|
BESLUIT van 3 december 2004, houdende regels over de
verdeling van de capaciteit van de hoofdspoorweginfrastructuur (Besluit
capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van
19 december 2003, nr. HDJZ/S&W/2003-1875, Hoofddirectie
Juridische Zaken;
Gelet op Richtlijn 2001/14/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van
spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het
gebruik van spoorweginfrastructuur (PbEG L 75) en de artikelen
57, onderdeel c, 59, derde lid, 61 en 62, achtste lid, van de
Spoorwegwet, en wat betreft artikel 15 van dit besluit, artikel 27 van
de Spoorwegwet 1875;
De Raad van State gehoord (advies van 19
februari 2004, nr. W09.03.0542/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2898,
Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Spoorwegwet;
b. gerechtigde: gerechtigde bedoeld
in artikel 57 van de wet;
c. pad: de capaciteit die een trein
tussen twee plaatsen, en tussen twee vastgestelde tijdstippen mag
gebruiken;
d. spits: de twee tijdvakken van elk
ten hoogste 2,5 uur op maandag tot en met vrijdag waarop aan het
personenvervoer een hogere bedieningsfrequentie wordt geboden dan in
de onmiddellijk daaraan voorafgaande en daarop volgende tijdvakken;
e. dagperiode: het deel van het
etmaal gelegen tussen 06:00 en 24:00 uur;
f. grote stations: de stations die op
kaart 1 behorende bij dit besluit zijn aangeduid als grote stations;
g. overige stations: alle stations
aan de hoofdspoorweg die in gebruik zijn en die op kaart 1 behorende
bij dit besluit niet zijn aangeduid als grote stations;
h. internationaal overeengekomen
paden: paden die door de beheerder in overleg met buitenlandse
beheerders overeenkomstig artikel 15 van richtlijn 2001/14/EG zijn
bestemd voor internationale treintrajecten;
i. ad hoc aanvragen:
capaciteitsaanvragen in de vorm van afzonderlijke paden;
j. dienstregeling: de gegevens over
alle geplande bewegingen van treinen en spoorvoertuigen;
k. de normale dienstregeling: de
dienstregeling die op het niveau van terugkerende paden in een
dienstregelingsperiode wordt uitgewerkt;
l. openbaar vervoer: openbaar
personenvervoer per trein als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van
de Wet personenvervoer 2000;
m. stadsgewestelijk openbaar vervoer:
openbaar vervoer op één van de op kaart 1 behorende bij dit
besluit aangeduide baanvakken met stadsgewestelijke stations;
n. streekgewestelijk openbaar
vervoer: openbaar vervoer op één van de op kaart 1 behorende bij
dit besluit aangeduide baanvakken met streekgewestelijke stations
waarvoor geldt dat de betrokken trein stopt op het merendeel van de
stations op dat baanvak;
o. hogesnelheidsnet: de speciaal
aangelegde hogesnelheidslijnen, die zijn uitgerust voor snelheden
van gewoonlijk ten minste 250 km per uur;
p. hogesnelheidspersonenvervoer:
openbaar vervoer waarbij in Nederland geheel of gedeeltelijk gebruik
wordt gemaakt van het hogesnelheidsnet;
q. nationaal openbaar vervoer:
openbaar vervoer tussen stations in Nederland, niet zijnde
hogesnelheidspersonenvervoer, stadsgewestelijk vervoer of
streekgewestelijk openbaar vervoer;
r. besloten personenvervoer:
personenvervoer per trein, niet zijnde openbaar vervoer;
s. conventioneel goederenvervoer:
goederenvervoer per trein in een pad met karakteristieken die
blijkens de netverklaring vergelijkbaar zijn met een pad voor een
goederentrein met een bruto treingewicht van 1600 ton, een
kruissnelheid van 85 kilometer per uur en een toegelaten
maximumsnelheid van ten minste 100 kilometer per uur;
t. zwaar goederenvervoer:
goederenvervoer per trein in een pad met karakteristieken die
blijkens de netverklaring vergelijkbaar zijn met een pad voor een
goederentrein met een bruto treingewicht van 5000 ton, met een
kruissnelheid van 80 kilometer per uur en een toegelaten
maximumsnelheid van maximaal 100 kilometer per uur;
u. snel goederenvervoer:
goederenvervoer per trein in een pad met karakteristieken die
blijkens de netverklaring vergelijkbaar zijn met een pad voor een
goederentrein met een bruto treingewicht van 400 ton en met een
kruissnelheid van 130 kilometer per uur en een toegelaten
maximumsnelheid van ten minste 140 kilometer per uur;
v. coördinatie: procedure die door
de beheerder en de gerechtigden wordt gevolgd om een oplossing te
vinden in geval van concurrerende capaciteitsaanvragen.
