| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Spoorwegwet
REGELING
EISEN KEURINGSINSTANTIES SPOORWEGWET
Tekst zoals deze geldt op
3 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
REGELING houdende nadere eisen aan keuringsinstanties
als bedoeld in artikel 93 van de Spoorwegwet (Regeling eisen
keuringsinstanties Spoorwegwet)
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op het Besluit nr. 93/465/EEG van de Raad
van de Europese Unie van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de
verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de
voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering
van overeenstemming (PbEG L 220), artikel 93, tweede lid, van de
Spoorwegwet en artikel 30, derde lid, van het Besluit
spoorweginfrastructuur;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: Spoorwegwet;
b. instantie: instantie als bedoeld in artikel 93 van de wet.
Artikel 2
De instantie legt, onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet
bestuursrecht, bij de aanvraag voor een aanwijzing als bedoeld in
artikel 93 van de wet, een volledig ingevuld aanvraagformulier
overeenkomstig de bijlage van deze regeling over.
Artikel 3
De instantie en het met de keuringen belaste personeel daarvan die
blijkens een of meer geldige documenten voldoen aan de Europese normen
van de EN 45000-serie, voldoen aan de eisen van bijlage VII van de
richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG.
Artikel 4
De instantie beschikt over een kwaliteitsbeheersysteem, dat omvat:
a. een keuringsbeleid dat door het hoofd van de instantie is
goedgekeurd en waarvan het met de keuringen belaste personeel op de
hoogte is gesteld;
b. een regeling van beschikbaarheid van documentatie betreffende
internationale en nationale regelingen op het gebied van keuring van
spoorweginfrastructuur, spoorvoertuigen en onderdelen daarvan;
c. procedures om te voldoen aan bestaande, nieuwe en gewijzigde
technische normen als vastgelegd in internationale en nationale
regelingen op het gebied van keuring van spoorweginfrastructuur,
spoorvoertuigen en onderdelen daarvan;
d. programma's voor de opleiding van het met de keuringen belaste
personeel en systemen om ervoor te zorgen dat dit personeel terzake
kundig blijft en dat taken dienovereenkomstig worden uitgevoerd;
e. procedures om de kwaliteit voor uitbestede werkzaamheden
inzake de beoordeling van de overeenstemming op grond van artikel
93, eerste lid, onderdelen a en b van de wet te waarborgen;
f. procedures om de onafhankelijkheid van de instantie, van de
directie daarvan en van het met de keuringen belaste personeel te
waarborgen;
g. procedures om te waarborgen dat het met de keuringen belaste
personeel geheimhouding betracht van hetgeen het bij de uitoefening
van die keuringen, verneemt;
h. regelingen voor het verschaffen van voldoende informatie
binnen de instantie en voor afstemming van het keuringsbeleid met
andere instanties belast met keuringen;
i. voorzieningen voor periodieke interne controles met betrekking
tot het kwaliteitsbeheersysteem.
Artikel 5
Het is de instantie verboden haar werkzaamheden inzake de beoordeling
van de overeenstemming op grond van artikel 93, eerste lid, onderdelen a
en b van de wet uit te besteden aan ondernemingen, die:
a. niet voldoen aan de Europese normen van de EN 45000-serie;
b. deze werkzaamheden aan derden uitbesteden.
Artikel 6
1. De instantie voert een deugdelijke registratie terzake van:
a. de door haar uitbestede werkzaamheden inzake de beoordeling van
de overeenstemming op grond van artikel 93, eerste lid, onderdelen a
en b van de wet;
b. de ondernemingen waaraan de werkzaamheden zijn uitbesteed;
c. de wijze waarop zij heeft geverifieerd dat de ondernemingen
voldoen aan de Europese normen van de EN 45000-serie en dat deze
ondernemingen de werkzaamheden niet aan derden uitbesteden.
2. De instantie zendt jaarlijks voor 1 maart
aan de Minister een overzicht van de gegevens bedoeld in het eerste lid
die betrekking hebben op het voorafgaande kalenderjaar.
Artikel 7
De instantie zendt aan de Minister afschrift van:
a. afgegeven documenten als bedoeld in artikel 93, eerste lid,
onderdelen a tot en met d, van de wet;
b. besluiten tot weigering van afgifte van documenten als bedoeld
in artikel 93, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de wet;
c. ontvangen bezwaar- en beroepschriften;
d. besluiten op bezwaarschriften en door de instantie ter zake
opgestelde verweerschriften;
e. verzoekschriften en schriftelijke toelichtingen als bedoeld in
artikel 12, tweede lid, respectievelijk 18, eerste lid, van de Wet
Nationale ombudsman;
f. schriftelijke verzoeken om informatie en schriftelijke
beslissingen daarop als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
respectievelijk 5, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur.
Artikel 8
De instantie brengt jaarlijks voor 1 maart
schriftelijk verslag uit aan de Minister over de door haar in het
voorgaande kalenderjaar verrichte werkzaamheden.
Artikel 9
De instantie voert ten minste eenmaal in de vijf jaar een activiteit
zoals genoemd in artikel 93, eerste lid, van de wet uit.
Artikel 10
De instantie doet binnen een maand nadat zich wijzigingen hebben
voorgedaan in de gegevens die vermeld waren bij de aanvraag bedoeld in
artikel 2, mededeling daarvan aan de Minister.
Artikel 11
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 93 van
de Spoorwegwet in werking treedt.
Artikel 12
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eisen keuringsinstanties
Spoorwegwet.
De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt
gelegd bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.
Bijlage
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat]
|
|
|