Artikel
4.18. Voorzorgsmaatregelen tegen schok,
brand en andere gevaren van elektrische
oorsprong
| 1. |
| a. |
Onbeschermde
nagelvaste metalen delen
van elektrische machines
of uitrustingen, die niet
zijn bestemd om onder
spanning te staan, maar
ten gevolge van een defect
onder spanning kunnen
geraken, zijn geaard,
tenzij de machines of
uitrustingen:
| 1°. |
worden
gevoed met een
spanning niet
hoger dan
50 V
gelijkspanning
of 50 V
wisselspanning
tussen de
geleiders, met
dien verstande dat
spaartransformatoren
voor het
verkrijgen van de
genoemde
wisselspanning
niet mogen worden
gebruikt;
|
| 2°. |
worden
gevoed met een
spanning niet
hoger dan
250 V,
verkregen van een
beschermingstransformator
waarop slechts
één verbruiker
is aangesloten, of
|
| 3°. |
zijn
geconstrueerd
volgens het
principe van
dubbele isolatie.
|
|
| b. |
Draagbare
elektrische uitrusting
werkt bij een veilige
spanning, waarbij
onbeschermde metalen delen
van dergelijke uitrusting
die niet zijn bestemd om
onder spanning te staan,
maar ten gevolge van een
defect onder spanning
kunnen geraken, zijn
geaard. Bij ministeriële
regeling kunnen
aanvullende
voorzorgsmaatregelen
worden geëist voor
looplampen, gereedschap of
soortgelijke apparatuur
voor gebruik in besloten
of uitzonderlijk vochtige
ruimten waar bepaalde
risico's in verband met de
geleidbaarheid kunnen
optreden.
|
| c. |
Alle
elektrische toestellen
zijn zo geconstrueerd en
geïnstalleerd dat zij
geen letsel kunnen
veroorzaken wanneer ze op
de normale wijze worden
behandeld of aangeraakt.
|
|
| 2. |
Hoofd-
en noodschakelborden zijn zodanig
geplaatst en ingericht, dat zij
zonder gevaar voor het aanwezige
personeel gemakkelijk toegang
geven tot de apparatuur en verdere
uitrusting. De zijkanten en de
achterzijde en zo nodig de
voorzijde zijn doelmatig
beschermd. Aan de voorzijde van
deze schakelborden zijn geen
onbeschermde stroomvoerende delen
aangebracht waarvan de spanning
ten opzichte van aarde hoger is
dan 50 V. Waar nodig moeten
aan voor- en achterzijde matten of
roosters van
niet-elektrisch-geleidend
materiaal aanwezig zijn.
|
| 3. |
| a. |
Het
casco van een vaartuig met
een lengte van 75 m
of meer wordt niet
gebruikt als terugleider
voor kracht, verwarming of
verlichting.
|
| b. |
Het
bepaalde onder a is, onder
door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie
goedgekeurde
omstandigheden, niet van
toepassing op het gebruik
van:
| 1°. |
kathodische
beschermingen die
werken met
opgedrukte stroom,
|
| 2°. |
systemen
van beperkte
omvang die
plaatselijk zijn
geaard, of
|
| 3°. |
inrichtingen
voor controle van
de
isolatieweerstand
mits de stroom
onder de meest
ongunstige
omstandigheid niet
meer bedraagt dan
30 mA.
|
|
| c. |
Indien
het casco als terugleider
wordt gebruikt, zijn alle
eindgroepen, zijnde alle
stroomkringen achter de
laatste beveiliging,
dubbelpolig en zijn de
verbindingen met het casco
op toegankelijke plaatsen
tot stand gebracht,
zodanig dat zij
gemakkelijk kunnen worden
gecontroleerd en
losgemaakt voor het
verrichten van
isolatiemetingen.
|
|
| 4. |
| a. |
Indien
een niet-geaard primair of
secundair verdeelsysteem
wordt gebruikt voor
kracht, verwarming of
verlichting, is dit
voorzien van een middel
voor de voortdurende
controle van de
isolatieweerstand ten
opzichte van aarde.
|
| b. |
Indien
het verdeelsysteem in
overeenstemming is met het
bepaalde in het voorgaande
lid en een voltage wordt
toegepast dat hoger is dan
50 V gelijkspanning
of 50 V
wisselspanning tussen de
geleiders, is dit voorzien
van een middel voor de
voortdurende controle van
de isolatieweerstand ten
opzichte van aarde, dat
een hoorbare of zichtbare
aanwijzing geeft in geval
van een te lage
isolatieweerstand.
|
| c. |
Het
Hoofd van de
Scheepvaartinspectie kan
toestaan dat
verdeelsystemen die worden
gevoed met een voltage
niet hoger dan 250 V
gelijkstroom
of 250 V
wisselstroom tussen de
geleiders en waarop een
beperkt aantal verbruikers
zijn aangesloten,
overeenstemmen met het
bepaalde onder a.
|
|
| 5. |
| a. |
Behalve
daar waar het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie in
bijzondere omstandigheden
zulks anders toestaat,
zijn alle metalen
omhulsels en afschermingen
van kabels elektrisch
ononderbroken en geaard.
|
| b. |
Alle
elektrische kabels zijn
ten minste van het
brandvertragende type en
op zodanige wijze
aangebracht dat de
oorspronkelijke
brandvertragende
eigenschappen niet worden
aangetast. Indien
bijzondere omstandigheden
dit noodzakelijk maken,
kan het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie het
gebruik toestaan van
speciale kabeltypen, zoals
hoogfrequent kabels, die
niet voldoen aan het
voorafgaande.
|
| c. |
Kabels
of bedradingen ten behoeve
van essentiële of
noodkrachtinstallaties,
verlichting en interne
communicatie of
signaalinrichtingen zijn,
voorzover uitvoerbaar, op
zodanige wijze aangelegd
dat zij niet door
kombuizen, ruimten voor
machines van categorie A
als bedoeld in artikel
5.2, veertiende lid, en
andere ruimten met groot
brandrisico en wasserijen,
visverwerkingruimten en
andere ruimten met een
hoog vochtigheidsgehalte
lopen. Verbindingskabels
tussen brandbluspompen en
het noodschakelbord, die
door ruimten lopen met een
groot brandrisico, zijn
van het brandwerend type.
