|
REGELING houdende nadere regels met betrekking tot de
veiligheid en certificering van in Nederland geregistreerde zeeschepen,
alsmede regels met betrekking tot de veiligheid van buitenlandse schepen
in Nederlandse wateren (Regeling veiligheid zeeschepen)
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 12, 22, 32, 46, 48,
eerste lid, 51, 54, 58 en 65 van het Schepenbesluit 2004, de artikelen
5, eerste lid, 26e, tweede lid, en 26f van de Schepenwet
en de artikelen 3, eerste lid, 7, eerste lid, en 11, tweede lid, van de
Wet buitenlandse schepen, Richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de
minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van
een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L
113), alsmede de in artikel 1 van deze regeling genoemde Codes,
richtlijnen en verordeningen;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
– besluit: Schepenbesluit 2004;
– DSC-Code: de bij resolutie A.373(X) van de Algemene
Vergadering van de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve
Organisatie (IMCO) van de Verenigde Naties aangenomen Code voor de
veiligheid van dynamisch ondersteunde schepen (Dynamically
Supported Craft Code);
– EmS-Gids: de bij circulaire MSC/Circ.1025 van de Maritieme
Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Noodmaatregelen en
-procedures voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen worden
vervoerd (Emergency response procedures for ships carrying
dangerous goods; EmS Guide);
– Houtvaartcode: de bij resolutie A.715(17) van de Algemene
Vergadering van de IMO aangenomen Code voor het veilig vervoer van
deklast hout (Code of Safe Practice for Ships Carrying Timber Deck
Cargoes);
– IMDG-Code:de bij resolutie MSC.122(75) van de Maritieme
Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale
Maritieme Code inzake gevaarlijke stoffen (International Maritime
Dangerous Goods Code);
– IMSBC-Code: de bij resolutie MSC.268(85) van de Maritieme
Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale
Maritieme Code voor het vervoer van vaste lading in bulk
(International Maritime Solid Bulk Cargoes Code);
– IS-Code: de bij resolutie A.749(18) van de Algemene
Vergadering van de IMO aangenomen Code inzake de stabiliteit in
onbeschadigde toestand voor alle scheepstypen waarvoor
IMO-voorschriften bestaan (Intact Stability Code);
– IS-Code 2008: de bij resolutie MSC.267(85) van de Maritieme
Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Code
betreffende de stabiliteit in onbeschadigde toestand 2008 (Intact
Stability Code, 2008);
– LY2-Code: de bij Circular letter nr. 2950 van 23 maart 2009
bij de IMO genotificeerde Grote Commerciële Jachten Code (Large
Commercial Yacht Code);
– MODU-Code 1979: de bij resolutie A.414(XI) van de Algemene
Vergadering van de IMCO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting
van verplaatsbare offshore booreenheden 1979 (Mobile Offshore
Drilling Units Code, 1979);
– MODU-Code 1989: de bij resolutie A.649(16) van de Algemene
Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting
van verplaatsbare offshore booreenheden 1989 (Mobile Offshore
Drilling Units Code, 1989);
– MODU-Code 2009: de bij resolutie A.1023(26) van de Algemene
Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting
van verplaatsbare offshore booreenheden 2009 (Mobile Offshore
Drilling Units Code, 2009);.
– resolutie A.673(16): de bij resolutie A.673(16) van de
Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het
vervoer en de behandeling van beperkte hoeveelheden gevaarlijke en
schadelijke vloeistoffen in bulk door offshore
ondersteuningsschepen (Guidelines for the transport and handling
of limited amounts of hazardous and noxious liquid substances in
bulk on offshore support vessels);
– resolutie MSC.235(82): de bij resolutie MSC.235(82) van de
Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Richtlijnen
voor het ontwerp en de bouw van offshore bevoorradingsschepen
(2006) (Guidelines for the design and construction of offshore
supply vessels, 2006);
– richtlijn 92/29/EEG: richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende
minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter
bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van
schepen (PbEG L 113);
– richtlijn 96/98/EG: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van
de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van
zeeschepen (PbEG 1997, L 46);
– richtlijn 98/41/EG: richtlijn nr. 98/41/EG van de Raad van
18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van
passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de
Gemeenschap varen (PbEG L 188);
– richtlijn 1999/5/EG: richtlijn nr. 1999/5/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart
1999 betreffende radioapparatuur en
telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van
hun conformiteit (PbEG L 91);
– richtlijn 1999/35/EG: richtlijn nr. 1999/35/EG van de Raad
van de Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van
verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde
diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidsschepen (PbEG L 138);
– richtlijn 2003/25/EG: richtlijn nr. 2003/25/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april
2003 betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor
ro-ro-passagiersschepen (PbEU L 123);
– richtlijn 2009/45/EG: richtlijn nr. 2009/45/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009
inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen
(PbEU L 163);
– ruimten voor machines: ruimten als bedoeld in voorschrift
II-2/3, onderdeel 30, van het SOLAS-verdrag;
– ruimten voor machines van categorie A: ruimten als bedoeld
in voorschrift II-2/3, onderdeel 31, van het SOLAS-verdrag;
– SPS-Code: de bij resolutie A.534(13) van de Algemene
Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de veiligheid van
schepen voor bijzondere doeleinden (Special Purpose Ships Code);
– SPS-Code 2008: de bij resolutie MSC.266(84) van de
Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Code voor de veiligheid
van schepen met bijzondere doeleinden 2008 (Special Purpose Ships
Code, 2008);
– verjaardatum: een met de vervaldatum corresponderende dag
en maand van elk jaar dat gelegen is tussen de datum van afgifte
en de vervaldatum van een certificaat;
– verordening (EG) 725/2004: verordening (EG) nr. 725/2004
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31
maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van
schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129);
– verordening (EG) 336/2006: verordening (EG) nr. 336/2006
van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15
februari 2006 inzake de implementatie van de Internationale
Veiligheidsmanagementcode in de Gemeenschap en tot intrekking van
verordening (EG) nr. 3051/95 van de Raad van de Europese Unie (PbEU
L 64).
2. Voor de toepassing van het besluit en deze regeling wordt met
een internationale reis gelijkgesteld een trans-Atlantische reis
tussen landen van het Koninkrijk of delen daarvan.
Artikel 2. Bouwdatum van een schip
Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop de kiel
van het schip is gelegd, dan wel de dag waarop met inachtneming van
hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke
Codes, resoluties of richtlijnen is bepaald, een met de kiellegging
vergelijkbaar stadium is bereikt. Artikel 2, tweede lid, van het besluit
is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3. Toepassingsbereik
Deze regeling is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing
op schepen die op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de
vlag van het Koninkrijk te voeren.
Hoofdstuk 2. Certificaten en onderzoeken
§ 1. Benodigde certificaten
Artikel 3a. Nationaal veiligheidscertificaat
1. Een nationaal veiligheidscertificaat is benodigd voor de
volgende categorieën schepen:
a. een vrachtschip van minder dan 500 GT met een lengte van 24
meter of meer, niet zijnde een schip als bedoeld in onderdeel c;
b. een vrachtschip met een lengte van minder dan 24 meter, niet
zijnde een schip als bedoeld in onderdeel c;
c. een schip dat niet van middelen tot werktuiglijke
voortstuwing is voorzien;
d. een vrachtschip van 500 GT of meer, uitsluitend bestemd en
gebruikt voor nationale reizen.
2. Als nationaal veiligheidscertificaat wordt vastgesteld het in
bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model, met dien verstande dat
verschillende opschriften worden gehanteerd afhankelijk van de
categorie waartoe een schip op grond van het eerste lid behoort.
