| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Spoorwegwet
BESLUIT
BEDRIJFSVERGUNNING EN VEILIGHEIDSATTEST
HOOFDSPOORWEGEN
Tekst zoals deze geldt op
3 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 3 december 2004, houdende nadere regels
over de bedrijfsvergunning en het veiligheidsattest voor
spoorwegondernemingen die gebruik maken van hoofdspoorwegen (Besluit
bedrijfsvergunning en veiligheidsattest hoofdspoorwegen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van
16 september 2003, nr. HDJZ/S&W/2003-1879, Hoofddirectie
Juridische Zaken;
Gelet op Richtlijn nr. 95/18/EG van de Raad van
de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van
vergunningen aan spoorwegondernemingen (PbEG L 143), artikel 32
van Richtlijn nr. 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van
spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het
gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake
veiligheidscertificering (PbEG L 75) en de artikelen 28, tweede
lid, 31, 35 en 55, tweede lid, van de Spoorwegwet;
De Raad van State gehoord (advies van 19
december 2003, nr. W09.03.0391/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2883,
Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. richtlijn 2004/49/EG: richtlijn nr. 2004/49/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004
inzake veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging
van richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van
vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG
van de Raad inzake de toewijzing van
spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het
gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake
veiligheidscertificering (Spoorwegveiligheidsrichtlijn) (PbEG L
164);
b. veiligheidszorgsysteem: veiligheidszorgsysteem als bedoeld in
artikel 32, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
c. wet: Spoorwegwet.
Hoofdstuk 2. Bedrijfsvergunning
§ 1. Algemeen
Artikel 2
De bedrijfsvergunning, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet,
wordt op naam van de spoorwegonderneming gesteld, met vermelding van de
namen van de deelnemende natuurlijke personen dan wel rechtspersonen.
§ 2. Goede naam
Artikel 3
Een spoorwegonderneming bezit een goede naam als bedoeld in artikel
28, eerste lid, van de wet, indien:
a. jegens haar in de voorafgaande vijf jaar geen onherroepelijk
faillissement is uitgesproken,
b. zij in de voorafgaande vijf jaar, al dan niet met toepassing
van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, niet onherroepelijk
is veroordeeld wegens het herhaaldelijk of ernstig overtreden van:
1°. het bepaalde bij of krachtens artikel 4:3, 5:15, vijfde
en zesde lid, of 8:3 van de Arbeidstijdenwet,
2°. artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet,
3°. de artikelen 1:11, 1:23, 1:27, 1:28, 1:32, tweede lid,
10:1, eerste en tweede lid, 10:2, 10:4, 10:5, eerste, tweede en
derde lid, of 10:9 van de Algemene douanewet,
4°. de artikelen 14 en 69, tweede lid, van het Communautair
douanewetboek, en
c. tegen haar in de voorafgaande vijf jaar geen onherroepelijk
vonnis is gewezen wegens het herhaaldelijk of ernstig niet nakomen
van verplichtingen die voortvloeien uit door haar gesloten
arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten van opdracht tot het
verrichten van arbeid.
Artikel 4
1. Op een bestuurder van een spoorwegonderneming is artikel 3 van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien natuurlijke personen dan wel rechtspersonen gezamenlijk
als spoorwegonderneming optreden, voldoet ieder van de natuurlijke
personen en ieder van de bestuurders van de rechtspersonen aan het
vereiste van goede naam.
3. Indien de permanente en daadwerkelijke leiding door een ander
dan de natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 2, dan wel door een
ander dan de in het eerste lid genoemde bestuurder wordt verricht, is
artikel 3 op die ander van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Financiėle draagkracht
Artikel 5
Voor financiėle draagkracht als bedoeld in artikel 28, eerste lid,
van de wet is vereist dat:
a. de financiėle positie van de spoorwegonderneming toereikend
is om ten minste gedurende een jaar te voldoen aan haar bestaande en
toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit de huidige dan wel
de voorgenomen bedrijfsvoering, en
b. de spoorwegonderneming geen aanzienlijke achterstallige
bedragen is verschuldigd ter zake van opgelegde aanslagen aan
belastingen of sociale premies in verband met de activiteit van de
onderneming.
