|
REGELING ter uitvoering van de artikelen 1, onderdeel e, 2, 9, 20, 26
en 38 van het Besluit spoorverkeer (Regeling spoorverkeer)
De Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikelen 1, onderdeel e, 2, 9,
20, 26 en 38 van het Besluit spoorverkeer;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. krachtvoertuig: spoorvoertuig met
eigen voortbewegingsinrichting;
b. rijtuig: spoorvoertuig
hoofdzakelijk bestemd voor het vervoer van personen, zonder eigen
voortbewegingsinrichting;
c. wagen: spoorvoertuig zonder eigen
voortbewegingsinrichting, bestemd voor het vervoer van goederen;
d. het remgewicht van de trein: de
som van de remgewichten van de spoorvoertuigen;
e. het totale gewicht: de som van het
eigen gewicht van het spoorvoertuig en het gewicht van de reizigers
of van de lading;
f. het treingewicht: de som van de
totale gewichten van de spoorvoertuigen;
g. ETCS: European Train Control
System;
h. ETCS-cabinesein: sein, getoond op
de ETCS-bestuurdersinterface, bedoeld in paragraaf 4.3 van de
bijlage behorende bij beschikking nr. 2006/679/EG van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 2006 betreffende de
technische specificaties inzake interoperabiliteit van het
subsysteem ‘Besturing en Seingeving’ van het conventionele
trans-Europese spoorwegsysteem (PbEU L 284) dan wel op de
bestuurdersinterface, bedoeld in paragraaf 4.3 van de bijlage
behorende bij beschikking nr. 2006/860/EG van de Commissie van de
Europese Gemeenschappen van 7 november 2006 betreffende de
technische specificaties inzake interoperabiliteit van het
subsysteem ‘Besturing en Seingeving’ van het trans-Europees
hogesnelheidsspoorwegsysteem en tot wijziging van bijlage A bij
Beschikking 2006/679/EG betreffende de technische specificaties
inzake interoperabiliteit van het subsysteem ‘Besturing en
Seingeving’ van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem (PbEU
L 342);
i. bijlage A: bijlage A van de
bijlage behorende bij beschikking nr. 2008/231/EG van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 2008 betreffende de
technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem
‘Exploitatie’ van het trans-Europese
hogesnelheidsspoorwegsysteem overeenkomstig artikel 6, lid, 1, van
richtlijn 96/48/EG van de Raad en houdende intrekking van
Beschikking nr. 2002/734/EG van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 30 mei 2002 (PbEU L 84);
j. vast sein: niet verplaatsbaar
sein;
k. lichtsein: vast sein dat groen,
geel, rood of wit licht kan uitstralen;
l. hoofdsein: lichtsein dat rood
licht kan uitstralen;
m. voorsein: lichtsein dat aan een
hoofdsein voorafgaat en geen rood licht kan uitstralen;
n. P-sein: lichtsein voorzien van een
onderbord met het opschrift ‘P’;
o. AKI: automatische
knipperlichtinstallatie;
p. AHOB: automatische halve
overwegbomen;
q. AOB: automatische overpadbomen.
Hoofdstuk 2. Onderzoek treinen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 2
1.Het onderzoek, bedoeld in artikel 2
van het Besluit spoorverkeer, wordt met betrekking tot voor treinen
bestemde krachtvoertuigen en rijtuigen als een periodieke controle
uitgevoerd.
2.De periodieke controle omvat in elk
geval:
a. een controle van de inventaris
die voor de veiligheid van belang is;
b. een functietest van apparatuur
in de cabine;
c. een controle van de
verzegelingen van apparatuur in de cabine en in de technische
ruimten; en
d. een visuele inspectie aan de
buitenzijde van het spoorvoertuig van de mechanische onderdelen en
de deuren.
3.De spoorwegonderneming stelt voor
ieder type krachtvoertuig en rijtuig een plan op waarin de inhoud, de
plaats, alsmede de frequentie van de periodieke controle worden
vastgelegd.
4.De spoorwegonderneming draagt zorg
voor de administratie van de uitgevoerde periodieke controles.
Artikel 3
1.Het onderzoek, bedoeld in artikel 2
van het Besluit spoorverkeer, wordt met betrekking tot voor treinen
bestemde wagens en hun eventuele lading als een technische controle
uitgevoerd.