Artikel 2
Iedere natuurlijke persoon of
rechtspersoon die om commerciële redenen aantoonbaar belang heeft bij
de verwerving van capaciteit voor het doen vervoeren van personen of
lading door middel van spoorvervoerdiensten is gerechtigd tot het
sluiten van een toegangsovereenkomst en een kaderovereenkomst met de
beheerder.
§ 2. Algemene voorwaarden bij de
toegangsovereenkomst
Artikel 3
Algemene voorwaarden bij de
toegangsovereenkomst als bedoeld in artikel 59, derde lid, van de wet
zijn:
a. dat de capaciteit in de vorm van
paden voor maximaal de duur van een dienstregelingsperiode wordt
verdeeld;
b. dat bij die overeenkomst verdeelde
capaciteit vervalt in geval van nood en indien dit absoluut
noodzakelijk is ten gevolge van een storing die de infrastructuur
tijdelijk onbruikbaar maakt;
c. dat bij die overeenkomst verdeelde
capaciteit wordt ingeleverd indien gedurende een periode van ten
minste een maand voor minder dan een in de netverklaring te noemen
drempelwaarde is gebruikt, tenzij dit te wijten is aan niet
economische redenen buiten de wil van de gerechtigde;
d. dat gerechtigde zich onthoudt van
handelen dat overschrijding van de krachtens de Wet geluidhinder
geldende grenswaarden of overtreding van de van belang zijnde
voorschriften behorende bij de krachtens de Wet milieubeheer
verleende vergunningen of van het verbod, bedoeld in artikel 31 van
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen tot gevolg heeft;
e. dat de beheerder aanwijzingen
geeft aan de gerechtigde, die de gerechtigde dient op te volgen, bij
dreigende overschrijding van de in onderdeel d bedoelde grenswaarden
of dreigende overtreding van de in dat onderdeel bedoelde
voorschriften;
f. dat gerechtigde aan de beheerder
informatie verstrekt die de beheerder nodig heeft:
1°. voor het opstellen van een
ontwerp-geluidsbelastingkaart als bedoeld in artikel 7 van
richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de
beheersing van omgevingslawaai (Pb EG L 189) met betrekking tot
de geluidsbelasting vanwege de hoofdspoorwegen;
2°. om de voor Nederland
geldende verplichtingen na te leven van Verordening (EG) nr.
91/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese
Unie van 16 december 2002 betreffende de statistieken van het
spoorvervoer (PbEG L 14).
§ 3. Bepalingen ten aanzien van de
capaciteitsverdelingsprocedure
Artikel 4
De beheerder en gerechtigden nemen bij de
capaciteitsverdelingsprocedure voor de normale dienstregeling de
procedure van de artikelen 19, 20 en 21 en het tijdschema van bijlage
III van richtlijn 2001/14/EG in acht.
Artikel 4a
1. De netverklaring, bedoeld in artikel
58 van de wet, bevat een geschillenregeling als bedoeld in artikel 21,
zesde lid, van richtlijn 2001/14/EG.
2. Voor geschillen over de verdeling
van capaciteit tussen de beheerder en één of meer gerechtigden
tijdens de coördinatie voor de normale dienstregeling, voorziet de
geschillenregeling in een procedure waarvan verplichte advisering door
een onafhankelijke derde deel uitmaakt. Van een advies door de
onafhankelijke derde kan de beheerder bij de verdeling van capaciteit
gemotiveerd afwijken.
