| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Spoorwegwet
BESLUIT
SPOORWEGINFRASTRUCTUUR
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 3 december 2004, houdende bepalingen met
betrekking tot de spoorweginfrastructuur (Besluit
spoorweginfrastructuur)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 december
2003, nr. HDJZ/S&W/2003-1876, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 6, 8 tot en met 12, 23,
en 87 van de Spoorwegwet;
De Raad van State gehoord (advies van 2 maart
2004, nr. W09.03.0543/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2894,
Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Spoorwegwet;
b. hoofdspoorweg: hoofdspoorweg als
bedoeld in artikel 2, tweede lid, of artikel 124, tweede lid, van de
wet;
c. gebruik van een hoofdspoorweg: met
een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg.
§ 2. Eigenschappen en keuring van de
hoofdspoorweginfrastructuur
Artikel 2
1.Bij ministeriėle regeling worden
eisen gesteld waaraan hoofdspoorweginfrastructuur moet voldoen.
2.Deze eisen hebben onder meer
betrekking op aspecten als bedoeld in artikel 6 van de wet.
Artikel 3
1.Onze Minister kan ontheffing verlenen
van de eisen, bedoeld in artikel 2.
2.De beheerder legt bij zijn aanvraag
voor een ontheffing de bescheiden over en verstrekt de inlichtingen
die Onze Minister noodzakelijk acht.
3.Onze Minister vermeldt in de
beschikking tot ontheffingverlening in ieder geval:
a. de eisen waarvan ontheffing is
verleend;
b. de beperkingen waaronder de
ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing
zijn verbonden;
c. de datum van afgifte;
d. de geldigheidsduur.
Artikel 4
1.De keuringsinstantie keurt op
aanvraag:
a. hoofdspoorweginfrastructuur voor
de afgifte van een goedkeuringscertificaat als bedoeld in bijlage
G van het Verdrag;
b. ingevolge het Verdrag als
zodanig aangemerkte onderdelen van de hoofdspoorweginfrastructuur
voor de afgifte van een goedkeuringscertificaat als bedoeld in
bijlage G van dat Verdrag.
2.De keuring betreft het ontwerp, de
beproeving en de aanleg of de productie van de
hoofdspoorweginfrastructuur of de onderdelen.
3.De keuring van een onderdeel als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan geschieden van een type
onderdeel of van een afzonderlijk onderdeel.
Artikel 5
1.De aanvraag voor een keuring als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wordt ingediend door
degene, die zorg draagt voor de aanleg van
hoofdspoorweginfrastructuur.
2.De aanvraag voor een keuring als
bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, wordt ingediend door de
fabrikant, de eigenaar of de houder van het onderdeel.
3.Bij de aanvraag wordt een
informatiedossier overgelegd.
4.Onze Minister kan besluiten dat voor
een aanpassing van bestaande hoofdspoorweginfrastructuur een keuring
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, wordt aangevraagd.
5.Onder aanpassing van bestaande
hoofdspoorweginfrastructuur wordt voor de toepassing van dit artikel
verstaan het uitvoeren van ingrijpende werkzaamheden tot wijziging van
deze infrastructuur die van invloed zijn op de prestaties daarvan.
Artikel 6
1.Betreft de keuring
hoofdspoorweginfrastructuur dan geeft de keuringsinstantie daarvoor
een goedkeuringscertificaat af indien deze hoofdspoorweginfrastructuur
in overeenstemming is met het informatiedossier en voldoet aan de
toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit,
bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 96/48/EG
onderscheidenlijk van richtlijn 2001/16/EG.
2.De bij de ministeriėle regeling,
bedoeld in artikel 2, vastgestelde eisen, gelden voor de afgifte van
een goedkeuringscertificaat als technische voorschriften inzake
interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn
2001/16/EG.
3.De krachtens artikel 7 van de wet bij
ministeriėle regeling gestelde eisen met betrekking tot het systeem
van treinbeļnvloeding gelden voor de afgifte van een
goedkeuringscertificaat als technische voorschriften inzake
interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn
96/48/EG onderscheidenlijk van richtlijn 2001/16/EG.
4.De krachtens artikel 19, negende lid,
bij ministeriėle regeling gestelde eisen gelden voor de afgifte van
een goedkeuringscertificaat als technische specificaties inzake
interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn
96/48/EG onderscheidenlijk van richtlijn 2001/16/EG.
