| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Spoorwegwet
BESLUIT
SPOORWEGPERSONEEL
Tekst zoals deze geldt op
25 juli 2011
Vervallen
m.i.v. 15 november 2011
|
|
|
BESLUIT van 3 december 2004, houdende vaststelling van
voorschriften met betrekking tot de bekwaamheid en geschiktheid van
spoorwegpersoneel (Besluit spoorwegpersoneel)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 6
oktober 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1880, Hoofddirectie Juridische
Zaken;
Gelet op de artikelen 1, onderdeel j,
49, 50, 51 en 52 van de Spoorwegwet;
De Raad van State gehoord (advies van 6 januari
2004, nr. W09.03.0427/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2917,
Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen met betrekking tot
veiligheidsfuncties
Artikel 1. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Spoorwegwet;
b. machinist: bestuurder van een spoorvoertuig op een
hoofdspoorweg;
c. hoofdspoorwegverkeerssysteem: het verkeerssysteem van de
krachtens artikel 2, eerste lid, van de wet als zodanig aangewezen
hoofdspoorwegen.
Artikel 2. Aanwijzing veiligheidsfuncties
Als veiligheidsfuncties binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem,
andere dan de functie van machinist, worden aangewezen de functies van:
a. rangeerder;
b. wagencontroleur;
c. treindienstleider;
d. werktreinbegeleider.
Artikel 3. Gradaties binnen veiligheidsfuncties
1. Binnen de veiligheidsfunctie van machinist worden de volgende
gradaties onderscheiden:
a. machinist met volledige bevoegdheid;
b. machinist met beperkte bevoegdheid;
c. machinist met minimale bevoegdheid;
d. gereedschapsmachinist.
2. Binnen de veiligheidsfunctie van rangeerder worden de volgende
gradaties onderscheiden:
a. rangeerder met volledige bevoegdheid;
b. rangeerder met minimale bevoegdheid.
3. Binnen de veiligheidsfunctie van treindienstleider worden de
volgende gradaties onderscheiden:
a. treindienstleider met volledige bevoegdheid;
b. treindienstleider met minimale bevoegdheid.
Artikel 4. Taken en bevoegdheden machinist
1.De machinist met volledige bevoegdheid heeft als taak het
besturen, rangeren en begeleiden van spoorvoertuigen zonder
beperkingen aan snelheid en afstand.
2.De machinist met beperkte bevoegdheid heeft als taak het
besturen, rangeren en begeleiden van spoorvoertuigen, met een
maximumsnelheid van 40 km per uur en binnen een straal van 25 km vanaf
het vertrekpunt van zijn rit.
3.De machinist met minimale bevoegdheid heeft als taak het
besturen, rangeren en begeleiden van spoorvoertuigen, met een
maximumsnelheid van 40 km per uur op emplacementen of gedeelten
daarvan, die niet zijn voorzien van een technische beveiliging of waar
die beveiliging voorkomt dat ander treinverkeer van en naar de
betrokken sporen plaatsvindt.
4.De gereedschapsmachinist heeft als taak het besturen van als
gereedschap dienende spoorvoertuigen tijdens het gebruik daarvan bij
werkzaamheden aan, in of nabij de spoorweginfrastructuur op sporen die
buiten dienst zijn gesteld als bedoeld in artikel 64 van de wet.
Artikel 5. Taken en bevoegdheden rangeerder
1.De rangeerder met volledige bevoegdheid heeft als taak het
samenstellen van treinen en het zonder beperkingen begeleiden van
spoorvoertuigen op emplacementen.
2.De rangeerder met minimale bevoegdheid heeft als taak het
samenstellen van treinen en het begeleiden van spoorvoertuigen op
emplacementen of gedeelten daarvan, die niet zijn voorzien van een
technische beveiliging of waar die beveiliging voorkomt dat ander
treinverkeer van en naar de betrokken sporen plaatsvindt.
Artikel 6. Taken en bevoegdheden wagencontroleur
De wagencontroleur heeft als taak het controleren van goederenwagens
en het controleren van de belading daarvan op kenbare gebreken.
Artikel 7. Taken en bevoegdheden treindienstleider
1.De treindienstleider met volledige bevoegdheid heeft als taak:
a. het ter beschikking stellen van veilige rijwegen;
b. het treffen van veiligheidsmaatregelen bij storingen en bij
werkzaamheden aan, in of nabij de spoorweginfrastructuur,
waaronder tevens begrepen het geven van aanwijzingen met
betrekking tot een veilig en ongestoord gebruik van de spoorweg.
