| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Spoorwegwet
REGELING
KEURING SPOORVOERTUIGEN
Tekst zoals deze geldt op
3 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
REGELING houdende goedkeuringseisen en
compatibiliteitseisen spoorvoertuigen alsook erkenningseisen voor
onderhoudsbedrijven spoorvoertuigen (Regeling keuring spoorvoertuigen)
De Minister
van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op Richtlijn 2001/16/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 19 maart 2001 betreffende de
interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem
(PbEG L 110), artikel 36, zevende lid, van de Spoorwegwet en de
artikelen 4, eerste lid, 6, 9, derde lid, 12, eerste lid, 17, eerste
lid, 20, 28, vierde lid, 31, derde lid, 32, tweede lid, en 33 van het
Besluit keuring spoorvoertuigen;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. besluit: Besluit keuring spoorvoertuigen;
b. bijzonder spoorvoertuig: spoorvoertuig voorzien van een eigen
voortbewegingsinrichting niet zijnde een locomotief of een
treinstel;
c. DIN: Deutsche Industrienorm;
d. EN: Europese norm;
e. EIRENE: norm van de European Integrated Railway radio Enhanced
Network;
f. ERTMS/ETCS: het onderdeel besturing en seingeving (ERTMS/ETCS
– Europees systeem voor beheer van het spoorverkeer/Europees
systeem van treinbesturing), bedoeld in de bijlage behorende bij
Beschikking nr. 2004/446/EG van 29 april 2004 van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen tot wijziging van bijlage A bij
Beschikking 2002/731/EG en tot vaststelling van de belangrijkste
eigenschappen van systemen van klasse A (ERTMS)van het subsysteem
besturing en seingeving van het conventionele trans-Europese
spoorwegsyteem, zoals bedoeld in Richtlijn 2001/16/EG van het
Europees Parlement en de Raad (PbEG L 155)
g. ERRI: rapport van het European Rail Research Institute;
h. ETSI: norm van het Europees Normalisatie-instituut voor
Telecommunicatie;
i. ISO: norm van de International Organisation for
Standardisation;
j. locomotief: spoorvoertuig voorzien van een eigen
voortbewegingsinrichting hoofdzakelijk bestemd en ingericht om
andere spoorvoertuigen voort te bewegen;
k. NEN-EN: een door het Nederlandse norminstituut overgenomen
Europese EN-norm;
l. rijtuig: spoorvoertuig hoofdzakelijk bestemd voor het vervoer
van personen, zonder eigen voortbewegingsinrichting;
m. stuurstandrijtuig: rijtuig voorzien van een cabine van waaruit
de machinist de trein kan besturen;
n. trein: spoorvoertuig of samenstel van spoorvoertuigen als
bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit spoorverkeer;
o. treinstel: spoorvoertuig met eigen voortbewegingsinrichting
bestemd voor het vervoer van personen en goederen, niet zijnde een
locomotief;
p. UIC: voorschrift van de Internationale Spoorweg Unie;
q. wagen: spoorvoertuig zonder eigen voortbewegingsinrichting,
bestemd voor het vervoer van goederen;
r. Zoetermeerlijn: deel van de hoofdspoorweginfrastructuur dat
zich bevindt tussen de stations Leidschendam-Voorburg aansluiting en
het baanvak met de stations Voorweg, Centrum-West, Dorp,
Delfsewallen, Driemanspolder, Meerzicht, Buytenwegh, de Leyens,
Leidsewallen, Zeghwaerd, Palenstein, Stadhuis, Centrum-West,
Voorweg.
§ 2. Goedkeuringseisen spoorvoertuigen
Artikel 2
De in deze paragraaf en in paragraaf 3 gestelde eisen zijn de eisen,
waaraan het spoorvoertuig of onderdeel moet voldoen voor de afgifte van
een goedkeuringscertificaat of voor de afgifte van een certificaat van
overeenstemming.
Artikel 3
Een spoorvoertuig voldoet aan de in bij deze regeling behorende
bijlage 1 voor de desbetreffende categorie waartoe het spoorvoertuig
behoort, opgenomen eisen.
§ 3. Aanvullende goedkeuringseisen
spoorvoertuigen
Artikel 4
Onverminderd artikel 3 voldoet een spoorvoertuig aan de in deze
paragraaf opgenomen aanvullende goedkeuringseisen die per onderdeel van
het spoorvoertuig worden beschreven.
Artikel 5
Spoorvoertuigen zijn voorzien van rem- en persluchtsystemen die
voldoen aan de volgende goedkeuringseisen:
a. de compressorcapaciteit is voldoende opdat onder ongunstige
omstandigheden het remsysteem gevoed wordt en er geen
remkrachtvermindering optreedt;
b. remapparatuur is in en onder de bak zodanig aangebracht dat
deze goed beschermd is in geval van aanrijdingen opdat
functieverlies wordt geminimaliseerd;
c. spoorvoertuigen die in verband met de constructie, massa en
beremming gevoelig zijn voor blokkeren of waarbij onder slechte
adhesiecondities ontoelaatbare remwegverlengingen optreden, zijn
voorzien van een antiblokkeerinstallatie en van voldoende
magneetremmen die zodanig verdeeld zijn over het materieel dat
blokkeren van de wielen goed kan worden bestreden;
d. de bedienkracht van de noodremtrekker is niet groter dan 200
N.