Artikel 7
1.Betreft de keuring een type van een
ingevolge het Verdrag als zodanig aangemerkt onderdeel dan geeft de
keuringsinstantie daarvoor een certificaat van overeenstemming af
indien het onderdeel in overeenstemming is met het informatiedossier
en het voldoet aan de bij ministeriėle regeling gestelde eisen.
2.Voor elk overeenkomstig dit type
geconstrueerd onderdeel dat vergezeld gaat van een verklaring van de
fabrikant waarin deze overeenstemming wordt bevestigd, geeft de
keuringsinstantie op aanvraag zonder nadere keuring een
goedkeuringscertificaat af.
3.Betreft de keuring een afzonderlijk
onderdeel dan geeft de keuringsinstantie daarvoor een
goedkeuringscertificaat af indien dit onderdeel in overeenstemming is
met het informatiedossier en het voldoet aan de bij ministeriėle
regeling gestelde eisen.
Artikel 8
1.In afwijking van de artikelen 6 en 7,
eerste en derde lid, mag de keuringsinstantie in geval van
hoofdspoorweginfrastructuur of onderdelen waarin technologieėn of
concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan een
of meer van de in die artikelen bedoelde eisen kunnen voldoen, van die
eisen afwijken, indien deze technologieėn of concepten tenminste
dezelfde waarborgen bieden voor de veiligheid of de interoperabiliteit
van het verkeer over de hoofdspoorwegen als die eisen.
2.De afwijking wordt afzonderlijk
vermeld in het betrokken certificaat van overeenstemming of in het
betrokken goedkeuringscertificaat.
3.Bij ministeriėle regeling worden
nadere regels gesteld over het eerste lid.
Artikel 9
1.Aan een certificaat van
overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, en aan een
goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 6 of artikel 7, derde
lid, kunnen voorschriften worden verbonden of deze documenten kunnen
onder beperkingen worden afgegeven.
2.Het is verboden in strijd met deze
voorschriften of beperkingen de betrokken onderdelen in de handel te
brengen of te gebruiken.
Artikel 10
1.De keuringsinstantie stelt van
keuringen als bedoeld in de paragrafen twee en drie telkens een
technisch dossier samen.
2.Nadat het besluit van de
keuringsinstantie met betrekking tot deze keuring onherroepelijk is
geworden, stelt de keuringsinstantie het betrokken technische dossier
aan de aanvrager van de keuring ter beschikking.
3.De keuringsinstantie zendt een
afschrift van elk technisch dossier toe aan Onze Minister.
Artikel 11
Bij ministeriėle regeling kunnen nadere
regels worden gesteld over de vorm en inhoud van:
1°. het informatiedossier, bedoeld
in artikel 5, derde lid;
2°. het certificaat van
overeenstemming, bedoeld in artikel 7, eerste lid;
3°. de goedkeuringscertificaten,
bedoeld in de artikelen 6 en 7, derde lid;
4°. het technisch dossier, bedoeld
in artikel 10, eerste lid.
§ 3. Keuring na herstel
Artikel 12
Indien hoofdspoorweginfrastructuur die
overeenkomstig de wet voor het verkeer daarover is goedgekeurd een
ernstige beschadiging heeft ondergaan, kan Onze Minister bepalen dat
deze hoofdspoorweginfrastructuur na herstel door de keuringsinstantie
gekeurd wordt.
Artikel 13
1.De aanvraag voor een keuring als
bedoeld in artikel 12 wordt door de beheerder ingediend.
2.Bij de aanvraag wordt een
informatiedossier overgelegd.
Artikel 14
1.De keuringsinstantie keurt de
herstelde hoofdspoorweginfrastructuur goed indien deze voldoet aan de
toepasselijke technische specificaties inzake interoperabiliteit,
bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 2001/16/EG,
respectievelijk artikel 2, onderdeel g, van richtlijn 96/48/EG.
2.De bij de ministeriėle regeling,
bedoeld in artikel 2, vastgestelde eisen, gelden voor de afgifte van
een goedkeuringscertificaat als technische voorschriften inzake
interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn
2001/16/EG.
3.De krachtens artikel 7 van de wet bij
regeling van Onze Minister gestelde eisen met betrekking tot het
systeem van treinbeļnvloeding gelden voor de afgifte van de
EG-keuringsverklaring als technische voorschriften inzake
interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn
96/48/EG onderscheidenlijk van richtlijn 2001/16/EG.
