mei
1991: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore
booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1979;
b. voor booreenheden, gebouwd op of na 1 mei 1991: het
veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden,
behorend bij de MODU-Code 1989.
Artikel 5. Certificaten op grond van DSC-Code en SPS-Code (IMO)
1. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 8 is
gekozen voor toepassing van de DSC-Code of de SPS-Code, is het bij de
desbetreffende Code behorende certificaat benodigd. Indien is gekozen
voor toepassing van de DSC-Code, is voor het schip tevens de bij die
Code behorende exploitatievergunning benodigd.
Artikel 6. Bij certificaten behorende uitrustingsrapporten,
aanhangsels e.d.
De in de artikelen 4 en 5 bedoelde certificaten gaan vergezeld van de
bij die certificaten behorende uitrustingsrapporten en aanhangsels,
alsmede van de in de desbetreffende Codes voorgeschreven
stabiliteitsgegevens of andere gegevens met betrekking tot schip of
lading.
§ 2. Onderzoeken
Artikel 7. Onderzoeken van verplaatsbare offshore booreenheden (IMO)
Verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979
of 1989 worden ter verkrijging van de voor die schepen benodigde
certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de
in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 8. Onderzoeken op grond van DSC-Code en SPS-Code (IMO)
1. De eigenaar van een schip, behorend tot een van de
navolgende categorieën van schepen, kan er voor kiezen om dat schip
te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van:
a. voor dynamisch ondersteunde schepen als bedoeld in de DSC-Code,
gebouwd voor 1 januari 1996: de voorschriften van de DSC-Code;
b. voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in
de SPS-Code: de voorschriften van de SPS-Code.
2. Indien ten aanzien van een schip is gekozen voor toepassing
van een in het eerste lid genoemde Code, treden de in de desbetreffende
Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14 of 15
van het besluit bedoelde onderzoeken.
Artikel 9. Tijdstippen van onderzoek
De in de artikelen 7 en 8 bedoelde onderzoeken vinden plaats op de in
de desbetreffende Codes voorgeschreven tijdstippen, met dien verstande
dat het hernieuwde onderzoek waaraan een schip in verband met de
vernieuwing van een certificaat wordt onderworpen, steeds plaatsvindt in
de laatste drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende
certificaat.
Artikel 10. Uitvoering onderzoeken door erkende organisaties
1. De onderzoeken, bedoeld in de artikelen 18 en 19 van het
besluit, worden uitgevoerd door een daartoe krachtens artikel 23 van
het besluit aangewezen organisatie naar keuze van de eigenaar.
2. De onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 13 tot
en met 17 van het besluit of de artikelen 7 en 8 van deze regeling wordt
onderworpen, worden uitgevoerd door ambtenaren van de
Scheepvaartinspectie of door een krachtens artikel 23 van het besluit
aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
Artikel 11. Aantekening van onderzoeken
Van de onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 7 en 8
tijdens de geldigheidsduur van een certificaat wordt onderworpen, wordt
door degene die het onderzoek heeft verricht, aantekening geplaatst op
het certificaat.
§ 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
Artikel 12. Certificaten op grond van MODU-Code, DSC-Code of SPS-Code
(IMO)
1. De in artikel 5 bedoelde certificaten hebben, indien zij
zijn afgegeven voor een passagiersschip, een geldigheidsduur van een
jaar. De in artikel 4 bedoelde certificaten hebben, evenals de in
artikel 5 bedoelde certificaten die zijn afgegeven voor vrachtschepen,
een geldigheidsduur van vijf jaren.
2. De artikelen 29, tweede lid, 30 en 31 van het besluit zijn van
overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste
lid.
Hoofdstuk 3. Eisen aan schip en bedrijfsvoering
§ 1. Eisen aan schepen
Artikel 13. Eisen op grond van MODU-Code, DSC-Code en SPS-Code (IMO)
1. Een schip waarvoor een certificaat, behorende bij de
MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de DSC-Code of de SPS-Code,
benodigd is, voldoet aan de eisen van de desbetreffende Code.
2. Indien in een Code als bedoeld in het eerste lid wordt
verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag, wordt dat
verdrag toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van
het besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag.
Artikel 14. Bijzondere eisen voor offshore bevoorradings- en
ondersteuningsschepen (IMO)
1. Offshore bevoorradingsschepen voldoen aan de eisen van
bekendmaking aan de scheepvaart nr. 280/1992 (Stcrt. 70).
