dat deze vervangen mag
worden door een scheepstechnicus en dat de vierde
scheepswerktuigkundige niet vereist is aan boord van schepen met een
voortstuwingsvermogen van minder dan 8000 kW en
9°. vier ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
3°. een tweede stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma C als scheepswerktuigkundige;
5°. een tweede scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma B als scheepswerktuigkundige;
6°. twee maritieme officieren specialisatie navigatie dan wel
specialisatie werktuigkunde;
7°. een scheepstechnicus en
8°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
3°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma C als scheepswerktuigkundige;
4°. een maritiem officier specialisatie werktuigkunde in het
bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 17, in
verband met artikel 22;
5°. twee maritieme officieren specialisatie navigatie of
specialisatie werktuigkunde, waarvan één een diensttijd heeft
behaald van ten minste twee jaren als maritiem officier aan boord
van vrachtschepen met een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer;
6°. twee scheepstechnici en
7°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
d. bemanningssamenstelling IV
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
2°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma C als scheepswerktuigkundige;
3°. een maritiem officier specialisatie navigatie die een
diensttijd heeft behaald van ten minste vier jaren als maritiem
officier aan boord van vrachtschepen met een voortstuwingsvermogen
van 3000 kW of meer;
4°. een maritiem officier specialisatie werktuigkunde in het
bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
5°. twee maritieme officieren specialisatie navigatie dan wel
specialisatie werktuigkunde, waarvan één een diensttijd heeft
behaald van ten minste twee jaren als maritiem officier aan boord
van vrachtschepen met een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer;
6°. twee scheepstechnici en
7°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
e. bemanningssamenstelling V
1°. een kapitein, zijnde maritiem officier specialisatie
werktuigkunde, dan wel specialisatie navigatie in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met artikel
23;
2°. een eerste officier, zijnde maritiem officier specialisatie
navigatie, dan wel specialisatie werktuigkunde en in het bezit van
het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 25, met dien verstande dat de specialisatie van de eerste
officier een andere dient te zijn dan de specialisatie van de
kapitein;
3°. een maritiem officier specialisatie werktuigkunde in het
bezit van het bewijs van diensttijd bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
4°. een maritiem officier specialisatie navigatie in het bezit
van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27;
5°. twee maritieme officieren specialisatie navigatie dan wel
specialisatie werktuigkunde;
6°. twee scheepstechnici en
7°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen.
2. De maritieme officieren specialisatie navigatie dan wel
specialisatie werktuigkunde, genoemd in het eerste lid, onder b,
6°, onder c, 5°, onder d, 5°, en onder e, 5°,
mogen worden vervangen door een middelbaar maritiem officier A, met dien
verstande dat aan boord van schepen met een voortstuwingsvermogen van
minder dan 8000 kW ook een middelbaar maritiem officier M dienst mag
doen.
Artikel 11
Aan boord van een vrachtschip met een bruto-tonnage van 6000 of meer,
doch minder dan 9000 en een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer,
doch minder dan 8000 kW kan de volgende bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als
tweede stuurman voor de grote handelsvaart;
3°. een tweede stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een derde stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart;
5°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma B als scheepswerktuigkundige en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
6°. een tweede scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma A als scheepswerktuigkundige en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 18 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
7°. een derde scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver, met dien verstande dat in plaats van een
derde scheepswerktuigkundige ook een scheepstechnicus dienst mag
doen en
8°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als
tweede stuurman voor de grote handelsvaart;
3°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma B als scheepswerktuigkundige en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een tweede scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma A als scheepswerktuigkundige en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 18 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
5°. twee middelbaar maritieme officieren M, waarvan één een
diensttijd heeft behaald van ten minste twee jaren als maritiem
officier aan boord van vrachtschepen met een voortstuwingsvermogen
van 3000 kW of meer;
6°. een scheepstechnicus en
7°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als eerste
stuurman voor de grote handelsvaart;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als
tweede stuurman voor de grote handelsvaart;
3°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma B als scheepswerktuigkundige en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een middelbaar maritiem officier A in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22 in verband met
artikel 27;
5°. twee middelbaar maritieme officieren M, waarvan één in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
6°. een scheepstechnicus en
7°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
d. bemanningssamenstelling IV
1°. een kapitein, zijnde maritiem officier specialisatie
werktuigkunde, dan wel specialisatie navigatie in het bezit van
het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 23;
2°. een eerste officier, zijnde maritiem officier met
specialisatie navigatie, dan wel met specialisatie werktuigkunde
in het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22,
in verband met artikel 25, met dien verstande dat de specialisatie
van de eerste officier een andere dient te zijn dan de
specialisatie van de kapitein;
3°. een middelbaar maritiem officier A in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27;
4°. twee middelbaar maritieme officieren M, waarvan een in het
bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
5°. een scheepstechnicus en
6°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen.
