| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Schepenwet
SCHEPENBESLUIT
2004
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 18 juni 2004, houdende regels met
betrekking tot de veiligheid en certificering van zeeschepen (Schepenbesluit
2004)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 maart
2004, nr. HDJZ/SCH/2004-541, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Gelet op het op 5 april 1966 te Londen tot
stand gekomen Verdrag betreffende de uitwatering van schepen (Trb.
1966, 275) en het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag
voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157), de
artikelen 3, 3a, 4, 6, 7 en 9 van de Schepenwet en artikel 38,
tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord
(advies van 17 mei 2004, nr. W09.04 0116/V/K);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 16 juni 2004, nr. HDJZ/SCH/2004-1392,
Hoofddirectie Juridische Zaken;
De bepalingen van het Statuut voor het
Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. de begrippen "schip»,
«passagiersschip», «vissersvaartuig», «kapitein» en
«eigenaar»: hetgeen daaronder in de Schepenwet wordt verstaan;
b. vrachtschip: een schip, niet zijnde een passagiersschip;
c. zeilschip: een schip dat is ontworpen en gebouwd om hoofdzakelijk
door middel van zeilen te worden voortbewogen;
d. GT: de maateenheid bruto-tonnage waarin de totale inhoud van een
schip, vastgesteld overeenkomstig het op 23 juni 1969 te Londen
totstandgekomen Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970,
122), wordt uitgedrukt;
e. lengte: de overeenkomstig het verdrag, genoemd in onderdeel d,
vastgestelde lengte van een schip;
f. internationale reis: een reis tussen twee verschillende landen,
waarbij een gebied voor welks buitenlandse betrekkingen een buiten dat
gebied zetelende regering verantwoordelijk is of waarvan de Verenigde
Naties het besturend lichaam zijn, mede als een afzonderlijk land wordt
aangemerkt;
g. nationale reis: een reis, niet zijnde een internationale reis;
h. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
i. Uitwateringsverdrag: het op 5 april 1966 te Londen totstandgekomen
Verdrag betreffende de uitwatering van schepen (Trb. 1966, 275) en de
bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;
j. Aanvaringsverdrag: het op 20 oktober 1972 te Londen
totstandgekomen Verdrag inzake Internationale Voorschriften ter
voorkoming van aanvaringen op zee (Trb. 1974, 51);
k. SOLAS-verdrag: het op 1 november 1974 te Londen totstandgekomen
Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en
de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en
bijlagen;
l. IMO: de Internationale Maritieme Organisatie van de Verenigde
Naties;
m. Maritieme Veiligheidscommissie: de gelijknamige commissie van de
IMO;
n. BCH-Code: de bij resolutie
MSC.9(53) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen Code voor de
bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk
vervoeren (Bulk Chemical Code);
o. GC-Code: de bij resolutie A.328(IX) van de Algemene vergadering
van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van schepen die
vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren (Gas Carrier Code);
p. Graancode: de bij resolutie MSC.23(59) van de Maritieme
Veiligheidscommissie aangenomen Internationale Code voor het veilig
vervoer van graan in bulk (International Grain Code);
q. HSC-Code 1994: de bij resolutie MSC.36(63) van de Maritieme
Veiligheidsheidscommissie aangenomen Internationale Code voor de
veiligheid van hogesnelheidsschepen (High-Speed Craft Code, 1994);
r. HSC-Code 2000: de bij resolutie MSC.97(73) van de Maritieme
Veiligheidsheidscommissie aangenomen Internationale Code voor de
veiligheid van hogesnelheidsschepen (High-Speed Craft Code, 2000);
s. IBC-Code: de bij resolutie
MSC.4(48) van de Maritieme Veiligheidscommissie aangenomen
Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die
gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (International Bulk Chemical
Code);
t. IGC-Code: de bij resolutie MSC.5(48) van de Maritieme
Veiligheidscommissie aangenomen Internationale Code voor de bouw en
uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren
(International Gas Carrier Code);
u. INF-Code: de bij resolutie MSC.88(71) van de Maritieme
Veiligheidscommissie aangenomen Internationale Code voor het veilig
vervoer in verpakte vorm van bestraalde splijtstoffen, plutonium en
hoog-radioactief afval aan boord van schepen (Irradiated Nuclear Fuel
Code);
v. ISM-Code: de bij resolutie A.741(18) van de Algemene Vergadering
van de IMO aangenomen Internationale Management Code voor
scheepsveiligheid en ter voorkoming van verontreiniging (International
Safety Management Code);
w. ISPS-Code: de bij resolutie 2 van de Conferentie van
verdragsluitende regeringen die partij zijn bij het SOLAS-verdrag op 12
december 2002 aangenomen Internationale Code voor de beveiliging van
schepen en havenfaciliteiten (International Ship and Port Facility
Security Code).
2. Voor de toepassing van de op grond van dit besluit
toepasselijke verdragen en Codes wordt, tenzij bij of krachtens dit
besluit anders is bepaald, verstaan onder Administratie: het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie.
3. Voor de toepassing van het besluit wordt met een
internationale reis gelijkgesteld een trans-Atlantische reis tussen
landen van het Koninkrijk of delen daarvan.
Artikel 2. Bouwdatum van een schip
1. Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop
de kiel van het schip is gelegd, danwel de dag waarop met inachtneming
van hetgeen dienaangaande in de op grond van dit besluit toepasselijke
verdragen of Codes is bepaald, een met de kiellegging vergelijkbaar
constructiestadium is bereikt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt als bouwdatum van een
schip dat een verbouwing tot een ander op grond van dit besluit
onderscheiden scheepstype heeft ondergaan, aangemerkt de dag waarop met
de verbouwing van het schip een aanvang is gemaakt.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de bij nieuwbouw of verbouwing van schepen
als bouwdatum aan te merken datum. Deze regels kunnen mede betrekking
hebben op de bij overschrijding van een bij die regeling te bepalen
termijn voor de afbouw van een schip of de voltooiing van een bepaalde
constructiefase als bouwdatum van een schip aan te merken datum.
Artikel 3. Vissersvaartuigen
Dit besluit is niet van toepassing op vissersvaartuigen, voorzover
die schepen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het vangen
van vis of andere levende rijkdommen van de zee.
Hoofdstuk 2. Certificaten en onderzoeken
§ 1. Benodigde certificaten
Artikel 4. Internationaal certificaat van uitwatering
Voor schepen met een lengte van 24 meter of meer waarmee
internationale reizen worden ondernomen, is een internationaal
certificaat van uitwatering als bedoeld in artikel 16 van het
Uitwateringsverdrag benodigd.
