| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Spoorwegwet
BESLUIT
SPOORVERKEER
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 3 december 2004, houdende regels met
betrekking tot het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen (Besluit
spoorverkeer)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 16
september 2003, Hoofddirectie Juridische Zaken, nr. HDJZ/S&W/2003-1877;
Gelet op Richtlijn 2001/14/EG en de artikelen
23, 64, 65 en 87, eerste lid, van de Spoorwegwet;
De Raad van State gehoord (advies van 19
december 2003, nr. W09.03.0393/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2899,
Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: de Spoorwegwet;
b. bestuurder: bestuurder van een trein;
c. trein: spoorvoertuig of samenstel van spoorvoertuigen;
d. rangeerder: persoon die een trein begeleidt;
e. spoorwegemplacement: als zodanig bij ministeriėle regeling
aangewezen deel van de hoofdspoorweg;
f. gevaarlijke stoffen: gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Wet
vervoer gevaarlijke stoffen;
g. hoofdspoorweg: hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 2, tweede
lid, of artikel 124, tweede lid, van de wet;
h. gebruik van een hoofdspoorweg: met een spoorvoertuig rijden
over of stilstaan op een hoofdspoorweg;
i. hoge-snelheidsspoorwegsysteem: hoge-snelheidsspoorwegsysteem
als bedoeld in richtlijn 96/48/EG;
j. locomotief: spoorvoertuig met eigen voortbewegingsinrichting,
hoofdzakelijk bestemd en ingericht om andere spoorvoertuigen voort
te bewegen.
k. treinstel: spoorvoertuig met eigen voortbewegingsinrichting,
bestemd voor het vervoer van personen en goederen, niet zijnde een
locomotief;
l. sein: verkeersteken inhoudende een ge- of verbod, een
waarschuwing of een aanduiding.
§ 2. Gebruik van hoofdspoorwegen
Artikel 2
1.De spoorwegonderneming draagt er zorg voor dat een trein waarmee
in haar opdracht aan het verkeer op de hoofdspoorweg wordt
deelgenomen, door een deskundige wordt onderzocht op eventuele
gebreken die een veilig en ongestoord gebruik van de hoofdspoorweg in
gevaar kunnen brengen.
2.Het onderzoek heeft in ieder geval betrekking op:
a. de reminrichting;
b. de koppeling van de afzonderlijke voertuigen;
c. de elektrische verbinding tussen de afzonderlijke
voertuigen;
d. verlichting;
e. het functioneren van de toegangsdeuren van voertuigen
bestemd voor het vervoer van personen;
f. de belading van voertuigen bestemd voor het vervoer van
goederen.
3.Indien gebreken als bedoeld in het eerste lid worden
geconstateerd, draagt de spoorwegonderneming er zorg voor dat deze
voor het vertrek worden hersteld of dat alsdan zodanige voorzieningen
worden getroffen dat geen gevaar voor een veilig en ongestoord gebruik
van de hoofdspoorweg ontstaat of kan ontstaan.
4.De spoorwegonderneming doet voor het vertrek mededeling van
voorzieningen als bedoeld in het derde lid aan:
a. de bestuurder;
b. de beheerder voor zover deze voorzieningen een beperking van
het gebruik van de hoofdspoorweg tot gevolg hebben.
5.Het is de spoorwegonderneming verboden een trein te doen
vertrekken indien geen onderzoek heeft plaats gevonden of indien niet
aan het derde lid is voldaan.
6.Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld over het
onderzoek, bedoeld in het eerste lid, waaronder regels over het moment
waarop deze onderzoeken worden verricht.
Artikel 3
1.De spoorwegonderneming doet voor het vertrek mededeling aan de
bestuurder van:
a. het feit of met de trein personen of goederen worden
vervoerd;
b. de maximale snelheid van de trein;
c. de lengte en de samenstelling van de trein;
d. het feit dat niet de zekerheid bestaat dat de trein wordt
gedetecteerd;
e. de dienstregeling;
f. het UN-nummer en het gevaarsidentificatienummer van
gevaarlijke stoffen, bedoeld in de Regeling vervoer over de
spoorweg van gevaarlijke stoffen, indien dergelijke stoffen worden
vervoerd en van de plaats waar deze zich in de trein bevinden;
g. bijzondere verkeerssituaties of bijzondere
verkeersmaatregelen op de te berijden baanvakken;
h. ontheffingen of vrijstellingen en daaraan verbonden
voorschriften of beperkingen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing na wisseling van
de bestuurder.