4.De krachtens artikel 19, negende lid,
bij ministeriėle regeling gestelde eisen gelden voor de afgifte van
een goedkeuringscertificaat als technische specificaties inzake
interoperabiliteit.
5.Na goedkeuring verstrekt de
keuringsinstantie voor de herstelde hoofdspoorweginfrastructuur een
goedkeuringscertificaat.
Artikel 15
Indien de keuringsinstantie de herstelde
hoofdspoorweginfrastructuur afkeurt, vervalt de geldigheid van de met
betrekking tot die infrastructuur verleende goedkeuring als bedoeld in
artikel 12 op het tijdstip waarop het besluit van de keuringsinstantie
onherroepelijk wordt.
§ 4. Intrekking en verval geldigheid
goedkeuringscertificaat
Artikel 16
1.Indien de keuringsinstantie
vaststelt, dat een onderdeel waarvoor deze instantie een
goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 7 heeft afgegeven, niet
langer voldoet aan de bij ministeriėle regeling als bedoeld in dat
artikel gestelde eisen, stelt deze instantie de beheerder, die het
onderdeel gebruikt, of de eigenaar of houder daarvan in de gelegenheid
het gebrek te herstellen binnen een door deze instantie te stellen
termijn.
2.Indien de beheerder, eigenaar of
houder niet voldoet aan het eerste lid, doet de keuringsinstantie
daarvan melding aan Onze Minister, die het betrokken
goedkeuringscertificaat kan intrekken.
Artikel 17
De geldigheid van een
goedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 6 vervalt van rechtswege
bij de definitieve buitengebruikstelling van de betrokken
hoofdspoorweginfrastructuur.
§ 5. Registratie en bewaring van
gegevens of documenten
Artikel 18
1.De keuringsinstantie voert een
deugdelijke registratie terzake van de krachtens dit besluit verrichte
keuringen en afgegeven, ingetrokken of geweigerde certificaten.
2.De keuringsinstantie bewaart
afschriften van technische dossiers als bedoeld in artikel 10, eerste
lid.
3.Bij ministeriėle regeling kunnen
over het eerste of het tweede lid, nadere regels worden gesteld.
4.De gegevens, bedoeld in het eerste
lid, en de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, worden gedurende de
gehele levensduur van de betrokken hoofdspoorweginfrastructuur
bewaard.
§ 6. EG-verklaringen
Artikel 19
1.Een EG-keuringsverklaring als bedoeld
in artikel 8, tweede lid, onderdeel a of b van de wet, wordt afgegeven
door degene die de aanleg van nieuwe of de vernieuwing of verbetering
van bestaande hoofdspoorweginfrastructuur aanbesteedt of door diens in
Nederland gevestigde gemachtigde.
2.Een EG-keuringsverklaring voldoet aan
bijlage V van richtlijn 2001/16/EG respectievelijk bijlage V van
richtlijn 96/48/EG.
3.Onder vernieuwing wordt verstaan
belangrijke vervangingswerkzaamheden waarbij bestaande
hoofdspoorweginfrastructuur wordt gewijzigd en die geen wijziging van
de algemene prestaties van die hoofdspoorweginfrastructuur tot gevolg
hebben.
4.Onder verbetering wordt verstaan
belangrijke werkzaamheden waarbij bestaande
hoofdspoorweginfrastructuur wordt gewijzigd en die een verbetering van
de algemene prestaties van die hoofdspoorweginfrastructuur tot gevolg
hebben.
5.Degene die de vernieuwing of
verbetering van bestaande hoofdspoorweginfrastructuur aanbesteedt,
dient bij Onze Minister een dossier in waarin het project beschreven
wordt.
6.Onze Minister bepaalt op basis van
het dossier, bedoeld in het vijfde lid, dat een nieuwe
EG-keuringsverklaring moet worden afgegeven indien:
a. de omvang van de voorgenomen
verbetering of vernieuwing dit volgens hem noodzakelijk maakt, of
b. de verbetering of vernieuwing
gevolgen heeft voor de algehele veiligheid van de desbetreffende
hoofdspoorweginfrastructuur.