Artikel 4. Certificaat voor passagiersschepen in nationale vaart (EU)
1. Voor passagiersschepen waarmee nationale reizen worden
ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie, is het
veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn
2009/45/EG, benodigd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. schepen, gebouwd voor 1 juli 1998, met een lengte van minder
dan 24 meter;
b. overeenkomstig de DSC-Code, de HSC-Code 1994 of de HSC-Code
2000 gecertificeerde schepen;
c. schepen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a,
van richtlijn 2009/45/EG.
3. Het in het eerste lid bedoelde certificaat treedt in de plaats
van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5. Certificaten voor verplaatsbare offshore booreenheden (IMO)
1. Voor verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de
MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 en de MODU-Code 2009 zijn de
volgende certificaten benodigd:
a. voor booreenheden, gebouwd voor 1 mei 1991: het
veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden,
behorend bij de MODU-Code 1979;
b. voor booreenheden, gebouwd op of na 1 mei 1991 maar voor 1
januari 2012: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare
offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1989;
c. voor booreenheden, gebouwd op of na 1 januari 2012: het
veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden,
behorend bij de MODU-Code 2009.
2. Voor schepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit treden de
in het eerste lid bedoelde certificaten in de plaats van het voor die
schepen benodigde nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5a. Certificaat voor offshore bevoorradings- en
ondersteuningsschepen (IMO)
1. Voor een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie
MSC.235(82) is het bij die resolutie behorende certificaat benodigd.
2. Voor een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie
A.673(16), niet zijnde een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in
voorschrift 1.5.3 van die resolutie, is het bij die resolutie
behorende certificaat benodigd.
3. Het certificaat, bedoeld in het tweede lid, treedt in de plaats
van het nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 5b. Certificaat van overeenstemming (LY2-Code)
1. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12a is
gekozen voor toepassing van de LY2-Code is een certificaat van
overeenstemming als bedoeld in de LY2-Code benodigd.
2. Voor een schip als bedoeld in artikel 6 van het besluit treedt
het certificaat van overeenstemming in de plaats van het nationaal
veiligheidscertificaat.
Artikel 6. Certificaten op grond van DSC-Code, SPS-Code en SPS-Code
2008 (IMO)
1. Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12 is
gekozen voor toepassing van de DSC-Code, de SPS-Code of de SPS-Code
2008, is het bij de desbetreffende Code behorende certificaat
benodigd. Indien is gekozen voor toepassing van de DSC-Code, is voor
het schip tevens de bij die Code behorende exploitatievergunning
benodigd.
2. Voor schepen als bedoeld in artikel 6 van het besluit treden de
in het eerste lid bedoelde certificaten in de plaats van het voor die
schepen benodigde nationaal veiligheidscertificaat.
Artikel 7. Aanvullend certificaat voor ro-ro-passagiersschepen in
Europese vaart (EU)
1.Voor ro-ro-passagiersschepen als bedoeld in artikel 2 van
richtlijn 2003/25/EG waarmee in het kader van een geregelde dienst
internationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de
Europese Unie, is een certificaat als bedoeld in artikel 8 van
richtlijn 2003/25/EG benodigd, waaruit blijkt dat zij aan de
specifieke stabiliteitsvereisten van die richtlijn voldoen.
2.Het in het eerste lid bedoelde certificaat wordt gecombineerd met
het ingevolge artikel 5 van het besluit benodigde internationaal
veiligheidscertificaat voor passagiersschepen.
Artikel 7a. Veiligheidsmanagementcertificaat (EU)
1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid,
van het besluit is van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen
als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van verordening (EG) 336/2006,
vrachtschepen van 500 GT of meer en verplaatsbare offshore
booreenheden van 500 GT of meer voor zover deze schepen gebruikt
worden voor nationale reizen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de volgende schepen:
a. voor andere dan handelsdoeleinden gebruikte
overheidsschepen;
b. schepen die niet zijn voorzien van middelen tot
werktuiglijke voorstuwing, houten schepen met een primitieve
constructie en pleziervaartuigen, tenzij zij een bemanning hebben
of zullen hebben en meer dan twaalf passagiers voor
handelsdoeleinden vervoeren;
c. andere passagiersschepen dan ro-ro-passagiersveerboten als
bedoeld in artikel 2, elfde lid, van verordening (EG) 336/2006,
varend in de zeegebieden van klasse C en D als bedoeld in artikel
4 van richtlijn 2009/45/EG.
Artikel 8. Scheepsbeveiligingscertificaat passagiersschepen in
nationale vaart (EU)
1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het besluit is
met ingang van 1 juli 2005 van overeenkomstige toepassing op
passagiersschepen, behorende tot klasse A als bedoeld in artikel 4 van
richtlijn 2009/45/EG, waarmee nationale reizen worden ondernomen van
of naar een haven in de Europese Unie.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die niet zijn
voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing en op houten of
primitief gebouwde schepen.
Artikel 9. Bij certificaten behorende uitrustingsrapporten,
aanhangsels e.d.
De in de artikelen 3a tot en met 7 bedoelde certificaten gaan
vergezeld van de bij die certificaten behorende uitrustingsrapporten en
aanhangsels, alsmede van de in de desbetreffende Codes, resoluties of
richtlijnen voorgeschreven stabiliteitsgegevens of andere gegevens met
betrekking tot schip of lading.
§ 2. Onderzoeken
Artikel 9a. Onderzoeken van schepen waarvoor een nationaal
veiligheidscertificaat benodigd is
1. Een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b
onderscheidenlijk c, wordt ter verkrijging van het nationaal
veiligheidscertificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan
onderworpen aan de volgende onderzoeken:
a. een eerste onderzoek;
b. een tussentijds of periodiek onderzoek;
c. een hernieuwd onderzoek in verband met vernieuwing van het
certificaat;
d. een onderzoek van de romp aan de buitenzijde;
e. een onderzoek in verband met herstellingen en vernieuwingen
aan het schip.
2. De onderzoeken, bedoeld in het eerste lid, omvatten het
volgende:
a. het in onderdeel a, b of c bedoelde onderzoek is een
volledig onderzoek van de constructie van de romp, de waterdichte
afsluiting, de werktuigen inclusief de stuurinrichting, de
elektrische installatie, de navigatie- en radio-uitrusting, de
redding-, brandblus- en veiligheidsmiddelen, de lichten en overige
middelen ter voorkoming van aanvaringen;
b. het in onderdeel e bedoelde onderzoek wordt uitgevoerd nadat
een ongeval heeft plaatsgehad of een onvolkomenheid is ontdekt
waardoor twijfel is ontstaan of het schip nog geschikt is voor een
veilige vaart en in verband hiermee herstellingen zijn uitgevoerd.
Artikel 9b. Onderzoeken van offshore bevoorradings- en
ondersteuningsschepen (IMO)
Een offshore bevoorradingsschip als bedoeld in resolutie MSC.235(82),
onderscheidenlijk een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in
resolutie A.673(16) wordt ter verkrijging van de voor die schepen
benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan
onderworpen aan onderzoeken ter vaststelling dat is voldaan aan de in de
resoluties opgenomen richtlijnen.
Artikel 10. Onderzoeken van passagiersschepen in nationale vaart (EU)
Passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor
passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is,
worden ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de geldigheidsduur
daarvan onderworpen aan de in artikel 12 van richtlijn 2009/45/EG
voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 11. Onderzoeken van verplaatsbare offshore booreenheden (IMO)
Verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979,
de MODU-Code 1989 of de MODU-Code 2009 worden ter verkrijging van de
voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur
daarvan onderworpen aan de in de desbetreffende Code voorgeschreven
onderzoeken.