2.De treindienstleider met minimale bevoegdheid heeft als taak:
a. het ter beschikking stellen van veilige rijwegen op
emplacementen of gedeelten daarvan, die niet zijn voorzien van een
technische beveiliging;
b. het treffen van veiligheidsmaatregelen bij storingen en bij
werkzaamheden aan, in of nabij de spoorweginfrastructuur,
waaronder tevens begrepen het geven van aanwijzingen met
betrekking tot een veilig en ongestoord gebruik van de spoorweg,
op emplacementen of gedeelten daarvan, die niet zijn voorzien van
een technische beveiliging.
Artikel 8 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 9 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 10. Taken en bevoegdheden werktreinbegeleider
De werktreinbegeleider heeft als taak het begeleiden van
spoorvoertuigen ten behoeve van werkzaamheden aan, in of nabij de
spoorweginfrastructuur naar, op en van sporen die buiten dienst zijn
gesteld als bedoeld in artikel 64 van de wet.
Artikel 11. Afgeleide bevoegdheden
1.Personen die bevoegd zijn tot uitoefening van de
veiligheidsfunctie van machinist met volledige of beperkte bevoegdheid
zijn tevens bevoegd tot uitoefening van de veiligheidsfunctie van
rangeerder.
2.Personen die bevoegd zijn tot uitoefening van de
veiligheidsfunctie van machinist met minimale bevoegdheid zijn tevens
bevoegd tot uitoefening van de veiligheidsfunctie van rangeerder met
minimale bevoegdheid.
3.Personen aan wie na 31 december 2005 de bevoegdheid tot
uitoefening van de veiligheidsfunctie van werktreinbegeleider wordt
toegekend, zijn tevens bevoegd tot uitoefening van de
veiligheidsfunctie van rangeerder.
4.Het eerste tot en met het derde lid geldt niet voor personen, in
dienst van een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming, die
hun standplaats hebben in het buitenland, indien in het land van hun
standplaats niet is voorzien in de afleiding van bevoegdheden zoals in
die leden bedoeld.
Artikel 12. Minimumleeftijd
1.Veiligheidsfuncties worden slechts uitgeoefend door personen die
de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.
2.In afwijking van het eerste lid wordt de veiligheidsfunctie van
machinist met volledige bevoegdheid slechts uitgeoefend door een
persoon die de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt.
Artikel 13. Taalbeheersing
1. Personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen beheersen de
Nederlandse taal zodanig dat zij de voor de uitoefening van de
betrokken functie gebruikelijke procescommunicatie kunnen voeren en
begrijpen.
2. Het eerste lid geldt niet voor personen die de
veiligheidsfunctie van gereedschapsmachinist uitoefenen.
Hoofdstuk II. Kennis en bekwaamheid
§ 1. Eisen betreffende algemene kennis en bekwaamheid
Artikel 14. Eisen voor machinisten
1.Machinisten voldoen aan door het exameninstituut bedoeld in
artikel 20, vierde lid, vastgestelde en door Onze Minister
goedgekeurde eisen, die ten minste betrekking hebben op:
a. algemene kennis van de inrichting en terminologie van het
spoorwegsysteem en van de spoorweginfrastructuur;
b. kennis van tractievormen en voertuigtypen en de bediening
daarvan;
c. kennis van seinen, seinstelsels en beveiligingssystemen;
d. kennis van regels en procedures voor het uitvoeren en
begeleiden van bewegingen met spoorvoertuigen;
e. kennis van bijzondere situaties en noodprocedures;
f. bedrevenheid in de bediening van spoorvoertuigen, daaronder
begrepen het rijden met spoorvoertuigen en de juiste toepassing
van de daarbij behorende operationele controles en procedures,
communicatie en regels voor het verkeersgedrag.
2.Het eerste lid geldt niet voor machinisten, in dienst van een in
het buitenland gevestigde spoorwegonderneming, die hun standplaats
hebben in het buitenland en die slechts dienst doen op het traject
tussen de rijksgrens en een nabij die grens gelegen, door Onze
Minister aangewezen, station, mits zij voldoen aan de in het land van
hun standplaats geldende eisen betreffende de voor uitoefening van hun
functie vereiste kennis en bekwaamheid.