3.Het is de spoorwegonderneming verboden de trein te doen
vertrekken indien niet aan het eerste of het tweede lid is voldaan.
Artikel 4
1.De spoorwegonderneming doet voor het vertrek van de betrokken
trein mededeling aan de beheerder van:
a. het feit of met de trein personen of goederen worden
vervoerd;
b. de lengte en de samenstelling van die trein en van eventuele
wijzigingen van die samenstelling tijdens de rit;
c. het UN-nummer en het gevaarsidentificatienummer van
gevaarlijke stoffen, bedoeld in de Regeling vervoer over de
spoorweg van gevaarlijke stoffen, indien dergelijke stoffen worden
vervoerd en van de plaats waar deze zich in de trein bevinden;
d. het feit dat niet de zekerheid bestaat dat de trein wordt
gedetecteerd;
e. eventuele ontheffingen of vrijstellingen en daaraan
verbonden voorschriften of beperkingen ten aanzien van de
betrokken rit.
2.Het is de spoorwegonderneming verboden de trein te doen
vertrekken indien niet aan het eerste lid is voldaan.
3.De beheerder kan naar aanleiding van een mededeling als bedoeld
in het eerste lid aan de spoorwegonderneming in het belang van een
veilig en ongestoord gebruik van de hoofdspoorweg aanwijzingen inzake
dat gebruik geven.
4.De spoorwegonderneming is verplicht deze aanwijzingen op te
volgen.
Artikel 5
De spoorwegonderneming draagt er zorg voor dat tijdens het gebruik in
haar opdracht van een trein van het hoge-snelheidsspoorwegsysteem bij
voortduring een deskundige ter beschikking staat, tot wie de bestuurder
zich kan wenden ingeval van een incident of van een ernstig defect aan
die trein.
Artikel 6
1.Voor het vertrek vergewist de bestuurder zich ervan of:
a. een onderzoek als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is
verricht;
b. aan artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met f, is
voldaan;
c. de dodemansinrichting goed functioneert;
d. de automatische treinbeveiligingsinrichting, indien
aanwezig, niet buiten bedrijf is;
e. de voorgeschreven telecommunicatiemiddelen goed
functioneren;
f. de voorgeschreven verlichting aan de voorzijde en aan de
achterzijde goed functioneert hetzij of de schilden aan de
achterzijde zijn aangebracht;
g. de deuren van de trein gesloten zijn en of zich geen
personen of hun bagage tussen de deuren bevinden;
h. er voor de door hem te berijden baanvakken bijzondere
verkeerssituaties of bijzondere verkeersmaatregelen bestaan;
i. er ten aanzien van de door hem uit te voeren rit ontheffing
of vrijstelling, met daaraan verbonden voorschriften of
beperkingen, is verleend.
2.Het is de bestuurder verboden te vertrekken indien:
a. geen onderzoek als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is
verricht;
b. niet aan artikel 3, eerste lid, is voldaan;
c. de inrichtingen of middelen, bedoeld in het eerste lid,
onderdelen c, d of e, niet goed functioneren;
d. niet aan de onderdelen f en g van het eerste lid is voldaan.
3.Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is van overeenkomstige
toepassing op elke wijziging tijdens de rit van de samenstelling van
de trein waarmee goederen worden vervoerd.
4.Het eerste lid, aanhef en onderdelen c tot en met i, is van
overeenkomstige toepassing na wisseling van de bestuurder en na
wisseling van bestuurderscabine in verband met een verandering van de
rijrichting van de trein.
Artikel 7
Tijdens het gebruik van een trein van het
hoge-snelheidsspoorwegsysteem doet de beheerder de bestuurder onverwijld
mededeling omtrent wijzigingen in de veiligheidsmaatregelen op de door
deze te berijden hoofdspoorweginfrastructuur.