Waar mogelijk zijn al deze
kabels op zodanige wijze
gelegd dat buiten bedrijf
raken door opwarming van
schotten, veroorzaakt door
een brand in een
aangrenzende ruimte, wordt
voorkomen.
|
| d. |
Indien
er kabels zijn aangebracht
in ruimten waar brand of
een explosie kan plaats
vinden naar aanleiding van
een elektrische fout in
die ruimte, zijn er ten
genoegen van het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie
voorzorgsmaatregelen tegen
deze gevaren genomen.
|
| e. |
Elektrische
leidingen en bedrading
zijn zodanig aangebracht,
dat beschadiging door
schavielen of anderszins
wordt voorkomen.
|
| f. |
De
aansluitingen en
aftakkingen van elke
leiding zijn zodanig
uitgevoerd, dat de
oorspronkelijke
elektrische, mechanische,
brandvertragende en waar
nodig brandwerende
eigenschappen van de
leiding behouden blijven.
|
| g. |
Leidingen
die in koelruimten zijn
aangebracht zijn geschikt
voor gebruik bij lage
temperaturen en bij een
hoge vochtigheidsgraad.
|
|
| 6. |
| a. |
Iedere
afzonderlijke stroomkring
is tegen kortsluiting
beveiligd. Iedere
afzonderlijke stroomkring
is tevens tegen
overbelasting beveiligd,
uitgezonderd de
stroomkringen, bedoeld in
artikel 4.13.
|
| b. |
De
waarde of afstelling van
het overbelastingsrelais
voor elke stroomkring is
permanent aangegeven ter
plaatse van het
betreffende relais.
|
|
| 7. |
Verlichtingsarmaturen
zijn zodanig uitgevoerd, dat geen
temperatuurstijging kan ontstaan,
die schade aan de kabels en
bedrading kan veroorzaken of
waardoor omringend materiaal
uitzonderlijk warm kan worden.
|
| 8. |
Alle
stroomkringen voor verlichting en
krachtaansluitingen die uitkomen
in een ruimte waar gevaar voor
brand of explosie bestaat zijn
voorzien van schakelaars buiten
die ruimte.
|
| 9. |
| a. |
Behuizingen
waar
accumulatorenbatterijen
zijn opgesteld zijn ten
genoegen van het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie
geconstrueerd en
geventileerd.
|
| b. |
Elektrisch
en andere uitrusting die
een ontstekingsbron kunnen
vormen voor brandbare
dampen zijn niet
toegestaan, behalve als
dit volgens het bepaalde
in het tiende lid is
toegestaan.
|
| c. |
Een
accumulatorenbatterij mag
niet in
accommodatieruimten zijn
opgesteld, tenzij
hermetisch gesloten
batterijen worden
geïnstalleerd.
|
|
| 10. |
In
alle ruimten waar brandbare
gasmengsels zich kunnen verzamelen
en in elke ruimte, voornamelijk
bestemd voor een
accumulatorenbatterij, zijn geen
elektrische inrichtingen
aangebracht, tenzij het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie van
oordeel is dat deze:
| a. |
noodzakelijk
zijn vanwege
bedrijfstechnische
redenen,
|
| b. |
van
een soort zijn die het
betreffende mengsel niet
kan ontsteken,
|
| c. |
geschikt
zijn voor de betreffende
ruimte, en
|
| d. |
van
een goedgekeurd,
explosieveilig type zijn
voor gebruik daar waar
stof, dampen of gassen
aanwezig kunnen zijn.
|
|
| 11. |
Op
alle houten masten of topmasten
zijn bliksemafleiders aangebracht.
Op vaartuigen die van
niet-geleidende materialen zijn
vervaardigd, zijn de
bliksemafleiders door middel van
geschikte geleiders verbonden met
een koperen plaat die ruimschoots
onder de waterlijn van de romp van
het vaartuig is bevestigd.
|
§
4. Tijdelijk onbemande machinekamers
Artikel
4.19. Brandbeveiliging
| 1. |
Bijzondere aandacht
wordt gegeven aan de afscherming van hogedruk
brandstofleidingen. Waar praktisch uitvoerbaar worden lekkages
van deze leidingsystemen in een doelmatige afvoertank
opgevangen, die is voorzien van een hoogniveau-alarm.
|
| 2. |
Wanneer
brandstofdagtanks automatisch of door middel van
afstandsbediening worden gevuld, wordt een inrichting
aangebracht teneinde overlopen te voorkomen. Dit voorschrift is
eveneens van toepassing op andere inrichtingen voor de
automatische behandeling van brandbare vloeistoffen, met
inbegrip van brandstofcentrifuges, die zo mogelijk zijn
geïnstalleerd in een speciale ruimte voor centrifuges en hun
voorwarmers.
|
| 3. |
Wanneer
brandstofdagtanks of bezinktanks zijn voorzien van een
verwarmingsinrichting, is, indien het vlampunt van de
brandstofolie kan worden overschreden, een hoogtemperatuuralarm
aangebracht.
|
| 4. |
Een goedgekeurde
brandontdekkingsinstallatie, werkend volgens het principe van
zelfbewaking, met inbegrip van een mogelijkheid voor het
periodiek beproeven, is aangebracht in ruimten voor machines.
|
| 5. |
De
ontdekkingsinstallatie alarmeert zowel hoorbaar als zichtbaar in
het stuurhuis en wordt in voldoende en daartoe geschikte ruimten
gehoord en waargenomen door aan boord aanwezige personen,
wanneer het vaartuig is afgemeerd.
|
| 6. |
De
brandontdekkingsinstallatie wordt bij het uitvallen van de
hoofdkrachtbron automatisch gevoed door een noodkrachtbron.
|
| 7. |
Inwendige
verbrandingsmotoren met een vermogen van 2500 kW of meer
zijn voorzien van oliemistdetectie in de krukkast of van
temperatuurmeting van de lagers of van een gelijkwaardige
voorziening.
|
| 8. |
Er is een vast
aangebrachte brandblusinstallatie die ten genoegen is van het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie en die voldoet aan het
bepaalde in de artikelen 5.22 en 5.40.
|
| 9. |
Aan boord van een
vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, zijn
voorzieningen getroffen voor een onmiddellijke waterlevering uit
de hoofdbrandblusleiding, hetzij:
| a. |
door middel
van afstandbediening van één van de
hoofdbrandbluspompen vanuit het stuurhuis en vanuit het
brandcontrolestation, indien dit aanwezig is, hetzij
|
| b. |
door middel
van het voortdurend onder druk houden van de
hoofdbrandblusleiding, met dien verstande dat in dat
geval voorzieningen zijn getroffen teneinde beschadiging
van de hoofdbrandblusleiding door bevriezing te
voorkomen.