Artikel 15. Eisen voor rangeerders en werktreinbegeleiders
1.Rangeerders en werktreinbegeleiders voldoen aan de door het
exameninstituut bedoeld in artikel 20, vierde lid, vastgestelde en
door Onze Minister goedgekeurde eisen, die ten minste betrekking
hebben op:
a. algemene kennis van de inrichting en terminologie van het
spoorwegsysteem, van de spoorweginfrastructuur en van
spoorvoertuigen;
b. kennis van seinen, seinstelsels en beveiligingssystemen;
c. kennis van regels en procedures voor het uitvoeren en
begeleiden van bewegingen met spoorvoertuigen en het samenstellen
van treinen, alsmede van maatregelen noodzakelijk voor de eigen
veiligheid;
d. kennis van bijzondere situaties en noodprocedures;
e. bedrevenheid in het begeleiden van bewegingen van
spoorvoertuigen, het daarbij in acht nemen van de eigen veiligheid
en het op juiste wijze communiceren met de machinist en met de
treindienstleider.
2.Het eerste lid geldt niet voor rangeerders en
werktreinbegeleiders, in dienst van een in het buitenland gevestigde
spoorwegonderneming, die hun standplaats hebben in het buitenland en
die slechts dienst doen op het traject tussen de rijksgrens en een
nabij die grens gelegen, door Onze Minister aangewezen, station, mits
zij voldoen aan de in het land van hun standplaats geldende eisen
betreffende de voor uitoefening van hun functie vereiste kennis en
bekwaamheid.
Artikel 16. Eisen voor wagencontroleurs
1.Wagencontroleurs voldoen aan de door het exameninstituut bedoeld
in artikel 20, vierde lid, vastgestelde en door Onze Minister
goedgekeurde eisen, die ten minste betrekking hebben op:
a. algemene kennis van de inrichting en terminologie van het
spoorwegsysteem en van spoorvoertuigen;
b. kennis van bij goederenwagens toegepaste bedieningssystemen
alsmede kennis omtrent treinsamenstellingen;
c. kennis van regels en procedures inzake de belading van
goederenwagens;
d. kennis van regels en procedures voor het vaststellen van
gebreken bij voertuigonderdelen, bedieningssystemen en belading;
e. bedrevenheid in het uitvoeren van wagencontroles en
remproeven, het benoemen en in de juiste stand zetten van
bedieningssystemen, het benoemen van controlepunten en het
toepassen van controlecriteria bij goederenwagens en lading.
2.Het eerste lid geldt niet voor wagencontroleurs, in dienst van
een in het buitenland gevestigde spoorwegonderneming, die hun
standplaats hebben in het buitenland, mits zij voldoen aan de in het
land van hun standplaats geldende eisen betreffende de voor
uitoefening van hun functie vereiste kennis en bekwaamheid.
Artikel 17. Eisen voor treindienstleiders
Treindienstleiders voldoen aan de door het exameninstituut bedoeld in
artikel 20, vierde lid, vastgestelde en door Onze Minister goedgekeurde
eisen, die ten minste betrekking hebben op:
a. algemene kennis van de inrichting en terminologie van het
spoorwegsysteem, van de spoorweginfrastructuur en van
spoorvoertuigen;
b. kennis van seinen, seinstelsels, beveiligingssystemen en
andere spoorweginfrastructuursystemen;
c. kennis van regels, documenten en procedures voor de
operationele sturing van het spoorverkeer en voor werkzaamheden aan,
in of nabij de spoorweginfrastructuur;
d. kennis van de handelwijzen bij bijzondere situaties, storingen
en calamiteiten;
e. bedrevenheid in de operationele sturing en beheersing van het
spoorverkeer, daaronder begrepen het verkeer bij werkzaamheden aan,
in of nabij de spoorweginfrastructuur en bij bijzondere situaties,
en de juiste toepassing van de daarvoor geldende regels, documenten,
procedures en communicatie.
Artikel 18 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 19 [Vervallen per 01-04-2010]
§ 2. Toetsing algemene kennis en bekwaamheid
Artikel 20. Algemeen
1.Personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen tonen bij een
onderzoek aan dat zij voldoen aan de bij en krachtens dit besluit voor
de uitoefening van de betrokken veiligheidsfunctie vastgestelde eisen
inzake algemene kennis en bekwaamheid.
2.Het onderzoek omvat een theoriegedeelte en een praktijkgedeelte.