Artikel 5. Internationale veiligheidscertificaten (SOLAS)
1. Voor schepen waarmee internationale reizen worden
ondernomen, zijn de volgende in voorschrift I/12 van het SOLAS-verdrag
genoemde internationale veiligheidscertificaten benodigd:
a. voor passagiersschepen: het veiligheidscertificaat voor
passagiersschepen;
b. voor vrachtschepen van 500 GT of meer: het
veiligheidscertificaat voor vrachtschepen;
c. voor vrachtschepen van 300 GT of meer, doch minder dan 500 GT:
het radioveiligheidscertificaat voor vrachtschepen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op zeilschepen van
minder dan 500 GT, gebruikt voor het vervoer van ten hoogste 36
passagiers, en schepen die niet van middelen tot werktuiglijke
voortstuwing zijn voorzien.
3. Voor schepen waarop voorschrift II-2/19 van het SOLAS-verdrag
van toepassing is, is tevens het in dat voorschrift bedoelde
conformiteitsdocument voor het vervoer van gevaarlijke stoffen benodigd.
Artikel 6. Nationaal veiligheidscertificaat
1. Voor een schip waarvoor geen internationaal
veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel
a of b, benodigd is, is een bij regeling van Onze Minister vast te
stellen nationaal veiligheidscertificaat benodigd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vrachtschepen met een
lengte van minder dan 12 meter.
3. In afwijking van het tweede
lid kan voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bij
ministeriële regeling worden bepaald dat een nationaal
veiligheidscertificaat benodigd is voor daarbij aangewezen categorieën
vrachtschepen met een lengte van minder dan 12 meter.
Artikel 7. Veiligheidscertificaten voor hogesnelheidsschepen (SOLAS)
1. Voor een hogesnelheidsschip als
bedoeld in voorschrift X/1 van het SOLAS-verdrag ten aanzien waarvan op
grond van artikel 16, eerste lid, is gekozen voor toepassing van de
HSC-Code 1994 of de HSC-Code 2000, is het bij de desbetreffende Code
behorende veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsschepen benodigd,
alsmede de in die Code voorgeschreven exploitatievergunning.
2. Het in het eerste lid bedoelde veiligheidscertificaat en de in
dat lid bedoelde vergunning treden in de plaats van het ingevolge
artikel 5 of 6 benodigde veiligheidscertificaat.
Artikel 8. Certificaten voor schepen met bijzondere lading (SOLAS,
IMO)
1. Voor schepen waarmee internationale reizen worden
ondernomen, zijn in aanvulling op de overigens bij of krachtens dit
besluit vereiste certificaten tevens de volgende bijzondere
certificaten benodigd:
a. voor schepen die gestort graan als bedoeld in voorschrift VI/8
van het SOLAS-verdrag vervoeren: het document van machtiging,
behorende bij de Graancode;
b. voor chemicaliëntankschepen
als bedoeld in voorschrift VII/8 van het SOLAS-verdrag, gebouwd op of
na 1 juli 1986: het internationaal certificaat van geschiktheid voor
het vervoer van gevaarlijke chemicaliën in bulk, behorende bij de
IBC-Code;
c. voor chemicaliëntankschepen
als bedoeld in de BCH-Code, gebouwd voor 1 juli 1986: het certificaat
van geschiktheid voor het vervoer van gevaarlijke chemicaliën in bulk,
behorende bij de BCH-Code;
d. voor gastankschepen als bedoeld in voorschrift VII/11 van het
SOLAS-verdrag, gebouwd op of na 1 juli 1986: het internationaal
certificaat van geschiktheid voor het vervoer van vloeibaar gemaakte
gassen in bulk, behorende bij de IGC-Code;
e. voor gastankschepen als bedoeld in de GC-Code, gebouwd voor 1 juli
1986: het certificaat van geschiktheid voor het vervoer van vloeibaar
gemaakte gassen in bulk, behorende bij de GC-Code;
f. voor schepen, gebruikt voor het vervoer in verpakte vorm van
bestraalde splijtstoffen, plutonium of hoog-radioactief afval als
bedoeld in voorschrift VII/14 van het SOLAS-verdrag: het
conformiteitsdocument, behorende bij de INF-Code.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op schepen
waarmee nationale reizen worden ondernomen.
Artikel 9. Veiligheidsmanagement- en scheepsbeveiligingscertificaat (SOLAS)
1. Voor een schip waarvoor een veiligheidscertificaat voor
passagiersschepen, een veiligheidscertificaat voor vrachtschepen of,
indien het een schip betreft waarmee internationale reizen worden
ondernomen, een veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsschepen
benodigd is, zijn tevens de volgende certificaten benodigd:
a. het veiligheidsmanagementcertificaat, behorende bij de ISM-Code;
b. het internationaal scheepsbeveiligingscertificaat, behorende bij
de ISPS-Code.
2. Voor de exploitatie van een schip als bedoeld in het eerste
lid is een op het desbetreffende type schip betrekking hebbend
conformiteitsdocument, behorend bij de ISM-Code, benodigd. Van dit
document is aan boord van het schip een afschrift aanwezig.
Artikel 10. Bij certificaten behorende uitrustingsrapporten,
aanhangsels e.d.
De in de artikelen 4 tot en met 8 bedoelde certificaten gaan
vergezeld van de bij die certificaten behorende uitrustingsrapporten en
aanhangsels, alsmede van de in de desbetreffende verdragen of Codes
voorgeschreven stabiliteitsgegevens of andere gegevens met betrekking
tot schip of lading.
Artikel 11. Certificaat van vrijstelling (SOLAS, Uitwateringsverdrag)
1. Een internationaal certificaat van uitwatering dat is
afgegeven met inachtneming van een op grond van artikel 5 van de
Schepenwet verleende vrijstelling of ontheffing, gaat vergezeld van
een internationaal certificaat van vrijstelling betreffende de
uitwatering als bedoeld in artikel 16 van het Uitwateringsverdrag.
2. Certificaten als bedoeld in artikel 5 die zijn afgegeven met
inachtneming van een op grond van artikel 5 van de Schepenwet verleende
vrijstelling of ontheffing, gaan vergezeld van een certificaat van
vrijstelling als bedoeld in voorschrift I/12 van het SOLAS-verdrag.
Artikel 12. Overige certificaten
1. Bij regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat voor
schepen met bijzondere eigenschappen of bestemd voor bijzondere
doeleinden of vaargebieden, een bijzonder certificaat benodigd is. In
de regeling kan worden bepaald dat dit certificaat in de plaats treedt
van het nationaal veiligheidscertificaat.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen aanvullende regels
worden gesteld met betrekking tot de voor het vervoer van lading of de
bedrijfsvoering over schepen benodigde certificaten.