Artikel 6
Spoorvoertuigen zijn voorzien van deursystemen bestemd voor het
instappen door reizigers die voldoen aan de goedkeuringseisen opgenomen
in bijlage 2.
Artikel 7
1. Indien de constructie van het spoorvoertuig onvoldoende laag
is, wordt voor de eerste as van een trein een baanschuiver aangebracht
die voldoet aan de volgende goedkeuringseisen:
a. onder normale gebruiksomstandigheden is de afstand tussen de
onderzijde van de baanschuiver en de bovenzijde van de spoorstaven zo
klein mogelijk, voorzover dit door bewegingen van het spoorvoertuig en
het bijbehorende omgrenzingsprofiel wordt toegestaan;
b. de constructie van de baanschuiver houdt rekening met de massa
die weggeschoven kan worden en de snelheid van het spoorvoertuig.
2. De goedkeuringseisen aan de baanschuiver en de bevestiging van
de baanschuiver op een spoorvoertuig zijn gespecificeerd in de tabel,
zoals opgenomen in bijlage 3.
Artikel 8
1. Spoorvoertuigen hebben een zodanige mechanische constructie,
dat bij een frontale botsing:
a. de spoorvoertuigen niet over elkaar heen schuiven;
b. de technische vertraging beperkt is;
c. de compartimenten voor reizigers en de cabines optimaal
beschermd zijn en
d. de botsenergie geabsorbeerd wordt.
2. De eisen die gesteld worden aan spoorvoertuigen in het kader
van de botsveiligheid zijn gespecificeerd in bijlage 4.
3. Voor bijzondere spoorvoertuigen die niet worden afgestoten
geldt een minimaal te verdragen bakbelasting van:
a. 1200 kN bij symmetrische bufferbelasting;
b. 400 kN bij diagonale bufferbelasting;
c. 1000 kN trekbelasting.
Artikel 9
Het loopwerk van spoorvoertuigen is zodanig dat voldaan wordt aan de
volgende goedkeuringseisen:
a. tijdens bogenloop van twee gekoppelde voertuigen wordt tijdens
het doorlopen van een boog van 150 m de optredende dwarskracht nooit
groter dan 250 kN hetgeen wordt aangetoond door middel van een
bogenloopberekening als bedoeld in ERRI B36/RP32;
b. de minimale boogstraal die gekoppeld bereden wordt, geldt als
controle op de optredende maximale verspankracht.
Artikel 10
Spoorvoertuigen die voorzien zijn van een automatische koppeling
voldoen ten aanzien van deze koppeling aan de volgende
goedkeuringseisen:
a. de automatische koppeling heeft een breeksterkte van minimaal
1 MN;
b. de automatische koppeling is in staat alle bewegingen van de
rijtuigbak tijdens bogen en wisselloop toe te laten waarbij de
eventuele reactiekrachten minimaal zijn;
c. met behulp van een vrijloopberekening worden de eisen als
bedoeld in de onderdelen a en b, aangetoond;
d. de statische en dynamische sterkte van dit onderdeel wordt
aangetoond met behulp van berekeningen;
e. de automatische koppeling vergroot tijdens een botsing met vee
op de vrije baan of met voertuigen op overwegen niet het
ontsporingsgevaar;
f. de automatische koppeling is voldoende gedimensioneerd om de
energie op te nemen die ontstaat tijdens het koppelen op de maximale
koppelsnelheid.
Artikel 11
Spoorvoertuigen voldoen ten behoeve van de zichtbaarheid aan de
goedkeuringseisen opgenomen in bijlage 5.
Artikel 12
Spoorvoertuigen die sneller kunnen rijden dan 40 km/u, zijn voorzien
van een systeem voor automatische ritregistratie dat voldoet aan de
volgende goedkeuringseisen:
a. het oplossend vermogen van de registratie is voldoende groot
om een zuivere analyse te kunnen maken van de te onderzoeken
gebeurtenis;
b. de registratie start uiterlijk bij het in beweging zetten van
de trein;
c. de opslagcapaciteit van de automatische ritregistratie bepaalt
de inzetmogelijkheden van het spoorvoertuig na een gebeurtenis
waarvoor de registratie wordt uitgelezen;
d. na het tot stilstand komen van een spoorvoertuig worden
geregistreerde gegevens niet overschreven;
e. de automatische ritregistratie kan zonder verlies van
informatie bijzondere omstandigheden doorstaan, waarbij de kans op
verlies van informatie niet groter mag zijn dan 10–2;
f. door de automatische ritregistratie worden minimaal de in
bijlage 6 genoemde gegevens geregistreerd.