Artikel 12. Onderzoeken op grond van DSC-Code, SPS-Code en SPS-Code
2008 (IMO)
1. De eigenaar van een schip, behorend tot een van de navolgende
categorieën van schepen, kan er voor kiezen om dat schip te laten
onderzoeken en certificeren met inachtneming van:
a. voor dynamisch ondersteunde schepen als bedoeld in de
DSC-Code, gebouwd voor 1 januari 1996: de voorschriften van de
DSC-Code;
b. voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld
in de SPS-Code en de SPS-Code 2008, gebouwd voor 2 juli 2009: de
voorschriften van de SPS-Code of de SPS-Code 2008;
c. voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld
in de SPS-Code 2008, gebouwd op of na 2 juli 2009: de
voorschriften van de SPS-Code 2008.
2. Indien ten aanzien van een schip is gekozen voor toepassing van
een in het eerste lid genoemde Code, treden de in de desbetreffende
Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14 of
15 van het besluit bedoelde onderzoeken.
Artikel 12a. Onderzoeken op grond van de LY2-Code
1. De eigenaar van een beroepsmatig gebruikt, zeegaand schip van
minder dan 3000 GT met een loodlijnlengte van 24 meter of meer en dat
ontworpen en gebouwd is en gebruikt wordt voor uitsluitend het vervoer
van niet meer dan 12 passagiers kan ervoor kiezen om dat te schip te
laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van de LY2-Code,
die als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd.
2. Indien ten aanzien van een schip overeenkomstig het eerste lid
is gekozen voor toepassing van de LY2-Code, strekken de in de
artikelen 13 tot en met 15 van het besluit bedoelde onderzoeken er
mede toe om na te gaan of aan de eisen van die Code is voldaan.
Artikel 13. Onderzoeken van ro-ro-veerboten en
hogesnelheidspassagiersschepen (EU)
1. Ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersschepen als bedoeld in
artikel 2 van richtlijn 1999/35/EG, waarmee in het kader van een
geregelde dienst internationale reizen worden ondernomen vanuit een
haven in de Europese Unie, worden onderworpen aan de in de artikelen
4, 6 en 8 van richtlijn 1999/35/EG voorgeschreven controles en
onderzoeken. Tevens wordt door de staten van ontvangst als bedoeld in
artikel 2 van die richtlijn nagegaan of aan de eisen, bedoeld in
artikel 5 van richtlijn 1999/35/EG, is voldaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op
ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersschepen waarmee in het kader
van een geregelde dienst nationale reizen in zeegebieden van klasse A
als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 2009/45/EG worden ondernomen.
3. Voor schepen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 8
van richtlijn 2003/25/EG benodigd is, strekken de in het eerste lid
bedoelde controles en onderzoeken er tevens toe om vast te stellen of
aan de specifieke stabiliteitsvereisten van richtlijn 2003/25/EG is
voldaan.
4. Toepassing van richtlijn 1999/35/EG geschiedt met inachtneming
van de artikelen 7, 9, 10, 11, 13, 14 en 15 van die richtlijn.
Artikel 14. Tijdstippen van onderzoek
1. De in artikel 9a bedoelde onderzoeken vinden plaats op de
volgende tijdstippen:
a. een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt
gesteld;
b. een tussentijds of periodiek onderzoek in de periode van
drie maanden voor tot drie maanden na ofwel de tweede ofwel de
derde verjaardatum;
c. een hernieuwd onderzoek waaraan een schip in verband met de
vernieuwing van het certificaat wordt onderworpen in de laatste
drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende
certificaat;
d. een onderzoek van de romp aan de buitenzijde twee maal in
een periode van vijf jaar, mits de periode tussen twee
romponderzoeken niet meer bedraagt dan 36 maanden;
e. een onderzoek nadat herstellingen en vernieuwingen aan een
schip hebben plaatsgevonden.
2. De in de artikelen 9b tot en met 13 bedoelde onderzoeken vinden
plaats op de in de desbetreffende Codes, resoluties en richtlijnen
voorgeschreven tijdstippen, mits het hernieuwde onderzoek waaraan een
schip in verband met de vernieuwing van een certificaat wordt
onderworpen, steeds plaatsvindt in de laatste drie maanden van de
geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat.
Artikel 15. Uitvoering onderzoeken door erkende organisaties
1. De onderzoeken, bedoeld in de artikelen 18 en 19 van het
besluit, worden uitgevoerd door een daartoe krachtens artikel 23 van
het besluit aangewezen organisatie naar keuze van de eigenaar.
2. De onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 13, 14,
16 en 17 van het besluit of de artikelen 11, 12 en 12a van deze
regeling wordt onderworpen, worden voor schepen waarvoor een
internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 5,
eerste lid, onderdeel a of b, of 7 van het besluit benodigd is,
uitgevoerd door een krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen
organisatie waar het schip is geklasseerd.
3. De onderzoeken waaraan een schip, niet zijnde een schip als
bedoeld in het tweede lid, ingevolge de artikelen 13, 14, 15 of 17 van
het besluit of de artikelen 9a tot en met 12a van deze regeling wordt
onderworpen, worden uitgevoerd door een krachtens artikel 23 van het
besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd of,
indien het schip niet is geklasseerd, door ambtenaren van de
Scheepvaartinspectie.
4. Indien krachtens artikel 23 van het besluit voor bepaalde
onderzoeken ook andere organisaties dan de in het tweede en derde lid
bedoelde organisaties zijn aangewezen, mogen de desbetreffende
onderzoeken in afwijking van het tweede en derde lid ook door deze
andere organisaties worden uitgevoerd.
Artikel 16. Aantekening van onderzoeken
Van de onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 9a tot en
met 12a en 13, derde lid, tijdens de geldigheidsduur van een certificaat
wordt onderworpen, wordt door degene die het onderzoek heeft verricht,
aantekening geplaatst op het certificaat.
§ 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
Artikel 17. Certificaten voor passagiersschepen in nationale vaart
(EU)
1. Het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij
richtlijn 2009/45/EG, heeft een geldigheidsduur van een jaar. Het
certificaat mag, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in artikel
13 van de richtlijn is bepaald, met ten hoogste een maand worden
verlengd.
2. De artikelen 29, tweede lid, en 30, aanhef en onderdeel a, van
het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 18. Certificaten op grond van MODU-Codes, DSC-Code en
SPS-Codes (IMO)
1. De in artikel 6 bedoelde certificaten hebben, indien zij zijn
afgegeven voor een passagiersschip, een geldigheidsduur van een jaar.
De in artikel 5 bedoelde certificaten hebben, evenals de in artikel 6
bedoelde certificaten die zijn afgegeven voor vrachtschepen, een
geldigheidsduur van vijf jaren.
2. De geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in artikel 7
is gelijk aan de geldigheidsduur van het internationale
veiligheidscertificaat voor passagiersschepen waarmee het wordt
gecombineerd.
3. De artikelen 29, tweede lid, 30 en 31 van het besluit zijn van
overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste
lid.
Hoofdstuk 3. Eisen aan schip en bedrijfsvoering
§ 1. Eisen aan schepen
Artikel 18a. Eisen aan schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid,
onderdelen b en c
1. Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b en
c, voldoen aan de eisen, bedoeld in paragraaf 1 onderscheidenlijk 2
van bijlage 3.
2. In afwijking van het eerste lid behoeven schepen, bedoeld in
artikel 3a, eerste lid, onderdeel c, en gebouwd voor de datum van
inwerkingtreding van deze regeling tot 1 januari 2013 niet te
voldoen aan de eisen, bedoeld in paragraaf 2, onderdeel b, van
bijlage 3, mits voor de aan boord tewerkgestelde bijzondere
opvarenden voldoende reddingmiddelen aanwezig zijn en
radiocommunicatie met het begeleidende schip mogelijk is.
Artikel 18b. Eisen aan schepen, gecertificeerd onder de LY2-Code
Indien ten aanzien van een schip overeenkomstig artikel 12a is
gekozen voor toepassing van de LY2-Code voldoet dat schip aan de eisen
van die Code.