|
|
| 10. |
Het onderhoud van de
brandwerendheid van de ruimten voor machines, van de plaats waar
de bedieningsapparatuur van de brandblusinstallatie is
samengebracht en van het veiligheidssysteem als bedoeld in
artikel 4.24, met inbegrip van ventilatie en brandstofpompen, is
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 5 kan het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie daartoe aanvullende brandblustoestellen,
brandbestrijdingsmiddelen alsmede persluchttoestellen
voorschrijven.
|
Artikel
4.20. Beveiliging tegen vervuld raken
| 1. |
Vullings
in ruimten voor machines zijn
voorzien van een
hoogniveau-alarm waarvan de
goede werking binnen de normale
toestanden van stuur- en koplast
is verzekerd. Deze
bilge-alarminstallatie kan daar,
waar voortdurend de wacht wordt
gehouden, een hoorbaar en
zichtbaar alarmsignaal in
werking stellen.
|
| 2. |
De
bedieningsplaats van elke
afsluiter die deel uitmaakt van
een zee-inlaat, een uitlaat
beneden de waterlijn of een
bilge-ejector, is zodanig
gelegen dat er voldoende tijd is
om deze afsluiters te bedienen
in het geval dat water de ruimte
binnenstroomt.
|
Artikel
4.21. Verbindingen
Aan
boord van een vaartuig met een lengte
van 75 m of meer is één van de
twee afzonderlijke communicatiemiddelen,
bedoeld in artikel 4.7, een
doeltreffende spreekverbinding. Een
aanvullende doeltreffende
spreekverbinding is aangebracht tussen
het stuurhuis en de verblijven van de
werktuigkundigen.
Artikel
4.22. Alarminstallatie
| 1. |
Er
is een alarminstallatie
aangebracht die elke storing die
verholpen dient te worden,
aangeeft.
|
| 2. |
| a. |
De
alarminstallatie geeft
in de ruimte voor
machines een hoorbaar
alarmsignaal en geeft
elke afzonderlijke
alarmfunctie op een
doelmatige plaats
zichtbaar aan. Aan boord
van een vaartuig waarvan
de lengte minder dan
45 m bedraagt, kan
het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie
toestaan dat de
installatie elke
afzonderlijke
alarmfunctie alleen in
het stuurhuis hoorbaar
en zichtbaar aangeeft.
|
| b. |
Aan
boord van een vaartuig
waarvan de lengte
45 m of meer
bedraagt, is de
alarminstallatie
verbonden met de hutten
van de werktuigkundigen
door middel van een
keuzeschakelaar naar
elke hut en met het
dagverblijf van de
werktuigkundigen, indien
dit aanwezig is. Het
Hoofd van de
Scheepvaartinspectie kan
andere voorzieningen
toestaan die dezelfde
veiligheid waarborgen.
|
| c. |
Aan
boord van een vaartuig
waarvan de lengte
45 m of meer
bedraagt, treedt een
algemeen
werktuigkundigenalarm en
een alarm op de brug,
bestemd voor de personen
die de wacht houden, in
werking indien op enige
alarmfunctie geen acht
is geslagen binnen een
tijdsverloop dat ten
genoegen van het Hoofd
van de
Scheepvaartinspectie is.
|
| d. |
Op
de brug treden hoorbare
en zichtbare alarmen in
werking in elke situatie
die handelend optreden
van de verantwoordelijke
wachtdoende persoon
vereist, of die onder
zijn aandacht moet
worden gebracht.
|
| e. |
De
alarminstallatie is,
voorzover uitvoerbaar,
ontworpen volgens een
principe dat het
optreden van fouten
uitsluit.
|
|
| 3. |
De
alarminstallatie:
| a. |
wordt
ononderbroken gevoed met
een voorziening voor het
automatisch
overschakelen op een
noodvoeding ingeval de
normale voeding wegvalt
en
|
| b. |
alarmeert
in het geval een storing
in de normale voeding
optreedt.
|
|
| 4. |
| a. |
De
alarminstallatie kan
tegelijkertijd meer dan
één storing aangeven.
Het accepteren van een
alarm mag het doorkomen
van een ander alarm niet
verhinderen.
|
| b. |
Acceptatie
van iedere alarmtoestand
op de plaatsen, bedoeld
in het tweede lid, wordt
aangegeven op de
plaatsen waar de
alarmtoestand werd
gemeld. Een
alarmtoestand blijft
gehandhaafd totdat deze
is geaccepteerd, terwijl
de zichtbare
aanduidingen van
afzonderlijke alarmen
zichtbaar blijven totdat
de storing verholpen is,
waarna het alarmsysteem
automatisch terugkeert
in de normale
bedrijfstoestand.
|
|
Artikel
4.23. Bijzondere voorschriften voor
machine- en ketelinstallaties en
elektrische installaties
| 1. |
Aan
boord van een vaartuig waarvan
de lengte 75 m of meer
bedraagt, wordt de elektrische
energievoorziening als volgt
verzorgd:
| a. |
indien
de energievoorziening in
de regel kan worden
verzorgd door één
generator, zijn
doelmatige voorzieningen
voor het afschakelen van
niet-belangrijke
elektrische gebruikers
getroffen, teneinde de
energielevering ten
dienste van de
noodzakelijke werktuigen
bestemd voor de
voortstuwing en de
besturing van het
vaartuig te kunnen
waarborgen. Er zijn
passende voorzieningen
aanwezig voor het
automatisch starten en
op het hoofdnet
schakelen van een
«stand-by» generator
bij het uitvallen van de
te werk staande
generator, waarbij deze
generator van voldoende
capaciteit is om de
voortstuwing en de
besturing van het schip
te kunnen verzekeren
door automatisch starten
van de hiervoor
belangrijke werktuigen,
waar nodig met behulp
van een volgorde
schakeling. Ten genoegen
van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie
kunnen voorzieningen
worden aangebracht voor
het op afstand starten
en op het hoofdnet
schakelen van de
«stand-by» generator,
alsmede voorzieningen
voor het bij herhaling
op afstand starten van
belangrijke
hulpwerktuigen, en
|
| b. |
indien
de energievoorziening in
de regel wordt verzorgd
door meer dan één
generatoraggregaat
tegelijkertijd, zijn
voorzieningen getroffen,
met inbegrip van
voorzieningen voor
verdeling van de
belasting, waardoor bij
het uitvallen van één
van de
generatoraggregaten, de
overblijvende aggregaten
zonder overbelasting in
bedrijf blijven om de
voortstuwing en de
besturing te kunnen
waarborgen.
|
|
| 2. |
In
geval «stand-by»
hulpwerktuigen worden vereist
voor andere, voor de
voortstuwing noodzakelijke
hulpwerktuigen, worden
automatische
omschakelinrichtingen toegepast.