Artikel 13
Spoorvoertuigen zijn voorzien van een elektrische installatie dat
voldoet aan de volgende goedkeuringseisen ten aanzien van:
a. radiobesturing, indien aanwezig:
1°. het dodemansysteem in de radio heeft dezelfde
systeemreacties als het dodemansysteem in het spoorvoertuig;
2°. de kantelbeveiliging initieert het uitschakelen van de
aandrijving en het inzetten van een volle remming indien de
zender langer dan 7,5 seconden in een hoek van 45° ten opzichte
van de normale draagwijze wordt gehouden;
3°. elk commando dat gegeven wordt door de zender resulteert
in de betreffende reactie van het spoorvoertuig binnen 0,5
seconden;
b. communicatieapparatuur:
1°. beschikt over een elektrische voeding;
2°. beschikt over een antennecircuit;
3°. is vast in de cabine gemonteerd;
4°. is voorzien van een mens-machine-interface die is
afgestemd op de specifieke werkomstandigheden van de machinist;
c. stoorstroomdetectoren:
1°. voldoen aan EN nr. 50155;
2°. meten de lijnstroom volgens de frequentiekarakteristiek:
i. tot kantelpunt op 68 Hz ± 1 Hz: stijgend met 96 dB/oct
± 3 dB/oct;
ii. gebied 68 Hz tot 82 Hz: vlak ± 0.5 dB;
iii. na kantelpunt op 82 Hz ± 1 Hz: dalend met 120 dB/oct
± 3 dB/oct;
3°. indien de effectieve waarde van de lijnstroom binnen het
beschreven frequentiegebied een drempel te boven gaat, wordt
door de stoorstroomdetector een uitschakelcommando gegenereerd,
waarbij de lijnstroom wordt gemeten met een maximale
onnauwkeurigheid van 5% van de gespecificeerde maximale
drempelinstelwaarde, die instelbaar is in vaste stappen;
4°. het bereik en de stapgrootte van de lijnstroom is
materieelafhankelijk, en is aan de hand van de volgende criteria
instelbaar:
i. het risico op beïnvloeding van de toestand van het
spoorrelais door stoorstromen is aanvaardbaar klein;
ii. het risico op nadelige beïnvloeding door stoorstromen
op de correcte overdracht van signalen van het
treinbeïnvloedingssysteem is aanvaardbaar klein;
iii. het risico op een blokkade van treinfuncties is
aanvaardbaar klein;
5°. een detector genereert slechts een uitschakelcommando
nadat gedurende een bepaalde tijdsduur de drempelwaarde continu
overschreden is;
6°. de tijdsduur als bedoeld in subonderdeel 5 is instelbaar
in vaste stappen, waarbij het bereik en de stapgrootte
materieelafhankelijk zijn en volgens de volgende criteria
ingesteld worden:
i. het risico op beïnvloeding van de toestand van het
spoorrelais door stoorstromen is aanvaardbaar klein;
ii. het risico op nadelige beïnvloeding door stoorstromen
op de correcte overdracht van signalen van het
treinbeïnvloedingssysteem is aanvaardbaar klein;
iii. het risico op een blokkade van treinfuncties is
aanvaardbaar klein;
7°. de minimale duur van het uitschakelcommando is
materieelafhankelijk;
8°. in geval van een defect in de stoorstroomdetector, wordt
het uitschakelcommando geblokkeerd of overbrugd;
9°. de overbruggingsschakelaar is eenvoudig bereikbaar voor
de machinist;
10°. de totale reactietijd van de stoorstroomdetector is ten
hoogste 500 ms;
11°. de detector dient een factor 10 ongevoeliger te zijn
voor stoorstromen uit de bovenleiding dan voor stoorstromen
afkomstig uit het treinstel waarin de detector zich bevindt;
12°. afhankelijk van het materieeltype zijn per treinstel
één of meer stoorstroomdetectoren aanwezig;
d. retourstroom- en veiligheidsaardingscircuits:
1°. het retourstroomsysteem is zoveel mogelijk elektrisch
van de rijtuigbak en het veiligheidsaardingscircuit gescheiden;
2°. in treinstellen zijn beide circuits gescheiden;
3°. in locomotieven zijn beide circuits aan elkaar gekoppeld
indien een scheiding technisch onmogelijk is;
4°. beide circuits zijn redundant uitgevoerd;
5°. indien in een treinsamenstelling de rijtuigbakken
onderling met litzes zijn verbonden, is elke rijtuigbak voorzien
van minimaal één veiligheidsaardingsborstelhouder;
6°. indien de rijtuigbakken onderling niet met litzes zijn
verbonden, zijn de rijtuigbakken voorzien van minimaal twee
veiligheidsaardingsborstelhouders, en minimaal één
veiligheidsaardingsborstelhouder per draaistel;
7°. bij de dimensionering van het veiligheidsaardingscircuit
wordt rekening gehouden met:
i. het afschakelgedrag van het onderstation bij een
kortsluiting;
ii. de redundantie van het systeem;
iii. de maximale weerstand tussen metalen delen van het
rijtuig en spoorstaven;
8°. stromen van de eigen installatie of van ander materieel
door de rijtuigbak wordt zoveel mogelijk voorkomen;
9°. schade aan de wielaslagers als gevolg van zwerfstroom-
of stroomdoorgang wordt voorkomen;