2.De technische controle omvat een
controle:
a. op kenbare technische gebreken;
b. van aan slijtage onderhevige
onderdelen;
c. op kenbare gebreken in de wijze
van belading;
d. van de stand van kranen en
krukken; en
e. van de revisiedatum.
3.De spoorwegonderneming stelt vast
waar en wanneer de technische controle zal plaatsvinden en draagt zorg
voor de administratie van de uitgevoerde technische controles.
Artikel 4 [Vervallen per 03-12-2009]
Artikel 5
De in artikel 3 bedoelde technische
controle wordt uitgevoerd aan de hand van de gebrekencatalogus van
bijlage 9, annex 1, van het General Contract of Use for Wagons.
§ 2. Rembeproeving
Artikel 6
1. Onverminderd de artikelen 2 en 3
worden treinen onderworpen aan een rembeproeving.
2. De spoorwegondernemer stelt voor
iedere soort of type trein een plan op waarin de inhoud, de plaats en
het tijdstip van de rembeproeving worden vastgelegd.
3. In het plan van rembeproeving wordt
tenminste rekening gehouden met de volgende omstandigheden:
a. de samenstelling van treinen;
b. de verandering van rijrichting;
c. het splitsen dan wel het
koppelen van treinen;
d. het bij- of uitplaatsen van
spoorvoertuigen;
e. het bijplaatsen of afrangeren
van een extra locomotief of een treinstel, en
f. de stilstand van treinen
gedurende langere duur nadat de laatste rembeproeving heeft
plaatsgevonden.
4. De spoorwegonderneming draagt zorg
voor de administratie van de uitgevoerde rembeproevingen.
Hoofdstuk 3. Maximumsnelheid treinen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 7
Onverminderd artikel 8a van het Besluit
spoorverkeer is de maximumsnelheid, waarmee treinen vervoerd mogen
worden, de laagste snelheid die door de beremming van de trein, de
technische eigenschappen van een in een trein opgenomen spoorvoertuig,
de samenstelling van de trein en de belasting van de trein wordt
bepaald.
Artikel 8
1.Treinen worden tenminste beremd
overeenkomstig de rempercentages die zijn opgenomen in de tabellen in
bijlage 2. In deze tabellen zijn de rempercentages een functie van de
snelheid en komen zij overeen met de van toepassing zijnde
maximumsnelheid.
2.De rempercentages zijn zodanig, dat
treinen op een dalende helling van 5‰ tot stilstand kunnen worden
gebracht binnen de hierna genoemde afstanden:
|
Treinsnelheid |
Maximum remweg |
|
Vmax ≤ 40 km/u |
400 m |
|
40 < Vmax ≤ 60 km/u |
500 m |
|
60 < Vmax ≤ 80 km/u |
800 m |
|
80 < Vmax ≤ 130 km/u |
1000 m |
|
130 < Vmax ≤ 160 km/u |
1150 m |
Artikel 9
1.Het berekenen van het in artikel 8
bedoelde rempercentage geschiedt overeenkomstig de volgende formule:
(Remgewicht van de trein /
Treingewicht) × 100%.
2.Het op grond van het eerste lid
berekende percentage wordt naar beneden afgerond op hele procenten.
§ 2. Remgewicht
Artikel 10
1.Voor het berekenen van het remgewicht
van de trein wordt uitgegaan van de op de spoorvoertuigen vermelde
remgewichten, waarbij remgewichten van spoorvoertuigen, waarvan de
remmen buitenwerking of afgesloten dan wel niet aangesloten zijn op de
luchtleiding, buiten beschouwing worden gelaten.
2.Indien van een spoorvoertuig het
remgewicht niet duidelijk leesbaar is vermeld, wordt als remgewicht
van dat spoorvoertuig uitgegaan van:
a. het eigen gewicht van het
spoorvoertuig; of
b. het remgewicht bekend bij de
ingebruikneming van het spoorvoertuig door de spoorwegonderneming.
Artikel 11
1.Indien van een rijtuig of een wagen
de rem van slechts één draaistel buiten werking is, wordt in
afwijking van artikel 10 als remgewicht van dat spoorvoertuig
uitgegaan van:
a. de helft van het op het rijtuig
of de wagen aangegeven remgewicht, of
b. het op het draaistel, waarvan de
rem nog wel in werking is, aangegeven remgewicht.