§ 2. Onderzoeken
Artikel 13. Onderzoeken op grond van het Uitwateringsverdrag
Een schip waarvoor een internationaal certificaat van uitwatering
benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de
geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in artikel 14, eerste lid,
van het Uitwateringsverdrag voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 14. Onderzoeken i.v.m. internationale veiligheidscertificaten
(SOLAS)
1. Een schip waarvoor een veiligheidscertificaat voor
passagiersschepen benodigd is, wordt ter verkrijging van dat
certificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de
in voorschrift I/7 van het SOLAS-verdrag voorgeschreven onderzoeken.
2. Een schip waarvoor een veiligheidscertificaat voor
vrachtschepen benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en
tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de
voorschriften I/8 tot en met I/10 van het SOLAS-verdrag voorgeschreven
onderzoeken.
3. Een schip waarvoor een radioveiligheidscertificaat voor
vrachtschepen benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en
tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in voorschrift I/9
van het SOLAS-verdrag voorgeschreven onderzoeken.
4. Bulkcarriers en olietankschepen als bedoeld in voorschrift
IX/1, onderscheidenlijk voorschrift II-1/2, van het SOLAS-verdrag worden
bij de onderzoeken, bedoeld in het tweede lid, tevens onderworpen aan
het uitgebreid inspectieprogramma, bedoeld in voorschrift XI-1/2 van dat
verdrag.
Artikel 15. Onderzoeken in verband met nationaal
veiligheidscertificaat
1. De voorschriften I/8 tot en met I/10 van het SOLAS-verdrag
zijn, met uitzondering van de bepalingen betreffende jaarlijkse
onderzoeken, van overeenkomstige toepassing op schepen waarvoor een
nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, met uitzondering van
vrachtschepen met een lengte van minder dan 24 meter.
2. De onderzoeken waaraan een vrachtschip in verband met het
nationaal veiligheidscertificaat wordt onderworpen, hebben, indien voor
het schip tevens een radioveiligheidscertificaat benodigd is, geen
betrekking op de eisen betreffende de radio-uitrusting van het schip.
3. Schepen als bedoeld in het eerste lid waarmee nationale reizen
worden ondernomen, worden tevens onderworpen aan onderzoeken betreffende
hun uitwatering. Artikel 14, eerste lid, van het Uitwateringsverdrag is
van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen
betreffende jaarlijkse onderzoeken.
4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de onderzoeken waaraan vrachtschepen met een lengte van
minder dan 24 meter in verband met het nationaal veiligheidscertificaat
worden onderworpen.
Artikel 16. Onderzoeken van hogesnelheidsschepen (SOLAS)
1. De eigenaar van een hogesnelheidsschip als bedoeld in
voorschrift X/1 van het SOLAS-verdrag kan er voor kiezen om dat schip
te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van:
a. voor een schip, gebouwd voor 1 juli 2002: de HSC-Code 1994;
b. voor een schip, gebouwd op of na 1 juli 2002: de HSC-Code 2000.
2. Indien ten aanzien van een hogesnelheidsschip is gekozen voor
toepassing van de HSC-Code 1994 of de HSC-Code 2000, treden de in de
desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in
artikel 14 of 15 bedoelde onderzoeken.
Artikel 17. Onderzoeken van schepen met bijzondere lading (SOLAS, IMO)
Een schip waarvoor een certificaat behorende bij een in artikel 8
genoemde Code benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en
tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de
desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 18. Onderzoeken van het veiligheidsmanagement (SOLAS)
1. Een schip waarvoor een veiligheidsmanagementcertificaat
benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de
geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de ISM-Code
voorgeschreven onderzoeken.
2. De bedrijfsorganisatie van de eigenaar van een schip als
bedoeld in het eerste lid, wordt ter verkrijging van het
conformiteitsdocument, bedoeld in artikel 9, tweede lid, en tijdens de
geldigheidsduur van datdocument onderworpen aan de in de ISM-Code
voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 19. Onderzoeken in verband met de beveiliging (SOLAS)
Een schip waarvoor een internationaal scheepsbeveiligingscertificaat
benodigd is, wordt ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de
geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de ISPS-Code
voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 20. Tijdstippen van onderzoek
1. De in de artikelen 13 tot en met 17 en 19 bedoelde
onderzoeken vinden plaats op de in de desbetreffende verdragen en
Codes voorgeschreven tijdstippen, met dien verstande dat het
hernieuwde onderzoek waaraan een schip in verband met de vernieuwing
van een certificaat wordt onderworpen, steeds plaatsvindt in de
laatste drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende
certificaat.
2. De in artikel 18 bedoelde onderzoeken vinden plaats op de in
de ISM-Code voorgeschreven tijdstippen, met dien verstande dat:
a. het eerste onderzoek waaraan een schip in verband met de eerste
afgifte van een veiligheidsmanagementcertificaat wordt onderworpen,
plaatsvindt nadat het door de ISM-Code voorgeschreven
veiligheidsmanagementsysteem gedurende ten minste drie maanden aan
boord van dat schip is toegepast;
b. het eerste onderzoek waaraan
een bedrijfsorganisatie in verband met de eerste afgifte van het
conformiteitsdocument, bedoeld in artikel 9, tweede lid, wordt
onderworpen, plaatsvindt nadat het door de ISM-Code voorgeschreven
veiligheidsmanagementsysteem gedurende ten minste drie maanden in die
organisatie, alsmede aan boord van ten minste één schip van het type
waarop het systeem betrekking heeft, is toegepast.
Artikel 21. Aantekening van onderzoeken
Van de onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 13 tot en
met 19 tijdens de geldigheidsduur van een certificaat wordt onderworpen,
wordt door degene die het onderzoek heeft verricht, aantekening
geplaatst op het certificaat.
Artikel 22. Overige onderzoeken
1. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de onderzoeken waaraan schepen in verband met een
krachtens artikel 12 vereist certificaat worden onderworpen.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de onderzoeken waaraan schepen waarvoor een
certificaat als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 9 benodigd is,
worden onderworpen.
Artikel 23. Aanwijzing natuurlijke personen of rechtspersonen
1. Onze Minister wijst de natuurlijke personen en
rechtspersonen aan die zijn belast met door hem aan te geven, in het
kader van de in de artikelen 13 tot en met 19 en 22 bedoelde
onderzoeken te verrichten taken.
2. Een ingevolge het eerste lid aangewezen natuurlijke persoon of
rechtspersoon is, indien bij een onderzoek gebreken aan het schip of
zijn uitrusting worden geconstateerd, bevoegd om herstel van deze
gebreken te vorderen.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze waarop de ingevolge het eerste lid
aangewezen natuurlijke personen en rechtspersonen hun taken uitoefenen.