10°. de retourstroom van de hoofdverbruiker dient over een
zo kort mogelijke afstand naar de spoorstaven gevoerd te worden;
11°. indien de retourstroomborstelhouders op de aspotten
zijn gemonteerd worden de borstelhouders van zowel het
veiligheidsaardings- als retourstroomcircuit gelijk verdeeld
over de linker- en rechterzijde van het materieel;
12°. het aantal benodigde borstelhouders voor retourstroom-
en veiligheidsaardingscircuit wordt over een maximaal aantal
assen verdeeld;
13°. de koolborstels en tegenloopschijf van retourstroom- en
veiligheidsborstelhouders zijn eenvoudig inspecteerbaar;
14°. de elektrische weerstand tussen wielas en
wielbandoppervlak is zo laag mogelijk, waarbij het aanbrengen
van litzes om de elektrische weerstand te verlagen niet is
toegestaan;
15°. in afwijking van subonderdeel 14 mogen bij wielen
waarin isolatie is aangebracht tussen het binnenwiel en de
wielband litzes worden aangebracht, waarbij het wiel en het
wielbandoppervlak niet zijn bewerkt door lassen of boren tenzij
kan worden aangetoond dat dit geen consequenties heeft voor de
mechanische sterkte en bedrijfszekerheid van dit wiel;
16°. de elektrische weerstand van een wielstel mag niet
hoger zijn dan 10 mΩ bij nieuwe wielbanden en 100 mΩ
bij herprofilering als bedoeld in UIC nr. 512 (8e editie van
01.01.79 inclusief 2 wijzigingsbladen);
17°. andere onderdelen van rollend materieel die voor een
bepaalde duur met rails in aanraking kunnen komen, moeten van
het draaistel en de rijtuigbak geïsoleerd zijn.
Artikel 13a
Spoorvoertuigen die zijn voorzien van een eigen
voortbewegingsinrichting voldoen voor wat betreft luchtverontreiniging
aan de goedkeuringseisen van het Besluit typekeuring
luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines.
§ 3a. Eisen ter uitvoering van technische specificaties inzake
interoperabiliteit
Artikel 13b
1. In locomotieven, treinstellen, stuurstandrijtuigen en
bijzondere spoorvoertuigen is een systeem van automatische
treinbeïnvloeding geïnstalleerd dat voldoet aan de in bij deze
regeling behorende bijlage 7 opgenomen eisen.
2. Indien slechts ERTMS/ETCS als systeem van automatische
treinbeïnvloeding is geïnstalleerd voldoet dat systeem tevens aan de
in bij deze regeling behorende bijlage 8 opgenomen eisen.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op locomotieven,
treinstellen, stuurstandrijtuigen en bijzondere spoorvoertuigen die
geen hogere snelheid kunnen of mogen bereiken dan 40 km/u ten aanzien
van ‘eerste generatie baanvakken’.
§ 4. Compatibiliteit
Artikel 14
1. Voor het verkrijgen van een
inzetcertificaat als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de
Spoorwegwet, voldoen spoorvoertuigen aan de eisen uit deze paragraaf.
2. In het inzetcertificaat wordt vermeld onder welke voorwaarden
een spoorvoertuig op welke categorie baanvakken dan wel specifieke
baanvakken kan worden ingezet.
3. Ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag voor afgifte of
wijziging van een inzetcertificaat, kunnen bij de spoorwegonderneming
aanvullende gegevens worden aangevraagd.
4. Als voorschrift bij het inzetcertificaat bedoeld in artikel
36, zesde lid, van de wet kan worden opgenomen dat het gebruik van een
wervelstroomreminrichting niet is toegestaan, behalve indien deze wordt
gebruikt om te parkeren.
Artikel 15
Cabines van spoorvoertuigen zijn voorzien van communicatieapparatuur
welke voldoet aan EIRENE FRS versie 6.0 en EIRENE SRS versie 14.0, en
dat functioneert bij een signaalniveau van tenminste –98 dBm gemeten
op een hoogte van 4 m vanaf de bovenzijde van de koppen van de
spoorstaven.
Artikel 16
1. De omgrenzingsprofielen voldoen van spoorvoertuigen voldoen
aan de bij deze regeling behorende bijlage 10.
2. In afwijking van het eerste lid voldoen de
omgrenzingsprofielen voor spoorvoertuigen die gebruik maken van:
a. de Zoetermeerlijn aan de bij deze regeling behorende bijlage 11;
b. hoofdspoorweginfrastructuur met ‘profiel GC’ en 1500 V aan
de bij deze regeling behorende bijlage 12;
c. hoofdspoorweginfrastructuur met ‘profiel GC’ en 25 kV aan de
bij deze regeling behorende bijlage 13.
Artikel 17
1. Spoorvoertuigen voldoen in relatie tot de bovenbouw aan de
volgende eisen:
a. UIC nr. 700 (10e editie van 11-2004) zoals per categorie
gespecificeerd;
b. de maximale gaping van een wiel in een kruisstuk bedraagt 80 mm,
voor wielen met een diameter kleiner dan 730 mm;
c. de door het spoorvoertuig uitgeoefende dwarskrachten, en
dwarskrachten in wissels en S-bogen voldoen aan UIC nr. 518 (2e editie
van 01-2003).
