waarbij de dwarskracht Y is en de verticale kracht van de wiellast Q
is.
Artikel 3
1. De hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan het profiel van
vrije ruimte ‘PVR-GC’, genoemd in UIC nr. 506, zoals opgenomen in
de bijlagen 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7.
2. Binnen het profiel van vrije ruimte bevinden zich geen vaste
voorwerpen.
Artikel 4
1. Het reizigersperron behorende tot de
hoofdspoorweginfrastructuur voldoet aan de volgende eisen:
a. het perron ligt nominaal op 1700 mm, minimaal op 1650 mm en
maximaal op 1735 mm vanaf het hart van het spoor;
b. het perron is gemarkeerd met een onderbroken witte lijn:
1°. die is aangebracht op een afstand van 45 cm vanaf de
perronrand,
2°. waarvan elk deel 30 cm lang is en
3°. die een breedte heeft van 15 cm.
c. het perron is voorzien van een geleidelijn:
1°. die waarneembaar is voor blinden en slecht-zienden;
2°. die aangebracht is op een afstand van minimaal 1,2 meter
vanaf de perronrand;
3°. die een breedte heeft van 60 cm.
d. op het perron zijn geen obstakels aangebracht binnen 2,25 m
vanaf de rand van het perron.
e. de perronhoogte bedraagt 840 mm gemeten vanaf de bovenkant van
de spoorstaaf;
f. de helling van het perron is niet groter dan 1:1000;
g. de horizontale boogstraal bij perrons is niet kleiner dan
R=15000 m;
h. een verticale boog is bij perrons niet toegestaan.
2. Er worden geen reizigersperrons aangebracht langs sporen waar
een hogere passeersnelheid dan 160 km/u is toegestaan.
Artikel 5
Hoofdspoorweginfrastructuur is buiten overwegen voorzien van een
afscherming waarvan de inrichting wordt vormgegeven op basis van een
door de beheerder opgestelde locatiespecifieke risico-analyse.
§ 3. De spoorbaan
Artikel 6
1. De nominale spoorwijdte is vastgesteld op 1435 mm, waarbij
de spoorwijdte de afstand is tussen de binnenzijde van de
spoorstaafkoppen, die wordt gemeten op een hoogte van 14 mm onder de
spoorstaafkop.
2. De spoorwijdte is minimaal 1430 mm en in sporen met een
horizontale boogstraal met inbegrip van spoorverwijding niet meer dan
1450 mm.
Artikel 7
1. De toegelaten slijtage van de wissels en de spoorstaafkop is
opgenomen in bijlage 8.
2. De wissels zijn geschikt voor wielen:
a. met wielbandprofiel S1002/RP2 als bedoeld in UIC nr. 510-2;
b. met een diameter groter of gelijk aan 730 mm.
3. Bij wissels bedraagt:
a. de strijkmaat tussen de loopkant van de spoorstaaf en de
strijkregel nominaal 1394 mm, met een minimum van 1390 mm en een
maximum van 1399 mm;
b. de groef voor de wielflens nominaal 43 mm met een minimum van 41
mm en een maximum van 45 mm;
c. de hoogte van de strijkregel boven BS maximaal 55 mm.
Artikel 8
1. Voor de hoofdspoorweginfrastructuur geldt dat:
a. de boogstraal van sporen niet kleiner is dan R=190 m bij een
snelheid van ten hoogste 40 km/u;
b. de boogstraal van sporen niet kleiner is dan R=630 m bij een
snelheid hoger dan 40 km/u;
c. de verkanting kleiner of gelijk is aan 150 mm;
d. het verkantingstekort bij snelheden tot 200 km/u kleiner of
gelijk is aan 120 mm;
e. het verkantingsoverschot niet groter dan 70 mm op een
goederenbaanvak en niet groter dan 90 mm op een reizigersbaanvak;
f. de kantelsnelheid niet groter is dan 28 mm/s;
g. de toename van het verkantingstekort niet groter is dan 25
mm/sec;
h. de scheluwte in een spoor zonder verkanting, gemeten over een
lengte van 6 m, voldoet aan onderstaande maximale waarden in mm
waarbij de toegelaten snelheid van het spoorvoertuig V is:
1°. V ≤ 50 km/u: 20 mm;
2°. V = 60 km/u: 18 mm;
3°. V = 70 km/u: 16 mm;
4°. V = 80 km/u: 14 mm;
5°. V = 90 km/u: 12 mm;
6°. V ≥ 100 km/u: 10 mm;
i. de scheluwte in een spoor met verkanting, gemeten over een
lengte van 6 meter, voldoet aan onderstaande maximale waarden in mm,
waarbij de toegelaten snelheid van het spoorvoertuig V is:
1°. V ≤ 70 km/u: 16 mm;
2°. V = 80 km/u: 14 mm;
3°. V = 90 km/u: 12 mm;
4°. V ≥ 100 km/u: 10 mm;
j. de beschikbare tijd voor stabilisatie van spoorvoertuigen na een
richtingverandering ten minste 2 seconden is;
k. de verticale versnelling van spoorvoertuigen in bogen niet
groter is dan 0,3 m/sec;
l. de helling niet groter is dan 1:200;
m. de helling van opstelsporen niet groter is dan 1:1000;
n. de verticale boogstraal van top- en dalbogen niet kleiner is dan
R=2000 m;
o. bij heuvelen de verticale boogstraal van de topboog niet kleiner
is dan R=250 m en de verticale boogstraal van de dalboog niet kleiner
is dan R=300 m.