Artikel 12
Aan boord van een vrachtschip met een bruto-tonnage van 4000 of meer,
doch minder dan 6000 en een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer,
doch minder dan 6000 kW kan de volgende bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een tweede stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een derde stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart;
5°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma A als scheepswerktuigkundige en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
6°. een tweede scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma A als scheepswerktuigkundige en
7°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma A als scheepswerktuigkundige en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een middelbaar maritiem officier A in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27;
5°. een middelbaar maritiem officier M;
6°. een scheepstechnicus en
7°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma A als scheepswerktuigkundige en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. twee middelbaar maritieme officieren A, beiden in het
bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
4°. een middelbaar maritiem officier M;
5°. een scheepstechnicus en
6°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
d. bemanningssamenstelling IV
1°. een kapitein, zijnde middelbaar maritiem officier A, in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 23;
2°. een eerste officier, zijnde middelbaar maritiem officier
A, in het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel
22, in verband met artikel 25;
3°. een middelbaar maritiem officier A in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27;
4°. een middelbaar maritiem officier M;
5°. een scheepstechnicus en
6°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen.
Artikel 13
Aan boord van een vrachtschip met een bruto-tonnage van 4000 of meer,
doch minder dan 6000 en een voortstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW
kan de volgende bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een tweede stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een derde stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart;
5°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met 17 van het Besluit zeevaartdiploma's;
6°. een tweede scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver, met dien verstande dat de tweede
scheepswerktuigkundige niet vereist is aan boord van schepen met
een voortstuwingsvermogen van minder dan 1500 kW en
7°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. twee middelbaar maritieme officieren M, waarvan een in het
bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
5°. een scheepstechnicus en
6°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. drie middelbaar maritieme officieren M, waarvan twee in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
4°. een scheepstechnicus en
5°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
d. bemaningssamenstelling IV
1°. een kapitein, zijnde middelbaar maritiem officier M, in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 23;
2°. een eerste officier, zijnde middelbaar maritiem officier M,
in het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22,
in verband met artikel 25;
3°. twee middelbaar maritieme officieren M, waarvan een in het
bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
4°. een scheepstechnicus en
5°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen.
Artikel 14
Aan boord van een vrachtschip met een bruto-tonnage van 2000 of meer,
doch minder dan 4000 en een voortstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW
kan de volgende bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een tweede stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart;
4°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
5°. een tweede scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver, met dien verstande dat de tweede
scheepswerktuigkundige niet vereist is aan boord van schepen met
een voortstuwingsvermogen van minder dan 1500 kW en
6°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een middelbaar maritiem officier M;
5°. een scheepstechnicus en
6°. een ongediplomeerde scheepsgezel;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. twee middelbaar maritieme officieren M, waarvan een in het
bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 27;
4°. een scheepstechnicus en
5°. een ongediplomeerde scheepsgezel;
of
d. bemanningssamenstelling IV
1°. een kapitein, zijnde middelbaar maritiem officier M, in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 23;
2°. een eerste officier, zijnde middelbaar maritiem officier M,
in het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22,
in verband met artikel 25;
3°. een middelbaar maritiem officier M in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27;
4°. een scheepstechnicus en
5°. een ongediplomeerde scheepsgezel.