§ 4. Beroepsbekwaamheid
Artikel 6
Aan het vereiste van beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel 28,
eerste lid, van de wet is voldaan als de spoorwegonderneming beschikt of
zal beschikken over een bestuurlijke organisatie die de nodige kennis en
ervaring bezit om de operationele controle en het toezicht op de in de
vergunning omschreven activiteiten op veilige en betrouwbare wijze te
kunnen uitoefenen.
§ 5. Verzekeringsplicht
Artikel 7
1. Een spoorwegonderneming voldoet aan de uit artikel 55 van de wet
voortvloeiende verzekeringsplicht indien zij de uit de wettelijke
aansprakelijkheid voortvloeiende financiėle risicos heeft gedekt
door middel van een verzekering die Nederland als dekkingsgebied heeft
en een dekkingsbedrag heeft van ten minste 10.000.000 per
gebeurtenis.
2. Aan de bedrijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat
indien de spoorwegonderneming ook spoorvervoer buiten Nederland wil
verrichten, zij zich voor de betreffende landen aanvullend moet
verzekeren.
§ 6. Beperkte bedrijfsvergunning
Artikel 8
1. De soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bedoeld in artikel
28, tweede lid, van de wet waarvoor Onze Minister de vereisten van
goede naam en financiėle draagkracht buiten toepassing kan laten,
zijn:
a. rangeerwerkzaamheden,
b. het verrichten van eigen vervoer,
c. deelnemen aan het spoorverkeer zonder vervoer te verrichten.
2. De soorten van gebruik van de hoofdspoorweg, bedoeld in artikel
28, tweede lid, van de wet waarvoor Onze Minister de vereisten van
goede naam, financiėle draagkracht en beroepsbekwaamheid buiten
toepassing kan laten, zijn:
a. het ten behoeve van overgave- of stationsfaciliteiten
berijden van de hoofdspoorweg, uitsluitend binnen de begrenzing
van een spoorwegemplacement, als bedoeld in artikel 1, onderdeel e,
van het Besluit spoorverkeer, of
b. deelnemen aan het spoorverkeer met zelfrijdend gereedschap
of een daarmee vergelijkbaar voertuig om werkzaamheden aan of
nabij de hoofdspoorweg uit te voeren op een deel van de
hoofdspoorweg dat, ten behoeve van deze werkzaamheden, buiten
dienst is gesteld.
3. Een spoorwegonderneming die louter activiteiten uitoefent als
bedoeld in het tweede lid voldoet aan de uit artikel 55 van de wet
voortvloeiende verzekeringsplicht indien zij de uit de wettelijke
aansprakelijkheid voortvloeiende financiėle risicos heeft gedekt
door middel van een verzekering die Nederland als dekkingsgebied heeft
en een dekkingsbedrag heeft van minimaal 2.500.000 per
gebeurtenis.
4. Artikel 7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 7. Aanvraag
Artikel 9
Een aanvraag tot verlening van een bedrijfsvergunning bevat met het
oog op het vereiste van goede naam:
a. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28
van de Wet justitiėle en strafvorderlijke gegevens, welke
verklaring niet ouder is dan twee maanden,
b. een verklaring, afgegeven door de Kamer van Koophandel en niet
ouder dan twee maanden, dat jegens de spoorwegonderneming of haar
bestuurders in de aaneengesloten periode van vijf jaar voor de
vergunningaanvraag geen onherroepelijk faillissement is
uitgesproken.
Artikel 10
1. Een aanvraag tot verlening van een bedrijfsvergunning bevat met
het oog op het vereiste van financiėle draagkracht een document
waarin de spoorwegonderneming gemotiveerd aangeeft waarom zij voldoet
aan het vereiste van financiėle draagkracht. Dit document dient
gebaseerd te zijn op, en vergezeld te gaan van, gegevens over de
financiėle positie in het verleden en over de verwachte toekomstige
financiėle positie als gevolg van de voorgenomen bedrijfsvoering.
Deze gegevens omvatten in ieder geval de jaarrekeningen van de
onderneming van de drie afgelopen jaren alsmede een bedrijfs- of
ondernemingsplan. Indien zich na de openbaarmaking van de meest
recente jaarrekening relevante wijzigingen hebben voorgedaan, dan
worden deze opgenomen in het document over de financiėle positie.