Een automatische omschakeling
wordt door middel van een alarm
aangegeven.
|
| 3. |
Automatisch
regel- en alarmsystemen voldoen
aan de volgende voorschriften:
| a. |
het
regelsysteem is zodanig
uitgevoerd dat de
diensten die nodig zijn
voor de werking van het
hoofdvoortstuwingswerktuig
en de hulpwerktuigen,
door de noodzakelijke
automatische
voorzieningen zijn
verzekerd,
|
| b. |
voorzieningen
zijn getroffen om de
aanzetluchtdruk op het
vereiste niveau te
houden wanneer
verbrandingsmotoren voor
de voortstuwing worden
gebruikt,
|
| c. |
een
alarmsysteem dat voldoet
aan het bepaalde in
artikel 4.22 is
aangebracht voor alle
belangrijke drukken,
temperaturen,
vloeistofniveaus en
andere van belang zijnde
parameters, en
|
| d. |
indien
van toepassing is een
centrale post ingericht
met de noodzakelijke
alarm- en
instrumentenpanelen,
welke elk alarm kunnen
aangeven.
|
|
Artikel
4.24. Veiligheidssysteem
Een
veiligheidssysteem is aangebracht
teneinde te verzekeren dat een ernstige
storing aan de te werk staande
werktuigen of ketels, welke een direct
gevaar oplevert, automatisch het
desbetreffende gedeelte van de
installatie zal uitschakelen, waarbij
tevens een alarm wordt gegeven. Het
stopzetten van de
voortstuwingsinstallatie mag niet
automatisch plaatsvinden, behalve in die
gevallen welke tot ernstige schade,
algeheel onklaar raken of explosie
zouden kunnen leiden. Indien
voorzieningen zijn aangebracht welke het
stopzetten van het
hoofdvoortstuwingswerktuig ongedaan
kunnen maken, zijn deze voorzieningen
zodanig uitgevoerd dat ongewild gebruik
ervan niet mogelijk is. Wanneer zulk een
voorziening is gebruikt, wordt dit
zichtbaar aangegeven.
Hoofdstuk
5. Bescherming tegen, alsmede opsporen, blussen
en bestrijden van brand
§
1. Algemeen
Artikel
5.1. Algemeen
Een
van de volgende methoden van bescherming
tegen brand wordt toegepast in
accommodaties en dienstruimten.
| a. |
Methode
IF –
het aanbrengen van
scheidingsschotten van
onbrandbare kwaliteit van klasse
«B» of «C», in het algemeen
zonder dat daarbij een
brandontdekkingsinstallatie of
een sprinklersysteem in de
ruimten voor accommodatie en de
dienstruimten is aangebracht,
of:
|
| b. |
Methode
IIF –
het installeren van een
automatische sprinkler- en
brandalarminstallatie voor het
ontdekken en blussen van brand
in alle ruimten waarin brand kan
ontstaan, in het algemeen zonder
beperkingen ten aanzien van het
type scheidingsschotten, of:
|
| c. |
Methode
IIIF –
het installeren van een
automatische brandalarm- en
-ontdekkingsinstallatie in alle
ruimten waarin brand kan
ontstaan, in het algemeen zonder
beperkingen ten aanzien van het
type scheidingsschotten, met
dien verstande dat de
oppervlakte van enige
accommodatieruimte of -ruimten
die door een schot van klasse
«A» of «B» wordt begrensd,
niet groter mag zijn dan
50 m2.
Het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie kan voor
ruimten voor algemeen gebruik
een grotere oppervlakte
toestaan.
|
De
bepaling inzake de toepassing van
onbrandbare materialen bij de
constructie en isolatie van de
scheidingsschotten van ruimten voor
machines, controlestations en
dergelijke, en de bescherming van
trapomsluitingen en gangen is voor alle
drie de methoden gelijk.
Artikel
5.2. Omschrijvingen
Voor
de toepassing van dit hoofdstuk wordt
verstaan onder:
| 1. |
onbrandbaar
materiaal:
een materiaal dat noch brandt,
noch ontvlambare gassen in
voldoende hoeveelheid afgeeft om
bij verhitting tot ongeveer
750°C tot zelfontbranding over
te gaan, hetgeen ten genoegen
van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie moet worden
aangetoond door middel van een
door hem aanvaarde
beproevingsmethode. Elk ander
materiaal is brandbaar
materiaal;
|
| 2. |
een
standaard brandproef:
een proef waarbij gedeelten van
de betrokken schotten of dekken
in een proefoven blootgesteld
worden aan temperaturen die
ongeveer overeenkomen met de
standaard tijdtemperatuurkromme.
De gedeelten van de betrokken
schotten of dekken moeten een
blootgestelde oppervlakte hebben
van ten minste 4,65 m2
en een hoogte (of lengte van het
dek) van 2,44 m; zij moeten
zo nauwkeurig mogelijk
overeenkomen met de voorgenomen
constructie en waar nodig ten
minste één naad bevatten. Met
de standaard
tijdtemperatuurkromme wordt
bedoeld een gelijkmatig
verlopende kromme door de
volgende punten gemeten boven de
aanvankelijke temperatuur in de
oven:
oorspronkelijke
binnentemperatuur van de oven
20°C
na
5 minuten 576°C
na
10 minuten 679°C
na
15 minuten 738°C
na
30 minuten 841°C
na
60 minuten 945°C
|
| 3. |
schotten
van klasse «A»:
schotten en dekken die aan de
volgende eisen voldoen:
| a. |
zij
moeten geconstrueerd
zijn van staal of van
ander gelijkwaardig
materiaal,
|
| b. |
zij
moeten voldoende
verstijfd zijn,
|
| c. |
zij
moeten tot aan het einde
van de standaard
brandproef van één uur
de doortocht van rook en
vlammen kunnen
verhinderen, en
|
| d. |
zij
moeten zodanig
geïsoleerd zijn met
goedgekeurde onbrandbare
materialen dat de
gemiddelde temperatuur
aan de niet
blootgestelde zijde niet
meer dan 139°C boven de
begintemperatuur stijgt,
noch de temperatuur op
enig punt, de naden
inbegrepen, meer dan
180°C boven de
begintemperatuur stijgt
binnen de onderstaand
aangegeven tijd:
Klasse
«A-60» 60 minuten
Klasse
«A-30» 30 minuten
Klasse
«A-15» 15 minuten
Klasse
«A-0» 0 minuten
|
Het
Hoofd van de
Scheepvaartinspectie kan
beproeving eisen van een
prototype van een schot of een
dek teneinde zekerheid te
verkrijgen dat dit voldoet aan
bovengenoemde eisen omtrent
stijfheid, doorlaten van rook en
vlammen en temperatuurstijging;
|
| 4. |
schotten
van klasse «B»:
schotten, dekken, plafonds of
beschietingen die aan de
volgende eisen voldoen:
| a. |
zij
moeten tot aan het einde
van het eerste half uur
van de standaard
brandproef de doortocht
van vlammen kunnen
verhinderen;
|
| b. |
zij
moeten een zodanig
isolerend vermogen
hebben dat de gemiddelde
temperatuur aan de niet
blootgestelde zijde niet
meer dan 139°C boven de
begintemperatuur stijgt,
noch de temperatuur op
enig punt, de naden
inbegrepen, meer dan
225°C boven de
begintemperatuur stijgt
binnen de onderstaand
aangegeven tijd:
Klasse
«B-15» 15 minuten
Klasse
«B-0» 0 minuten
|
| c. |
zij
moeten zijn opgebouwd
uit goedgekeurde,
onbrandbare materialen
waarbij alle materialen
die gebruikt worden voor
schotten van klasse
«B» en voor het
aanbrengen daarvan,
onbrandbaar dienen te
zijn, behoudens dat
brandbare fineerlagen
kunnen worden toegestaan
onder voorwaarde dat die
voldoen aan de daarop
van toepassing zijnde
voorschriften van dit
hoofdstuk.