Artikel 19. Eisen aan passagiersschepen in nationale vaart (EU)
1. Een passagiersschip waarvoor het veiligheidscertificaat voor
passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is,
voldoet aan de ingevolge de artikelen 6, eerste tot en met derde lid,
en 7 van die richtlijn op dat schip toepasselijke eisen.
2. Als zeegebieden van de klassen A, B, C en D als bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van richtlijn 2009/45/EG worden aangewezen de
in bijlage 4 bij deze regeling aangegeven zeegebieden.
3. Aan boord van schepen als bedoeld in het eerste lid, gebouwd op
of na 1 oktober 2004, worden met inachtneming van de in bijlage III
van richtlijn 2009/45/EG opgenomen richtsnoeren passende maatregelen
getroffen voor de veiligheid van en de toegankelijkheid voor personen
met verminderde mobiliteit.
4. Het derde lid is, voorzover dat in economisch opzicht redelijk
en uitvoerbaar is, van overeenkomstige toepassing op schepen, gebouwd
voor 1 oktober 2004, die na die datum een verbouwing ondergaan.
Artikel 20. Eisen op grond van MODU-Codes, DSC-Code en SPS-Codes (IMO)
1. Een schip waarvoor een certificaat, behorende bij de MODU-Code
1979, de MODU-Code 1989, de MODU-Code 2009, de DSC-Code, de SPS-Code
of de SPS-Code 2008, benodigd is, voldoet aan de eisen van de
desbetreffende Code.
2. Indien in een Code als bedoeld in het eerste lid wordt verwezen
naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag, wordt dat verdrag
toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het
besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag.
Artikel 21. Bijzondere eisen voor offshore bevoorradings- en
ondersteuningsschepen (IMO)
1. Een offshore bevoorradingsschip voldoet aan de eisen van
resolutie MSC.235(82).
2. Een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in resolutie
A.673(16), niet zijnde een offshore ondersteuningsschip als bedoeld in
voorschrift 1.5.3 van die resolutie, voldoet aan de eisen van
voornoemde resolutie.
Artikel 22. Nadere regels betreffende de stabiliteit van schepen (IMO,
EU)
1. Op een schip, gebouwd voor 1 juli 2010, zijn de op dat schip
toepasselijke stabiliteitseisen in onbeschadigde toestand van de
IS-Code van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op passagiersschepen
waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend
bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd is, en op vrachtschepen met een
lengte van minder dan 12 meter waarvoor geen certificaat benodigd is.
3. Ro-ro-passagiersschepen waarvoor een certificaat als bedoeld in
artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd is, voldoen tevens aan de
ingevolge de artikelen 6 en 7 van die richtlijn toepasselijke
stabiliteitseisen voor schepen in beschadigde toestand.
4. Op schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdelen b
en c, met een lengte van minder dan 24 meter, gebouwd op of na 1 juli
2010, zijn de op die schepen toepasselijke stabiliteitseisen voor
schepen in onbeschadigde toestand van de IS-Code 2008 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 23. Nadere regels betreffende werktuiglijke en elektrische
installaties
1. De elektrische installaties aan boord van een schip voldoen aan
de normen in Publicatie 92 (Elektrische installaties aan boord van
schepen) van de Internationale Elektrotechnische Commissie of daaraan
gelijkwaardige normen van een krachtens artikel 36 van het besluit
aangewezen klassenbureau.
2. De bouw en inrichting en het onderhoud van elektrische
personenliften voldoen aan:
a. de regels van een krachtens artikel 36 van het besluit
aangewezen klassenbureau, of:
b. de door het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft
uitgegeven norm NEN 28 383.
3. In aanvulling op voorschrift II-1/42.2, onderscheidenlijk
II-1/43.2, van het SOLAS-verdrag is de aan boord van een schip
aanwezige elektrische noodkrachtbron tevens in staat om gedurende ten
minste 36 uur, indien het een passagiersschip betreft, en ten minste
18 uur, indien het een vrachtschip betreft, stroom te leveren ten
behoeve van de noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere
ruimten voor algemeen gebruik.
4. Op een schip als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel b,
is voorschrift II-1/43.2 van het SOLAS-verdrag van overeenkomstige
toepassing en is de aan boord aanwezige elektrische noodkrachtbron in
staat om gedurende ten minste 6 uur stroom te leveren ten behoeve van
de noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor
algemeen gebruik.
5. Aan boord van een schip worden de in resolutie A.468(XII) van de
Algemene Vergadering van de IMO voorgeschreven maatregelen ter
beperking van geluidhinder getroffen (Code on noise levels on board
ships).
6. Indien een acetyleen las- en snij-installatie, bestaande uit
acetyleen- en zuurstofflessen met inbegrip van de ruimte voor opslag,
distributieleidingen, slangen en appandages aan boord van een schip
is, is deze installatie periodiek gekeurd, goed onderhouden, zodanig
opgesteld en ingericht dat het risico van brand of explosie bij zowel
een in gebruik zijnde als buiten gebruik zijnde installatie tot een
minimum is teruggebracht.
7. Indien een elektrisch lastoestel met bijbehorende apparatuur aan
boord van een schip is, is dit toestel periodiek gekeurd, goed
onderhouden en zodanig ingericht dat deze geen gevaar voor personen of
voor de omgeving kan opleveren met inachtneming van de bijzondere
omstandigheden aan boord.
8. Aan boord van een schip worden de werkzaamheden met acetyleen
las- en snij-installaties en elektrische lastoestellen zodanig
uitgevoerd dat deze geen gevaar voor personen of voor de omgeving
kunnen opleveren met inachtneming van de bijzondere omstandigheden aan
boord.
Artikel 24. Nadere regels betreffende de veiligheid van navigatie
1. De voorschriften V/19.2.3.1 en V/19.2.3.4 van het SOLAS-verdrag
zijn van overeenkomstige toepassing op vrachtschepen van minder dan
300 GT.
2. Voorschrift V/19.2.5.4 van het SOLAS-verdrag is van
overeenkomstige toepassing op schepen van minder dan 500 GT, met
uitzondering van passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat
voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 2009/45/EG, benodigd
is.
3. Indien een vrachtschip met een lengte van 24 meter of meer of
een passagiersschip op of na 1 juli 2009 maar voor 1 juli 2011 is
uitgerust met een wachtalarminstallatie op de brug, voldoet deze aan
de eisen van resolutie MSC.128(75) van de Maritieme
Veiligheidscommissie van de IMO, inhoudende uitvoeringsnormen
betreffende de wachtalarminstallatie op de brug (Performance standards
for a bridge navigational watch alarm system (BNWAS)).
Artikel 25. Medische uitrusting (EU, IMO)
1. Aan boord van een schip is de in bijlage 5 bij deze regeling
voorgeschreven medische uitrusting met de daarbij behorende
handleidingen en controlelijsten aanwezig. De eigenaar van een schip
draagt voor eigen rekening zorg voor de levering en de vernieuwing van
de medische uitrusting.
2. Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld
in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een
Nederlandstalige uitgave van de bij circulaire MSC/Circ.857 van de
Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Medische Eerste
Hulp Gids bij ongevallen met gevaarlijke stoffen (Medical First Aid
Guide for use in accidents involving dangerous goods; MFAG) aanwezig.
3. Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het
SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in plaats
van een Nederlandstalige uitgave een Engelstalige uitgave van de in
het tweede lid bedoelde Gids aanwezig.
4. Het eerste lid is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen.
Artikel 26. Nadere regels in relatie tot benodigde certificaten
1. Een schip waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat,
een nationaal veiligheidscertificaat of een certificaat als bedoeld in
artikel 5, 5a of 6 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat
certificaat tevens aan de ingevolge de artikelen 21, 22, eerste lid,
23, 24 en 25 toepasselijke eisen.