Artikel 9
De hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van een draadloos
communicatiesysteem van het type ‘GSM-Rail’ dat voldoet aan EIRENE
FRS versie 6.0 en EIRENE SRS versie 14.0.
§ 4. Overwegen
Artikel 10
1. Behoudens hoofdspoorwegen waarover minder dan eenmaal per
week een spoorvoertuig rijdt, zijn openbare niet-actief beveiligde
overwegen voorzien van:
a. ten minste aan de rechterzijde van de weg geplaatste
Andreaskruisen volgens model J12 of J13 van bijlage 1, van het RVV
1990;
b. aan weerszijden van de weg geplaatste schrikhekken.
Artikel 11
1. Openbare actief beveiligde overwegen zijn naast de in
artikel 10 genoemde inrichting, tevens voorzien van:
a. een tenminste aan de rechterzijde van de weg geplaatst
knipperend rood of wit licht;
b. bellen;
c. aan weerszijden van de weg geplaatste informatieborden.
2. De in het eerste lid genoemde overwegen kunnen tevens voorzien
zijn van overwegbomen, waarvan de werking en inrichting zodanig is dat
weggebruikers de overweg op een veilige manier kunnen verlaten of zich
veilig kunnen opstellen.
3. De in het tweede lid genoemde overwegbomen zijn:
a. ter hoogte van de rijbaan voorzien van verlichting en
reflectiemateriaal;
b. ter hoogte van brom-/fietspaden en voetpaden voorzien van
reflectiemateriaal.
Artikel 12
1. Openbare bewaakte overwegen zijn naast de in artikel 10
genoemde inrichting tevens voorzien van:
a. een ten minste aan de rechterzijde van de weg geplaatst
knipperend rood licht;
b. overwegbomen die de overweg voor het wegverkeer afsluiten met
daaraan gemonteerd hangwerk die het betreden van de overweg onmogelijk
maakt;
2. In de inrichting van de in het eerste lid genoemde overwegen
is een technische schakeling aanwezig waardoor het sein, dat het rijden
over de overweg toestaat, niet eerder kan worden bediend dan nadat de
overwegbomen zijn gesloten.
§ 5. Veiligheids- en beschermingsinstallaties
Artikel 13
1. Hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van een installatie,
als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet, die waarborgt dat
sprake is van van elkaar gescheiden rijwegen van spoorvoertuigen.
2. De veilige berijdbaarheid van die rijwegen wordt aan de
bestuurder van een trein kenbaar gemaakt door middel van seinen of
signalen in de cabine.
3. Indien hoofdspoorweginfrastructuur niet is voorzien van een
installatie als bedoeld in het eerste lid, wordt de veilige
berijdbaarheid, bedoeld in het tweede lid, kenbaar gemaakt door middel
van een spreekverbinding tussen de bestuurder van de trein en de
treindienstleider of treindienstleider niet centraal bediend gebied.
Artikel 14
1. De hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van
baanapparatuur van het treinbeïnvloedingssysteem, als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, van de wet, die informatie doorgeeft aan
spoorvoertuigen:
a. over de voor die spoorvoertuigen geldende seinbeelden;
b. die ten minste is ingedeeld in de volgende snelheidstrappen:
1°. 40 km/u;
2°. 60 km/u;
3°. 80 km/u;
4°. 130 km/u;
5°. 140 km/u.
§ 6. Energievoorziening
Artikel 15
1. Het ontwerp en de constructie van de bovenleiding voldoen
aan NEN-EN nr. 50119.