Artikel 15
Aan boord van een vrachtschip met een bruto-tonnage van minder dan
2000 en een voortstuwingsvermogen van 1500 kW of meer doch minder dan
3000 kW kan de volgende bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
4°. een tweede scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en
5°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een middelbaar maritiem officier M in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27;
4°. een scheepstechnicus en
5°. een ongediplomeerde scheepsgezel;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein, zijnde middelbaar maritiem officier M, in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 23;
2°. een eerste officier, zijnde middelbaar officier M, in het
bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 25;
3°. een middelbaar maritiem officier M;
4°. een scheepstechnicus en
5°. een ongediplomeerde scheepsgezel.
Artikel 16
Aan boord van een vrachtschip met een bruto-tonnage van minder dan
2000 en een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer doch minder dan
1500 kW kan de volgende bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's en
4°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste scheepswerktuigkundige in het bezit van het
diploma als motordrijver en het bewijs van diensttijd, bedoeld in
artikel 14, in verband met artikel 17 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
3°. een middelbaar maritiem officier M in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27 en
4°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein, zijnde middelbaar maritiem officier M, in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 23;
2°. een eerste officier, zijnde middelbaar maritiem officier M,
in het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22,
in verband met artikel 25;
3°. een middelbaar maritiem officier M en
4°. twee ongediplomeerde scheepsgezellen.
Artikel 17
Aan boord van een vrachtschip met een bruto-tonnage van minder dan
2000 en een voorststuwingsvermogen van minder dan 750 kW kan de volgende
bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's en
3°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen, waarvan een
scheepsgezel in het bezit van een verklaring als bedoeld in
artikel 112 van het Schepenbesluit 1965;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een middelbaar maritiem officier M in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27 en
3°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein, zijnde middelbaar maritiem officier M, in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 23;
2°. een middelbaar maritiem officier M in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 27 en
3°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen.
Artikel 18 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 19 [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 20
Aan boord van een bevoorradingsschip of een sleepboot met een
bruto-tonnage van minder dan 2000 en een voortstuwingsvermogen van
minder dan 750 kW kan de volgende bemanning dienst doen:
a. bemanningssamenstelling I
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een eerste stuurman in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 16 van het Besluit
zeevaartdiploma's en
3°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen, waarvan een
scheepsgezel in het bezit van een verklaring als bedoeld in
artikel 112 van het Schepenbesluit 1965;
of
b. bemanningssamenstelling II
1°. een kapitein in het bezit van het diploma als derde
stuurman voor de grote handelsvaart en het bewijs van diensttijd,
bedoeld in artikel 14, in verband met artikel 15 van het Besluit
zeevaartdiploma's;
2°. een middelbaar maritiem officier M in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 28 en
3°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen;
of
c. bemanningssamenstelling III
1°. een kapitein, zijnde middelbaar maritiem officier M, in
het bezit van het bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in
verband met artikel 24;
2°. een middelbaar maritiem officier M in het bezit van het
bewijs van diensttijd, bedoeld in artikel 22, in verband met
artikel 28 en
3°. drie ongediplomeerde scheepsgezellen.
Artikel 21
1. Onze Minister kan, na overleg met de naar zijn oordeel
representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in de
zeevaart, zonodig onder nader te stellen voorschriften of beperkingen,
het bezit van een ander bewijs van bekwaamheid toestaan.
2. De inspecteur-generaal kan aanvulling van de bemanning
ingevolge dit besluit voorschrijven, indien de inrichting, de
uitrusting, de bruto-tonnage, het voortstuwingsvermogen of de bestemming
van het schip hem daartoe aanleiding geven.