2. Een schip waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5, 5a
of 6 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat
bovendien aan de ingevolge artikel 40, derde lid, van het besluit
toepasselijke eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Artikel 27. Gelijkwaardige voorzieningen
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, met inachtneming van
hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke
Europese richtlijnen of IMO-resoluties is bepaald, afwijking toestaan
van de in de artikelen 18a tot en met 24 bedoelde eisen, indien aan
boord van het schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn
oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de in het voorschrift waarvan
wordt afgeweken, geëiste voorziening.
Artikel 28. Wederzijdse erkenning
1.Dit artikel is van toepassing op schepen die vanuit een
scheepsregister in een andere lidstaat van de Europese Unie of een
staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische
Ruimte, zijn overgeschreven naar een Nederlands scheepsregister.
2.Met de in de artikelen 20, 21, 22, eerste lid, 23 en 24 bedoelde
technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan
gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door
of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die
partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
§ 2. Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen
Artikel 29. Veiligheidscommissie (ILO)
1.De veiligheidscommissie aan boord van een schip met een bemanning
van meer dan vijftien personen bestaat uit ten minste twee bevaren
schepelingen. In de commissie zijn zowel de scheepsofficieren als de
scheepsgezellen vertegenwoordigd.
2.Aan boord van een schip met een bemanning van ten hoogste
vijftien personen wordt ten minste één veiligheidscommissaris
benoemd.
3.De verplichting, bedoeld in artikel 26e, eerste lid, van de
Schepenwet, geldt niet voor vissersvaartuigen en schepen met een
bemanning van minder dan vijf personen.
Artikel 30. Registratie van opvarenden aan boord van
passagiersschepen (EU)
1.De eigenaar van een passagiersschip voorziet in een systeem voor
de registratie van passagiersgegevens, dat voldoet aan richtlijn
98/41/EG.
2.Voorts draagt de eigenaar zorg voor de aanstelling van een
passagiersregistratiebeambte als bedoeld in artikel 2 van richtlijn
98/41/EG, die is belast met de in artikel 8 van die richtlijn genoemde
taken.
3.De eigenaar draagt er zorg voor dat de passagiersgegevens te
allen tijde onmiddellijk beschikbaar zijn om aan de aangewezen
instantie te worden doorgegeven voor opsporings- en reddingsoperaties
in een noodgeval of na een ongeluk.
4.De eigenaar draagt er tevens zorg voor dat nadere gegevens over
personen die hebben verklaard in noodsituaties speciale zorg of
bijstand nodig te hebben, naar behoren worden geregistreerd en aan de
kapitein worden doorgegeven voordat het passagiersschip vertrekt.
5.Persoonsgegevens van passagiers worden niet langer bewaard dan
noodzakelijk is in verband met opsporings- en reddingsactiviteiten.
Artikel 31. Nadere regels betreffende de beveiliging van schepen (SOLAS,
EU)
1.De nationale instantie waartoe de in voorschrift XI-2/6.2.1 van
het SOLAS-verdrag bedoelde, door het Ship Security Alert System
gegenereerde alarmmeldingen kunnen worden gericht, is het
Kustwachtcentrum te Den Helder.
2.Toepassing van de ISPS-Code geschiedt met inachtneming van de
ingevolge artikel 3, vijfde lid, van verordening (EG) 725/2004
verplichte bepalingen van deel B van die Code.
3.Beveiligingsverklaringen als bedoeld in voorschrift XI-2/1.15 van
het SOLAS-verdrag worden minimaal 3 maanden bewaard, of zoveel langer
als nodig is om aan voorschrift XI-2/9.2.3 van dat verdrag te voldoen.
De minimumtermijn voor het bewaren van de in voorschrift A/10.1 van de
ISPS-Code bedoelde documentatie bedraagt drie jaren.
§ 3. Toelatingseisen voor scheepsuitrusting
Artikel 32. Toepassingsbereik
1.Deze paragraaf is van toepassing op uitrusting waarvoor bij
plaatsing aan boord van een schip, gelet op de op dat schip
toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is vereist.
2.Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring is vereist, wordt
mede verstaan uitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het
SOLAS-verdrag.
Artikel 33. Europese typegoedkeuringen voor scheepsuitrusting
1.Uitrusting als bedoeld in bijlage A.1 van richtlijn 96/98/EG mag
slechts aan boord worden geplaatst, indien zij:
a. is voorzien van het in bijlage D van richtlijn 96/98/EG
weergegeven merk van overeenstemming, of
b. vergezeld gaat van een certificaat van gelijkwaardigheid of
een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in de
artikelen 20 en 21 van de Wet scheepsuitrusting.
2.Gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van
gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving is
afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het
desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen.
3.Indien een schip zich in een haven buiten de Europese Unie
bevindt en het vanuit het oogpunt van tijd, vertraging en kosten
redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen
waarvoor overeenkomstig richtlijn 96/98/EG een EG-typegoedkeuring is
verleend, mogen noodzakelijke vervangingen van uitrusting in afwijking
van het eerste lid geschieden door het aan boord plaatsen van niet
overeenkomstig richtlijn 96/98/EG goedgekeurde uitrusting, mits
daarbij wordt voldaan aan de in artikel 16, eerste en tweede lid, van
die richtlijn genoemde voorwaarden.
Artikel 34. Nationale typegoedkeuringen voor scheepsuitrusting
1.Uitrusting, niet zijnde uitrusting als bedoeld in bijlage A.1 van
richtlijn 96/98/EG, is van een door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.
2.Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan in afwijking van
artikel 33 toestaan dat aan boord van bepaalde categorieën schepen,
niet zijnde schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat
als bedoeld in artikel 5 van het besluit benodigd is, uitrusting wordt
geplaatst die niet aan de prestatie- en beproevingsnormen uit bijlage
A.1 van richtlijn 96/98/EG voldoet, en voor die uitrusting een
typegoedkeuring verlenen, mits zulks zonder gevaar voor die schepen en
hun opvarenden mogelijk is.
3.Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste of tweede lid
kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de
desbetreffende uitrusting worden verbonden.
Artikel 35. Europese typegoedkeuringen voor R&TTE-apparatuur
In afwijking van de artikelen 33 en 34, eerste lid, mag aan boord van
vrachtschepen van minder dan 150 GT waarmee internationale reizen worden
ondernomen, en vrachtschepen van minder dan 300 GT waarmee nationale
reizen worden ondernomen, tevens apparatuur worden geplaatst die is
voorzien van het in bijlage VII van richtlijn 1999/5/EG bedoelde
CE-overeenstemmingsmerkteken voor radioapparatuur en
telecommunicatie-eindapparatuur, mits die apparatuur zodanig is
ontworpen dat haar correcte werking in een maritieme omgeving is
gegarandeerd.
Artikel 36. Wederzijdse erkenning
Met een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verleende
typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een daaraan gelijkwaardige
typegoedkeuring, verleend door of vanwege een andere lidstaat van de
Europese Unie, dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de
Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Artikel 37. Vrijwaringsclausule
1.Indien ten aanzien van uitrusting die is voorzien van het merk
van overeenstemming, bedoeld in bijlage D van richtlijn 96/98/EG,
toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de Wet
scheepsuitrusting, neemt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
passende voorlopige maatregelen om te voorkomen dat die uitrusting aan
boord van schepen wordt geplaatst of gebruikt. Zonodig verbiedt hij de
plaatsing of het gebruik aan boord van schepen.
2.Artikel 23, tweede lid, van de Wet scheepsuitrusting is van
overeenkomstige toepassing.