Artikel 8
De beheerder verstrekt aan de spoorwegondernemingen informatie
omtrent de hoofdspoorweginfrastructuur.
Artikel 8a
Op hoofdspoorwegen als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit
aanwijzing hoofdspoorwegen bedraagt de maximumsnelheid 30 kilometer per
uur.
Artikel 9
1. Onverminderd artikel 8a en de door seinen aangegeven
maximumsnelheid is het de bestuurder verboden over een hoofdspoorweg
te rijden met een hogere dan door de betrokken spoorwegonderneming
voor de trein vastgestelde maximum snelheid.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over het vaststellen van de maximum snelheid.
Artikel 10
1. Onverminderd artikel 8a is het de bestuurder verboden over een
hoofdspoorweg te rijden met een zodanige snelheid, dat hij niet in
staat is de trein tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover
hij de spoorweg kan overzien en waarover deze vrij is, indien:
a. hij rijdt op een gedeelte van de hoofdspoorweg waar het
verkeer niet wordt geregeld door lichtseinen,
b. hij op aanwijzing van de beheerder een lichtsein voorzien
van een onderbord met het opschrift P als bedoeld in bijlage 4 van
de Regeling spoorverkeer passeert dat een rood licht uitstraalt,
c. hij rijdt op een gedeelte van de hoofdspoorweg dat buiten
dienst is gesteld als bedoeld in artikel 64 van de wet,
d. hij via de voorgeschreven communicatiemiddelen een
alarmsignaal heeft ontvangen, met dien verstande dat de snelheid
ten hoogste 40 km/h mag bedragen.
2. Onverminderd artikel 8a en artikel 9 is het de bestuurder
verboden met een hogere snelheid dan 40 km/h te rijden indien de trein
uit meerdere voertuigen bestaat en deze niet is uitgerust met een
doorgaande en zelfwerkende reminrichting.
3. Onze Minister kan gedeelten van de hoofdspoorweg als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, aanwijzen waarop het verbod, bedoeld in
dat lid, niet van toepassing is.
Artikel 11
Het is verboden met een spoorvoertuig over een hoofdspoorweg te
rijden of te doen of laten rijden indien het gewicht van de lading
daarvan het voor dat voertuig vastgestelde maximum laadvermogen
overschrijdt.
Artikel 12
1.Het is verboden met een spoorvoertuig over een hoofdspoorweg te
rijden of te doen of laten rijden indien de lading daarvan buiten het
bij ministeriėle regeling vastgestelde omgrenzingsprofiel voor
spoorvoertuigen uitsteekt.
2.Onverminderd artikel 40 is het eerste lid niet van toepassing
indien:
a. de afmetingen van de lading blijven binnen het bij
ministeriėle regeling vastgestelde profiel,
b. aan de beheerder voorafgaande aan dat rijden daarvan melding
is gedaan, en
c. de door de beheerder in het belang van een veilig en
ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg gegeven aanwijzingen worden
opgevolgd.
3.Degene aan wie de aanwijzingen zijn gegeven is verplicht deze op
te volgen.
4.Het is verboden met een spoorvoertuig over een hoofdspoorweg te
rijden of te doen of laten rijden indien de lading daarvan niet
zodanig is vastgezet of afgedekt, dat deze tijdens het rijden de
veiligheid van het verkeer op de hoofdspoorweg, van de betrokken trein
of van de omgeving in gevaar brengt of kan brengen.
Artikel 13
1.Het is de bestuurder verboden om gedeelten van de hoofdspoorweg,
waar het verkeer niet wordt geregeld door lichtseinen, te gebruiken
zonder voorafgaande melding daarvan aan de beheerder.
2.De beheerder kan naar aanleiding van de melding in het belang van
een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg aanwijzingen
geven.
3.De bestuurder is verplicht deze aanwijzingen op te volgen.
4.Het eerste lid is niet van toepassing indien de
spoorweginfrastructuur van het betreffende gedeelte van de
hoofdspoorweg en het betrokken spoorvoertuig zijn voorzien van een op
elkaar afgestemd en goed functionerend ERTMS.
5.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ERTMS verstaan het
besturings- en seingevingssysteem, bedoeld in de Beschikking nr.