2. Indien een spoorvoertuig is voorzien van een
magneetreminrichting, werkt deze alleen in geval van noodremmingen.
3. Op een baanvak met beladingscategorie C worden alleen
spoorvoertuigen ingezet met een maximale quasi dynamische wiellast van
177 kN.
4. Op een baanvak met beladingscategorie D worden alleen
spoorvoertuigen ingezet met een maximale quasi dynamische wiellast van
200 kN.
5. Een horizontale boog met een radius van 150 m en groter kan
door een spoorvoertuig worden doorlopen.
6. Een horizontale boog met een radius van 190 m en groter kan
door een spoorvoertuig in S-bogen zonder ingesloten rechtstand worden
doorlopen.
7. Een verticale boog met een radius van 2000 m en groter kan
door een spoorvoertuig worden doorlopen.
8. Een verticale topboog van 250 m en groter, en een verticale
dalboog van 300 m en groter, kan door een spoorvoertuig dat wordt
geheuveld, worden doorlopen.
9. Indien een spoorvoertuig is voorzien van een
wervelstroomreminrichting, is deze uitschakelbaar.
Artikel 18
1. Indien spoorvoertuigen voorzien zijn van een inrichting voor
het gebruik van adhesie vergrotende middelen of wielflenssmering,
wordt op basis van een gezamenlijke risicoanalyse van de
spoorwegonderneming, de beheerder en de keuringsinstantie, beoordeeld
hoe deze inrichting mag worden gebruikt.
2. De uitkomsten van de in het eerste lid bedoelde risicoanalyse
worden vermeld in het aanvraagformulier voor het inzetcertificaat als
bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Spoorwegwet, zoals opgenomen
in bijlage 7 bij deze regeling.
Artikel 19
Ten behoeve van een treindetectiesysteem voldoen spoorvoertuigen aan
de volgende constructie-eisen:
a. voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur
waar de detectie wordt geregeld door middel van laagfrequente
spoorstroomloop of van toonfrequente spoorstroomlopen bedraagt:
1°. de afstand tussen twee opeenvolgende assen ten hoogste 22
m;
2°. de weerstand tussen twee wielen van een as in nieuwe staat
of na rebandageren minder dan 0,01 Ω en tijdens de looptijd
van het wielstel of na herprofilering minder dan 0,10 Ω;
3°. de kortsluitwaarde van een as, gemeten van wielband tot
wielband, met inbegrip van de overgangsweerstanden tussen de
wielbanden en de koppen van de spoorstaven, minder dan 0,20 Ω;
b. voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur
waar de detectie wordt geregeld door middel van
prikspanningsspoorstroomlopen bedraagt:
1°. de afstand tussen twee opeenvolgende assen ten hoogste 22
m;
2°. de weerstand tussen twee wielen van een as t in nieuwe
staat of na rebandageren minder dan 0,01 Ω en tijdens de
looptijd van het wielstel of na herprofilering minder dan 0,10
Ω;
c. voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur
waar de detectie wordt geregeld door middel van assentellers zijn de
stalen wielen voorzien van een flens en hebben deze een diameter van
tenminste 300 mm;
d. voor inzet op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur
waar de detectie wordt geregeld door middel van pedalen:
1°. is de minimale flenshoogte van de wielen 25 mm;
2°. is de minimale druk van een as 2000 kg;
e. op gedeelten van de hoofdspoorweginfrastructuur waar de
detectie wordt geregeld door middel van detectielussen zijn het
frame en de wielstellen van het voertuig van magnetiseerbaar
materiaal.
Artikel 20
1. Spoorvoertuigen voldoen ten aanzien van elektromagnetische
compatibiliteit, stoorstroom en impedantie aan de volgende eisen:
a. NEN-EN 50121-1, 50121-3-1, 50121-3-2 en 50238;
b. de elektromagnetische veldsterkte als bedoeld in ENV 50204
bedraagt 30V/m bij 900 MHz, level 4;
c. de geleidergebonden storing als bedoeld in EN 61000-4-6 bedraagt
10 VRMS , level 3;
d. de geleidergebonden pulsvormige storing als bedoeld in EN
61000-4-5 bedraagt 2kV voor ‘common mode’ en 1 kV voor ‘differential
mode’;
e. de effectieve waarde van de AC-component in de lijnstroom
bedraagt op treinniveau niet meer dan 50 A;
f. de psofometrische stoorstroomcomponent als bedoeld in NEN-EN
50121-3-1 bedraagt voor een trein minder dan 10 A;
g. de stoorstroomcomponent in het frequentiebereik van 50–100 Hz
bedraagt gedurende 0,2 seconden of langer voor een trein ten hoogste
de in de tabel telkens aangegeven waarde:
|
Frequentie (Hz) |
Maximum toelaatbare stroom (A) |
|
50 |
6,9 |
|
55 |
4 |
|
60 |
3 |
|
65 |
1 |
|
70 |
0,5 |
|
75 |
0,5 |
|
80 |
0,5 |
|
85 |
1 |
|
90 |
2,5 |
|
95 |
3,2 |
|
100 |
4,7 |
h. de ingangsimpedantie bedraagt bij een frequentie van 75 ± 3
Hz op treinniveau tenminste 0,40 Ω inductief;
i. de ingangsimpedantie bedraagt bij een frequentie van 75 Hz op
treinniveau meer dan 0,40 Ω en is niet capacitief.