§ 4. Vrijstellingen
Artikel 37a. Vrijstelling voor bepaalde schepen ten aanzien van het
standaard en reserve magnetisch kompas en kompaspeiltoestel
1. Op schepen van minder dan 150 GT die nationale of internationale
reizen maken en schepen van minder dan 500 GT die nationale reizen
maken, zijn het standaard magnetisch kompas en het kompaspeiltoestel
of hun alternatieve voorziening vrijgesteld van de eis onafhankelijk
te zijn van elke elektrische krachtbron opgenomen in voorschrift
19.2.1.1, onderscheidenlijk 19.2.1.2 van hoofdstuk V van het
SOLAS-verdrag, mits deze voorzieningen ten minste onafhankelijk zijn
van de elektrische hoofdkrachtbron.
2. Schepen van 150 GT of meer, doch minder dan 500 GT, die
nationale reizen maken, zijn vrijgesteld van de eis voorzien te zijn
van een reserve magnetisch kompas opgenomen in voorschrift 19.2.2.1
van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, mits een tweede kompas vast is
opgesteld.
Artikel 37b. Vrijstellingen voor schepen als bedoeld in artikel 3a,
eerste lid, onderdeel a
Schepen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, onderdeel a, zijn
vrijgesteld van de eisen van de volgende voorschriften van het
SOLAS-verdrag:
a. met betrekking tot Hoofdstuk II-1:
1°. voorschrift 3-2;
2°. het hebben van de machinekamertelegraaf opgenomen in
voorschrift 37;
3°. de tijdsduur van 18 uur als bedoeld in de voorschriften
43.2.2, 43.2.3 en 43.2.4, mits gedurende ten minste 6 uur
genoemde ruimten en voorzieningen van energie kunnen worden
voorzien;
4°. voorschrift 43.2.5, 43.2.6.1 en 43.2.6.2;
5°. voorschrift 43.3.1.2 en 43.3.1.3;
6°. voorschrift 43.3.3, 43.3.4 en 43.4;
b. met betrekking tot Hoofdstuk II-2:
1°. voorschrift 10.2.2.3.3;
2°. voorschrift 10.2.3.3.3, mits is voorzien in een
straalpijp waarmee de in voorschrift 10.2.1.6 genoemde druk kan
worden gehandhaafd en een straal water, waarbij slechts gebruik
wordt gemaakt van één slanglengte;
3°. voorschrift 10.10, mits ten minste één brandweerbijl
aanwezig is;
4°. voorschrift 13.3.4 en voorschrift 13.4.3;
c. met betrekking tot Hoofdstuk III:
1°. voorschrift 31.2 met betrekking tot het hebben van een
hulpverleningsboot, mits alternatieve voorzieningen zijn
getroffen om een drenkeling binnen 15 minuten horizontaal
binnenboord te brengen;
2°. voorschrift 32.1.1 met betrekking tot de verplichte
hoeveelheid reddingboeien aan boord, mits er niet minder dan 3
reddingboeien aan boord zijn waarvan ten minste 1 met lijn en 1
met licht.
Artikel 38. Verminderd vrijboord voor baggermaterieel
1.Dit artikel is van toepassing op baggermaterieel als bedoeld in
IMO-Circulaire nr. 2285: Richtlijnen voor de bouw en het gebruik van
baggermaterieel met verminderd vrijboord (Guidelines for the
Construction and Operation of Dredgers Assigned Reduced Freeboards;
DR-67).
2.Aan baggermaterieel van 500 GT of meer, gebouwd op of na 5
augustus 2000, dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde
richtlijnen, kan door de vaststelling van een baggerlastlijn een
verminderd vrijboord worden toegekend voor het laden, lossen en
vervoeren van bagger.
3.Aan de toekenning van het verminderde vrijboord kunnen
beperkingen met betrekking tot vaargebieden en vaarcondities worden
verbonden. Deze beperkingen worden vermeld op het internationaal
certificaat van vrijstelling betreffende de uitwatering of, indien
voor het schip een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, in
een aanhangsel bij dat certificaat.
Artikel 39. Vrijstellingen op grond van MODU-Codes, DSC-Code en
SPS-Codes (IMO)
Schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, van het besluit
benodigd is, zijn vrijgesteld van:
a. indien zij voldoen aan de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989,
de MODU-Code 2009 of de DSC-Code: de in de hoofdstukken II-1, II-2,
III en IV van het SOLAS-verdrag opgenomen eisen;
b. indien zij voldoen aan de SPS-Code of de SPS-Code 2008: de in
de SPS-Code onderscheidenlijk de SPS-Code 2008 aangegeven eisen van
het SOLAS-verdrag.
Artikel 39a. Vrijstellingen op grond van LY2-Code
Schepen van 500 GT of meer ten aanzien waarvan op grond van artikel
12a is gekozen voor de toepassing van de LY2-Code zijn vrijgesteld van
de in de hoofdstukken II-1, II-2, III en IV van het SOLAS-verdrag
opgenomen eisen, mits zij voldoen aan de LY2-Code.
Artikel 40. Sportvissersvaartuigen
1. Schepen die bedrijfsmatig worden gebruikt voor recreatieve
visserij met meer dan 12 passagiers, zijn, indien zij op 17 augustus
2000 waren voorzien van een op grond van het Schepenbesluit 1965
afgegeven geldig certificaat van deugdelijkheid, bij het ondernemen
van nationale reizen vrijgesteld van:
a. de stabiliteitseisen voor schepen in beschadigde toestand,
opgenomen in hoofdstuk II-1, deel B, van de bijlage bij richtlijn
2009/45/EG, mits ten minste wordt voldaan aan de stabiliteitseisen
voor schepen in onbeschadigde toestand, opgenomen in de IS-Code;
b. de eisen inzake constructieve brandbescherming, opgenomen in
hoofdstuk II-2 van de bijlage bij richtlijn 2009/45/EG, mits is
voldaan aan de voorwaarde dat in elk geval de verblijven voor
passagiers voldoen aan de eisen inzake constructieve
brandbescherming voor vrachtschepen uit bijlage IV van het
Schepenbesluit 1965, zoals die luidden op 31 december 2004, of aan
de voorwaarde dat de vluchtwegen uit die verblijven naar het open
dek voldoende breed zijn en korter dan vijf meter.
2. Aan de in het eerste lid bedoelde vrijstelling zijn de
navolgende beperkingen verbonden:
a. de vrijstelling geldt uitsluitend voor reizen in een
vaargebied van maximaal 35 mijl uit de Nederlandse kust;
b. met het schip mogen slechts reizen worden ondernomen bij
daglicht, bij een windkracht van ten hoogste 6 Beaufort en een
significante golfhoogte van ten hoogste 2 meter.
3. De vrijstelling geldt niet voor schepen met nachtaccommodatie
voor passagiers.
Artikel 41. Vrijstellingen schepen zonder middelen tot werktuiglijke
voortstuwing
Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke
voortstuwing zijn vrijgesteld van:
a. de eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag, met
uitzondering van voorschrift V/19.2.1.7;
b. de eisen van artikel 24, en
c. indien van toepassing: artikel 41, eerste lid, van het
besluit.
Artikel 41a. Vrijstellingen betreffende de veiligheid van navigatie
Wachtalarminstallaties op de brug, die voor 1 juli 2009 zijn
geplaatst, zijn vrijgesteld van de eisen van resolutie MSC.128(75) van
de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO, inhoudende
uitvoeringsnormen betreffende de wachtalarminstallatie op de brug
(Performance standards for a bridge navigational watch alarm system (BNWAS))
of daaraan gelijkwaardige uitvoeringsnormen.
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
Artikel 42. Vervoer van deklast hout (IMO)
1.Het vervoer van deklast hout aan boord van schepen met een lengte
van 24 meter of meer geschiedt met inachtneming van de in de
Houtvaartcode, met uitzondering van de bijlagen bij die Code,
opgenomen voorschriften.
2.Het vervoer van pakketten gebundeld hout op de luiken is
uitsluitend toegestaan, indien:
a. voorzieningen zijn aangebracht om het zijdelings verschuiven
van de onderste laag van de deklast te voorkomen;
b. de wijze van beladen van de sjorinrichting en de overige
onderdelen van de uitrusting voor de deklast door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.