2.Indien van een rijtuig de hogedrukrem
van slechts één draaistel is afgesloten en deze is voorzien van een
verstelkruk R-P, wordt in afwijking van artikel 10 als remgewicht van
dat rijtuig uitgegaan van het totaal van:
a. het remgewicht, vermeld achter P
bij het afgesloten draaistel, en
b. het remgewicht, vermeld achter R
bij het andere draaistel,
3.Indien van een rijtuig de hogedrukrem
is uitgevallen en deze niet is voorzien van een verstelkruk R-P, wordt
in afwijking van artikel 10 als remgewicht van dat rijtuig uitgegaan
van het eigen gewicht.
4.Indien van een locomotief, van een
treinstel of van andere spoorvoertuigen die in vaste samenstelling
worden vervoerd, de remmen gedeeltelijk zijn afgesloten, stelt de
spoorwegonderneming in afwijking van artikel 10 vast met welke
vermindering van het remgewicht van dat betreffende spoorvoertuig of
van die betreffende spoorvoertuigen rekening moet worden gehouden.
Artikel 12
In afwijking van artikel 10 wordt bij een
rijtuig voorzien van een magneetrem en rijdend met de verstelkruk in de
stand R+Mg, als remgewicht van dat rijtuig uitgegaan van het remgewicht
in de stand R.
Artikel 13
1.Indien van een rijtuig met
automatische lastafremming de automatische lastafremming defect is en
dit rijtuig voor reizigers toegankelijk is, wordt in afwijking van
artikel 10 als remgewicht van dat rijtuig uitgegaan van het eigen
gewicht.
2.Een rijtuig met automatische
lastafremming waarvan de automatische lastafremming van slechts één
draaistel defect is of de luchttoevoer naar één van de veren
afgesloten is, wordt voor de vaststelling van het remgewicht
gelijkgesteld met het in het eerste lid bedoelde rijtuig.
Artikel 14
Bij wagens met automatische lastafremming
wordt in afwijking van artikel 10 als remgewicht uitgegaan van het eigen
gewicht van die wagen vermeerderd met het gewicht van de lading, met
dien verstande dat de som hiervan het op de wagen vermelde maximum
remgewicht niet kan overstijgen.
Artikel 15
1.Indien in een trein, bestaande uit
spoorvoertuigen met uitzondering van het krachtvoertuig met ten
hoogste 32 assen, één of meer rijtuigen zijn opgenomen waarop het
remgewicht behalve in witte of zwarte cijfers ook in rode cijfers is
vermeld, wordt het in rode cijfers vermelde remgewicht als remgewicht
aangehouden, ongeacht of de snelremversnellingsinrichting
functioneert.
2.Indien in een trein, bestaande uit
spoorvoertuigen met uitzondering van het krachtvoertuig met meer dan
32 assen, twee of meer rijtuigen zijn opgenomen die niet voorzien zijn
van een snelremversnellingsinrichting of waarvan de
snelremversnellingsinrichting niet functioneert, wordt voor alle
rijtuigen in die trein het in witte of zwarte cijfers vermelde
remgewicht aangehouden.
§ 3. Treingewicht
Artikel 16
1.Voor het berekenen van het
treingewicht wordt bij treinen bestemd voor het vervoer van reizigers
uitgegaan van de op de rijtuigen vermelde totale gewichten
2.Indien het totale gewicht niet op het
rijtuig is vermeld, wordt het totale gewicht van dat rijtuig berekend
door het eigen gewicht te vermeerderen met:
a. 0 ton bij een
restauratierijtuig;
b. 2 ton bij een slaaprijtuig;
c. 2 ton bij een rijtuig met
restauratie-afdeling (type RD, AR of BR);
d. 4 ton bij een zitrijtuig eerste
klasse;
e. 4 ton bij een ligrijtuig eerste
klasse;
f. 6 ton bij een rijtuig tweede
klasse met 80 of meer zitplaatsen;
g. 5 ton bij overige rijtuigen; of
h. 1 ton per auto (inclusief
eventuele aanhanger) bij dubbeldek-autowagens beladen met één of
meer auto’s en rijdend in een autoslaaptrein.
3.In afwijking van het eerste lid wordt
het eigen gewicht van een rijtuig als het totale gewicht aangemerkt,
indien het betreffende rijtuig:
a. leeg en afgesloten wordt
vervoerd; of
b. voorzien is van een automatische
lastafremming en leeg en afgesloten wordt vervoerd.