Artikel 21
1. Indien treinen geschikt zijn voor elektrische tractie van
1500 V voldoen deze aan de volgende eisen:
a. er is een voorziening voor de stroomafname aanwezig die over het
gehele spanningsbereik stabiel is en waarbij de stroomafname ten
hoogste 4000 A is;
b. de stroomafname van iedere stroomafnemer bij een stilstaande
trein is zodanig, dat de temperatuur van de rijdraad ten hoogste 150
°C bedraagt;
c. de stroomafname wordt automatisch beperkt tussen 950 V en 1350 V
overeenkomstig de volgende grafiek:

waarbij U1 = 1000 V, U2 = 1350 V, Ihulp = hulpverbruik van de
trein, Imax = 4000 A;
d. door middel van een inrichting wordt bij overstroom de
stroomtoevoer die door het spoorvoertuig zelf wordt veroorzaakt,
automatisch uitgeschakeld binnen een tijdsduur van 100 ms.
2. Indien treinen als bedoeld in het eerste lid, tevens
voorzien zijn van een recuperatie-inrichting, zorgt deze ervoor dat de
recuperatie van de stroom automatisch stopt indien de
recuperatiespanning lager wordt dan U6 als weergegeven in de volgende
grafiek:

waarbij U6 = 1200 V, U8 = 1950 V, Imax = 4000 A.
Artikel 22
1. Stroomafnemers geïnstalleerd op spoorvoertuigen en geschikt
voor 1500 V, voldoen aan de volgende eisen:
a. het dynamisch gedrag van stroomafnemers bevindt zich in een
bandbreedte tussen tenminste 4800 mm en ten hoogste 5750 mm gemeten
vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven;
b. in afwijking van onderdeel a, bevindt het dynamisch gedrag van
stroomafnemers zich in een bandbreedte van tenminste 4670 mm en ten
hoogste 5750 mm gemeten vanaf de bovenzijde van de koppen van de
spoorstaven voor wat betreft de Zoetermeerlijn;
c. de stuit van de stroomafnemer is beperkt tot 5860 mm gemeten
vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven;
d. de breedte van de schuit bedraagt ten minste 1900 mm en ten
hoogste 1950 mm;
e. het profiel van de schuit voldoet aan EN 50367;
f. het sleepstuk is vervaardigd van koolstof of gemetalliseerde
koolstof als bedoeld in EN 50367;
g. de lengte van het sleepstuk bedraagt ten minste 800 mm;
h. de hoogte van de opdruk van de rijdraad bedraagt ten hoogste 100
mm voor baanvakken geschikt voor een snelheid van minder dan of gelijk
aan 140 km/u;
i. de opdruk van de rijdraad bedraagt ten hoogste 120 mm voor
baanvakken geschikt voor een snelheid van minder dan of gelijk aan 160
km/u maar meer dan 140 km/u;
j. de dynamische opdrukkracht bedraagt ten minste 40 N en ten
hoogste 300 N;
k. de scheefstand van de stroomafnemer bedraagt ten hoogste 200 mm
op een hoogte van 5500 mm gemeten vanaf de bovenkant van de
spoorstaaf;
l. de maximale afstand van de kop van het spoorvoertuig tot de
laatste stroomafnemer van de trein bedraagt maximaal 400 m;
m. het type stroomafnemer doorstaat de test die geschiedt volgens
EN 50206;
n. stroomafnemers van spoorvoertuigen in één treinsamenstelling
kunnen niet doorgekoppeld worden.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel n, kan een
locomotief voorzien zijn van doorgekoppelde opstaande stroomafnemers.
Artikel 23
1. Indien spoorvoertuigen zijn voorzien van een systeem van
energievoorziening dat geschikt is voor 25 kV voldoet dit aan de
volgende eisen:
a. er is een voorziening van de stroomafname aanwezig die over het
gehele spanningsbereik stabiel is en waarbij de stroomafname ten
hoogste 800 A is;
b. de stroomafname van een stilstaand spoorvoertuig is zodanig, dat
de temperatuur van de rijdraad ten hoogste 150° C bedraagt;
c. de stroomafname wordt automatisch beperkt tussen 17,5 kV en 22,5
kV overeenkomstig de volgende grafiek:

waarbij Umin2 = 17,5 kV, Un = 25 kV, Ihulp = hulpverbruik van het
spoorvoertuig, Imax = 800 A;
d. bij een overstroom die door het spoorvoertuig zelf wordt
veroorzaakt, wordt de overstroom automatisch uitgeschakeld binnen
een tijdsduur van 100 ms;
e. de vermogensfactor voldoet aan EN 50388.