2. Het raakvlak van de bovenleiding met de stroomafnemers voldoet
aan NEN-EN nr. 50367: 2004.
3. Fasescheidingen en systeemscheidingen voldoen aan NEN-EN nr.
50367: 2004.
Artikel 16
De beschermende maatregelen van de bovenleiding en de
tractie-installaties met betrekking tot elektrische veiligheid voldoen
aan NEN-EN nr. 50122-1.
Artikel 17
De vrije ruimte tussen bovenleiding en overwegbevloering, waarvan het
niveau gelijk is aan de BS-hoogte bedraagt:
a. minimaal: 5,10 m bij 1500 V gelijkstroom of 5,20 m bij 3000 V
of hoger;
b. nomimaal: 5,50 m.
Artikel 18
De minimale afstand tussen spanningsvoerende geleiders en een
kunstwerk voldoet aan NEN-EN nr. 50119.
Artikel 19
De spanning aan een stroomafnemer voldoet aan NEN-EN nr. 50163.
Artikel 20
1. De bovenleiding is geschikt voor een maximale stroomafname
bij stilstand overeenkomstig EN nr. 50367.
2. De rijdraad van de bovenleiding is geschikt voor een maximale
temperatuur bij stroomafname ter plaatse van de stroomafnemer van
150ºC.
3. De maximale toelaatbare kortsluitstroom tussen bovenleiding en
het spoorvoertuig voldoet aan EN nr. 50388.
4. De bovenbouw is geschikt voor het transport van de
retourstroom.
5. De spoorweginfrastructuur is geschikt voor het terugleveren
van energie aan het energienetwerk of aan andere gebruikers van de
spoorweginfrastructuur.
§ 7. Emissie van immuniteit voor elektromagnetische velden
Artikel 21
1. De emissie van elektromagnetische velden naar de omgeving
voldoet aan NEN-EN nr. 50121, delen 1, 2, 4 en 5.
2. De immuniteit van de hoofdspoorweginfrastructuur voor
elektromagnetische velden van de spoorvoertuigen en van de omgeving
voldoet aan NEN-EN nr. 50121, delen 1, 2, 4 en 5.
§ 8. Onderhoudseisen voor bestaande hoofdspoorweginfrastructuur
Artikel 22
Hoofdspoorweginfrastructuur, die in overeenstemming met de daarvoor
geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag
waarop artikel 6 van de Spoorwegwet in werking treedt, wordt gebruikt,
voldoet ten aanzien van het onderhoud bij voortduring ten minste aan de
volgende eisen:
a. artikel 6 voor wat betreft de spoorwijdte;
b. artikel 7, eerste lid, voor wat betreft de slijtage van de
wissels en de spoorstaaf;
c. artikel 7 derde lid, voor wat betreft de strijkregel;
d. artikel 8, eerste lid, onderdelen c tot en met g, voor wat
betreft de verkanting.
§ 9. Uitzonderingsbepalingen
Artikel 23
1. Op hoofdspoorweginfrastructuur of onderdelen daarvan waarin
nieuwe technologieën of concepten zijn verwerkt zijn de artikelen 6,
7, tweede lid, 8, 9 en 14 niet van toepassing, mits voldaan wordt aan
artikel 8 van het besluit.
2. Op delen van de hoofdspoorweginfrastructuur dat gebruikt wordt
voor grensoverschrijdend spoorverkeer zijn de artikelen 3, eerste lid,
4, eerste lid, onderdeel e, en 14 niet van toepassing mits voldaan wordt
aan artikel 8 van het besluit.
Artikel 24
1. De Minister kan in ieder geval ontheffing verlenen van:
a. de artikelen 13 en 14 ten behoeve van het uitvoeren van
proefritten;
b. artikel 3, eerste lid, voor het uitvoeren van werkzaamheden;
c. artikel 8, eerste lid, onderdeel l, voor het aanleggen van
spoorviaducten en tunnels mits gewaarborgd wordt dat spoorvoertuigen
in beladen of onbeladen toestand een steilere helling kunnen berijden;
d. artikel, 4, eerste lid, onderdeel g, voor het aanleggen van
bogen in perrons.
2. De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde ontheffingen
gelden slechts voor de duur van de proefritten en de werkzaamheden.
Artikel 25
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit
spoorweginfrastructuur in werking treedt.
Artikel 26
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling
hoofdspoorweginfrastructuur.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, normbladen en fiches
die ter inzage worden gelegd bij het ministerie van Verkeer en
Waterstaat.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.