7.De krachtens artikel 2 van dit
besluit bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen gelden voor
de afgifte van een EG-keuringsverklaring als technische voorschriften
inzake interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 2001/16/EG.
8.De krachtens artikel 7 van de wet bij
regeling van Onze Minister gestelde eisen met betrekking tot het
systeem van automatische treinbeļnvloeding gelden voor de afgifte van
de EG-keuringsverklaring als technische voorschriften inzake
interoperabiliteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van richtlijn
96/48/EG onderscheidenlijk van richtlijn 2001/16/EG.
9.Bij ministeriėle regeling worden
eisen vastgesteld ter uitvoering van de technische specificaties
inzake interoperabiliteit als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 96/48/EG onderscheidenlijk in artikel 2, onderdeel g, van
richtlijn 2001/16/EG, die voor de afgifte van een
EG-keuringsverklaring als zodanige technische specificaties inzake
interoperabiliteit gelden.
Artikel 20
1.Een EG-verklaring van conformiteit of
van geschiktheid voor gebruik als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onderdelen a of b, van de wet wordt afgegeven door:
a. de fabrikant van de betrokken
onderdelen of diens in Nederland gevestigde gemachtigde, of
b. degene die deze onderdelen van
diverse herkomst of delen daarvan assembleert dan wel voor eigen
gebruik vervaardigt.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
de daar bedoelde verklaring afgegeven door degene die deze onderdelen
in Nederland in de handel brengt indien de personen, genoemd in het
eerste lid, onderdelen a en b, artikel 10, eerste lid, van de wet niet
naleven.
3.Een EG-verklaring van conformiteit
voldoet aan bijlage IV van richtlijn 2001/16/EG respectievelijk
bijlage IV van richtlijn 96/48/EG.
§ 7. Bescherming van de hoofdspoorweg en
zijn omgeving
Artikel 21
1.Een vergunning als bedoeld in artikel
19 van de wet, wordt in ieder geval geweigerd indien de in het eerste
lid van dat artikel bedoelde verrichtingen:
a. ernstige hinder of gevaar
opleveren of kunnen opleveren voor een veilig en doelmatig gebruik
of beheer van de hoofdspoorwegen;
b. ernstige hinder of gevaar
opleveren of kunnen opleveren voor reeds aanwezige objecten.
2.Voorschriften als bedoeld in artikel
19, tweede lid, van de wet kunnen onder meer betrekking hebben op:
a. de werkwijze, de te nemen
maatregelen en de te gebruiken materialen;
b. het tracé, de markering en de
gronddekking van kabels en leidingen;
c. de te nemen maatregelen bij het
beėindigen van de handelingen, bedoeld in artikel 19, eerste lid,
van de wet;
d. de duur van de handelingen,
bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet.
Artikel 22
1.De aanvrager van een vergunning als
bedoeld in artikel 19 van de wet legt, onverminderd artikel 4:2 van de
Algemene wet bestuursrecht, een situatietekening schaal 1:1000 met een
exacte plaatsaanduiding en indien het een aanvraag betreft als bedoeld
in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, een tekening van
het dwarsprofiel schaal 1:100 over.
2.In de tekening van het dwarsprofiel
bij een vergunningaanvraag met betrekking tot kabels of leidingen,
worden de volgende gegevens vermeld:
a. de diepte van de kabel of
leiding, dan wel de diepte van de beschermbuis ten opzichte van de
bovenkant van de spoorstaven;
b. het soort materiaal en de in- en
uitwendige diameter van de kabel of leiding en van de
beschermbuis;
c. de maximum werkdruk in bar voor
mediumvoerende leidingen;
d. de wijze van geleiding van de
beschermbuis, de verbindingen van de mediumvoerende leiding en de
wijze van eventuele kathodische bescherming;
e. de situering van een
verklikkerinstallatie bij vloeistofvoerende leidingen;
f. de ontstoppingsputten of het
ontvang- en stortbed van een vrijverval rioolleiding indien de
spoorstaven door de leiding worden gekruist.
3.In door Onze Minister te bepalen
gevallen kan worden afgeweken van de verplichting tot het verstrekken
van de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens.