2002/731/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 mei
2002 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit
van het subsysteem «Besturing en seingeving» van het trans-Europees
hogesnelheidsspoorwegsysteem overeenkomstig artikel 6, lid 1, van
richtlijn 96/48/EG.
Artikel 14
1.Het is de bestuurder verboden over een hoofdspoorweg gezien de
rijrichting van de trein achteruit te rijden.
2.Het eerste lid is niet van toepassing:
a. indien zich op of nabij de trein een rangeerder bevindt, die
een onbelemmerd uitzicht heeft op de te berijden
spoorweginfrastructuur en de daarbij behorende seinen en die bij
voortduring in verbinding staat met de bestuurder;
b. indien zich op, nabij of aan de trein een installatie
bevindt, die de bestuurder tijdens het achteruitrijden bij
voortduring een onbelemmerd inzicht op de veilige berijdbaarheid
van de spoorweginfrastructuur biedt;
c. bij het achteruitrijden met een treinstel over korte afstand
uitsluitend in verband met het koppelen of ontkoppelen daarvan.
3.De bestuurder is verplicht de aanwijzingen van de rangeerder
onverwijld op te volgen.
Artikel 15
1.Het is de bestuurder verboden een trein op een hoofdspoorweg
terug te zetten zonder voorafgaande melding daarvan aan de beheerder.
2.De beheerder kan naar aanleiding van de melding in het belang van
een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg aanwijzingen
geven.
3.De bestuurder is verplicht deze aanwijzingen op te volgen.
4.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder terugzetten
verstaan het achteruitrijden waarbij een reeds gepasseerd sein,
wissel, spoorwegovergang of andere verkeersbeļnvloedende installatie
wederom wordt gepasseerd.
Artikel 16
1. De bestuurder die over hoofdspoorwegen als bedoeld in bijlage 2
bij het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen rijdt, die gelegen zijn in
een kruising of een samenloop met een voor het openbaar verkeer
openstaande weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 en die niet
worden aangeduid als een overweg door middel van de borden J12 en J13
van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
is verplicht:
a. de snelheid te verminderen en zonodig te stoppen als de
veiligheid van het verkeer dat verlangt;
b. de weggebruikers voor te laten gaan;
c. de aanwijzingen 1 tot en met 7 van bijlage 2, behorende bij
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, op te volgen;
d. aan de weggebruikers de voor het rijden van de trein en voor
de veiligheid van het verkeer benodigde stoptekens, bedoeld in
artikel 82, vierde lid, van het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens 1990, en andere aanwijzingen te geven.
2. Wanneer de bestuurder de stoptekens en aanwijzingen in het
eerste lid, onder d, niet kan geven, worden deze gegeven door de
rangeerder die de trein begeleidt.
Artikel 17
1.Op kruisingen van hoofdspoorwegen met niet voor het openbaar
verkeer openstaande wegen verlenen weggebruikers voorrang aan
spoorvoertuigen.
2.Het is weggebruikers verboden een kruising als bedoeld in het
eerste lid op te rijden of te betreden:
a. indien zij deze niet terstond geheel kunnen passeren en deze
niet geheel vrij kunnen maken;
b. indien aldaar door een begeleider van een trein een
stopteken overeenkomstig model F 10 van bijlage I van het RVV
1990, een rode vlag of een rode lamp wordt getoond.
Artikel 18
1.Het is de spoorwegonderneming verboden op een hoofdspoorweg een
proefrit uit te voeren of te doen uitvoeren zonder voorafgaande
melding daarvan aan de beheerder.
2.De beheerder kan naar aanleiding van de melding in het belang van
een veilig en ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg aanwijzingen
geven.
3.De spoorwegonderneming is verplicht deze aanwijzingen op te
volgen.
4.In afwijking van het eerste lid is het de spoorwegonderneming
verboden op een hoofdspoorweg in het hoge-snelheidsspoorwegsysteem een
proefrit uit te voeren of te doen uitvoeren zonder een door haar ter
zake opgesteld en door de beheerder goedgekeurd plan.
Artikel 19
De bestuurder die een trein onbeheerd op een hoofdspoorweg
achterlaat, draagt er zorg voor dat die trein niet uit zichzelf in
beweging kan komen.