Artikel 24. Handhaving toestand na onderzoek
1. Nadat een bij of krachtens dit besluit voorgeschreven
onderzoek is voltooid, wordt de toestand van het schip en zijn
uitrusting gehandhaafd in overeenstemming met de bij of krachtens dit
besluit gestelde regels. In deze toestand wordt geen verandering
aangebracht zonder voorafgaande toestemming van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie of van de ingevolge artikel 23, eerste lid,
aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon die het onderzoek
heeft uitgevoerd.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de ter
voldoening aan de ISPS-Code of ter uitvoering van het in die Code
voorgeschreven scheepsbeveiligingsplan getroffen
beveiligingsmaatregelen.
§ 3. Afgifte en geldigheid van certificaten
Artikel 25. Aanvraag van certificaten
1. De aanvraag van een bij of krachtens
dit besluit vereist certificaat geschiedt schriftelijk bij het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de bij de aanvraag van een certificaat te verstrekken
gegevens en te overleggen bescheiden.
Artikel 26. Afgifte veiligheids- en veiligheidsmanagementcertificaten
1. Een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, een
veiligheidscertificaat voor vrachtschepen of, indien het een schip
betreft waarmee internationale reizen worden ondernomen, een
veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsschepen wordt slechts
afgegeven, indien voor het desbetreffende schip een
veiligheidsmanagementcertificaat is afgegeven.
2. Een veiligheidsmanagementcertificaat wordt slechts afgegeven,
indien de eigenaar van het schip voor dat type schip beschikt over een
conformiteitsdocument als bedoeld in artikel 9, tweede lid.
Artikel 27. Voorlopige certificering van het veiligheidsmanagement
1. Voor een schip dat door zijn eigenaar voor het eerst in
gebruik wordt genomen, kan voorafgaande aan het in artikel 20, tweede
lid, onderdeel a, bedoelde onderzoek een voorlopig
veiligheidsmanagementcertificaat met een geldigheidsduur van ten
hoogste zes maanden worden afgegeven, indien aan de in de ISM-Code
gestelde voorwaarden voor de afgifte van een voorlopig certificaat is
voldaan.
2. Ten behoeve van een nieuw gevestigde eigenaar of een eigenaar
die een nieuw scheepstype in gebruik neemt, kan voorafgaande aan het in
artikel 20, tweede lid, onderdeel b, bedoelde onderzoek een voorlopig
conformiteitsdocument met een geldigheidsduur van ten hoogste twaalf
maanden worden afgegeven, indien aan de in de ISM-Code gestelde
voorwaarden voor de afgifte van een voorlopig conformiteitsdocument is
voldaan.
Artikel 28. Voorlopige certificering van de scheepsbeveiliging
1. Voor een schip dat door zijn eigenaar voor het eerst of
opnieuw in gebruik wordt genomen, kan een voorlopig internationaal
scheepsbeveiligingscertificaat met een geldigheidsduur van ten hoogste
zes maanden worden afgegeven, indien aan de in de ISPS-Code gestelde
voorwaarden voor de afgifte van een voorlopig certificaat is voldaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op schepen
die voor het eerst of opnieuw onder de vlag van het Koninkrijk in
gebruik worden genomen.
Artikel 29. Geldigheidsduur van certificaten
1. Het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen en, indien
afgegeven voor een passagiersschip, het veiligheidscertificaat voor
hogesnelheidsschepen hebben een geldigheidsduur van een jaar. De
overige in de artikelen 4 tot en met 9 genoemde certificaten hebben,
evenals veiligheidscertificaten voor hogesnelheidsschepen die zijn
afgegeven voor vrachtschepen, een geldigheidsduur van vijf jaren.
2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan certificaten afgeven
met een kortere geldigheidsduur dan in het eerste lid bepaald, indien
nog niet alle onderzoeken naar zijn genoegen zijn voltooid, of indien
hij nog niet over alle door hem gevraagde gegevens over het schip
beschikt.
3. De geldigheidsduur van een certificaat van vrijstelling als
bedoeld in artikel 11, eerste of tweede lid, is niet langer dan de
geldigheidsduur van het certificaat waarbij het behoort.
Artikel 30. Vernieuwing van certificaten
Na voltooiing van een hernieuwd onderzoek in verband met de
vernieuwing van een certificaat is het nieuwe certificaat, in afwijking
van artikel 29, eerste lid, geldig vanaf de datum van voltooiing van het
desbetreffende onderzoek tot:
a. indien het een veiligheidscertificaat voor passagiersschepen
of een veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsschepen, afgegeven
voor een passagiersschip, betreft: een datum niet later dan twaalf
maanden na de vervaldatum van het bestaande certificaat;
b. voor de overige in de artikelen 4 tot en met 9 genoemde
certificaten: een datum niet later dan vijf jaren na de vervaldatum
van het bestaande certificaat.
Artikel 31. Bijzondere verlengingen van de geldigheidsduur
1. Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat
zijn geldigheid verliest, niet in een haven bevindt waar een hernieuwd
onderzoek kan plaatsvinden, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
de geldigheidsduur van het certificaat met ten hoogste drie maanden
verlengen ten einde het schip in staat te stellen zijn reis naar de
haven waar het zal worden onderzocht, te voltooien. Het schip verlaat
die haven vervolgens niet zonder nieuw certificaat.
2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de geldigheidsduur
van een certificaat dat is afgegeven ten behoeve van een schip dat korte
reizen maakt, met ten hoogste een maand verlengen.
3. In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt na
de voltooiing van het hernieuwde onderzoek de geldigheidsduur van het
nieuwe certificaat bepaald aan de hand van de oorspronkelijke
vervaldatum van het bestaande certificaat.
4. Indien na de voltooiing van een hernieuwd onderzoek het nieuwe
certificaat niet voor de vervaldatum van het bestaande certificaat kan
worden afgegeven of aan het schip kan worden verstrekt, kan degene die
het onderzoek heeft uitgevoerd daarvan een aantekening plaatsen op het
bestaande certificaat. In dat geval wordt het bestaande certificaat nog
als geldig aangemerkt voor een tijdvak van ten hoogste vijf maanden na
zijn vervaldatum.
Artikel 32. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking
tot de geldigheidsduur van de krachtens artikel 12 vereiste certificaten
en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
geldigheidsduur van de in de artikelen 4 tot en met 9 en 11 bedoelde
certificaten.
Artikel 33. Weigering afgifte certificaten
In Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt de weigering van een
certificaat schriftelijk en gemotiveerd gegeven en bekendgemaakt door
toezending of uitreiking aan de belanghebbende.