|
Het
Hoofd van de
Scheepvaartinspectie kan de
beproeving eisen van een
prototype van een schot van
klasse «B», teneinde zekerheid
te verkrijgen dat dit voldoet
aan bovengenoemde eisen omtrent
het doorlaten van vlammen en de
temperatuurstijging;
|
| 5. |
schotten
van klasse «C»:
schotten en dekken welke zijn
opgebouwd uit goedgekeurde
onbrandbare materialen. Zij
behoeven niet te voldoen aan
eisen betreffende het doorlaten
van rook en vlammen of de
beperking van de
temperatuurstijging. Brandbare
fineerlagen kunnen worden
toegestaan onder voorwaarde dat
die voldoen aan de daarop van
toepassing zijnde voorschriften
van dit hoofdstuk;
|
| 6. |
schotten
van klasse «F»:
schotten, dekken, plafonds of
beschietingen die aan de
volgende eisen voldoen:
| a. |
tot
aan het einde van het
eerste half uur van de
standaard brandproef de
doortocht van vlammen
kunnen verhinderen, en
|
| b. |
een
zodanig isolerend
vermogen hebben dat de
gemiddelde temperatuur
aan de niet
blootgestelde zijde tot
aan het einde van het
eerste half uur van de
standaard brandproef
niet meer dan 139°C
boven de
begintemperatuur stijgt,
noch de temperatuur op
enig punt, de naden
inbegrepen, meer dan
225°C boven de
begintemperatuur stijgt.
Het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie kan
een beproeving eisen van
een prototype van een
schot van klasse «F»,
teneinde zekerheid te
verkrijgen dat dit
voldoet aan
bovengenoemde eisen
omtrent stijfheid,
doorlaten van rook en
vlammen en
temperatuurstijging;
|
|
| 7. |
doorlopende
plafonds of beschietingen van
klasse« B»:
plafonds of beschietingen van
klasse «B» die slechts
eindigen bij een schot van
klasse «A» of «B»;
|
| 8. |
staal
of ander gelijkwaardig
materiaal:
staal, of elk ander materiaal
dat zelf of door middel van
isolatiemateriaal een
brandwerendheid heeft die
gelijkwaardig is aan die van
staal tot aan het einde van de
van toepassing zijnde standaard
brandproef (bijvoorbeeld een
aluminiumlegering, voorzien van
een doeltreffende isolatie);
|
| 9. |
laag
vlamverspreidend vermogen:
de eigenschap die aangeeft dat
het aldus aangeduide oppervlak
de vlamuitbreiding op voldoende
wijze kan beperken en die ten
genoegen van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie wordt
aangetoond door middel van de
FTP-Code;
|
| 10. |
accommodatieruimten:
ruimten voor algemeen gebruik,
gangen, toiletten, hutten,
kantoren, ziekenverblijven,
bioscopen, ontspanningsruimten,
afzonderlijke pantry's zonder
voorzieningen om te koken en
soortgelijke ruimten;
|
| 11. |
ruimten
voor algemeen gebruik:
die delen van de ruimten voor
accommodatie die in gebruik zijn
als portalen, eetzalen, salons,
en soortgelijke permanent
ingesloten ruimten;
|
| 12. |
dienstruimten:
ruimten die gebruikt worden voor
kombuizen, pantry's met
voorzieningen om te koken,
kasten en voorraadkamers,
werkplaatsen die geen deel
uitmaken van de ruimten voor
machines, en soortgelijke
ruimten, alsmede de bijbehorende
schachten;
|
| 13. |
controlestations:
ruimten waarin de
radio-installatie van het
vaartuig, de voornaamste
navigatiemiddelen of de
elektrische noodkrachtbron zijn
ondergebracht of die waarin de
uitrusting voor de brandmelding
of de brandcontrole is
samengebracht;
|
| 14. |
ruimten
voor machines van categorie A:
alle ruimten waarin zijn
ondergebracht:
| a. |
verbrandingsmotoren
of gasturbines, die
worden gebruikt als
hoofdvoortstuwingswerktuig;
|
| b. |
verbrandingsmotoren
of gasturbines, andere
dan die worden gebruikt
als
hoofdvoortstuwingswerktuig
indien zodanige
werktuigen een
gezamenlijk vermogen
hebben van niet minder
dan 375 kW, of
|
| c. |
met
olie gestookte ketels of
oliestookinrichtingen;
|
|
| 15. |
ruimten
voor machines:
alle ruimten voor machines van
categorie A en alle andere
ruimten waarin
voortstuwingswerktuigen, ketels,
oliestookinrichtingen,
stoommachines,
verbrandingsmotoren en
gasturbines, generatoren,
stuurinrichtingen, belangrijke
elektrische werktuigen,
olielaadstations,
koelmachine-installaties,
stabilisatie-inrichtingen,
luchtverversings- en
luchtbehandelinginstallaties
zijn ondergebracht en
soortgelijke ruimten, alsmede de
bijbehorende schachten.
|
§
2. Brandbeveiligingsmaatregelen op
vaartuigen waarvan de lengte 60 m of
meer bedraagt
Artikel
5.3. Constructie
| 1. |
De
romp, de bovenbouw, structurele
schotten, dekken en dekhuizen
zijn van staal of ander,
gelijkwaardig materiaal
vervaardigd, tenzij anders is
aangegeven in het vierde lid.