§ 3. Seinen
Artikel 20
Bij ministeriėle regeling worden nadere regels gesteld over de aard,
uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van seinen.
§ 4. Werkzaamheden aan of nabij de hoofdspoorweg
Artikel 21
De beheerder draagt er zorg voor:
a. dat gedeelten van de hoofdspoorweg, die buiten dienst zijn
gesteld als bedoeld in artikel 64 van de wet, worden aangeduid met
de daartoe door de beheerder aangewezen seinen overeenkomstig het
krachtens artikel 20 bepaalde;
b. dat de hoofdspoorweg ter plaatse waar werkzaamheden aan of
nabij die hoofdspoorweg worden uitgevoerd, in de bij ministeriėle
regeling bepaalde gevallen buiten dienst wordt gesteld of doelmatig
wordt afgeschermd;
c. dat tijdens de uitvoering van werkzaamheden aan of nabij de
hoofdspoorweg gebruik wordt gemaakt van goed functionerende
automatische waarschuwingsapparatuur als bedoeld in normblad nummer
730-3 van de Internationale Spoorweg Unie op de wijze als in dat
normblad bepaald, of van goed functionerende andere bij
ministeriėle regeling voorgeschreven apparatuur.
§ 5. Verplichtingen bij onregelmatigheden
Artikel 22
1.De bestuurder of andere personen die deelnemen aan het verkeer
over de hoofdspoorweg melden storingen of andere onregelmatigheden aan
de trein of op of aan de hoofdspoorweg die een veilig en ongestoord
gebruik van die hoofdspoorweg in gevaar brengen of kunnen brengen
onverwijld aan de beheerder.
2.De bestuurder en de andere personen, bedoeld in het eerste lid,
zijn verplicht de door de beheerder naar aanleiding van de melding
gegeven aanwijzingen inzake het veilig en ongestoord gebruik van de
hoofdspoorweg op te volgen.
3.De bestuurder of de andere personen, bedoeld in het eerste lid,
treffen voor zover mogelijk maatregelen om uitbreiding van het gevaar
ontstaan door de in dat lid bedoelde storingen of onregelmatigheden te
voorkomen.
4.De spoorwegonderneming doet van storingen of andere
onregelmatigheden die een veilig en ongestoord gebruik van de
hoofdspoorweg in gevaar brengen of kunnen brengen, voor zover deze een
trein betreffen waarmee in haar opdracht gebruik wordt gemaakt van de
hoofdspoorweg, melding aan Onze Minister.
Artikel 23
1.De beheerder draagt er zorg voor dat bij storing van het
treinverkeer over de hoofdspoorweg of bij andere onregelmatigheden op
of aan de hoofdspoorweg die een veilig en ongestoord verkeer op die
hoofdspoorweg in gevaar brengen of kunnen brengen, zo spoedig mogelijk
de veilige en ongestoorde treinenloop wordt hersteld.
2.Te dien einde kan de beheerder in het belang van een veilig en
ongestoord verkeer op de hoofdspoorweg aan bestuurders en aan andere
personen, die zich op of nabij die hoofdspoorweg bevinden,
aanwijzingen inzake dat verkeer geven.
3.De bestuurders en de andere personen, bedoeld in het tweede lid,
zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen.
4.De beheerder stelt ter zake van het eerste lid een noodplan op
dat voldoet aan artikel 29, eerste lid, van richtlijn 2001/14/EG.
§ 6. Samenstelling treinen
Artikel 24
1.Het is verboden over een hoofdspoorweg die deel uitmaakt van het
hoge-snelheidsspoorwegsysteem te rijden of te doen of laten rijden met
een trein van dat systeem die langer is dan 400 meter.
2.In afwijking van het eerste lid mag de lengte ten hoogste 404
meter bedragen indien dat nodig is om een verbetering van de
aėrodynamische eigenschappen van de voor- en de achterzijde van de
trein mogelijk te maken.
Artikel 25
1.Het is verboden door Onze Minister aan te wijzen spoorvoertuigen
in een trein over een hoofdspoorweg te vervoeren of te doen vervoeren
op een andere dan door Onze Minister bepaalde plaats in die trein.