2. Indien treinen als bedoeld in het eerste lid tevens zijn
voorzien van een recuperatie-inrichting gelden de volgende eisen:
a. de recuperatiestroom wordt begrensd tot maximaal 800 A;
b. de inrichting zorgt ervoor dat de recuperatie van de stroom
automatisch stopt indien de recuperatiespanning lager wordt dan 17,5
kV;
c. de recuperatiespanning wordt begrensd tot maximaal 27,5 kV
permanent of 29 kV gedurende maximaal 5 minuten.
Artikel 24
1. Stroomafnemers geïnstalleerd op spoorvoertuigen en geschikt
voor 25 kV, voldoen aan de volgende eisen:
a. het dynamisch gedrag van stroomafnemers bevindt zich in een
bandbreedte tussen tenminste 4800 mm en ten hoogste 5800 mm gemeten
vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven;
b. de stuit van de stroomafnemer is beperkt tot 5860 mm gemeten
vanaf de bovenzijde van de koppen van de spoorstaven;
c. de breedte van de schuit bedraagt ten minste 1600 mm en ten
hoogste 1950 mm;
d. het profiel van de schuit voldoet aan norm EN 50367;
e. het sleepstuk is vervaardigd van koolstof of gemetalliseerde
koolstof als bedoeld in EN 50367;
f. de lengte van het sleepstuk bedraagt ten minste 800 mm;
g. de hoogte van de opdruk van de rijdraad bedraagt ten hoogste 120
mm;
h. de dynamische opdrukkracht bedraagt:
1°. ten minste 40 N;
2°. ten hoogste 200 N bij een snelheid van 160 km/u;
3°. ten hoogste 320 N bij een snelheid van 300 km/u;
4°. ten hoogste 350 N bij een overgang naar starre ophanging;
i. de scheefstand van de schuit van de stroomafnemer bedraagt ten
hoogste 10 mm;
j. de stroomafnemer en alle elektrisch verbonden delen voldoen met
betrekking tot de isolatieafstanden aan NEN-EN 50124-1 tabel A3 en met
betrekking tot de kruipwegafstanden aan NEN-EN 50124-1 tabel A7
waarbij het elektrisch werkgebied van de stroomafnemer tussen 4700 mm
en 5750 mm bedraagt, gemeten vanaf de bovenzijde van de koppen van de
spoorstaven;
k. de stroomafnemer kan vanuit de cabine automatisch en handmatig
bediend worden;
l. de stroomafnemer is bij het neerzetten binnen 3 seconden 15 cm
vanaf de rijdraad verwijderd;
m. de stroomafnemer is bij het opkomen binnen 10 seconden tot
maximale hoogte opgeveerd;
n. de stroom door de stroomafnemer is nihil indien de stroomafnemer
los komt van de rijdraad;
o. de systeemreactietijd is geminimaliseerd tot maximaal 2
seconden;
p. de afstand tussen de sleepstukken bedraagt maximaal 650 mm;
q. de afstand tussen opstaande stroomafnemers voldoet aan NEN-EN
50-367.
2. Indien de stroomafnemer defect raakt:
a. daalt de stroomafnemer automatisch neer tot dakligging voor
spoorvoertuigen die geschikt zijn voor een hogere snelheid dan 160
km/u en
b. is deze binnen 1 seconde gedaald tot 20 cm onder de rijdraad.
3. Indien een trein is voorzien van meerdere stroomafnemers zijn
deze niet elektrisch doorverbonden.
Artikel 25
De impedantie tussen het spoorvoertuig en de spoorstaaf bedraagt bij:
a. spoorvoertuigen bestemd voor het vervoer van goederen ten
hoogste 150 mΩ;
b. de overige spoorvoertuigen ten hoogste 50 mΩ.
Artikel 26
1. In locomotieven, treinstellen, stuurstandrijtuigen en
bijzondere spoorvoertuigen is een systeem van automatische
treinbeïnvloeding geïnstalleerd dat voldoet aan de in bij deze
regeling behorende bijlage 7 opgenomen eisen.
2. Indien slechts ERTMS/ETCS als systeem van automatische
treinbeïnvloeding is geïnstalleerd voldoet dat systeem tevens aan de
in bij deze regeling behorende bijlage 8 opgenomen eisen.
3. Het in locomotieven, treinstellen, stuurstandrijtuigen en in
bijzondere spoorvoertuigen geïnstalleerde ERTMS/ETCS is compatibel met
de van ERTMS/ETCS voorziene hoofdspoorweginfrastructuur.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op locomotieven,
treinstellen, stuurstandrijtuigen en bijzondere spoorvoertuigen die geen
hogere snelheid kunnen en mogen bereiken dan 40 km/u ten aanzien van ‘eerste
generatie baanvakken’.
Artikel 27
1. Een spoorvoertuig voldoet ten aanzien van de maximale
aanzetsnelheden aan de eisen opgenomen in de volgende tabel:

2. Indien het spoorvoertuig niet voldoet aan de in het eerste
lid bedoelde eisen, wordt een inzetcertificaat verleend onder het
voorschrift dat er geen beschadiging aan de infrastructuur of gevaar
voor de veiligheid van de omgeving ontstaat.