Hoofdstuk IV. Diensttijd
§ 1. Algemeen
Artikel 22
1. De kapitein, eerste officieren en maritieme officieren die
overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 23 tot en met 28
diensttijd hebben behaald, verkrijgen op een daartoe gedaan verzoek
een bewijs van diensttijd.
2. De in het eerste lid bedoelde diensttijd dient te zijn
doorgebracht als lid van de bemanning van een voor de vaart ter zee
gebezigd schip en te zijn behaald na het verkrijgen van het voor de
betreffende functie vereiste diploma.
3. Ter verkrijging van een bewijs van diensttijd dient een
belanghebbende een verzoek in bij de inspecteur-generaal onder
overlegging van bewijsstukken met betrekking tot de behaalde diensttijd.
§ 2. Diensttijd kapitein
Artikel 23
1. Voor de toelating als kapitein op een vrachtschip met een
bruto-tonnage van 6000 of meer dient de bezitter van het diploma
maritiem officier een diensttijd te hebben behaald van ten minste zes
jaren waarvan ten minste een jaar als eerste officier aan boord van
vrachtschepen met een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer.
2. Voor de toelating als kapitein op een vrachtschip met een
bruto-tonnage van 2000 of meer, doch minder dan 6000 dient de bezitter
van het diploma maritiem officier een diensttijd te hebben behaald van
ten minste vier jaren waarvan ten minste een jaar als eerste officier
aan boord van vrachtschepen met een bruto-tonnage van 2000 of meer en
een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer.
3. Voor de toelating als kapitein op een vrachtschip met een
bruto-tonnage van minder dan 2000 dient de bezitter van het diploma
maritiem officier een diensttijd te hebben behaald van ten minste drie
jaren als maritiem officier dan wel van ten minste twee jaren als
maritiem officier, waarvan een jaar als eerste officier of als enig
maritiem officier.
Artikel 24
1. Voor de toelating als kapitein op een bevoorradingsschip of
een sleepboot met een bruto-tonnage van minder dan 4000 dan wel een
voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer, dient de bezitter van het
diploma maritiem officier een diensttijd te hebben behaald van ten
minste vier jaren waarvan ten minste een jaar als eerste officier aan
boord van bevoorradingsschepen of sleepboten met een
voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer.
2. Voor de toelating als kapitein op een bevoorradingsschip of
een sleepboot met een bruto-tonnage van minder dan 2000 en een
voortstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW dient de bezitter van het
diploma maritiem officier een diensttijd te hebben behaald van ten
minste drie jaren als maritiem officier dan wel van ten minste twee
jaren als maritiem officier waarvan een jaar als eerste officier of enig
maritiem officier aan boord van bevoorradingsschepen of sleepboten.
3. Van de in het eerste en tweede lid bedoelde diensttijd mag ten
hoogste de helft behaald worden aan boord van schepen geen
bevoorradingsschip of sleepboot zijnde.
§ 3. Diensttijd eerste officieren
Artikel 25
1. Voor de toelating als eerste officier op een vrachtschip met
een bruto-tonnage van 6000 of meer dient de bezitter van het diploma
maritiem officier een diensttijd te hebben behaald van ten minste vijf
jaren als maritiem officier aan boord van vrachtschepen met een
voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer.
2. Voor de toelating als eerste officier op een vrachtschip met
een bruto-tonnage van 2000 of meer, doch minder dan 6000 dient de
bezitter van het diploma maritiem officier een diensttijd te hebben
behaald van ten minste drie jaren als maritiem officier aan boord van
vrachtschepen met een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer.
3. Voor de toelating als eerste officier op een vrachtschip met
een bruto-tonnage van minder dan 2000 dient de bezitter van het diploma
maritiem officier een diensttijd te hebben behaald van ten minste een
jaar als maritiem officier aan boord van vrachtschepen, met dien
verstande dat voor toelating als eerste officier aan boord van
vrachtschepen met een voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW
volstaan kan worden met een diensttijd van ten minste zes maanden als
maritiem officier aan boord van vrachtschepen.