2. Offshore ondersteuningsschepen, gebruikt voor het vervoer van
beperkte hoeveelheden gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk,
voldoen aan de eisen van bekendmaking aan de scheepvaart nr. 281/1992
(Stcrt. 70).
Artikel 15. Nadere regels betreffende de stabiliteit van schepen (IMO)
1. Een schip voldoet aan de op dat schip toepasselijke
stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand van
bekendmaking aan de scheepvaart nr. 279/1992 (Stcrt. 70) of
bekendmaking aan de scheepvaart nr. 255/1990 (Stcrt. 117).
2. Het eerste lid is niet van toepassing op offshore
bevoorradingsschepen en op vrachtschepen met een lengte van minder dan
12 meter waarvoor geen certificaat benodigd is.
Artikel 16. Nadere regels betreffende werktuiglijke en elektrische
installaties
1. De elektrische installaties aan boord van een schip voldoen
aan de normen in Publicatie 92 (Elektrische installaties aan boord van
schepen) van de Internationale Elektrotechnische Commissie of daaraan
gelijkwaardige normen van een krachtens artikel 36 van het besluit
aangewezen klassenbureau.
2. De bouw en inrichting en het onderhoud van elektrische
personenliften voldoen aan:
a. de regels van een krachtens artikel 36 van het besluit
aangewezen klassenbureau, of:
b. ISO-norm 8383 in combinatie met EN 81-1 (1998), dan wel de door
het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN 28
383.
3. In aanvulling op voorschrift II-1/42.2, onderscheidenlijk II-1/43.2,
van het SOLAS-verdrag is de aan boord van een schip aanwezige
elektrische noodkrachtbron tevens in staat om gedurende ten minste 36
uur, indien het een passagiersschip betreft, en ten minste 18 uur,
indien het een vrachtschip betreft, stroom te leveren ten behoeve van de
noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen
gebruik.
4. Aan boord van een schip worden de in bekendmaking aan de
scheepvaart nr. 213/1987 (Stcrt. 114) voorgeschreven maatregelen ter
beperking van geluidhinder getroffen.
5. De opstelling en inrichting van acetyleen las- en
snij-installaties voldoet aan de eisen van bekendmaking nr. 35/1965
(Stcrt. 169).
Artikel 17. Nadere regels betreffende de veiligheid van navigatie
1. De voorschriften V/19.2.3.1 en V/19.2.3.4 van het
SOLAS-verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op vrachtschepen van
minder dan 300 GT.
2. Voorschrift V/19.2.5.4 van het SOLAS-verdrag is van
overeenkomstige toepassing op schepen van minder dan 500 GT.
Artikel 18. Medische uitrusting
1. Aan boord van een schip is de in de Regeling medische
uitrusting aan boord van zeeschepen voorgeschreven medische uitrusting
met de daarbij behorende handleidingen en controlelijsten aanwezig,
volgens de voorschriften vervat in bijlage XVI van het Schepenbesluit
1965.
2. Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als
bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een
Nederlandstalige uitgave van de bij circulaire MSC/Circ.857 van de
Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Medische Eerste
Hulp Gids bij ongevallen met gevaarlijke stoffen (Medical First Aid
Guide for use in accidents involving dangerous goods; MFAG) aanwezig.
3. Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het
SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in plaats van
een Nederlandstalige uitgave een Engelstalige uitgave van de in het
tweede lid bedoelde Gids aanwezig.
Artikel 19. Nadere regels in relatie tot benodigde certificaten
1. Een schip waarvoor een internationaal
veiligheidscertificaat, een nationaal veiligheidscertificaat of een
certificaat als bedoeld in artikel 4 of 5 benodigd is, voldoet ter
verkrijging van dat certificaat tevens aan de ingevolge de artikelen
14 tot en met 18 toepasselijke eisen.
2. Een schip waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 4 of
5 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat bovendien aan
de ingevolge artikel 40, derde lid, van het besluit toepasselijke eisen
van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Artikel 20. Gelijkwaardige voorzieningen
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, met inachtneming van
hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke
resoluties van de IMO is bepaald, afwijking toestaan van de in de
artikelen 13 tot en met 17 bedoelde eisen, indien aan boord van het
schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste
gelijkwaardig is aan de in het voorschrift waarvan wordt afgeweken,
geëiste voorziening.
§ 2. Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen
Artikel 21. Veiligheidscommissie (ILO)
1. De veiligheidscommissie aan boord van een schip met een
bemanning van meer dan vijftien personen bestaat uit ten minste twee
bevaren schepelingen. In de commissie zijn zowel de scheepsofficieren
als de scheepsgezellen vertegenwoordigd.