|
| 2. |
De
isolatie van onderdelen van
schotten van klasse «A» of«
B», die van aluminiumlegering
zijn vervaardigd, met
uitzondering van die welke naar
het oordeel van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie niet
lastdragend zijn, is zodanig dat
de temperatuur van de metalen
kern van de constructie
gedurende de van toepassing
zijnde brandproef te eniger tijd
niet meer dan 200°C boven de
temperatuur van de omgeving
stijgt.
|
| 3. |
Bijzondere
aandacht wordt geschonken aan de
isolatie van onderdelen van
stutten, stijlen en andere delen
van de constructie die van
aluminiumlegering zijn
vervaardigd en die nodig zijn
ter ondersteuning van de
plaatsen voor de opstelling en
het te water brengen van en de
inscheping in de
groepsreddingsmiddelen, en van
schotten van klasse «A» en
«B», teneinde zeker te
stellen:
| a. |
dat
voor dergelijke
constructiedelen die de
plaatsen met de
groepsreddingsmiddelen
en schotten van klasse
«A» steunen, de grens
voor de
temperatuurstijging,
genoemd in het tweede
lid, aan het einde van
een uur zal gelden, en
|
| b. |
dat
voor dergelijke
constructiedelen die
schotten van klasse
«B» ondersteunen, de
grens voor de
temperatuurstijging,
genoemd in tweede lid,
aan het einde van een
half uur zal gelden.
|
|
| 4. |
Kappen
en schachten van ruimten voor
machines van categorie A zijn
van staal en zijn naar behoren
geïsoleerd, terwijl de
eventuele openingen daarin
doelmatig zijn aangebracht en
zijn voorzien van middelen om
uitbreiding van brand tegen te
gaan.
|
Artikel
5.4. Schotten binnen ruimten voor
accommodatie en dienstruimten
| 1. |
Binnen
ruimten voor accommodatie en
dienstruimten zijn alle schotten
van klasse «B» opgetrokken van
dek tot dek en strekken zij zich
uit tot de huid of tot andere
begrenzingswanden, tenzij aan
beide zijden van de schotten
doorlopende plafonds of
beschietingen van klasse «B»
of beide zijn aangebracht, in
welk geval het schot mag
eindigen bij het doorlopende
plafond of de doorlopende
beschieting.
|
| 2. |
Methode
IF:
alle schotten die niet ingevolge
het bepaalde in dit artikel of
andere artikelen van deze
paragraaf van klasse« A» of
«B» zijn, zijn ten minste
schotten van klasse« C».
|
| 3. |
Methode
IIF:
de constructie van schotten die
niet ingevolge het bepaalde in
dit artikel of andere artikelen
van deze paragraaf van klasse
«A» of «B» zijn, is niet aan
beperking onderworpen, behoudens
in die gevallen waarin schotten
van klasse «C» zijn vereist
overeenkomstig tabel 1 in
artikel 5.7.
|
| 4. |
Methode
IIIF:
de constructie van schotten die
niet ingevolge het bepaalde in
dit artikel of andere artikelen
van deze paragraaf van klasse
«A» of «B» zijn, is niet aan
beperkingen onderworpen. De
oppervlakte van enige ruimte of
ruimten voor accommodatie die
door een doorlopend schot van
klasse «A» of «B» worden
begrensd, bedraagt in geen geval
meer dan 50 m2,
behoudens in die gevallen waarin
schotten van klasse «C» zijn
vereist overeenkomstig tabel 1
in artikel 5.7. Het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie kan voor
ruimten voor algemeen gebruik
echter een grotere oppervlakte
toestaan.
|
Artikel
5.5. Bescherming van trappen en
liftschachten in ruimten voor
accommodatie, dienstruimten en
controlestations
| 1. |
Trappen
die niet meer dan twee dekken
bedienen zijn ten minste op een
niveau beschermd door schotten
van klasse «B 0» en
zelfsluitende deuren. Liften die
niet meer dan twee dekken
bedienen, zijn omsloten door
schotten van klasse
«A 0», die op beide
niveaus zijn voorzien van stalen
deuren. Trappen en liftschachten
die meer dan twee dekken
bedienen, zijn ten minste
omsloten door schotten van
klasse «A 0» en zijn
beschermd door zelfsluitende
deuren op alle niveaus.
|
| 2. |
Het
constructieve deel van alle
trappen is van staal, behalve
wanneer het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie het gebruik
van ander, gelijkwaardig
materiaal toestaat.
|
Artikel
5.6. Deuren in brandwerende schotten
| 1. |
Deuren
hebben een brandwerend vermogen
dat, voor zover als praktisch
mogelijk is, gelijkwaardig is
aan dat van het schot waarin zij
zijn aangebracht. Deuren en
deurkozijnen in schotten van
klasse «A» zijn van staal.
Deuren in schotten van klasse
«B» zijn van onbrandbaar
materiaal. Deuren aangebracht in
begrenzingsschotten van ruimten
voor machines van categorie A,
zijn zelfsluitend en redelijk
gasdicht. Het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie kan het
gebruik van brandbare materialen
toestaan in deuren die hutten
scheiden van de eigen
bijbehorende sanitaire ruimten,
zoals douchecellen, indien
methode IF is toegepast.
|
| 2. |
Deuren
die zelfsluitend moeten zijn,
zijn niet voorzien van
vastzethaken.
Vastzetinrichtingen mogen
evenwel worden toegepast indien
deze zijn voorzien van op
afstand bediende
ontkoppelingsinrichtingen van
een type dat de deur doet
sluiten indien het systeem in
het ongerede geraakt.
|
| 3. |
Ventilatieopeningen
mogen zijn aangebracht in en
onder deuren in schotten van
gangen, met dien verstande dat
dergelijke openingen niet mogen
zijn aangebracht in en onder
deuren van trapomsluitingen. De
openingen in deuren zijn
uitsluitend in de onderste helft
van een deur aangebracht. Indien
een dergelijke opening zich
bevindt in of onder een deur,
bedraagt de totale oppervlakte
van deze opening of openingen
niet meer dan 0,05 m2.