Artikel 34. Verval van certificaten
1. Indien een schip door zijn eigenaar
wordt onttrokken aan zijn algemene bestemming als passagiersschip of
vrachtschip, vervallen de voor dat schip afgegeven certificaten.
2. Indien een schip door zijn eigenaar wordt onttrokken aan een
bijzondere bestemming die het had ten tijde van de afgifte van de voor
dat schip benodigde certificaten, doch zijn algemene bestemming als
passagiersschip of vrachtschip behoudt, vervallen de in verband met die
bijzondere bestemming afgegeven certificaten.
Artikel 35. Herstel van vervallen certificaten
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de geldigheid van een
certificaat dat ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de
Schepenwet is vervallen, herstellen, indien naar zijn mening bij een
inspectie voldoende is gebleken dat het schip voldoet aan de
desbetreffende eisen.
Hoofdstuk 3. Eisen aan schip en bedrijfsvoering
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 36. Aanwijzing klassenbureaus
Onze Minister wijst de instanties aan waarvan de regels kunnen gelden
als eisen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de Schepenwet.
Artikel 37. Klassenregels
1. Voordat een schip in verband met de eerste afgifte van een
bij of krachtens dit besluit voorgeschreven certificaat aan een eerste
onderzoek wordt onderworpen, kiest de eigenaar of de bouwer van dat
schip voor de regels van een ingevolge artikel 36 aangewezen
instantie.
2. Een schip wordt ontworpen, gebouwd en onderhouden volgens de
scheepsbouwkundige, werktuigkundige en elektrotechnische regels van de
in het eerste lid bedoelde instantie, voorzover die regels niet in
strijd zijn met de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
3. Een schip is uitgerust met de middelen die voor dat schip zijn
voorgeschreven volgens de uitrustingsregels van de in het eerste lid
bedoelde instantie, voorzover die regels niet in strijd zijn met de bij
of krachtens dit besluit gestelde regels.
Artikel 38. Scheepsidentificatienummer en scheepsgegevens (SOLAS)
1. Passagiersschepen van 100 GT of meer en vrachtschepen van
300 GT of meer zijn voorzien van een uniek scheepsidentificatienummer
dat voldoet aan voorschrift XI-1/3 van het SOLAS-verdrag.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die niet zijn
voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, en schepen waarmee
uitsluitend nationale reizen worden ondernomen.
3. Aan boord van een schip waarvoor een veiligheidscertificaat
voor passagiersschepen, een veiligheidscertificaat voor vrachtschepen
of, indien het een schip betreft waarmee internationale reizen worden
ondernomen, een veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsschepen
benodigd is, is een overzichtsdocument met onder meer de eigendoms- en
registratiegegevens van het schip (Continuous Synopsis Record)
aanwezig, dat voldoet aan voorschrift XI-1/5 van het SOLAS-verdrag.
§ 2. Eisen aan schepen
Artikel 39. Eisen op grond van het Uitwateringsverdrag
Een schip waarvoor een internationaal certificaat van uitwatering
benodigd is, voldoet aan de op dat schip van toepassing zijnde eisen van
het Uitwateringsverdrag.
Artikel 40. Eisen i.v.m. internationale veiligheidscertificaten (SOLAS)
1. Een schip waarvoor een veiligheidscertificaat voor
passagiersschepen of een veiligheidscertificaat voor vrachtschepen
benodigd is, voldoet aan de op dat schip van toepassing zijnde eisen
van de hoofdstukken II-1, II-2, III, IV, V en XII van het
SOLAS-verdrag.
2. Een schip waarvoor een radioveiligheidscertificaat voor
vrachtschepen benodigd is, voldoet aan de op dat schip van toepassing
zijnde eisen van de hoofdstukken IV en, met betrekking tot de
radio-uitrusting aan boord van groepsreddingmiddelen, III van het
SOLAS-verdrag.
3. De eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag zijn, voorzover
door Onze Minister met inachtneming van voorschrift V/1 van het verdrag
niet anders is bepaald, eveneens van toepassing op schepen waarvoor geen
veiligheidscertificaat als bedoeld in het eerste lid benodigd is.
Artikel 41. Eisen in verband met nationaal veiligheidscertificaat
1. De eisen van de hoofdstukken II-1, II-2, III, IV en XII van
het SOLAS-verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op schepen
waarvoor een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, met
uitzondering van vrachtschepen met een lengte van minder dan 24 meter.
2. Voor de toepassing van de hoofdstukken II-1, II-2 en, met
uitzondering van de eisen betreffende de radio-uitrusting aan boord van
groepsreddingmiddelen, III wordt een vrachtschip van minder dan 500 GT
gelijkgesteld met een vrachtschip van 500 GT. Voor de toepassing van de
hoofdstukken IV en, met betrekking tot de radio-uitrusting aan boord van
groepsreddingmiddelen, III wordt een vrachtschip van minder dan 300 GT
gelijkgesteld met een vrachtschip van 300 GT.
3. Op een schip met een lengte van 24 meter of meer waarvoor een
nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, zijn, indien het een schip
betreft waarmee nationale reizen worden ondernomen, tevens de eisen van
het Uitwateringsverdrag van overeenkomstige toepassing.
4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met
betrekking tot de eisen die in verband met het nationaal
veiligheidscertificaat aan vrachtschepen met een lengte van minder dan
24 meter worden gesteld.
5. Een schip voldoet ter verkrijging van het nationaal
veiligheidscertificaat tevens aan de op dat schip van toepassing zijnde
eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Artikel 42. Eisen aan hogesnelheidsschepen (SOLAS)
1. Een hogesnelheidsschip ten aanzien waarvan op grond van
artikel 16, eerste lid, is gekozen voor toepassing van de HSC-Code
1994 of de HSC-Code 2000, voldoet aan de eisen van de desbetreffende
Code.
2. Een hogesnelheidsschip voldoet, met inachtneming van hetgeen
dienaangaande in voorschrift X/3 van het SOLAS-verdrag is bepaald, ter
verkrijging van het veiligheidscertificaat voor hogesnelheidsschepen
tevens aan de op dat schip van toepassing zijnde eisen van hoofdstuk V
van het SOLAS-verdrag.
Artikel 43. Eisen aan schepen met bijzondere lading (SOLAS, IMO)
Een schip waarvoor een certificaat behorende bij een in artikel 8
genoemde Code benodigd is, voldoet in aanvulling op de overigens bij of
krachtens dit besluit gestelde eisen tevens aan de eisen van de
desbetreffende Code.