3.De maximale hoogte van pakketten gebundeld hout die op de luiken
worden vervoerd, wordt in afwijking van voorschrift 3.2.1 van de
Houtvaartcode gemeten vanaf de bovenzijde van het luikhoofd.
4.De beproeving, markering en certificering van kettingen, gebruikt
bij het sjorren van deklast hout, bedoeld in voorschrift 4.5.1 van de
Houtvaartcode, geschiedt overeenkomstig de door het Nederlands
Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN-EN 818-2.
Artikel 43. Bevoegde autoriteiten IMSBC-Code (IMO)
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van de hoofdstukken
VI, deel Aen VII, deel A-1, van het SOLAS-verdrag toepasselijke
IMSBC-code, zijn:
a. met betrekking tot het vervoer van radioactieve stoffen in
vaste vorm in bulk, behorende tot klasse 7 van de IMSBC-Code: de
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
b. met betrekking tot het vervoer van overige stoffen als bedoeld
in de IMSBC-Code: de Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 44. Nadere regels betreffende het vastzetten van lading (IMO)
1.De Handleiding vastzetten lading, bedoeld in de voorschriften
VI/5.6 en VII/5 van het SOLAS-verdrag, voldoet aan de bij circulaire
MSC/Circ.745 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO
vastgestelde Richtlijnen voor het opstellen van de Handleiding
vastzetten lading (Guidelines for the preparation of the Cargo
Securing Manual).
2.Op schepen die zijn ingericht voor het vervoer van
standaardlading, mag worden volstaan met een verkorte versie van de
Handleiding vastzetten lading.
Artikel 45. Bevoegde autoriteiten IMDG-Code (IMO)
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van hoofdstuk VII,
deel A, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMDG-Code, zijn:
a. voor radioactieve stoffen in verpakte vorm, behorende tot
klasse 7 van de IMDG-Code: de Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie;
b. voor overige stoffen als bedoeld in de IMDG-Code: de Minister
van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 46. EmS-Gids (IMO)
1.Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld
in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een
Nederlandstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
2.Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het
SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in
afwijking van het eerste lid een Engelstalige uitgave van de EmS-Gids
aanwezig.
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 47. Voorschriften voor passagiersschepen in nationale vaart
(EU)
De kapitein van een passagiersschip waarvoor het
veiligheidscertificaat voor passagiersschepen behorend bij richtlijn
2009/45/EG benodigd is, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip
de in richtlijn 2009/45/EG opgenomen voorschriften en verplichtingen
worden nageleefd.
Artikel 48. Voorschriften voor bijzondere scheepstypen (IMO)
De kapitein van een schip waarvoor een certificaat, behorende bij de
MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de MODU-Code 2009, de DSC-Code, de
SPS-Code of de SPS-Code 2008, benodigd is, draagt er zorg voor dat aan
boord van het schip de in de desbetreffende Code opgenomen voorschriften
en verplichtingen worden nageleefd.
Artikel 49. Beheer medische uitrusting (EU)
1. De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige
medische uitrusting in goede staat verkeert en zo spoedig mogelijk
wordt aangevuld of vernieuwd, in ieder geval met voorrang tijdens de
normale bevoorradingsprocedures.
2. Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de
noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota niet
aan boord zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo
spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.
3. De kapitein inspecteert jaarlijks, met inachtneming van hetgeen
dienaangaande in bijlage 5 bij deze regeling is bepaald, de aan boord
van het schip aanwezige medische uitrusting.
4. Dit artikel is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen, met
dien verstande dat de in het eerste tot en met derde lid bedoelde
verplichtingen in dat geval op de schipper van het vaartuig rusten.
Artikel 50. Aantal en persoonsgegevens opvarenden (EU)
1.De kapitein van een passagiersschip draagt er zorg voor dat het
aantal opvarenden van het schip voor het vertrek uit de haven wordt
geteld, en dat dit aantal zowel aan hem als aan de in artikel 30
bedoelde passagiersregistratiebeambte of het in dat artikel bedoelde
passagiersregistratiesysteem wordt medegedeeld.
2.De kapitein van een passagiersschip waarmee een reis van meer dan
20 zeemijlen vanaf de plaats van vertrek wordt ondernomen, draagt er
tevens zorg voor dat voor het vertrek de navolgende gegevens worden
verzameld en uiterlijk 30 minuten na het vertrek aan de
passagiersregistratiebeambte of aan het passagiersregistratiesysteem
worden doorgegeven:
a. de achternamen van de opvarenden;
b. de voornamen of de initialen;
c. het geslacht;
d. de leeftijdscategorie (volwassene, kind of zuigeling)
waartoe de persoon behoort, dan wel leeftijd of geboortejaar;
e. door passagiers op eigen initiatief verstrekte informatie in
verband met behoefte aan speciale zorg of bijstand in
noodsituaties.
Artikel 51. Incidenten met gevaarlijke stoffen (IMO)
1.De kapitein van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld
in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, draagt er bij
een incident met die stoffen zorg voor dat de in de EmS-Gids opgenomen
procedures worden gevolgd.
2.Meldingen van incidenten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in
voorschrift VII/6 of VII/7-4 van het SOLAS-verdrag voldoen aan de bij
resolutie A.851(20) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen
Richtlijnen voor het rapporteren van incidenten met gevaarlijke,
schadelijke of milieuverontreinigende stoffen (Guidelines for
reporting incidents involving dangerous goods, harmful substances and/or
marine pollutants).
Artikel 52. Bijhouden dagboeken
De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken
worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op
grond van deze regeling toepasselijke Codes en richtlijnen is bepaald.
§ 2. Vrijstellingen
Artikel 53. Uitwatering van baggermaterieel met verminderd vrijboord
1.Baggerschepen waaraan krachtens artikel 38 een verminderd
vrijboord is toegekend, zijn tijdens het laden, lossen en vervoeren
van bagger vrijgesteld van de in het Uitwateringsverdrag opgenomen
verplichting om bij de uitwatering de toepasselijke seizoenslastlijnen
in acht te nemen, met dien verstande dat het schip geen geringer
vrijboord mag hebben dan volgens de voor dat schip vastgestelde
baggerlastlijn is toegestaan.
2.De kapitein van een schip als bedoeld in het eerste lid draagt er
zorg voor dat de in IMO-circulaire nr. 2285, bedoeld in artikel 38,
opgenomen voorschriften en de in voorkomend geval aan de toekenning
van het verminderde vrijboord verbonden beperkingen worden nageleefd.
Artikel 54. Beproeven van stuurinrichting op korte reizen (SOLAS)
Schepen waarmee geregeld korte reizen als bedoeld in voorschrift
III/3.22 van het SOLAS-verdrag worden ondernomen, zijn vrijgesteld van
de in voorschrift V/26 van dat verdrag opgenomen verplichting om
voorafgaand aan elke reis de stuurinrichting te beproeven, met dien
verstande dat de stuurinrichting ten minste eenmaal per week wordt
beproefd.
Artikel 55. Niet-werktuiglijk voortbewogen schepen
1.Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke
voortstuwing, zijn vrijgesteld van de voorschriften V/26 tot en met
V/28 van het SOLAS-verdrag.
2.De artikelen 64 van het besluit en 52 van deze regeling zijn niet
van toepassing op schepen als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Buitenlandse schepen in Nederlandse wateren
Artikel 56. Toepassingsbereik
1.Dit hoofdstuk is van toepassing op buitenlandse schepen als
bedoeld in de Wet buitenlandse schepen.
2.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ‘buitenlandse
schepen’ mede verstaan: daarmee op grond van de Wet buitenlandse
schepen gelijkgestelde schepen.