Artikel 28
Met de in paragrafen 2, 3 en 4 genoemde goedkeurings- en
compatibiliteitseisen worden gelijkgesteld die eisen die blijkens een
risico-analyse van de keuringsinstantie, gehoord de Minister en de
beheerder, een gelijkwaardig niveau van veiligheid en compatibiliteit
kunnen waarborgen.
§ 5. Erkenningseisen onderhoudsbedrijven
Artikel 29
1. Bij de aanvraag van een erkenning als
bedoeld in artikel 32, eerste lid, van het besluit, wordt vermeld voor
welke werkzaamheden of voertuigsoorten een erkenning wordt aangevraagd.
2. De Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van de
aanvraag over de erkenning.
Artikel 30
1. Een erkenning voor een onderhoudsbedrijf kan worden verleend
indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
a. de aanvrager van een erkenning beschikt over een werkplaats met
voor het uit te voeren onderhoud geschikte apparatuur;
b. de aanvrager van een erkenning of door hem aangewezen personeel
is opgeleid voor de door hem uit te voeren werkzaamheden;
c. de aanvrager van een erkenning voert een administratie van de
spoorvoertuigen waaraan door hem onderhoud is verricht;
d. de aanvrager van een erkenning beschikt over een
kwaliteitszorgsysteem dat voldoet aan NEN-EN-ISO 9001:2000, ten
behoeve van de in het onderhoudsbedrijf uit te voeren werkzaamheden,
of een gelijkwaardig systeem.
2. Het systeem, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bevat ten
minste de volgende elementen:
a. het uit te voeren onderhoud vindt plaats overeenkomstig de door
de houder van het spoorvoertuig opgestelde onderhoudsvoorschriften;
b. veiligheidskritische werkzaamheden worden slechts uitgevoerd
door daartoe opgeleid, gecertificeerd en bevoegd verklaard personeel;
c. uitbestede werkzaamheden worden slechts uitgevoerd door daartoe
opgeleid, gecertificeerd en bevoegd verklaard personeel;
d. de bij het onderhoud te gebruiken onderdelen, materialen en
middelen worden overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften
toegepast;
e. de aanvrager van de erkenning draagt zorg voor het onderhoud en
de kalibratie van de in de werkplaats gebruikte apparatuur.
3. Indien niet voldaan kan worden aan de in het eerste en het
tweede lid genoemde erkenningseisen, omdat het onderhoudsbedrijf:
a. een zodanig geringe omvang heeft dat het beschikken over een
kwaliteitszorgsysteem niet mogelijk is; en
b. alleen ambulante herstellingen van beperkte aard uitvoert; of
c. werkzaamheden verricht aan spoorvoertuigen die van een
ontheffing voorzien zijn en gebruik maken van de
hoofdspoorweginfrastructuur,
kan de Minister aan de erkenning de beperking verbinden tot het
uitvoeren van slechts de in de onderdelen b of c genoemde werkzaamheden.
§ 7. Uitzonderingsbepalingen
Artikel 31
1. In afwijking van artikel 16 voldoen
spoorvoertuigen die gebruik maken van grensbaanvakken met België aan
UIC nr. 505-1 (9e editie 11-2003).
Artikel 32
De categorieën spoorvoertuigen bedoeld in artikel 36, zevende lid,
van de wet zijn:
a. spoorvoertuigen die in overeenstemming met de daarvoor
geldende voorschriften, die gelden op de dag voorafgaande aan de dag
waarop artikel 36 van de wet in werking treedt, op de hoofdspoorweg
kunnen worden gebruikt waarbij geldt dat het voor deze
spoorvoertuigen verstrekte certificaat, wordt aangemerkt als
inzetcertificaat als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de wet;
b. spoorvoertuigen waarvoor ten behoeve van incidentele ritten
een ontheffing, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de wet is
verleend;
c. spoorvoertuigen die voldoen aan de technische voorschriften
van RIC of RIV in hun laatst geldende redactie en zijn opgenomen in
een nationaal voertuigregister van een andere staat.
§ 8. Slotbepalingen
Artikel 33
[Wijzigt deze regeling.]
Artikel 34
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit
keuring spoorvoertuigen in werking treedt.
Artikel 35
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling keuring spoorvoertuigen.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst, met uitzondering van de bijlagen,
normbladen, fiches en richtlijnen waar in deze regeling naar verwezen
wordt, die ter inzage worden gelegd bij het ministerie
van Verkeer en Waterstaat.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.
Bijlage 1
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat en bij de Inspectie van Verkeer en Waterstaat.]
Bijlage 2
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 3
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 4
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 5
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 6
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bjilage 7
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 8
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 9 [Vervallen per 16-05-2007]
Bijlage 10, behorende bij artikel 16, eerste
lid, van de Regeling keuring spoorvoertuigen
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 11, behorende bij artikel 16, tweede
lid, onderdeel a, van de Regeling keuring spoorvoertuigen
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 12, behorende bij artikel 16, tweede
lid, onderdeel b, van de Regeling keuring spoorvoertuigen
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
Bijlage 13, behorende bij artikel 16, tweede
lid, onderdeel c, van de Regeling keuring spoorvoertuigen
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer
en Waterstaat]
|
|
|