Artikel 44. Eisen in verband met de beveiliging (SOLAS)
Een schip waarvoor een internationaal scheepsbeveiligingscertificaat
benodigd is, voldoet aan voorschrift XI-2/6 van het SOLAS-verdrag.
Artikel 45. Eisen op grond van het Aanvaringsverdrag
1. Elk schip is voorzien van de in de op dat schip
toepasselijke voorschriften van het Aanvaringsverdrag voorgeschreven
lichten, dagmerken en geluidseinen.
2. Schepen waarvoor een veiligheidscertificaat als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, 6 of 7, eerste lid, benodigd
is, voldoen ter verkrijging van dat certificaat tevens aan de in het
eerste lid bedoelde eisen.
Artikel 46. Nadere eisen
1. Bij regeling van Onze Minister worden de eisen vastgesteld
waaraan schepen in verband met een krachtens artikel 12 vereist
certificaat moeten voldoen.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen aanvullende eisen worden
vastgesteld voor schepen waarvoor een certificaat als bedoeld in de
artikelen 4 tot en met 9 benodigd is, alsmede nadere regels met
betrekking tot de in de artikelen 38 tot en met 45 bedoelde eisen.
Artikel 47. Gelijkwaardige voorzieningen
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, met inachtneming van
hetgeen dienaangaande in het desbetreffende verdrag of de desbetreffende
Code is bepaald, afwijking toestaan van de in de artikelen 39 tot en met
45 bedoelde eisen, indien aan boord van het schip een voorziening wordt
getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de in
het voorschrift waarvan wordt afgeweken, geëiste voorziening.
Artikel 48. Toelating van uitrusting, onderdelen en materialen
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de toelating en keuring van aan
boord van schepen te plaatsen uitrusting of in schepen toe te passen
onderdelen en materialen.
2. Onze Minister kan natuurlijke personen of rechtspersonen
aanwijzen die zijn belast met door hem aan te geven, in het kader van
het eerste lid te verrichten onderzoeken. Voorts kan hij natuurlijke
personen of rechtspersonen aanwijzen die zijn belast met onderzoeken of
ijking van aan boord van schepen aanwezige uitrusting.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze waarop de ingevolge het tweede lid
aangewezen natuurlijke personen en rechtspersonen hun taken uitoefenen.
§ 3. Eisen aan de bedrijfsvoering over schepen
Artikel 49. Veiligheidsmanagementsysteem (SOLAS)
1. De eigenaar van een schip waarvoor een
veiligheidsmanagementcertificaat benodigd is, draagt er in verband met
het voor de exploitatie van dat schip benodigde conformiteitsdocument,
behorend bij de ISM-Code, zorg voor dat in zijn bedrijfsorganisatie een
veiligheidsmanagementsysteem wordt ontwikkeld en toegepast, dat voldoet
aan de eisen van de ISM-Code.
2. Aan boord van een schip waarvoor een
veiligheidsmanagementcertificaat benodigd is, wordt het voor dat schip
ontwikkelde veiligheidsmanagementsysteem toegepast.
Artikel 50. Beveiliging van schepen (SOLAS)
1. De eigenaar van een schip waarvoor een internationaal
scheepsbeveiligingscertificaat benodigd is, draagt er zorg voor dat
met betrekking tot dat schip een scheepsbeveiligingsplan wordt
ontwikkeld en toegepast, dat voldoet aan de eisen van de ISPS-Code.
2. Voorts draagt de eigenaar er, met inachtneming van hetgeen
dienaangaande in de ISPS-Code is bepaald, zorg voor dat in zijn
bedrijfsorganisatie en aan boord van elk schip waarvoor een
internationaal beveiligingscertificaat benodigd is, een
beveiligingsfunctionaris is aangesteld, die is belast met de in de
ISPS-Code voorgeschreven taken.
3. Artikel 47 is van overeenkomstige toepassing op de ter
voldoening aan de ISPS-Code aan boord van schepen te treffen
beveiligingsmaatregelen.
Artikel 51. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de bedrijfsvoering over schepen waarvoor een op de
bedrijfsvoering betrekking hebbend certificaat als bedoeld in artikel
12, tweede lid, benodigd is, alsmede nadere regels met betrekking tot de
bedrijfsvoering over schepen als bedoeld in de artikelen 49 en 50.
Hoofdstuk 4. Vervoer van lading
§ 1. Vervoer van lading
Artikel 52. Algemene voorschriften (SOLAS)
Bij het vervoer van lading, niet zijnde gevaarlijke stoffen als
bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag, worden de algemene
voorschriften van hoofdstuk VI, deel A, van dat verdrag in acht genomen.
Artikel 53. Graan en andere gestorte ladingen (SOLAS)
1. Het vervoer van gestorte ladingen, niet zijnde gevaarlijke
stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag, geschiedt
met inachtneming van de in hoofdstuk VI, deel B, van dat verdrag
gegeven voorschriften.
2. In afwijking van het eerste lid geschiedt het vervoer van
gestort graan als omschreven in voorschrift VI/8 van het SOLAS-verdrag
met inachtneming van de in hoofdstuk VI, deel C, van dat verdrag gegeven
voorschriften.
3. Indien het vervoer geschiedt met een bulkschip als bedoeld in
voorschrift IX/1 van het SOLAS-verdrag, worden tevens de voorschriften
van hoofdstuk XII van dat verdrag in acht genomen.
Artikel 54. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het vervoer van lading, niet zijnde gevaarlijke
stoffen, alsmede nadere regels met betrekking tot de in de artikelen 52
en 53 bedoelde voorschriften.
§ 2. Vervoer van gevaarlijke stoffen
Artikel 55. Gevaarlijke stoffen in verpakte vorm (SOLAS)
1. Het vervoer van gevaarlijke stoffen in
verpakte vorm als bedoeld in voorschrift VII/1 van het SOLAS-verdrag is
uitsluitend toegestaan met inachtneming van de in hoofdstuk VII, deel A,
van dat verdrag gegeven voorschriften.
2. Het vervoer in verpakte vorm van bestraalde splijtstoffen,
plutonium of hoog-radioactief afval als bedoeld in voorschrift VII/14
van het SOLAS-verdrag, is bovendien uitsluitend toegestaan met een schip
waarvoor het conformiteitsdocument, behorende bij de INF-Code, is
afgegeven en met inachtneming van die in die Code opgenomen
voorschriften.
Artikel 56. Gevaarlijke stoffen in vaste vorm in bulk (SOLAS)
1. Het vervoer van gevaarlijke stoffen in vaste vorm in bulk
als bedoeld in voorschrift VII/7 van het SOLAS-verdrag, is uitsluitend
toegestaan met inachtneming van de in hoofdstuk VII, deel A-1, van dat
verdrag gegeven voorschriften.