3. De onafhankelijke derde, bedoeld in
het tweede lid, wordt door de beheerder aangewezen met instemming van
de betrokken gerechtigden.
Artikel 5
1.De beheerder verstrekt gerechtigden
desgevraagd informatie over de binnen de dienstregeling nog voor ad
hoc aanvragen beschikbare capaciteit.
2.De beheerder geeft binnen vijf
werkdagen na ontvangst van een ad hoc aanvraag aan betrokken
gerechtigde aan of dit pad voor verdeling beschikbaar is.
Artikel 6
1. De benodigde capaciteit voor de
beheerder, voor ten tijde van de sluitingsdatum van de
capaciteitsaanvragen voor de normale dienstregeling redelijkerwijs
voorzienbaar en planbaar onderhoud en werkzaamheden ten behoeve van de
hoofdspoorweginfrastructuur aan of nabij de hoofdspoorwegen, wordt bij
de capaciteitsverdelingsprocedure voor de normale dienstregeling
verdeeld.
2. De beheerder handelt tijdens de
capaciteitsverdelingsprocedure voor de normale dienstregeling
transparant ten aanzien van de benodigde capaciteit, bedoeld in het
eerste lid. Hieronder wordt verstaan dat de beheerder zijn aanvraag
voorziet van een onderbouwing van nut en noodzaak van de benodigde
capaciteit, in geval van een geschil over de benodigde capaciteit of
indien er geen overeenstemming kan worden bereikt tijdens de
coördinatie ten aanzien van concurrerende capaciteitsaanvragen die
betrekking hebben op de benodigde capaciteit.
3. De beheerder handelt transparant ten
aanzien van zijn benodigde capaciteit voor niet redelijkerwijs
voorzienbaar of niet planbaar onderhoud en werkzaamheden ten behoeve
van de hoofdspoorweginfrastructuur aan of nabij de hoofdspoorwegen.
Hieronder wordt verstaan dat de beheerder zijn aanvraag voorziet van
een onderbouwing van nut en noodzaak van de benodigde capaciteit, in
geval van een geschil over de benodigde capaciteit.
§ 4. Regels ten aanzien van overbelast
verklaarde infrastructuur
Artikel 7
1. Indien de beheerder constateert dat
er geen overeenstemming kan worden bereikt tijdens de coördinatie ten
aanzien van concurrerende capaciteitsaanvragen die betrekking hebben
op vervoer, kunnen beheerder en een betrokken gerechtigde door
toepassing van een verhoging als bedoeld in artikel 62, derde lid, van
de wet tot overeenstemming komen.
2. Indien de verhoging, bedoeld in
artikel 62, derde lid, van de wet, niet is toegepast of geen
bevredigend resultaat heeft opgeleverd:
a. verklaart de beheerder de
betrokken infrastructuur overbelast;
b. verricht de beheerder binnen 26
weken na de overbelastverklaring een capaciteitsanalyse als
bedoeld in artikel 25 van richtlijn 2001/14/EG;
c. stelt de beheerder na overleg
met betrokken gerechtigden binnen 26 weken na de
capaciteitsanalyse een capaciteitsvergrotingsplan op als bedoeld
in artikel 26 van richtlijn 2001/14/EG;
d. informeert de beheerder binnen 4
weken na opstelling van het capaciteitsvergrotingsplan betrokken
gerechtigden en Onze Minister over het capaciteitsvergrotingsplan,
en
e. informeert de beheerder ten
minste jaarlijks alle gerechtigden en Onze Minister over de wijze
van uitvoering van het capaciteitsvergrotingsplan.
3. Het resultaat van de verhoging is in
ieder geval niet bevredigend indien ten gevolge hiervan het minimale
niveau van het personenvervoer, niet zijnde het
hogesnelheidspersonenvervoer, van het hogesnelheidspersonenvervoer of
van het goederenvervoer niet worden gehaald.