3.In afwijking van het tweede lid omvat het onderzoek van
machinisten en rangeerders, in dienst van een in het buitenland
gevestigde spoorwegonderneming, die hun standplaats in het buitenland
hebben en die dienst doen op een traject voorbij een station als
bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 15,
tweede lid, slechts een theoriegedeelte.
4.Het onderzoek wordt verricht door een door Onze Minister
aangewezen exameninstituut dat beschikt over de voor de examinering
van personeel met een veiligheidsfunctie vereiste onafhankelijke
organisatie en expertise.
5.In afwijking van het vierde lid wordt het onderzoek van
machinisten met minimale bevoegdheid en rangeerders met minimale
bevoegdheid verricht door een vakinhoudelijk leidinggevende als
bedoeld in artikel 38, tweede lid.
6.Het onderzoek vindt plaats volgens een door het exameninstituut
vastgesteld en door Onze Minister goedgekeurd examenreglement.
Artikel 21. Eisen toelating onderzoek machinisten
1.Tot het praktijkgedeelte van het onderzoek van machinisten met
volledige of beperkte bevoegdheid worden slechts toegelaten personen
die beschikken over een praktijkervaring van ten minste veertig dagen,
opgedaan tijdens een praktijkprogramma waarvan inhoud en uitvoering
voldoen aan de bij ministeriële regeling vastgestelde regels.
2.De duur van de praktijkervaring, bedoeld in het eerste lid, mag
worden verkort tot twintig dagen, indien wordt voldaan aan de bij
ministeriële regeling vastgestelde voorwaarden met betrekking tot
materieeltype, treinsamenstelling, traject en rijsnelheid.
3.Aan het praktijkprogramma, bedoeld in het eerste lid, mag slechts
worden deelgenomen door personen die de in artikel 12 voor de
uitoefening van de betrokken veiligheidsfunctie genoemde
minimumleeftijd hebben bereikt.
§ 3. Certificaten van bekwaamheid
Artikel 22. Afgifte certificaten van bekwaamheid
Een certificaat van bekwaamheid wordt door een door Onze Minister
aangewezen exameninstituut afgegeven aan degene die bij het onderzoek,
bedoeld in artikel 20, eerste lid, blijkt te voldoen aan de bij en
krachtens dit besluit vastgestelde eisen inzake kennis en bekwaamheid.
Artikel 23. Inhoud certificaat van bekwaamheid
Het certificaat van bekwaamheid bevat ten minste de volgende
gegevens:
a. naam van het exameninstituut;
b. datum van het examen;
c. naam en geboortedatum van de geëxamineerde;
d. veiligheidsfunctie en, indien van toepassing, de daarbij
behorende gradatie, waarop het certificaat van bekwaamheid
betrekking heeft.
§ 4. Specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en
bekwaamheid
Artikel 24. Eisen betreffende specifieke, taakgebonden en
bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid
1. Onverminderd de artikelen 14 tot en met 19 beschikken personen
die een veiligheidsfunctie uitoefenen over de voor de betrokken
functie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis
en bekwaamheid, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de wet.
2. De in het eerste lid bedoelde kennis en bekwaamheid betreft:
a. voor de uitoefening van de functie van machinist:
– wegbekendheid met het traject of de trajecten waarop
hij als machinist wordt ingezet;
– kennis van lokale voorschriften;
– kennis van werking en bediening van de voertuigen
waarop hij als machinist wordt ingezet;
– kennis van de bedrijfsorganisatie en van het
veiligheidszorgsysteem van de spoorwegonderneming;
– kennis van de Handleiding Bestuurder, van de
Materieelgids Bestuurder en van de communicatievoorschriften,
bedoeld in paragraaf 4.1.2.1.1, onderscheidenlijk paragraaf
4.1.2.1.3, onderscheidenlijk bijlage A van de bijlage van
Beschikking nr. 2002/734/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 30 mei 2002 betreffende de technische
specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem
exploitatie van het trans-Europees
hogesnelheidsspoorwegsysteem overeenkomstig artikel 6, lid 1,
van richtlijn 96/48/EG (PbEG L 245);
b. voor de uitoefening van de functie van rangeerder:
– wegbekendheid op de locatie waarop hij als rangeerder
wordt ingezet;
– kennis van lokale voorschriften;
– kennis van de voertuigen die hij begeleidt;
– kennis van de bedrijfsorganisatie en van het
veiligheidszorgsysteem van de spoorwegonderneming;
c. voor de uitoefening van de functie van wagencontroleur:
– kennis van wagentypen en ladingen die hij controleert;
– kennis van de bedrijfsorganisatie en van het
veiligheidszorgsysteem van de spoorwegonderneming;
d. voor de uitoefening van de functie van treindienstleider:
– kennis van de inrichting van de gedeelten van het
spoorwegnet waarvoor hij als treindienstleider dienst doet;
– kennis van lokale voorschriften;
– kennis van de bedrijfsorganisatie;
– kennis van bijlage A van de Bijlage van Beschikking nr.