2. Artikel 53, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 57. Gevaarlijke chemicaliën en vloeibare gassen (SOLAS, IMO)
1. Het vervoer in bulk van
chemicaliën als bedoeld in de IBC-Code met een schip, gebouwd op of
na 1 juli 1986, is uitsluitend toegestaan, indien voor dat schip een
internationaal certificaat van geschiktheid voor het vervoer van
gevaarlijke chemicaliën in bulk, behorende bij de IBC-Code, is
afgegeven en met inachtneming van de in die Code opgenomen
voorschriften.
2. Het vervoer in bulk van
chemicaliën als bedoeld in de BCH-Code met een schip, gebouwd voor 1
juli 1986, is uitsluitend toegestaan, indien voor dat schip een
certificaat van geschiktheid voor het vervoer van gevaarlijke
chemicaliën in bulk, behorende bij de BCH-Code, is afgegeven en met
inachtneming van de in die Code opgenomen voorschriften.
3. Het vervoer in bulk van vloeibaar
gemaakte gassen als bedoeld in de IGC-Code met een schip, gebouwd op of
na 1 juli 1986, is uitsluitend toegestaan, indien voor dat schip een
internationaal certificaat van geschiktheid voor het vervoer van
vloeibaar gemaakte gassen in bulk, behorende bij de IGC-Code, is
afgegeven en met inachtneming van de in die Code opgenomen
voorschriften.
4. Het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakte gassen als bedoeld
in de GC-Code met een schip, gebouwd voor 1 juli 1986, is uitsluitend
toegestaan, indien voor dat schip een certificaat van geschiktheid voor
het vervoer van vloeibaar gemaakte gassen in bulk, behorende bij de
GC-Code, is afgegeven en met inachtneming van de in die Code opgenomen
voorschriften.
Artikel 58. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen, alsmede nadere
regels met betrekking tot de in de artikelen 55 tot en met 57 bedoelde
voorschriften.
§ 3. Onderzoeken in verband met het vervoer van lading
Artikel 59. Aanwijzing natuurlijke personen of rechtspersonen
1. Onze Minister kan natuurlijke personen
of rechtspersonen aanwijzen die zijn belast met in het kader van de bij
of krachtens de artikelen 52 tot en met 58 gestelde regels te verrichten
onderzoeken van schepen en hun lading.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld
met betrekking tot de wijze waarop de ingevolge het eerste lid
aangewezen natuurlijke personen en rechtspersonen hun taken uitoefenen.
Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de kapitein
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 60. Voorschriften betreffende de uitwatering
1. De kapitein van een schip waarvoor een
internationaal certificaat van uitwatering benodigd is, draagt er met
inachtneming van hetgeen dienaangaande in het Uitwateringsverdrag is
bepaald, zorg voor dat het schip voorafgaande aan en gedurende een reis
geen geringer vrijboord heeft dan voor dat schip op die reis is
toegestaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op schepen
met een lengte van 24 meter of meer, waarvoor een nationaal
veiligheidscertificaat benodigd is en waarmee nationale reizen worden
ondernomen.
Artikel 61. Algemene voorschriften voor schepen (SOLAS)
1. De kapitein van elk schip waarmee een reis wordt ondernomen,
draagt er zorg voor dat voorafgaande aan de reis en gedurende de reis
de in hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag opgenomen voorschriften en
verplichtingen worden nageleefd.
2. Indien voor het schip een veiligheidscertificaat voor
passagiersschepen of een veiligheidscertificaat voor vrachtschepen
benodigd is, draagt de kapitein er tevens zorg voor dat aan boord van
het schip de in de hoofdstukken II-1 tot en met IV van het SOLAS-verdrag
opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
3. Indien voor het schip een radioveiligheidscertificaat voor
vrachtschepen benodigd is, draagt de kapitein er tevens zorg voor dat
aan boord van het schip de in hoofdstuk IV van het SOLAS-verdrag
opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op schepen
waarvoor een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, met
uitzondering van vrachtschepen met een lengte van minder dan 24 meter.
Artikel 62. Voorschriften voor hogesnelheidsschepen (SOLAS)
De kapitein van een schip waarvoor een veiligheidscertificaat,
behorende bij de HSC-Code 1994 of de HSC-Code 2000, benodigd is, draagt
er, onverminderd artikel 61, eerste lid, zorg voor dat aan boord van het
schip de in de desbetreffende Code opgenomen voorschriften en
verplichtingen worden nageleefd.
Artikel 63. Veiligheidsmanagement en scheepsbeveiliging (SOLAS)
1. De kapitein van een schip waarvoor een
veiligheidsmanagementcertificaat benodigd is, draagt er zorg voor dat
aan boord van het schip het in de ISM-Code voorgeschreven
veiligheidsmanagementsysteem wordt toegepast.
2. De kapitein van een schip waarvoor een internationaal
scheepsbeveiligingscertificaat benodigd is, draagt er zorg voor dat aan
boord van het schip het in de ISPS-Code voorgeschreven
scheepsbeveiligingsplan wordt toegepast en dat de uit hoofdstuk XI-2 van
het SOLAS-verdrag voortvloeiende voorschriften en verplichtingen worden
nageleefd.
3. De vaststelling van het beveiligingsniveau, bedoeld in
voorschrift XI-2/3.1 van het SOLAS-verdrag, geschiedt door:
a. voor in Nederland geregistreerde schepen: Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze
Ministers van Algemene Zaken en van Justitie;
b. voor in Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten geregistreerde schepen: de minster van
Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten belast met het
beleidsterrein scheepvaart.
Artikel 64. Bijhouden dagboeken
De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken
worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op
grond van dit besluit toepasselijke verdragen en Codes is bepaald.
Artikel 65. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de aan boord van een schip of de bij het ondernemen
van een reis door de kapitein in acht te nemen voorschriften en
verplichtingen.
§ 2. Bijzondere bepalingen
Artikel 66. Hulpverlening aan personen in nood (SOLAS)
1. De kapitein van een zich op zee
bevindend schip is, wanneer hem een melding of signaal bereikt dat een
of meer personen op zee in nood verkeren, verplicht om deze personen te
hulp te komen.
2. De kapitein is voorts verplicht gevolg te geven aan de
vordering van de kapitein van een in nood verkerend schip om diens schip
te hulp te komen.
3. Op de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichtingen zijn
de bepalingen van voorschrift V/33 van het SOLAS-verdrag van toepassing.