2. Aan boord van een schip met een bemanning van ten hoogste
vijftien personen wordt ten minste één veiligheidscommissaris benoemd.
3. De verplichting, bedoeld in artikel 26e, eerste lid, van de
Schepenwet, geldt niet voor vissersvaartuigen en schepen met een
bemanning van minder dan vijf personen.
Artikel 22. Nadere regels betreffende de beveiliging van schepen
1. De nationale instantie waartoe de in voorschrift XI-2/6.2.1
van het SOLAS-verdrag bedoelde, door het Ship Security Alert System
gegenereerde alarmmeldingen kunnen worden gericht, is het
Kustwachtcentrum Curaçao.
2. Beveiligingsverklaringen als bedoeld in voorschrift XI-2/1.15
van het SOLAS-verdrag behoeven niet langer te worden bewaard dan nodig
is om aan voorschrift XI-2/9.2.3 van dat verdrag te voldoen. De
minimumtermijn voor het bewaren van de in voorschrift A/10.1 van de
ISPS-Code bedoelde documentatie bedraagt drie jaren.
§ 3. Toelatingseisen voor scheepsuitrusting
Artikel 23. Typegoedkeuringen voor scheepsuitrusting
1. Uitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een schip,
gelet op de op dat schip toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is
vereist, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
goedgekeurd type.
2. Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring is vereist,
wordt mede verstaan uitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het
SOLAS-verdrag.
3. Met uitrusting van een door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie goedgekeurd type wordt gelijkgesteld uitrusting die
is voorzien van het Europese merk van overeenstemming voor
scheepsuitrusting, bedoeld in bijlage D van richtlijn nr. 96/98/EG van
de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van
zeeschepen (PbEG 1997, L 46).
§ 4. Vrijstellingen
Artikel 24. Vrijstellingen op grond van MODU-Code, DSC-Code of
SPS-Code (IMO)
Schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, van het besluit
benodigd is, zijn vrijgesteld van:
a. indien zij voldoen aan de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 of
de DSC-Code: de in de hoofdstukken II-1, II-2, III en IV van het
SOLAS-verdrag opgenomen eisen;
b. indien zij voldoen aan de SPS-Code: de in die Code aangegeven
eisen van het SOLAS-verdrag.
Artikel 25. Zeilschepen en niet-werktuiglijk voortbewogen schepen
1. Zeilschepen van minder dan 500 GT, gebruikt voor het vervoer
van ten hoogste 36 passagiers, zijn vrijgesteld van de voorschriften
V/20, V/22.1.1 tot en met V/22.1.5 en V/30 van het SOLAS-verdrag.
2. Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke
voortstuwing, zijn overeenkomstig voorschrift V/3.1 van het
SOLAS-verdrag vrijgesteld van de eisen van hoofdstuk V van dat verdrag,
met uitzondering van voorschrift V/19.2.1.7. Tevens zijn zij vrijgesteld
van de in artikel 17 bedoelde eisen.
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
Artikel 26. Vervoer van deklast hout (IMO)
1. Het vervoer van deklast hout aan boord van schepen met een
lengte van 24 meter of meer geschiedt met inachtneming van de in de
Houtvaartcode, met uitzondering van de bijlagen bij die Code,
opgenomen voorschriften.
2. Het vervoer van pakketten gebundeld hout op de luiken is
uitsluitend toegestaan, indien:
a. voorzieningen zijn aangebracht om het zijdelings verschuiven van
de onderste laag van de deklast te voorkomen;
b. de wijze van beladen van de sjorinrichting en de overige
onderdelen van de uitrusting voor de deklast door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.
3. De maximale hoogte van pakketten gebundeld hout die op de
luiken worden vervoerd, wordt in afwijking van voorschrift 3.2.1 van de
Houtvaartcode gemeten vanaf de bovenzijde van het luikhoofd.
4. De beproeving, markering en certificering van kettingen,
gebruikt bij het sjorren van deklast hout, bedoeld in voorschrift 4.5.1
van de Houtvaartcode, geschiedt overeenkomstig EN-norm 818-2 of de door
het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN-EN
818-2.
Artikel 27. Nadere regels voor het vervoer van bulklading (IMO)
1. In aanvulling op de hoofdstukken VI, deel B, en VII, deel
A-1, van het SOLAS-verdrag worden bij het vervoer van gestorte lading
en het vervoer van gevaarlijke stoffen in vaste vorm in bulk de
voorschriften van de BC-Code in acht genomen.
2. De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de BC-Code, zijn:
a. voor in de Nederlandse Antillen geregistreerde schepen: de
Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen;
b. voor in Aruba geregistreerde schepen: de Minister van Toerisme
en Transport van Aruba.