Artikel 17
1.Voor het berekenen van het
treingewicht wordt bij treinen bestemd voor het vervoer van goederen
uitgegaan van het eigen gewicht van de wagens vermeerderd met het
gewicht van de aanwezige lading. De uitkomst hiervan wordt als volgt
afgerond:
a. naar boven bij 0,5 ton of meer;
of
b. naar beneden bij minder dan 0,5
ton.
2.Indien het gewicht van de lading niet
kan worden vastgesteld, wordt het maximum draagvermogen van het
spoorvoertuig als het gewicht van de lading aangemerkt.
§ 4. Bijzondere beremmingsvoorschriften
Artikel 18
1.Treinen bestemd voor het vervoer van
goederen zijn voor het rijden in de Hemtunnel, de Velsertunnel dan wel
de Willemstunnel zodanig samengesteld dat deze een rempercentage van
ten minste 54% hebben, tenzij op grond van de tabellen van bijlage 2
een hoger rempercentage van toepassing is.
2.Op treinen bestemd voor werkzaamheden
aan op buiten dienst gestelde sporen is voor het rijden in de in het
eerste lid genoemde tunnels kolom 2.4 van de tabellen van bijlage 2
van toepassing.
Artikel 19
1. Op treinen bestemd voor het vervoer
van goederen is een maximum remweg van 100 m van toepassing voor het
rijden over hoofdspoorwegen als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit
aanwijzing hoofdspoorwegen, die gelegen zijn in een kruising of een
samenloop met een voor het openbaar verkeer openstaande weg als
bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 en die niet worden aangeduid als
een overweg door middel van de borden J12 en J13 van bijlage 1 bij het
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
2. De in het eerste lid bedoelde remweg
is ook van toepassing op treinen die over hoofdspoorwegen met een
plaatselijk toegestane snelheid van ten hoogste 10 km/u rijden.
§ 5. Kranen en krukken
Artikel 20
1.Bij treinen bestemd voor het vervoer
van reizigers en losse locomotieven wordt de P/G-kraan in de stand ‘P’
gesteld.
2.Bij treinen bestemd voor het vervoer
van goederen wordt de P/G-kraan volgens de tabellen A of B opgenomen
in bijlage 3 ingesteld.
Artikel 21
1.In afwijking van artikel 20 kunnen in
treinen, bestemd voor het vervoer van goederen en met de P/G-kraan in
de stand ‘P’, maximaal vijf wagens met de P/G-kraan in de stand
‘G’ achter de locomotief worden opgenomen, indien het totaal van
de op deze wagens vermelde remgewichten met 20% wordt verminderd,
waarbij de uitkomst naar beneden wordt afgerond.
2.Indien in treinen, bestemd voor het
vervoer van goederen en met de P/G-kraan in de stand ‘G’, wagens
worden opgenomen waarvan de P/G-kraan niet in de stand ‘G’ kan
worden gesteld, worden de remmen van deze wagens afgesloten.
Artikel 22
De verstelkruk leeg/beladen wordt op ‘leeg’gesteld,
indien:
a. het totaal van het gewicht van de
wagen en van de lading minder is dan het verstelgewicht; of
b. het totaal van het gewicht van de
wagen en van de lading onbekend is.
Hoofdstuk 4. Seinen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 23
1.De beheerder draagt zorg voor de
plaatsing en de bediening van de vaste seinen in en nabij
hoofdspoorwegen.
2.De seinen worden op een zodanige
wijze geplaatst en bediend dat op veilige wijze van de hoofdspoorweg
gebruik kan worden gemaakt.
3.De beheerder, gehoord de
spoorwegondernemingen en de Minister, stelt interne richtlijnen vast
voor de veiligheidskritische handelingen van de treindienstleider bij
de bediening van seinen die de handelwijze van de bestuurder raken.
4.Het eerste, tweede en derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing op de bediening van ETCS-cabineseinen,
met dien verstande dat ETCS-cabineseinen door de beheerder worden
bediend door het versturen van informatie.
Artikel 24
1. De aard, uitvoering en betekenis van
de seinen anders dan ETCS-cabineseinen zijn opgenomen in bijlage 4.
2. De aard, uitvoering en betekenis van
ETCS-cabineseinen zijn opgenomen in bijlage A.