2002/734/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen
van 30 mei 2002 betreffende de technische specificatie inzake
interoperabiliteit van het subsysteem exploitatie van het
trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem overeenkomstig
artikel 6, lid 1, van richtlijn 96/48/EG (PbEG L 245) en de
daarin gespecificeerde berichten, indien het personen betreft
die deze functie vervullen in het trans-Europees
hogesnelheidsspoorwegsysteem;
e. voor de uitoefening van de functie van werktreinbegeleider:
– wegbekendheid op de locatie waarop hij als
werktreinbegeleider wordt ingezet;
– kennis van de toegepaste werkplekbeveiligingssystemen;
– kennis van de werktreinen die hij begeleidt;
– kennis van de bedrijfsorganisatie.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan:
a. in de wegbekendheid en de kennis van lokale voorschriften
worden voorzien door een andere machinist, een rangeerder of een
werktreinbegeleider, die de machinist begeleidt en hem de voor
zijn taak benodigde informatie verschaft;
b. een voertuig worden bediend door een andere persoon die
beschikt over kennis van werking en bediening van het betrokken
voertuig, indien de machinist direct kan ingrijpen in de bediening
en hij alle nodige bedieningsopdrachten geeft aan die andere
persoon.
Artikel 25. Toetsing specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden
kennis en bekwaamheid
De beoordeling van de voor de uitoefening van de betrokken
veiligheidsfunctie vereiste specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden
kennis en bekwaamheid geschiedt door een vakinhoudelijk leidinggevende
als bedoeld in artikel 38, tweede lid.
Hoofdstuk III. Medische en psychologische geschiktheid
Artikel 26. Eisen betreffende de medische geschiktheid
1. Personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen voldoen aan de
bij ministeriële regeling voor de betrokken functie vastgestelde
eisen betreffende:
a. gezichtsvermogen;
b. gehoorvermogen;
c. vermogen tot reageren en handelen;
d. geestesvermogens, in het bijzonder het beoordelingsvermogen;
e. gebruik van stoffen die het gezichtsvermogen, het vermogen
tot reageren en handelen en het beoordelingsvermogen kunnen
beïnvloeden.
2. Het eerste lid geldt niet voor:
a. machinisten met minimale bevoegdheid en rangeerders met
minimale bevoegdheid;
b. wagencontroleurs;
c. machinisten en rangeerders, in dienst van een in het
buitenland gevestigde spoorwegonderneming, die hun standplaats
hebben in het buitenland, mits zij voldoen aan de in het land van
hun standplaats geldende eisen betreffende de voor uitoefening van
hun functie vereiste medische geschiktheid;
d. werktreinbegeleiders, die hun functie hoofdzakelijk in het
buitenland uitoefenen, wanneer zij incidenteel hun functie in
Nederland uitoefenen en mits zij voldoen aan de in het buitenland
geldende eisen betreffende de voor de uitoefening van hun functie
vereiste medische geschiktheid.
Artikel 27. Eisen betreffende de psychologische geschiktheid
1. Personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen voldoen aan de
bij ministeriële regeling voor de betrokken functie vastgestelde
eisen betreffende:
a. algemeen verstandelijk vermogen;
b. voorstellingsvermogen;
c. zelfstandigheid en verantwoordelijkheid;
d. reactievermogen, concentratie en aandacht;
e. emotionele stabiliteit;
f. specifieke, aan de werksituatie gebonden aspecten.
2. Het eerste lid geldt niet voor:
a. machinisten met minimale bevoegdheid en rangeerders met
minimale bevoegdheid;
b. wagencontroleurs;
c. machinisten en rangeerders, in dienst van een in het
buitenland gevestigde spoorwegonderneming, die hun standplaats
hebben in het buitenland, mits zij voldoen aan de in het land van
hun standplaats geldende eisen betreffende de voor uitoefening van
hun functie vereiste psychologische geschiktheid;
d. werktreinbegeleiders, die hun functie hoofdzakelijk in het
buitenland uitoefenen, wanneer zij incidenteel hun functie in
Nederland uitoefenen en mits zij voldoen aan de in het buitenland
geldende eisen betreffende de voor de uitoefening van hun functie
vereiste psychologische geschiktheid.