Indien een dergelijke opening in
een deur is aangebracht, is deze
voorzien van een rooster van
onbrandbaar materiaal.
|
| 4. |
Waterdichte
deuren behoeven niet geïsoleerd
te zijn.
|
Artikel
5.7. Brandwerendheid van schotten en
dekken
| 1. |
Behalve
aan de specifieke bepalingen
voor brandwerendheid van
schotten en dekken die elders in
deze paragraaf worden
voorgeschreven, voldoet de
brandwerendheid van schotten en
dekken ten minste aan de eisen
zoals voorgeschreven in de
onderstaande tabellen 1 en 2.
|
| 2. |
Bij
het gebruik van de tabellen
gelden de volgende bepalingen:
| a. |
de
tabellen 1 en 2 zijn van
toepassing op
onderscheidenlijk
schotten en dekken die
aan elkaar grenzende
ruimten scheiden, en
|
| b. |
ter
bepaling van de passende
normen voor de
brandwerendheid die
moeten worden aangelegd
voor schotten en dekken
tussen aan elkaar
grenzende ruimten, zijn
deze ruimten als volgt
ingedeeld op grond van
hun brandrisico:
| 1°. |
Controlestations
(1):
| – |
ruimten
waarin
de
noodkrachtbronnen
en de
voorzieningen
voor de
noodverlichting
zijn
ondergebracht;
|
| – |
stuurhuis
en
kaartenkamer;
|
| – |
ruimten
waarin
de
radio-installatie
van het
vaartuig
is
ondergebracht;
|
| – |
ruimten
ten
behoeve
van
brandblussing,
stations
voor
brandcontrole
en
brandmelding;
|
| – |
controleruimte
voor de
voortstuwingsinstallatie,
indien
deze is
gelegen
buiten
de
ruimten
voor
machines;
|
| – |
ruimten
waarin
de
brandalarmeringsapparatuur
bijeen
is
gebracht.
|
|
| 2°. |
Gangen
(2):
|
| 3°. |
Ruimten
voor
accommodatie
(3):
| – |
ruimten
als
bedoeld
in
artikel
5.2, de
onderdelen
10 en
11, met
uitzondering
van
gangen.
|
|
| 4°. |
Trappen
(4):
| – |
binnentrappen,
liften
en
roltrappen,
die niet
geheel
binnen
de
ruimten
voor
machines
liggen,
alsmede
de
bijbehorende
ingesloten
ruimten.
In dit
verband
wordt
een trap
die
slechts
op één
niveau
is
ingesloten
beschouwd
als een
deel van
de
ruimte
waarin
hij niet
door een
brandwerende
deur is
gescheiden.
|
|
| 5°. |
Dienstruimten
die in geringe
mate
brandgevaarlijk
zijn (5):
| – |
bergkasten
en
bergplaatsen
die een
oppervlakte
hebben
van
minder
dan
2 m2,
droogkamers
en
wasserijen.
|
|
| 6°. |
Ruimten
voor machines
van categorie A
(6):
| – |
ruimten
als
bedoeld
in
artikel
5.2,
onderdeel
14.
|
|
| 7°. |
Andere
ruimten voor
machines (7):
| – |
ruimten
als
bedoeld
in
artikel
5.2,
onderdeel
15,
alsmede
ruimten
waar vis
tot
vismeel
wordt
verwerkt,
doch met
uitzondering
van
ruimten
voor
machines
van
categorie
A.
|
|
| 8°. |
Laadruimten
(8):
| – |
alle
ruimten
die
gebruikt
worden
voor
lading,
met
inbegrip
van
ladingolietanks,
alsmede
schachten
en
luikhoofden
van
zodanige
ruimten.
|
|
| 9°. |
Dienstruimten
die in hoge mate
brandgevaarlijk
zijn (9):
| – |
kombuizen,
pantry's
die
voorzien
zijn van
kooktoestellen,
verfhutten,
lampenhutten,
bergkasten
en
bergplaatsen
die een
oppervlakte
hebben
van
2 m2
of meer,
alsmede
werkplaatsen
die geen
deel
uitmaken
van de
ruimten
voor
machines.
|
|
| 10°. |
Open
dekken (10):
| – |
open
dekruimten
en
gesloten
wandelgangen,
ruimten
waar vis
in rauwe
staat
wordt
verwerkt,
ruimten
waar vis
wordt
schoongespoeld
en
soortgelijke
ruimten
die niet
brandgevaarlijk
zijn;
|
| – |
luchtruimten
buiten
de
bovenbouwen
en
dekhuizen.
|
|
|
De
titel van elke categorie moet
meer als omschrijving dan als
beperking worden beschouwd. Het
tussen haakjes geplaatste nummer
achter elke categorie verwijst
naar de desbetreffende kolom of
rij in de tabellen.
Tabel
1 – Brandwerendheid van
schotten die aan elkaar
grenzende ruimten scheiden
|
Ruimten
|
|
(1)
|
(2)
|
(3)
|
(4)
|
(5)
|
(6)
|
(7)
|
(8)
|
(9)
|
(10)
|
|
Controlestations
|
(1)
|
A-0e
|
A-0
|
A-60
|
A-0
|
A-15
|
A-60
|
A-15
|
A-60
|
A-60
|
∗
|
|
Gangen
|
(2)
|
|
C
|
B-0
|
B-0A-0c
|
B-0
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Ruimten
voor accommodatie
|
(3)
|
|
|
Ca,b
|
B-0
A-0c
|
B-0
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Trappen
|
(4)
|
|
|
|
B-0A-0c
|
B-0A-0c
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Dienstruimten
die in geringe mate
brandgevaarlijk zijn
|
(5)
|
|
|
|
|
C
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Ruimten
voor machines van
categorie A
|
(6)
|
|
|
|
|
|
∗
|
A-0
|
A-0
|
A-60
|
∗
|
|
Andere
ruimten voor machines
|
(7)
|
|
|
|
|
|
|
A-0d
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Laadruimten
|
(8)
|
|
|
|
|
|
|
|
∗
|
A-0
|
∗
|
|
Dienstruimten
die in hoge mate
brandgevaarlijk zijn
|
(9)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
A-0d
|
∗
|
|
Open
dekken
|
(10)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
-
|
Noten:
(zie tabel 2)
Tabel
2 – Brandwerendheid van dekken
die aan elkaar grenzende ruimten
scheiden
|
Ruimte
onder
|
Ruimte
boven
|
(1)
|
(2)
|
(3)
|
(4)
|
(5)
|
(6)
|
(7)
|
(8)
|
(9)
|
(10)
|
|
Controle
stations
|
(1)
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Gangen
|
(2)
|
A-0
|
∗
|
∗
|
A-0
|
∗
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Ruimten
voor accommodatie
|
(3)
|
A-60
|
A-0
|
∗
|
A-0
|
∗
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Trappen
|
(4)
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
A-0
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Dienstruimten
die in geringe mate
brandgevaarlijk zijn
|
(5)
|
A-15
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Ruimten
voor machines van
categorie A
|
(6)
|
A-60
|
A-60
|
A-60
|
A-60
|
A-60
|
∗
|
A-60
|
A-30
|
A-60
|
∗
|
|
Andere
ruimten voor machines
|
(7)
|
A-15
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
|
Laadruimten
|
(8)
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
∗
|
A-0
|
∗
|
|
Dienstruimten
die in hoge mate
brandgevaarlijk zijn
|
(9)
|
A-60
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0
|
A-0d
|
∗
|
|
Open
dekken
|
(10)
|
∗
|
∗
|
∗
|
∗
|
∗
|
∗
|
∗
|
∗
|
∗
|
-
|
Noten:
Onderstaande noten gelden,
voorzover van toepassing, voor
zowel tabel 1 als tabel 2.