Indien de spoorwegonderneming geen volledige jaarrekeningen kan
overleggen, legt zij de jaarbalansen over. Voorzover deze gegevens
over de financiėle positie in het verleden niet bestaan uit een
jaarrekening die is opgesteld op basis van titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek geven deze in ieder geval een gedetailleerd
overzicht van:
a. de activa, gespecificeerd naar de termijn van
beschikbaarheid en naar de mate waarin deze activa ter zekerheid
van aflossing van leningen of als zekerheid ten behoeve van
garantiestellingen zijn gesteld,
b. de passiva, waarbij de schulden zijn gespecificeerd naar de
termijn van opeisbaarheid,
c. niet uit de balans blijkende verplichtingen,
d. bijzondere rechten van aandeelhouders of derden op het
vermogen,
e. relevante kosten, met inbegrip van kosten voor de aanschaf
van en voorschotten op spoorvoertuigen, andere voertuigen,
terreinen, gebouwen, installaties en rollend materieel.
2. De spoorwegonderneming doet het in het eerste lid bedoelde
document, voorzover het toekomstgerichte informatie betreft, vergezeld
gaan van een door een accountant opgesteld onderzoeksrapport bij de
prognose. Dit betreft een accountant als bedoeld in artikel 393 van
Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Dit onderzoeksrapport dient tot
stand te komen overeenkomstig algemeen aanvaarde richtlijnen met
betrekking tot het onderzoek van toekomstgerichte informatie.
3. De jaarrekeningen en de jaarbalansen dienen voorzien te zijn van
een accountantsverklaring omtrent de getrouwheid. Hiervoor kan worden
volstaan met de oorspronkelijk afgegeven accountantsverklaringen.
4. De accountant voert een specifiek onderzoek uit teneinde na te
gaan dat na de openbaarmaking van de meest recente jaarrekeningen tot
aan het moment van een aanvraag van de vergunning zich geen relevante
wijzigingen hebben voorgedaan. De rapportage betreffende dit onderzoek
wordt bij het in het eerste lid bedoelde document gevoegd. Dit
onderzoek dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de algemeen
aanvaarde richtlijnen met betrekking tot opdrachten tot het verrichten
van specifieke werkzaamheden met betrekking tot financiėle
informatie.
Artikel 11
Een aanvraag tot verlening van een bedrijfsvergunning bevat met het
oog op het vereiste van beroepsbekwaamheid de gegevens, bedoeld in
onderdeel II van de bijlage bij richtlijn 95/18/EG.
§ 8. Melding van wijzigingen
Artikel 12
1. Een spoorwegonderneming aan wie een bedrijfsvergunning is
verleend, meldt Onze Minister zo spoedig mogelijk schriftelijk elke
wijziging met betrekking tot goede naam, beroepsbekwaamheid en de
verzekeringsplicht, ten aanzien waarvan redelijkerwijs moet worden
aangenomen dat zij gevolgen heeft voor de verleende bedrijfsvergunning
of de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.
2. In elk geval meldt een spoorwegonderneming een wijziging van de
naam van de onderneming of van een van de namen van de natuurlijke
personen of rechtspersonen die gezamenlijk als spoorwegonderneming
optreden.
§ 9. Periodieke toetsing van de vereisten van goede naam,
beroepsbekwaamheid en van de verzekeringsplicht
Artikel 13
Onverminderd artikel 12, legt de spoorwegonderneming elke vijf jaar,
gerekend vanaf de dag waarop de bedrijfsvergunning in werking is
getreden, aan Onze Minister over:
a. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28
van de Wet justitiėle en strafvorderlijke gegevens,
b. een afschrift van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel,
c. een bewijs van dekking van de uit wettelijke aansprakelijkheid
voortvloeiende financiėle risicos, en
d. een verklaring dat zij voldoet aan het vereiste van
beroepsbekwaamheid, bedoeld in artikel 6.
§ 10. Overig
Artikel 14
Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten
aanzien van de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking
van een bedrijfsvergunning.
Hoofdstuk 3. Het veiligheidsattest
Artikel 15 [Vervallen per 16-05-2007]
Artikel 16
1. Een aanvraag voor een veiligheidsattest bevat ten minste de bij
regeling van Onze Minister bepaalde gegevens en bescheiden.
2. Een adequaat veiligheidszorgsysteem als bedoeld in artikel 32,
eerste onderdeel b, van de wet, bevat tenminste de bij regeling van
Onze Minister met inachtneming van bijlage III van richtlijn
2004/49/EG vastgestelde bedrijfsprocessen.