Artikel 28. Keuring
1.Personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen waarvoor bij of
krachtens dit besluit eisen met betrekking tot de medische en
psychologische geschiktheid zijn vastgesteld, onderwerpen zich aan een
medische keuring en een psychologische keuring.
2.De keuringen worden verricht door een door Onze Minister
aangewezen keuringsinstituut dat beschikt over de voor de keuring van
personeel met een veiligheidsfunctie vereiste onafhankelijke
organisatie en expertise.
3.De keuringen vinden plaats volgens een door het keuringsinstituut
vastgesteld en door Onze Minister goedgekeurd keuringsreglement.
4.Het keuringsreglement voorziet in ieder geval in de mogelijkheid
tot aanvraag van een herkeuring bij bezwaar tegen de uitslag van de
keuring in eerste aanleg.
Artikel 29. Afgifte verklaringen van medische geschiktheid en
psychologische geschiktheid
1.Een verklaring van medische geschiktheid wordt door het
keuringsinstituut afgegeven aan degene die bij een keuring blijkt te
voldoen aan de voor de betrokken functie vastgestelde eisen met
betrekking tot de medische geschiktheid.
2.Een verklaring van psychologische geschiktheid wordt door het
keuringsinstituut afgegeven aan degene die bij een keuring blijkt te
voldoen aan de voor de betrokken functie vastgestelde eisen met
betrekking tot de psychologische geschiktheid.
3.Indien het keuringsinstituut van oordeel is dat een keurling
slechts onder beperkingen of voorwaarden medisch dan wel psychologisch
geschikt kan worden geacht om de veiligheidsfunctie waarop de keuring
betrekking heeft, op verantwoorde wijze uit te oefenen, geeft het een
medische of psychologische verklaring af waarin die beperkingen of
voorwaarden zijn aangegeven.
Artikel 30. Inhoud verklaringen van medische geschiktheid en van
psychologische geschiktheid
De verklaring van medische geschiktheid en de verklaring van
psychologische geschiktheid bevatten ten minste de volgende gegevens:
a. naam van het keuringsinstituut;
b. keuringsdatum;
c. naam en geboortedatum van de keurling;
d. veiligheidsfunctie en, indien van toepassing, de daarbij
behorende gradatie, waarvoor de keuring heeft plaatsgevonden;
e. termijn waarvoor de keurling geschikt is bevonden;
f. eventuele beperkingen of voorwaarden ten aanzien van de
geschiktheid, bedoeld in artikel 29, derde lid.
Artikel 31. Geldigheidsduur verklaring van medische geschiktheid
1.Een verklaring van medische geschiktheid, afgegeven aan een
machinist met volledige of beperkte bevoegdheid of aan een
veiligheidsman, die de leeftijd van:
a. veertig jaar nog niet heeft bereikt, is geldig voor de duur
van vijf jaar, gerekend vanaf de dag van afgifte;
b. veertig jaar doch nog niet die van vijftig jaar heeft
bereikt, is geldig voor de duur van vier jaar, gerekend vanaf de
dag van afgifte;
c. vijftig jaar heeft bereikt, is geldig voor de duur van twee
jaar, gerekend vanaf de dag van afgifte.
2.Een verklaring van medische geschiktheid, afgegeven aan een
gereedschapsmachinist of aan een persoon die een der in artikel 2,
onderdelen a, c, d en f, genoemde veiligheidsfuncties uitoefent, is
geldig voor de duur van vijf jaar, gerekend vanaf de dag van afgifte.
3.Een verklaring van medische geschiktheid verliest haar geldigheid
indien bij een tussentijds medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene
niet of niet langer beschikt over de voor de uitoefening van de
betrokken veiligheidsfunctie vereiste medische geschiktheid.
4.Een tussentijds medisch onderzoek als bedoeld in het derde lid
vindt plaats indien bij de organisatie waar de betrokkene werkzaam is,
het vermoeden bestaat dat de betrokkene niet langer beschikt over de
voor uitoefening van de betrokken veiligheidsfunctie vereiste medische
geschiktheid.
Artikel 32. Geldigheidsduur verklaring van psychologische
geschiktheid
1. Een verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven aan
een machinist met volledige of beperkte bevoegdheid, is geldig voor de
duur van vijf jaar, gerekend vanaf de dag van afgifte.