Artikel 57. Voorschriften met betrekking tot buitenlandse schepen
1.Artikel 9, aanhef en eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid,
van het besluit en de artikelen 4, eerste en tweede lid, 7, eerstelid,
7a, 9, 13, 19, 22, derde lid, 30, 47 en 50 zijn van overeenkomstige
toepassing op buitenlandse schepen, voorzover met die schepen reizen
worden ondernomen van of naar een Nederlandse haven, met dien
verstande dat artikel 50 wordt toegepast met inachtneming van artikel
6, tweede lid, van richtlijn 98/41/EG.
2.Voorts zijn op buitenlandse schepen de artikelen 40, eerste en
derde lid, en 61, eerste lid, van het besluit van overeenkomstige
toepassing, voorzover die artikelen betrekking hebben op de
voorschriften V/19.2.4 en V/20 van het SOLAS-verdrag.
Artikel 58. Handhaving
Een op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet buitenlandse
schepen aangewezen toezichthouder is bevoegd een buitenlands schip aan
te houden, indien:
a. het schip niet is voorzien van een ingevolge artikel 9, eerste
lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid, van het besluit,
artikel 4, eerste lid, 7, eerste lid of 7a benodigd certificaat;
b. de controles en onderzoeken, bedoeld in artikel 13, niet
tijdig hebben plaatsgevonden of indien uit die controles of
onderzoeken is gebleken dat niet aan de voorschriften, bedoeld in
richtlijn 1999/35/EG, wordt voldaan;
c. het schip of de bedrijfsvoering over het schip niet voldoet
aan de eisen, bedoeld in de artikelen 19, 22, derde lid, 30 en 57,
tweede lid;
d. aan boord van het schip de voorschriften of verplichtingen,
bedoeld in artikel 47 of 50, niet worden nageleefd.
Artikel 59. Strafbare feiten
Overtreding van de voorschriften, bedoeld in artikel 57, is een
strafbaar feit.
Hoofdstuk 6a. Schepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba
Artikel 59a
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘BES-schip’,onderscheidenlijk
‘BES-schepen’: een zeilschip, een werktuiglijk voortbewogen
vaartuig kleiner dan 50 m3 bruto inhoud, dat in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius of Saba thuishoort, of een werktuiglijk
voortbewogen vaartuig dat gebruikt wordt voor de vaart tussen de
landen en openbare lichamen van het Caraïbisch deel van het
Koninkrijk, zeegaande jachten daaronder niet begrepen.
2. Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op BES-schepen.
Artikel 59b
BES-schepen zijn voorzien van een certificaat van deugdelijkheid.
Artikel 59c
Een certificaat van deugdelijkheid wordt slechts afgegeven indien het
BES-schip en uitrusting voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. het BES-schip verkeert in zeewaardige toestand en is voorzien
van de nodige hulpmiddelen bij de navigatie, waaronder zeekaarten,
een goed bruikbaar kompas en middelen tot het geven van seinen, de
nodige middelen ter voorkoming van aanvaring, waaronder deugdelijke
navigatiemiddelen en middelen tot het geven van uitwijksignalen en
een deugdelijke stuurinrichting;
b. voor elke opvarende is tenminste één goedgekeurd zwemvest,
benevens kinderzwemvesten voor het aantal te vervoeren kinderen aan
boord;
c. ieder BES-schip heeft tenminste twee reddingboeien aan boord
waarvan één voorzien van een lijn met zelfontbrandend licht;
d. het BES-schip heeft, afhankelijk van de inrichting of lading,
de nodige brandblusmiddelen aan boord;
e. indien het BES-schip werktuiglijk wordt voortbewogen is
tenminste één goedgekeurd brandblusapparaat aan boord;
f. het BES-schip is uitgerust met goedwerkende middelen tot
lenspompen van het schip;
g. het BES-schip is voorzien van de nodige uitrusting, waaronder
voor zeilschepen voldoende bruikbare zeilen en touwwerk, alsmede de
nodige materialen en gereedschappen voor reparatie;
h. indien het BES-schip werktuiglijk wordt voortbewogen zijn de
nodige reserveonderdelen, materialen en gereedschappen voor het
uitvoeren van eenvoudige reparaties aan boord;
i. de voortstuwingswerktuigen van het BES-schip zijn geen
benzinemotoren.
Artikel 59d
1. Een BES-schip, uitgerust met een benzinemotor, heeft geen
benzineproducten van dezelfde of meerdere gevarenklasse als lading aan
boord.
2. Een BES-schip uitgerust met een benzinemotor vervoert geen
passagiers.
3. Indien een schip benzine of producten van dezelfde of meerdere
gevarenklasse als lading vervoert zijn er geen passagiers aan boord.
Artikel 59e
De geldigheidsduur van het certificaat van deugdelijkheid bedraagt
één jaar.
Artikel 59f
Overtreding van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 59b, 59c of
59d, is een strafbaar feit.
Artikel 59g
BES-schepen die niet buiten de onderstaande gebiedsbegrenzingen
worden gebracht zijn vrijgesteld van de verplichtingen van het besluit
en deze regeling:
a. Bonaire: het gebied, begrensd door de lijnen gaande van de
meest oostelijke punt van Bonaire (68-12'W) in de richting zuid tot
de parallel van 12-00' noorderbreedte, vandaar in de richting west
tot de meridiaan van 68-17' westerlengte, vandaar in de richting 327
naar een punt op 12-15' noorderbreedte en 68-27' westerlengte,
vandaar in de richting 022 naar een punt op 12-20' noorderbreedte en
68-25' westerlengte en vandaar in de richting van de vuurtoren Seroe
Ventana;
b. Sint Eustatius: het gebied, begrensd door de parallellen
17-27' en 17-33' noorderbreedte en de meridianen van 62-55' en
63-01' westerlengte;
c. Saba: het gebied, begrensd door de parallellen van 17-35' en
17-41' noorderbreedte en de meridiaan van 63-11' en 63-17'
westerlengte.
Artikel 59h
Certificaten van deugdelijkheid, afgegeven op grond van de
Landsverordening veiligheidsvoorschriften voor kleine schepen (P.B. 191,
no. 185, laatstelijk gewijzigd bij P.B. 1997, no. 251) gelden voor de
duur, aangegeven op het betreffende certificaat, als een certificaat van
deugdelijkheid als bedoeld in artikel 59b, onder toepassing van dit
hoofdstuk.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 60. Bekendmaking van Codes e.d.
Van de wijze van bekendmaking van de op grond van deze regeling
toepasselijke Codes, resoluties en circulaires van de IMO wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 61. Wijzigingen van Codes e.d.
1. Artikel 71, eerste tot en met derde lid, van het besluit is van
overeenkomstige toepassing op de ingevolge deze regeling toepasselijke
Codes, resoluties en circulaires van de IMO.
2. Ministeriële besluiten op grond van het eerste lid worden
bekendgemaakt in de Staatscourant.
Artikel 62. Wijzigingen van richtlijnen
1. Een wijziging van een op grond van deze regeling toepasselijke
richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang
van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet
zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
2. Uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
goedgekeurd type, waarop door een wijziging van bijlage A.1 van
richtlijn 96/98/EG de voorschriften van die richtlijn van toepassing
zijn geworden, mag in afwijking van artikel 33 nog gedurende een
termijn van twee jaar, gerekend vanaf de dag waarop aan de betrokken
wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, aan boord van
schepen worden geplaatst, mits zij voor die dag werd vervaardigd en
ook de typegoedkeuring voor die dag werd verleend.
Artikel 63. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005, met uitzondering
van de artikelen 4, derde lid, 5, tweede lid, en 6, tweede lid, die in
werking treden op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit
2004 in werking treedt.
Artikel 64. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veiligheid zeeschepen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd
bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.
Bijlagen niet opgenomen
|