Artikel 26
1. Voor de toelating als eerste officier op een
bevoorradingsschip of een sleepboot met een bruto-tonnage van minder
dan 4000 dan wel een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer, dient
de bezitter van het diploma maritiem officier een diensttijd te hebben
behaald als maritiem officier van ten minste drie jaren aan boord van
bevoorradingsschepen of sleepboten met een voortstuwingsvermogen van
3000 kW of meer.
2. Voor de toelating als eerste officier op een
bevoorradingsschip of een sleepboot met een bruto-tonnage van minder dan
2000 dient de bezitter van het diploma maritiem officier een diensttijd
te hebben behaald van ten minste een jaar als maritiem officier aan
boord van bevoorradingsschepen of sleepboten, met dien verstande dat
voor toelating als eerste officier aan boord van bevoorradingsschepen of
sleepboten met een voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW volstaan
kan worden met een diensttijd van ten minste zes maanden als maritiem
officier aan boord van bevoorradingsschepen of sleepboten.
3. Het bepaalde in artikel 24, derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
§ 4. Diensttijd maritieme officieren
Artikel 27
1. Voor de toelating als maritiem officier op een vrachtschip
met een bruto-tonnage van 6000 of meer dient de bezitter van het
diploma maritiem officier een diensttijd te hebben behaald van ten
minste drie jaren als maritiem officier aan boord van vrachtschepen
met een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer.
2. Voor de toelating van maritiem officier op een vrachtschip met
een bruto-tonnage van 2000 of meer doch minder dan 6000 dient de
bezitter van het diploma maritiem officier een diensttijd te hebben
behaald van ten minste twee jaren als maritiem officier aan boord van
vrachtschepen met een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer.
3. Voor de toelating als maritiem officier op een vrachtschip met
een bruto-tonnage van minder dan 2000 en een voortstuwingsvermogen van
750 kW of meer dient de bezitter van het diploma maritiem officier een
diensttijd te hebben behaald van ten minste een jaar als maritiem
officier aan boord van vrachtschepen.
4. Voor de toelating als maritiem officier op een vrachtschip met
een bruto-tonnage van minder dan 2000 en een voortstuwingsvermogen van
minder dan 750 kW dient de bezitter van het diploma maritiem officier
een diensttijd te hebben behaald van ten minste zes maanden als maritiem
officier aan boord van vrachtschepen.
Artikel 28
1. Voor de toelating als maritiem officier op een
bevoorradingsschip of een sleepboot met een bruto-tonnage van minder
dan 4000 dan wel een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer, doch
minder dan 8000 kW dient de bezitter van het diploma maritiem officier
een diensttijd te hebben behaald van ten minste twee jaren als
maritiem officier aan boord van bevoorradingsschepen of sleepboten met
een voortstuwingsvermogen van 3000 kW of meer.
2. Voor de toelating als maritiem officier op een
bevoorradingsschip of een sleepboot met een bruto-tonnage van minder dan
2000 en een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer, doch minder dan
3000 kW dient de bezitter van het diploma maritiem officier een
diensttijd te hebben behaald van ten minste een jaar als maritiem
officier aan boord van bevoorradingsschepen of sleepboten.
3. Voor de toelating als maritiem officier op een
bevoorradingsschip of een sleepboot met een bruto-tonnage van minder dan
2000 en een voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW dient de
bezitter van het diploma maritiem officier een diensttijd te hebben
behaald van ten minste zes maanden als maritiem officier aan boord van
bevoorradingsschepen of sleepboten.
Hoofdstuk V. Slotbepalingen
Artikel 29
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld, met dien verstande dat dat
tijdstip niet eerder is dan een maand na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin dit besluit wordt geplaatst.
Artikel 30
Dit besluit kan worden aangehaald als: Bemanningseisenbesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 12 november 1991
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de derde december 1991
De Minister van Justitie
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|