2. Een verklaring van psychologische geschiktheid, afgegeven aan
een gereedschapsmachinist of aan een persoon die een der in artikel 2,
onderdelen a, c, d en f, genoemde veiligheidsfuncties uitoefent, is
geldig voor onbepaalde tijd.
3. Een verklaring van psychologische geschiktheid verliest haar
geldigheid indien bij een tussentijds psychologisch onderzoek blijkt
dat de betrokkene niet of niet langer beschikt over de voor
uitoefening van de betrokken veiligheidsfunctie vereiste
psychologische geschiktheid.
4. Een tussentijds psychologisch onderzoek als bedoeld in het derde
lid vindt plaats indien bij de arts die een medische keuring verricht,
het vermoeden bestaat dat betrokkene niet of niet langer beschikt over
de voor uitoefening van de betrokken veiligheidsfunctie vereiste
psychologische geschiktheid.
Hoofdstuk IV. Bedrijfspas
Artikel 33. Vrijstelling bedrijfspas
Het bezit van een geldige bedrijfspas is niet vereist voor:
a. machinisten, rangeerders, wagencontroleurs en
werktreinbegeleiders, in dienst van een in het buitenland gevestigde
spoorwegonderneming, die hun standplaats hebben in het buitenland en
die slechts dienst doen op het traject tussen de rijksgrens en een
nabij die grens gelegen station, mits zij voldoen aan de in het land
van hun standplaats geldende eisen betreffende de voor uitoefening
van hun functie vereiste bevoegdheid;
b. treindienstleiders met volledige bevoegdheid.
Artikel 34. Inhoud bedrijfspas
De bedrijfspas bevat ten minste de volgende gegevens:
a. naam en geboortedatum van de houder;
b. aanduiding van de veiligheidsfunctie of veiligheidsfuncties
en, indien van toepassing, de daarbij behorende gradatie waarop de
bedrijfspas betrekking heeft;
c. datum van afgifte;
d. geldigheidsduur;
e. eventuele beperkingen of voorwaarden ten aanzien van de
geschiktheid, bedoeld in artikel 29, derde lid;
f. naam van degene onder wiens gezag de veiligheidsfunctie
waarvoor de bedrijfspas is afgegeven, wordt uitgeoefend.
Artikel 35. Geldigheidsduur bedrijfspas
1. Een bedrijfspas is geldig voor de duur van vijf jaar, gerekend
vanaf de dag van afgifte.
2. Een bedrijfspas verliest zijn geldigheid:
a. door het verstrijken van de geldigheidsduur;
b. gedurende de tijd dat de houder niet beschikt over een
geldige verklaring van medische geschiktheid en een geldige
verklaring van psychologische geschiktheid;
c. bij wijziging van de op de bedrijfspas vermelde gegevens,
bedoeld in artikel 34, onderdelen b, e en f;
d. gedurende de tijd dat aan de houder de bevoegdheid tot het
uitoefenen van zijn functie bij rechterlijke uitspraak is ontzegd.
Artikel 36. Innemen van de bedrijfspas en melding daarvan
In de gevallen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdelen b, c en
d, neemt degene die de bedrijfspas heeft afgegeven, de pas in.
Artikel 37. Gelijkstelling andere veiligheidsdocumenten aan
bedrijfspas
1.Onze Minister kan andere in verband met de uitoefening van
veiligheidsfuncties afgegeven veiligheidsdocumenten gelijkstellen aan
de bedrijfspas, mits die documenten ten minste de in artikel 34
bedoelde gegevens bevatten.
2.Voor de toepassing van de artikelen 33, 35 en 36 van dit besluit
wordt onder een bedrijfspas mede verstaan een daaraan op grond van het
eerste lid gelijkgesteld veiligheidsdocument.
Hoofdstuk V. Bedrijfsvoering en organisatiestructuur
Artikel 38. Vakinhoudelijke leiding
1.Degene onder wiens gezag een veiligheidsfunctie wordt
uitgeoefend, draagt zorg voor vakinhoudelijke leiding over de persoon
of personen door wie die functie wordt uitgeoefend.
2.Een vakinhoudelijk leidinggevende dient te beschikken over
zodanige kennis van en inzicht in de uitoefening van de betrokken
veiligheidsfunctie en zodanige kennis van de processen en de techniek
binnen het spoorwegverkeerssysteem, dat hij personen die de betrokken
veiligheidsfunctie uitoefenen kan instrueren, beoordelen en corrigeren
ten aanzien van de goede uitoefening van die functie.