Artikel 28. Nadere regels betreffende het vastzetten van lading (IMO)
1. De Handleiding vastzetten lading, bedoeld in de
voorschriften VI/5.6 en VII/5 van het SOLAS-verdrag, voldoet aan de
bij circulaire MSC/Circ.745 van de Maritieme Veiligheidscommissie van
de IMO vastgestelde Richtlijnen voor het opstellen van de Handleiding
vastzetten lading (Guidelines for the preparation of the Cargo
Securing Manual).
2. Op schepen die zijn ingericht voor het vervoer van
standaardlading, mag worden volstaan met een verkorte versie van de
Handleiding vastzetten lading.
Artikel 29. Bevoegde autoriteiten IMDG-Code
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van hoofdstuk VII,
deel A, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMDG-Code, zijn:
a. voor in de Nederlandse Antillen geregistreerde schepen: de
Minister van Verkeer en Vervoer van de Nederlandse Antillen;
b. voor in Aruba geregistreerde schepen: de Minister van Toerisme
en Transport van Aruba.
Artikel 30. EmS-Gids (IMO)
1. Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als
bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een
Nederlandstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
2. Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het
SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in afwijking
van het eerste lid een Engelstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 31. Voorschriften voor bijzondere scheepstypen (IMO)
De kapitein van een schip waarvoor een certificaat, behorende bij de
MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de DSC-Code of de SPS-Code, benodigd
is, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in de
desbetreffende Code opgenomen voorschriften en verplichtingen worden
nageleefd.
Artikel 32. Beheer medische uitrusting
1. De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige
medische uitrusting in goede staat verkeert en zonodig wordt aangevuld
of vernieuwd.
2. De artikelen 2 en 3 van de Regeling medische uitrusting aan
boord van zeeschepen zijn van toepassing.
Artikel 33. Incidenten met gevaarlijke stoffen (IMO)
1. De kapitein van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als
bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, draagt
er bij een incident met die stoffen zorg voor dat de in de EmS-Gids
opgenomen procedures worden gevolgd.
2. Meldingen van incidenten met gevaarlijke stoffen als bedoeld
in voorschrift VII/6 of VII/7-4 van het SOLAS-verdrag voldoen aan de bij
resolutie A.851(20) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen
Richtlijnen voor het rapporteren van incidenten met gevaarlijke,
schadelijke of milieuverontreinigende stoffen (Guidelines for reporting
incidents involving dangerous goods, harmful substances and/or marine
pollutants).
Artikel 34. Bijhouden dagboeken
De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken
worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op
grond van deze regeling toepasselijke Codes is bepaald.
§ 2. Vrijstellingen
Artikel 35. Beproeven van stuurinrichting op korte reizen (SOLAS)
Schepen waarmee geregeld korte reizen als bedoeld in voorschrift
III/3.22 van het SOLAS-verdrag worden ondernomen, zijn vrijgesteld van
de in voorschrift V/26 van dat verdrag opgenomen verplichting om
voorafgaand aan elke reis de stuurinrichting te beproeven, met dien
verstande dat de stuurinrichting ten minste eenmaal per week wordt
beproefd.
Artikel 36. Niet-werktuiglijk voortbewogen schepen
1. Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot
werktuiglijke voortstuwing, zijn vrijgesteld van de voorschriften V/26
tot en met V/28 van het SOLAS-verdrag.
2. De artikelen 64 van het besluit en 34 van deze regeling zijn
niet van toepassing op schepen als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 37. Bekendmaking van Codes e.d.
Van de wijze van bekendmaking van de op grond van deze regeling
toepasselijke Codes, resoluties en circulaires van de IMO wordt
mededeling gedaan in de Curaçaosche Courant en in de Landscourant
van Aruba.
Artikel 38. Wijzigingen van Codes e.d.
1. Artikel 71, eerste tot en met derde lid, van het besluit is
van overeenkomstige toepassing op de ingevolge deze regeling
toepasselijke Codes, resoluties en circulaires van de IMO.
2. Ministeriële besluiten op grond van het eerste lid worden
bekendgemaakt in de Staatscourant, de Curaçaosche Courant
en de Landscourant van Aruba.
Artikel 39. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005, met uitzondering
van de artikelen 4, tweede lid, en 5, tweede lid, die in werking treden
op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking
treedt.
Artikel 40. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veiligheid
Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zeeschepen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant,
in de Curaçaosche Courant en in het Afkondigingsblad van
Aruba worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.