Artikel 23
Onze Minister kan een vergunning als
bedoeld in artikel 19 van de wet wijzigen of intrekken:
a. indien de door de aanvrager
verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn,
dat op de aanvraag anders zou zijn beslist indien de juiste gegevens
bij de beoordeling van de aanvraag bekend zouden zijn geweest;
b. indien binnen de in de vergunning
bepaalde termijn geen begin met de in de vergunning vermelde
werkzaamheden is gemaakt;
c. indien de werkzaamheden gedurende
een langere dan de in de vergunning bepaalde termijn zijn gestaakt;
d. indien de aan de vergunning
verbonden voorschriften of beperkingen niet in acht worden genomen;
e. in het belang van een veilig en
ongestoord gebruik van de hoofdspoorwegen;
f. in verband met de wijziging van
bestaande of de aanleg van nieuwe hoofdspoorweginfrastructuur.
Artikel 24
De artikelen 21, eerste lid, onderdeel a,
22, eerste en derde lid, en 23 zijn van overeenkomstige toepassing op
het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 21, tweede lid,
van de wet.
§ 8. Spoorwegbruggen
Artikel 25
1.Onze Minister bepaalt:
a. voor welke beweegbare bruggen
door hem vaste openingstijden worden vastgesteld;
b. welke beweegbare bruggen op
verzoek van de schipper worden geopend volgens een door hem goed
te keuren regeling van de beheerder;
c. welke beweegbare bruggen als
regel geopend zijn, en alleen gesloten zijn als er een trein moet
passeren;
d. bij welke beweegbare bruggen
door hem voor te schrijven communicatiemiddelen ten behoeve van de
scheepvaart aanwezig moeten zijn;
e. ten aanzien van welke bruggen de
beheerder door hem goed te keuren voorwaarden voor de doorvaart
vaststelt, voor zover dit in verband met de uit de afmetingen van
schepen voortvloeiende gevaren en beperkingen en met het oog
daarop te nemen maatregelen nodig is.
2.Onze Minister hoort, alvorens hij
zijn bevoegdheden ingevolge het eerste lid uitoefent, de beheerder, de
vaarwegbeheerder en vertegenwoordigers uit de scheepvaart.
3.Onze Minister kan bepalen hoe lang
voordat een trein een brug, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel
c, moet passeren, met het sluiten van de brug kan of moet worden
aangevangen.
4.Indien in een vaarweg ter plaatse van
een beweegbare brug de scheepvaart is gestremd, kan in afwijking van
hetgeen in of krachtens de vorige leden is bepaald, de brug gesloten
blijven.
Artikel 26
1.De beheerder draagt er zorg voor, dat
bij de bruggen tekens worden getoond overeenkomstig het bepaalde in de
artikelen 6.25 en 6.26, vierde en vijfde lid, van het
Binnenvaartpolitiereglement, met dien verstande dat het teken, bedoeld
in artikel 6.26, vierde lid, onderdeel f, van het
Binnenvaartpolitiereglement, alleen wordt gebruikt indien Onze
Minister zulks bepaalt of goedkeurt.
2.In het geval van gestoorde
lichttekens toont de beheerder een bord als bedoeld in artikel 6.26,
zesde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement.
3.Artikel 6.26 van het
Binnenvaartpolitiereglement is van overeenkomstige toepassing, voor
zover in dit besluit daar niet van wordt afgeweken.
§ 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 27
1.Vergunningen die ingevolge artikel 15
van het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen (Stb. 1977, 152)
en ontheffingen die ingevolge artikel 39 van de Spoorwegwet (Stb.
1875, 67) zijn verleend van de artikelen 36, eerste lid, 37 en 38 van
de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) en gelden op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit, worden vanaf de dag waarop dit
besluit in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van
artikel 19 van de wet.
2.Ontheffingen die ingevolge artikel 39
van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) zijn verleend van artikel 36,
tweede lid, van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) en gelden op het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, worden vanaf de dag
waarop dit besluit in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond
van artikel 21 van de wet.
Artikel 28
Overtreding van artikel 9, tweede lid,
vormt een strafbaar feit in de zin van artikel 87, eerste lid, van de
wet.
Artikel 29
Het besluit van 5 februari 1925, tot
vaststelling van een reglement ter voorkoming van aantasting van metalen
voorwerpen in den bodem door zwerfstromen, afkomstig van de spoorstaven
van elektrische spoor- en tramwegen (Stb. 29) is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 30
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
spoorweginfrastructuur.
Artikel 31
De artikelen van dit besluit treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 december 2004
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
Uitgegeven de eenentwintigste december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|