Artikel 39. Periodieke herinstructie
1.Degene onder wiens gezag een veiligheidsfunctie wordt
uitgeoefend, draagt er zorg voor dat de persoon door wie die functie
wordt uitgeoefend periodiek een herinstructie volgt ten aanzien van de
juiste uitvoering van de functie. Onderdeel van de herinstructie is
een beoordeling van de juiste uitvoering van de functie door een
vakinhoudelijk leidinggevende.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
vastgesteld betreffende de periodiciteit, de inhoud en de wijze van
uitvoering van de herinstructie.
Artikel 40. Voorwaarden met betrekking tot personeelsbeheer
Degene onder wiens gezag een veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend,
niet zijnde een spoorwegonderneming die houder is van een
veiligheidsattest, past een systeem van personeelsbeheer toe dat voldoet
aan artikel 33, tweede lid, onderdeel e, van de wet en dat is
goedgekeurd door Onze Minister.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 41. Documenten
Certificaten van bekwaamheid, verklaringen van medische geschiktheid
en verklaringen van psychologische geschiktheid worden in tweevoud
afgegeven. Een exemplaar is bestemd voor degene die de
veiligheidsfunctie uitoefent of gaat uitoefenen, een exemplaar is
bestemd voor degene onder wiens gezag betrokkene de veiligheidsfunctie
uitoefent of gaat uitoefenen.
Artikel 42. Ontheffing
1.Onze Minister kan aan machinisten, rangeerders en
wagencontroleurs ontheffing verlenen van het bepaalde bij en krachtens
dit besluit:
a. in verband met het over beperkte afstand rijden over een
spoorweg waarop dit besluit van toepassing is, in aansluiting op
het rijden op een spoorweg waarop dit besluit niet van toepassing
is;
b. indien zij beschikken over naar het oordeel van Onze
Minister relevante ervaring die is opgedaan op een spoorweg waarop
dit besluit niet van toepassing is.
2.Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kan onder
beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften
worden verbonden.
Artikel 43 [Vervallen per 01-04-2010]
Artikel 44. Overgangsregeling met betrekking tot bestaande
bevoegdheden
1.De bevoegdheid tot het uitoefenen van een veiligheidsfunctie als
bedoeld in dit besluit of van een daaraan gelijk te stellen
veiligheidsfunctie, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit is toegekend door een spoorwegonderneming of door degene onder
wiens gezag de betrokken veiligheidsfunctie wordt uitgeoefend, blijft
onverminderd het derde lid van kracht voor de duur waarvoor zij is
toegekend.
2.Voorzover de toekenning van een bevoegdheid als bedoeld in het
eerste lid niet wordt gestaafd door de bevoegdhedenadministratie van
degene onder wiens gezag de betrokken veiligheidsfunctie wordt
uitgeoefend, neemt deze binnen vier maanden na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit een verklaring omtrent die
bevoegdheid op in zijn bevoegdhedenadministratie.
3.Indien degene onder wiens gezag de betrokken veiligheidsfunctie
wordt uitgeoefend, niet binnen vier maanden na inwerkingtreding van
dit besluit heeft voldaan aan het tweede lid, vervalt de bevoegdheid
tot het uitoefenen van de betrokken veiligheidsfunctie.
Artikel 45. Gelijkstelling reeds afgegeven documenten
Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit
worden certificaten van bekwaamheid, verklaringen van medische
geschiktheid, verklaringen van psychologische geschiktheid en
bedrijfspassen of daaraan gelijk te stellen documenten, die voor dat
tijdstip zijn afgegeven, aangemerkt als certificaten van bekwaamheid,
verklaringen van medische geschiktheid, verklaringen van psychologische
geschiktheid en bedrijfspassen, die zijn afgegeven op basis van dit
besluit.
Artikel 46. Geldigheidsduur reeds afgegeven documenten
Certificaten van bekwaamheid, verklaringen van medische geschiktheid,
verklaringen van psychologische geschiktheid en bedrijfspassen of
daaraan gelijk te stellen documenten, die voor het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit zijn afgegeven, behouden hun geldigheid
voor de duur waarvoor zij zijn afgegeven.
Artikel 47. Inwerkingtreding
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 48. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit spoorwegpersoneel.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 december 2004
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
Uitgegeven de eenentwintigste december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|