4. Indien de verhoging, bedoeld in
artikel 62, derde lid, van de wet, is doorberekend:
a. verricht de beheerder binnen 26
weken na de toepassing van de verhoging een capaciteitsanalyse als
bedoeld in artikel 25 van richtlijn 2001/14/EG;
b. stelt de beheerder na overleg
met betrokken gerechtigden binnen 26 weken na de
capaciteitsanalyse een capaciteitsvergrotingsplan als bedoeld in
artikel 26 van richtlijn 2001/14/EG op;
c. informeert de beheerder binnen 4
weken na opstelling van het capaciteitsvergrotingsplan betrokken
gerechtigden en Onze Minister over het capaciteitsvergrotingsplan,
en
d. informeert de beheerder
tenminste jaarlijks alle gerechtigden en Onze Minister over de
wijze van uitvoering van het capaciteitsvergrotingsplan.
5. Het tweede lid, onderdelen b en c,
en het vierde lid, onderdelen a en b, gelden niet indien reeds
uitvoering wordt gegeven aan een capaciteitsvergrotingsplan als
bedoeld in artikel 26 van richtlijn 2001/14/EG.
Artikel 7a
1. Indien de beheerder na de
coördinatie voor de normale dienstregeling constateert dat het niet
mogelijk is om verwachte capaciteitsaanvragen van gerechtigden voor de
navolgende jaren adequaat te verdelen, verklaart de beheerder de
betrokken infrastructuur voor de navolgende jaren overbelast, tot
maximaal de duur van vijf jaar, en volgt deze de procedure, bedoeld in
artikel 7, tweede lid, onderdelen b tot en met e.
2. De beheerder betrekt bij de
overbelastverklaring, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval
informatie over verwachte capaciteitsaanvragen voor de navolgende
jaren uit:
a. de
capaciteitsverdelingsprocedure voor de normale dienstregeling;
b. de gesloten kaderovereenkomsten;
c. een nieuw verleende concessie
als bedoeld in artikel 20, eerste en derde lid, van de Wet
personenvervoer 2000;
d. een onderbouwd verzoek van een
concessieverlener in voorbereiding op een nog te verlenen
concessie als bedoeld in artikel 20, eerste en derde lid, van de
Wet personenvervoer 2000;
e. prognoses van de beheerder of
gerechtigden over de ontwikkeling van de te verwachten
capaciteitsaanvragen voor de navolgende jaren.
Artikel 8
1. Indien concurrerende
capaciteitsaanvragen betrekking hebben op vervoer en de infrastructuur
overeenkomstigartikel 7, tweede lid, overbelast is verklaard, is het
minimale niveau:
a. voor personenvervoer, niet
zijnde hogesnelheidspersonenvervoer, met de op basis van artikel
10geldende prioriteitsvolgorde van deelmarkten van dat vervoer,
een bedieningsfrequentie per uur in iedere richting, gedurende de
dagperiode voor de op kaart 2 behorende bij dit besluit aangeduide
baanvakken:
1°. tussen de grote stations:
van 2 paden in de spits en 2 paden daarbuiten;
2°. tussen overige stations:
van 2 paden in de spits en 1 pad daarbuiten.
b. voor
hogesnelheidspersonenvervoer een bedieningsfrequentie per uur in
beide richtingen, gedurende de dagperiode:
1. Amsterdam CS – Schiphol
– Rotterdam CS – Belgische grens 2 paden per uur;
2. Amsterdam CS –Schiphol –
Rotterdam CS 2 paden per uur;
3. Amsterdam CS – Schiphol
– Rotterdam CS – Breda 2 paden per uur;
4. Den Haag CS – Rotterdam CS
– Breda – Belgische grens 0,5 pad per uur.