3. Een veiligheidszorgsysteem waarvoor door een daartoe bevoegde
instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie een
certificering als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, van
richtlijn 2004/49/EG is afgegeven, geldt voor de verlening van het
veiligheidsattest als adequaat veiligheidszorgsysteem als bedoeld in
artikel 32, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
4. Het veiligheidsattest bevat:
a. de constatering dat de spoorwegonderneming beschikt over een
adequaat veiligheidszorgsysteem als bedoeld in artikel 32, eerste
lid, onderdeel b, van de wet, en
b. de constatering dat de spoorwegonderneming door toepassing
van haar veiligheidszorgsysteem veilig gebruik kan maken van de
spoorweg en daarbij kan voldoen aan de bij of krachtens hoofdstuk
3, paragraaf 3, van de Spoorwegwet gestelde voorschriften.
Artikel 16a
1. De houder van een veiligheidsattest ten aanzien waarvan artikel
16, tweede lid, geen toepassing heeft gevonden:
a. draagt er zorg voor dat het veiligheidszorgsysteem blijft
voldoen aan artikel 33, tweede en derde lid, van de wet en artikel
16, tweede lid;
b. maakt binnen een jaar na de afgifte daarvan gebruik van de
hoofdspoorweginfrastructuur, en
c. maakt aan Onze Minister zo spoedig mogelijk melding van
wijzigingen ten aanzien waarvan redelijkerwijs moet worden
aangenomen dat zij gevolgen hebben voor het afgegeven
veiligheidsattest of voor de daaraan verbonden beperkingen en
voorschriften.
2. De houder van een veiligheidsattest ten aanzien waarvan artikel
16, tweede lid, toepassing heeft gevonden:
a. blijft beschikken over een geldige certificering als bedoeld
in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn 2004/49/EG,
en
b. maakt binnen een jaar na de afgifte daarvan gebruik van
hoofdspoorweginfrastructuur.
Artikel 17
Onze Minister kan een proefattest als bedoeld in artikel 34 van de
wet verlenen, indien de spoorwegonderneming aannemelijk maakt dat zij
gedurende de geldigheidsduur van het proefattest op verantwoorde wijze
gebruik kan maken van de hoofdspoorweg.
Artikel 17a
Onze Minister gebruikt zijn bevoegdheid tot intrekking van het
veiligheidsattest als bedoeld in artikel 33, vijfde lid, van de wet,
indien de houder van het attest niet meer voldoet aan de in artikel 16a,
eerste lid, onderdelen a en b en tweede lid, onderdelen a en b, gestelde
eisen.
Artikel 18
Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten
aanzien van:
a. de wijziging of schorsing van het veiligheidsattest, en
b. de verlening, weigering, wijziging, schorsing of intrekking
van het proefattest.
Artikel 19
1. De houder van een veiligheidsattest ten aanzien waarvan artikel
16, tweede lid, geen toepassing heeft gevonden, stelt over ieder
kalenderjaar een jaarverslag op met betrekking tot de
spoorwegveiligheid en zendt dat in het daaropvolgende jaar telkens
voor 30 juni aan Onze Minister.
2. Het jaarverslag bevat in elk geval de in artikel 9, vierde lid,
onderdeel a tot en met d, van richtlijn 2004/49/EG bedoelde
informatie.
Artikel 19a
Een wijziging van artikel 9, vierde lid, en van bijlage III van
richtlijn 2004/49/EG gaat voor de toepassing van artikel 19, tweede lid,
onderscheidenlijk van artikel 16, tweede lid, gelden met ingang van de
dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 20
Een voor de inwerkingtreding van dit besluit door een onafhankelijke
certificerende instantie opgestelde verklaring dat een onderneming
voldoet aan de Veiligheid Gezondheid Milieu Checklist Aannemers met
Branchegerichte Toelichting Railinfrastructuur, wordt tot een door de
Minister te bepalen tijdstip aangemerkt als een proefattest als bedoeld
in artikel 34 van de wet met dien verstande dat dit proefattest
uitsluitend geldt voor het deelnemen aan het spoorverkeer met
zelfrijdend gereedschap of een daarmee vergelijkbaar voertuig, om
werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg uit te voeren, op een deel
van de hoofdspoorweg dat buiten dienst is gesteld.
Artikel 21
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 22
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bedrijfsvergunning en
veiligheidsattest hoofdspoorwegen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 december 2004
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
Uitgegeven de eenentwintigste december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|