2.Bij ministeriėle regeling kunnen in het belang van een veilig en
ongestoord gebruik van de hoofdspoorweg nadere regels worden gesteld
over de plaatsing, bedoeld in het eerste lid.
§ 7. Verlichting en signalering
Artikel 26
1.Een trein is tijdens het gebruik van de hoofdspoorweg gezien de
rijrichting voorzien van:
a. drie brandende witte of gele lichten aan de voorzijde;
b. twee brandende, al dan niet knipperende, rode lichten aan de
achterzijde.
2.In afwijking van het eerste lid:
a. mag een trein, met uitzondering van een trein op een buiten
dienst gesteld spoor als bedoeld in artikel 64 van de wet, aan de
achterzijde zijn voorzien van twee schilden in plaats van twee
rode lichten;
b. mag een trein, die niet bestemd is voor het vervoer van
personen, aan de achterzijde zijn voorzien van een brandend, al
dan niet knipperend, rood licht.
3.Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld over het model,
de afmetingen, het reflecterend vermogen en de plaatsing van de
schilden.
4.In afwijking van het eerste en tweede lid is een trein van het
hoge-snelheidsspoorwegsysteem tijdens het gebruik van de hoofdspoorweg
gezien de rijrichting voorzien van:
a. drie brandende witte lichten aan de voorzijde;
b. twee brandende rode lichten aan de achterzijde.
5.Indien treinstellen van het hoge-snelheidsspoorwegsysteem tijdens
het gebruik van de hoofdspoorweg zijn gekoppeld, wordt de verlichting
op de plaats van de koppeling gedoofd.
Artikel 27
1.Behoudens andersluidende aanwijzing van de beheerder, is het de
bestuurder in geval van defecte verlichting aan de voorzijde van de
trein toegestaan door te rijden tot het eindpunt van de rit.
2.Bij het geheel gedoofd zijn van verlichting aan de voorzijde
neemt de bestuurder de volgende maatregelen:
a. hij beperkt de snelheid van de trein zodanig, dat hij in
staat is deze tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover
hij de spoorweg kan overzien en waarover deze vrij is,
b. hij rijdt nimmer sneller dan 40 km/h, en
c. hij geeft bij de nadering van een spoorwegovergang een
geluidssignaal.
3.Het is de bestuurder in het geval, bedoeld in het tweede lid,
verboden door te rijden indien niet aan de aldaar gestelde
voorschriften is voldaan.
§ 8. Gebruik van hoofdspoorwegen uitsluitend binnen
spoorwegemplacementen
Artikel 28
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. rangeren: op een spoorwegemplacement splitsen of opnieuw
samenvoegen van treinen, dan wel in een bepaalde volgorde op een
spoor of naar andere sporen manoeuvreren;
b. parkeren: op een spoorwegemplacement laten stilstaan van een
trein anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt
wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van reizigers of voor
het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
Artikel 29
De artikelen 2, 3, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en
onderdeel c, 4, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onderdeel
d, 6, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, voor
zover het artikel 3, eerste lid, onderdeel c betreft, e, f en g, 26 en
27, zijn niet van toepassing bij rangeren en parkeren uitsluitend binnen
een spoorwegemplacement.
Artikel 30
Het is de bestuurder verboden om bij het gebruik van een
hoofdspoorweg uitsluitend binnen een spoorwegemplacement bij het
rangeren te rijden met een hogere snelheid dan 40 km/h.
Artikel 31
De spoorwegonderneming verstrekt voordat in haar opdracht wordt
gerangeerd, aan de bestuurder en de rangeerder een rangeeropdracht en
aan de beheerder een rangeerplan.
Artikel 32
1.Een locomotief en een trein zijn tijdens het gebruik van een
hoofdspoorweg uitsluitend binnen een spoorwegemplacement aan de voor-
en aan de achterzijde voorzien van tenminste een brandend wit licht.
2.Het eerste lid is niet van toepassing gedurende de periode dat
een locomotief of een trein op een hoofdspoorweg binnen een
spoorwegemplacement is geparkeerd.