c. voor goederenvervoer, met de op
basis van artikel 10 geldende prioriteitsvolgorde van deelmarkten
van dat vervoer, een bedieningsfrequentie in iedere richting
|
Van/naar |
Via |
Naar/Van |
Paden/uur buiten de
spits |
Paden/uur in de
spits |
|
Amersfoort |
Deventer |
Oldenzaal grens |
1 |
1 |
|
Amersfoort |
Zwolle |
Groningen |
1 |
0,5 |
|
Beverwijk/Amsterdam Westhaven |
Breukelen |
Geldermalsen |
2 |
1 |
|
Haarlem |
Den Haag |
Kijfhoek |
1 |
0,5 |
|
Utrecht |
|
Zevenaar |
0 |
0 |
|
Kijfhoek |
|
Roosendaal grens |
2 |
1 |
|
Kijfhoek |
Breukelen |
Amersfoort |
1 |
1 |
|
Kijfhoek |
Boxtel |
Eindhoven |
1 |
1 |
|
Geldermalsen |
|
Boxtel |
1 |
0,5 |
|
Boxtel |
|
Eindhoven |
1 |
0.5 |
|
Sloe |
Roosendaal |
Tilburg |
1 |
1 |
|
Tilburg |
|
Geldermalsen |
1 |
0,5 |
|
Zevenaar |
|
Zevenaar grens |
4 |
4 |
|
Eindhoven |
Maastricht |
Eijsden grens |
2 |
1 |
|
Eindhoven |
|
Venlo |
1 |
0 |
|
Overige baanvakken |
|
|
1 |
0 |
2. De beheerder streeft met
betrekking tot de paden voor het hogesnelheidspersonenvervoer,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, naar een redelijke verdeling
over het uur.
3. De beheerder verdeelt de
capaciteit zodanig dat met gebruik van spoorvoertuigen als bedoeld
in het vierde en vijfde lid, het minimale niveau voor
hogesnelheidspersonenvervoer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, kan worden gerealiseerd met de volgende maximale reistijden:
a. Amsterdam CS– Schiphol –
Rotterdam CS – Belgische grens, 54 minuten;
b. Amsterdam CS –Schiphol –
Rotterdam CS – Belgische grens, 57 minuten;
c. Amsterdam CS –Schiphol –
Rotterdam CS – Breda, 62 minuten;
d. Amsterdam CS –Schiphol –
Rotterdam CS, 38 minuten;
e. Den Haag CS – Rotterdam CS
– Breda – Belgische grens, 51 minuten.
4. Spoorvoertuigen voor de toepassing
van het derde lid, onderdeel a, zijn voertuigen waarmee een snelheid
van meer dan 300 kilometer per uur kan worden bereikt en die ten
minste voldoen aan de eisen zoals opgenomen in de desbetreffende
krachtens artikel 20, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000,
verleende concessie.
5. Spoorvoertuigen voor de toepassing
van het derde lid, onderdelen b tot en met e zijn voertuigen waarmee
een snelheid van ten minste 220 kilometer per uur kan worden bereikt
en die ten minste voldoen aan de eisen zoals opgenomen in de
desbetreffende, krachtens artikel 20, eerste lid, van de Wet
personenvervoer 2000 verleende concessie.
Artikel 9
1. Indien de benodigde capaciteit voor
de beheerder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, concurreert met de
capaciteitsaanvragen van één of meerdere gerechtigden en tussen de
beheerder en de betrokken gerechtigden tijdens de coördinatie geen
overeenstemming wordt bereikt, volgt de beheerder de procedure,
bedoeld in artikel 7, tweede lid.
2. Er wordt prioriteit toegekend aan de
door de beheerder benodigde capaciteit, indien:
a. de beheerder tot het gebruiken
van deze capaciteit genoodzaakt is vanwege bij of krachtens
wettelijke bepalingen gestelde eisen, of
b. de bedrijfseconomische gevolgen
bij niet toekennen van prioriteit voor de beheerder nadelig zijn
ten opzichte van de bedrijfseconomische gevolgen van de betrokken
gerechtigde bij deze prioriteitsvolgorde.
3. Er wordt prioriteit toegekend aan
capaciteitsaanvragen met betrekking tot personenvervoer in de spits
indien deze concurreren met de benodigde capaciteit voor de beheerder
van redelijkerwijs voorzienbaar en planbaar onderhoud ten behoeve van
de hoofdspoorweginfrastructuur aan of nabij de hoofdspoorwegen.