a)
Bij de brandbescherming volgens
methode IIF en IIIF worden geen
bijzondere eisen aan deze
schotten gesteld.
b)
Bij de toepassing van methode
IIIF moeten schotten van klasse
«B-0» zijn aangebracht tussen
ruimten of groepen van ruimten
met een oppervlakte van
50 m2
of meer.
c)
Ter verduidelijking van hetgeen
van toepassing is, zie de
artikelen 5.4 en 5.5.
d)
Indien ruimten onder dezelfde
nummercategorie vallen en de
letter d
staat vermeld, wordt een schot
of dek met een brandwerendheid
zoals aangegeven in de tabellen,
alleen geëist indien de aan
elkaar grenzende ruimten voor
verschillende doeleinden dienen,
zoals bijvoorbeeld in categorie
(9). Indien twee kombuizen aan
elkaar grenzen, worden aan het
schot geen eisen gesteld, doch
indien een kombuis aan een
verfhut grenst, is een schot van
klasse «A-0» vereist.
e)
Schotten die het stuurhuis, de
kaartenkamer en de radiohut van
elkaar scheiden, mogen schotten
van klasse «B-0» zijn.
f)
Brandisolatie hoeft niet te
worden aangebracht indien de
ruimte voor machines in
categorie (7), naar het oordeel
van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie, niet of in
geringe mate brandgevaarlijk is.
∗
Wanneer een sterretje in de
tabellen staat vermeld, moet het
scheidingsschot of -dek van
staal of ander gelijkwaardig
materiaal zijn, doch het behoeft
niet van klasse «A» te zijn.
|
| 3. |
Doorlopende
plafonds of beschietingen van
klasse «B» kunnen, tezamen met
de desbetreffende dekken of
schotten, worden aanvaard als
een volledige of gedeeltelijke
bijdrage tot de vereiste
isolatie en brandwerendheid van
een afscheiding.
|
| 4. |
Voor
ruimten voor machines gelden ten
aanzien van ramen en
schijnlichten de volgende
voorschriften:
| a. |
schijnlichten
die kunnen worden
geopend, kunnen van
buiten de ruimte waarop
zij zijn aangebracht
worden gesloten.
Schijnlichten waarin
ramen zijn aangebracht
zijn aan de buitenzijde
voorzien van blinden van
staal of ander
gelijkwaardig materiaal
en zijn vast aan het
schijnlicht verbonden,
|
| b. |
glas
of soortgelijk materiaal
mag niet in
begrenzingsschotten van
ruimten voor machines
zijn aangebracht. Dit
sluit het gebruik van
draadglas in
schijnlichten en glas in
controlekamers die
geheel in ruimten voor
machines zijn gelegen
niet uit, en
|
| c. |
schijnlichten
als bedoeld onder a zijn
voorzien van draadglas.
|
|
| 5. |
In
de buitenste begrenzingswanden
die ingevolge het bepaalde in
artikel 5.3, eerste lid, van
staal of ander gelijkwaardig
materiaal zijn, mogen ramen en
patrijspoorten zijn aangebracht,
mits niet elders in deze
paragraaf is voorgeschreven dat
zodanige begrenzingswanden een
brandwerendheid van klasse« A»
hebben. Evenzo mogen deuren in
dergelijke begrenzingswanden die
geen brandwerendheid van klasse
«A» behoeven te hebben, zijn
vervaardigd van materialen die
ten genoegen van het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie zijn.
|
Artikel
5.8. Constructiedetails
| 1. |
Methode
IF
In
ruimten voor accommodatie, in
dienstruimten en in
controlestations zijn alle
beschietingen, afstoppingen,
plafonds en het bijbehorende
grondhout van onbrandbaar
materiaal.
|
| 2. |
Methoden
IIF en IIIF
In
de gangen en in ingesloten
ruimten voor trappen die toegang
geven tot ruimten voor
accommodatie, dienstruimten en
controlestations, zijn plafonds,
beschietingen, afstoppingen en
het bijbehorende grondhout van
onbrandbaar materiaal.
|
| 3. |
Methoden
IF, IIF en IIIF
| a. |
Tenzij
toegepast in laadruimten
of koel- en vrieskamers
in dienstruimten, zijn
de isolatiematerialen
onbrandbaar met dien
verstande dat
dampwerende lagen,
kleefstoffen gebruikt
bij isolatie, alsmede de
isolatie van
pijpleidingen van
koudwatersystemen niet
van onbrandbaar
materiaal behoeven te
zijn, doch zij worden
tot het praktisch
mogelijke minimum
beperkt en het
vlamverspreidend
vermogen van de
blootgestelde
oppervlakken ervan is
ten genoegen van het
Hoofd van de
Scheepvaartinspectie. In
ruimten waarin
olieproducten aanwezig
kunnen zijn, is het
oppervlak van de
isolatie ondoordringbaar
voor olie en oliedampen.
|
| b. |
Indien
onbrandbare schotten,
beschietingen en
plafonds zijn
aangebracht in ruimten
voor accommodatie en
dienstruimten, mogen
deze binnen deze ruimten
zijn voorzien van een
brandbare fineerlaag
mits deze niet dikker is
dan 2 mm, behalve
in gangen, ingesloten
ruimten voor trappen en
controlestations, alwaar
deze laag niet dikker
mag zijn dan
1,5 mm.
|
| c. |
Luchtruimten,
ingesloten achter wanden
en beschietingen en
tussen plafonds en
dekken, zijn op passende
wijze onderverdeeld door
afstoppingen die de trek
tegengaan en die niet
verder dan 14 m
uiteen liggen. In
verticale richting zijn
dergelijke ruimten, met
inbegrip van die achter
beschietingen van
trappenhuizen, schachten
en andere ruimten, op
elk dek afgestopt.
|
|
|