Artikel 67. Wijze van handelen bij schade
1. Indien een schip schade
heeft opgelopen of zich een voorval heeft voorgedaan waardoor het
vermoeden rijst dat schade of een gebrek is ontstaan waardoor de
veiligheid van het schip kan zijn beïnvloed, licht de kapitein zo
spoedig mogelijk het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in. Indien de
schade of het voorval betrekking heeft op de romp of de machine- en
elektrische installaties, licht de kapitein tevens de in artikel 37
bedoelde instantie in. Voorts licht hij, indien het schip zich in een
haven buiten het Koninkrijk bevindt, de ter
plaatse bevoegde autoriteiten in.
2. Indien het schip zich in een haven bevindt, mag de reis niet
worden voortgezet, voordat de kapitein van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie of van de in het eerste lid bedoelde instantie een
verklaring heeft ontvangen, inhoudende dat eventuele herstellingen naar
behoren zijn geschied of dat de reis zonder bezwaar voor de veiligheid
kan worden voortgezet, voorzover de ter plaatse bevoegde autoriteiten
zich niet tegen voortzetting van de reis verzetten.
Artikel 68. Marinebescheiden
1. De kapitein is verplicht de hem vanwege Onze Minister van
Defensie ter hand te stellen bescheiden te aanvaarden, van die
bescheiden kennis te nemen en de daarbij gegeven aanwijzingen op te
volgen. De kapitein bewaart de bescheiden op een doelmatige plaats.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op door
middel van elektronische gegevensdragers of langs elektronische weg
beschikbaar gestelde bescheiden.
Artikel 69. Gevallen van overmacht
1. Voorzover de bij of krachtens dit besluit gestelde regels
bij aanvang van een reis op een schip niet van toepassing zijn, zullen
zij, indien de kapitein ten gevolge van slecht weer of een ander geval
van overmacht genoodzaakt is van de voorgenomen reis af te wijken,
niet op dat schip van toepassing worden.
2. Voorzover het aantal opvarenden of passagiers aan boord van
een schip bepalend is voor de toepasselijkheid van bij of krachtens dit
besluit gestelde regels, wordt bij de berekening van dit aantal geen
rekening gehouden met personen die zich ten gevolge van overmacht of ten
gevolge van een wettelijke verplichting van de kapitein om
schipbreukelingen of andere personen over te voeren, aan boord bevinden.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 69a. Strafbaarstelling
Gedragingen in strijd met het bepaalde in de artikelen 61, 64, 66, 67
en 68 alsmede gedragingen in strijd met het bepaalde krachtens artikel
65 zijn strafbare feiten.
Artikel 70. Bekendmaking van Codes
1. Onze Minister draagt zorg voor de bekendmaking van de op
grond van dit besluit toepasselijke Codes, voor zover bekendmaking
daarvan niet geschiedt in het Tractatenblad.
2. Van de wijze van
bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant, de
Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de Landscourant van
Sint Maarten.
Artikel 71. Wijzigingen van verdragen en Codes
1. Een wijziging van de op grond van dit
besluit toepasselijke verdragen en Codes gaat, tenzij bij besluit van
Onze Minister anders is bepaald, voor de toepassing van dit besluit
gelden met ingang van de dag waarop die wijziging internationaal in
werking treedt.
2. Voorzover een wijziging als bedoeld in het eerste lid slechts
geldt ten aanzien van schepen gebouwd op of na een bepaalde datum,
blijft, tenzij bij besluit van Onze Minister anders is bepaald, op
schepen gebouwd voor die datum, het verdrag of de Code zoals dat,
onderscheidenlijk die, voor de desbetreffende wijziging luidde, van
toepassing, met inachtneming van hetgeen bij die wijziging, in het
gewijzigde verdrag of in de gewijzigde Code is bepaald omtrent de bij
herstellingen, verbouwingen en andere veranderingen in de toestand of
uitrusting van een schip toe te passen voorschriften.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
op de reeds voor de inwerkingtreding van dit besluit in werking getreden
wijzigingen van de in het eerste lid bedoelde verdragen en Codes.
4. Een besluit van Onze
Minister als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt bekendgemaakt in
de Staatscourant, de Landscourant van Aruba, de Curaçaose Courant en de
Landscourant van Sint Maarten.
Artikel 72. Overgangsbepalingen voor bestaande schepen
1. Artikel 4 is niet van toepassing op
schepen, gebouwd voor 21 juli 1968, met een bruto-inhoud van minder dan
150 bruto-registerton, vastgesteld overeenkomstig het op 10 juni 1947 te
Oslo totstandgekomen Verdrag nopens een eenvormig stelsel voor de meting
van zeeschepen (Stb. 1949, J 370; Trb. 1955, 52).
2. Voor schepen, gebouwd voor 18 juli 1982, waarvan de
bruto-inhoud is vastgesteld overeenkomstig het in het eerste lid
genoemde verdrag, wordt voor de toepassing van dit besluit de eenheid
bruto-registerton gelijkgesteld met de eenheid GT.
3. Voor schepen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, waarvoor op
grond van het Schepenbesluit 1965 een certificaat van deugdelijkheid is
afgegeven, gaat de in artikel 6 bedoelde verplichting eerst gelden op
het moment waarop het voor een schip afgegeven certificaat van
deugdelijkheid ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Schepenwet
vervalt. Tot dat moment blijven op het schip de bij of krachtens het
Schepenbesluit 1965 gestelde regels betreffende onderzoeken en eisen van
toepassing.
4. Op schepen, gebouwd voor de inwerkingtreding van dit besluit,
zijn de op grond van dit besluit uit het SOLAS-verdrag voortvloeiende
eisen, voorzover het schip daaraan niet reeds voldoet, slechts van
toepassing, voorzover dat praktisch uitvoerbaar en redelijk is. De bij
wijzigingen van het SOLAS-verdrag gebruikelijke overgangsbepalingen
betreffende de toepassing van nieuwe of gewijzigde voorschriften op
bestaande schepen zijn daarbij zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 73. Intrekking Schepenbesluit 1965
Het Schepenbesluit 1965 wordt ingetrokken op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan en voor verschillende categorieën van schepen
verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 74. Inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt ten aanzien van de
in de artikelen 9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 19, 38, 44, 50 en
63, tweede lid, bedoelde verplichtingen en de daarmee samenhangende
bepalingen in werking met ingang van 1 juli 2004 of, indien de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst na 30 juni 2004
ligt, met ingang van de dag na uitgifte van dat Staatsblad.
2. Voor het overige treedt dit
besluit in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip,
dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor
verschillende categorieën van schepen verschillend kan worden
vastgesteld.
Artikel 75. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Schepenbesluit 2004.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 18 juni 2004
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
Uitgegeven de dertigste juni 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|