Artikel 10
Indien de infrastructuur overeenkomstig
artikel 7, tweede lid, overbelast is verklaard, wordt bij de verdeling
van capaciteit na toepassing van artikel 8 prioriteit toegekend aan
deelmarkten overeenkomstig onderstaande volgorde:
a. stadsgewestelijk openbaar vervoer;
b. internationaal openbaar vervoer,
niet zijnde hogesnelheidspersonenvervoer, met uitzondering van
vervoer per nachttrein;
c. conventioneel goederenvervoer;
d. nationaal openbaar vervoer;
e. zwaar goederenvervoer;
f. snel goederenvervoer;
g. streekgewestelijk openbaar
vervoer;
h. hogesnelheidspersonenvervoer;
i. besloten personenvervoer.
Artikel 11
Indien de infrastructuur overeenkomstig
artikel 7, tweede lid, overbelast is verklaard en de concurrerende
capaciteitsaanvragen zich binnen eenzelfde deelmarkt van het
personenvervoer of binnen het hogesnelheidspersonenvervoer, voordoen,
komt prioriteit toe aan het zoveel mogelijk minimaliseren van de
reistijd van de betrokken reizigers in Nederland, gewogen naar
reizigersaantallen.
Artikel 12
Indien de infrastructuur overeenkomstig
artikel 7, tweede lid, overbelast is verklaard en de concurrerende
capaciteitsaanvragen zich binnen een deelmarkt van het goederenvervoer
voordoen, komt prioriteit toe aan het vervoer dat voldoet aan navolgende
criteria. Bij toepassing van deze criteria geldt dat een later genoemd
criterium slechts toepassing vindt, indien eerder genoemde criteria geen
oplossing bieden:
a. het internationale goederenvervoer
met uitzondering van het internationale goederenvervoer dat gebruik
maakt van het baanvak van/naar Dordrecht via Venlo naar/van Duitse
grens;
b. het binnenlands goederenvervoer
voor wat betreft het baanvak van/naar Dordrecht naar/van Eindhoven
dat begint of eindigt in Roermond, Sittard of Maastricht;
c. het zoveel mogelijk minimaliseren
van de vervoerstijd van de betrokken goederen in Nederland;
d. het vervoer dat begint of eindigt
in mainport Rotterdam-Rijnmond of havenindustriële complexen van
Amsterdam-IJmond en Vlissingen-Sloe;
e. het vervoer van een
spoorwegonderneming die voor de eerste keer toetreedt tot de markt
van het goederenvervoer per spoor, waarbij dit belang voor die
nieuwe spoorwegonderneming geldt tot een maximum van 15% van de
minimale niveaus voor het goederenvervoer;
f. het vervoer dat vier of meer malen
per week verricht wordt.
§ 5. Voorbehouden van capaciteit
Artikel 13
1. Het in artikel 8, eerste lid,
onderdeel c, genoemde minimale niveau per deelmarkt van het
goederenvervoer is voorbehouden ten behoeve van dit gebruik tot op het
moment van capaciteitsverdeling voor de normale dienstregeling.
2. De internationaal overeengekomen
paden zijn voorbehouden ten behoeve van dit gebruik.
3. Ten minste 10% van de in het eerste
lid voor goederenvervoer voorbehouden minimale niveaus is voorbehouden
ten behoeve van ad hoc aanvragen met betrekking tot goederenvervoer en
besloten personenvervoer.
4. De beheerder raamt jaarlijks het
deel van de minimale niveaus voor goederenvervoer dat ten behoeve van
ad hoc aanvragen dient te worden voorbehouden. Indien de behoefte van
gerechtigden hoger ligt dan het in het derde lid genoemde percentage,
is dat percentage voorbehouden ten behoeve van dit gebruik.
§ 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 14 [Vervallen per 24-05-2006]
Artikel 15
Het Interimbesluit capaciteitstoewijzing
spoorwegen wordt ingetrokken.
Artikel 16
De artikelen van dit besluit treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 december 2004
BEATRIX
De Minister
van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H.
Peijs
Uitgegeven de eenentwintigste
december 2004
De
Minister van Justitie,
J.P.H.
Donner
Bijlage
Kaart 1, behorende bij artikel 1,
onderdeel m en n, van het Besluit capaciteitsverdeling
hoofdspoorwegstructuur
Kaart 2, behorende bij artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van het Besluit capaciteitsverdeling
hoofdspoorwegstructuur
|