§ 9. Noodremming
Artikel 33
Het is verboden zonder noodzaak de noodreminrichting van een trein in
werking te stellen.
Artikel 34
Het is verboden met een trein over een hoofdspoorweg te rijden of te
doen of te laten rijden indien de noodreminrichting buiten werking is.
Artikel 35
Het is de bestuurder verboden tijdens het vertrek van de trein een
remming als gevolg van het gebruik van de noodreminrichting te
onderbreken.
§ 10. Diverse bepalingen
Artikel 36
1.De spoorwegonderneming treft zodanige maatregelen, dat gedurende
het gebruik van een hoofdspoorweg in haar opdracht geen gevaar
ontstaat dat de aandacht van de bestuurder van het verkeer aldaar
wordt afgeleid.
2.Het is verboden zich in de bestuurderscabine van een trein te
bevinden zonder toestemming van de betrokken spoorwegonderneming.
Artikel 37
1.De bestuurder, het personeel van een trein en de beheerder houden
tijdens het gebruik van de trein op een hoofdspoorweg hun onderlinge
communicatie inzake veiligheid kort en zakelijk.
2.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels gesteld worden
over de communicatie.
3.In afwijking van het eerste lid nemen de bestuurder en het
personeel van een trein van het hoge-snelheidsspoorwegsysteem en de
beheerder tijdens het gebruik van die trein op dat spoorwegsysteem bij
hun onderlinge communicatie inzake de veiligheid, bijlage A van de
Bijlage van de Beschikking nr. 2002/734/EG van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 30 mei 2002 betreffende de technische
specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie
van het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem overeenkomstig
artikel 6, lid 1, van Richtlijn 96/48/EG (PbEG L 245) in acht.
Artikel 38
Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels gesteld worden over
aanwijzingen als bedoeld in de artikelen 4, derde lid, 12, tweede lid,
onderdeel c, 13, tweede lid, 15, tweede lid, 18, tweede lid, 22, tweede
lid, en 23, tweede lid.
Artikel 39
Het is verboden om tijdens de reis met een trein van het
hoge-snelheidsspoorwegsysteem bagage in de gangpaden of in de
deuropeningen te plaatsen.
§ 11. Ontheffing en vrijstelling
Artikel 40
1.Onze Minister kan ontheffing of vrijstelling verlenen van het bij
artikel 34 bepaalde en, gehoord de beheerder, van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 12, eerste lid en 25.
2.Aan de ontheffing of vrijstelling kunnen voorschriften of
beperkingen worden verbonden in het belang van een veilig en
ongestoord gebruik van de hoofdspoorwegen.
3.Onze Minister kan, de beheerder gehoord indien het de toepassing
van de artikelen 12, eerste lid, en 25 betreft, de ontheffing of
vrijstelling wijzigen of intrekken:
a. indien de door de aanvrager verstrekte gegevens zodanig
onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat op de aanvraag anders
zou zijn beslist indien de juiste gegevens bij de beoordeling van
de aanvraag bekend zouden zijn geweest;
b. in het belang van een veilig en ongestoord gebruik van de
hoofdspoorwegen.
4.Het is verboden te handelen in strijd met de voorschriften of
beperkingen, bedoeld in het tweede lid.
§ 12. Bepalingen van strafrechtelijke aard
Artikel 41
Overtreding van de artikelen 2, eerste, derde, vierde en vijfde lid,
3, tweede lid, 4, tweede en vierde lid, 5, 6, tweede lid, 7, 8, 8a, 9,
eerste lid, 10, eerste en tweede lid, 11, 12, eerste, derde en vierde
lid, 13, eerste en derde lid, 14, eerste en derde lid, 15, eerste en
derde lid, 16, 17, 18, eerste, derde en vierde lid, 19, 21, 22, 23,
eerste, derde en vierde lid, 24, 25, eerste lid, 27, derde lid, 30, 31,
33, 34, 35, 36, 37, eerste en derde lid, 39 en 40, vierde lid, vormt een
strafbaar feit in de zin van artikel 87, eerste lid, van de wet.
§ 13. Slotbepalingen
Artikel 42
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 43
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit spoorverkeer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 december 2004
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
Uitgegeven de eenentwintigste december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|