3. In aanvulling op bijlage A geldt
dat:
a. het in de punten 5.1.5, 5.2.1,
6.8.2.3.3, 6.8.2.3.5, en 6.18.2.2, van die bijlage met betrekking
tot het ETCS level 1 met seinen bepaalde, van overeenkomstige
toepassing op het ETCS level 2 met seinen, en
b. punt 6.11.2.1.4 van die bijlage
van overeenkomstige toepassing is op de delen van een
hoofdspoorweg waarop punt 6.3.2.1.3 van die bijlage betrekking
heeft.
4. De bestuurder mag indien het
spoorvoertuig stilstaat, het eerstvolgende te passeren lichtsein het
voorbijrijden toestaat en geen bedienbare inrichtingen in de
tussenliggende rijweg liggen, in afwijking van het tweede lid in
verbinding met onderdeel a2 van punt 6.11.2.1.4 van bijlage A, naar en
voorbij dat lichtsein rijden.
§ 2. Plaatsing van seinen
Artikel 25
1.Op hoofdspoorwegen waar de ter
plaatse toegestane snelheid hoger is dan 40 km/u worden in ieder
geval:
a. wissels;
b. gelijkvloerse kruisingen van
sporen;
c. spooraansluitingen; en
d. beweegbare bruggen
beveiligd door seinen die tenminste
rood licht kunnen uitstralen of door ETCS.
2.Op sporen waar de in het eerste lid
bedoelde plaatsen met een snelheid van ten hoogste 40 km/u worden
genaderd, mag de beveiliging ook bestaan uit een daarvoor geplaatst
vast sein, dat de bestuurder gebiedt te stoppen.
3.De Minister kan ontheffing verlenen
van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 26
1.Seinen worden geplaatst rechts naast
of boven het spoor waarvoor zij zijn bestemd.
2.In afwijking van het eerste lid mogen
seinen links naast het spoor worden geplaatst, indien de situatie ter
plaatse dit noodzakelijk maakt en dit geen nadelige invloed heeft op
de veiligheid van het spoorverkeer.
3.Seinen worden zodanig geplaatst of
van zodanige aanduidingen voorzien, dat het voor de bestuurder
duidelijk is welke seinen voor het door hem bereden spoor bestemd
zijn.
Artikel 27
Seinen zijn voor de bestuurder zodanig
zichtbaar dat hij afhankelijk van de plaatselijk toegestane
maximumsnelheid in staat is die tijdig waar te nemen en daarop op
passende wijze te reageren.
§ 3. Onderling verband
Artikel 28
1.Tussen een wissel en een daarvoor
ingevolge artikel 25, eerste lid, geplaatst sein bestaat een zodanig
verband dat als dit sein voorbijrijden toestaat, het wissel niet kan
worden omgelegd en de juiste stand van de tongen verzekerd is.
2.Tussen een beweegbare brug en een
daarvoor ingevolge artikel 25, eerste lid, geplaatst sein bestaat een
zodanig verband dat als dit sein voorbijrijden toestaat, de brug in de
juiste stand is vastgelegd.
3.De Minister kan ontheffing verlenen
van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 29
1.Indien op hoofdspoorwegen, waar de
ten hoogste toegelaten snelheid meer dan 40 km/u bedraagt, en op door
de Minister aangewezen sporen een vast sein of ETCS-cabinesein de
bestuurder opdraagt te stoppen, leggen de voorafgaande seinen een
zodanige snelheidsvermindering op dat de bestuurder de trein voor dit
sein tot stilstand kan brengen.
2.Indien een vast sein de bestuurder
een beperkte snelheid opdraagt, leggen de voorafgaande seinen een
zodanige snelheidsvermindering op dat de beperkte snelheid bij dit
sein bereikt kan worden.
§ 4. Het opvolgen van seinen
Artikel 30
1.De bestuurder zet een door een sein
opgedragen snelheidsverlaging in, wanneer het eerste spoorvoertuig van
de trein dit sein bereikt heeft.
2.De bestuurder mag een door een sein
toegestane snelheidsverhoging eerst uitvoeren, nadat het laatste
spoorvoertuig van de trein dit sein of het punt van toegestane
snelheidsverhoging gepasseerd is.
Artikel 31
1. Een door een lichtsein of een
ETCS-cabinesein gegeven gebod of toestemming geldt vanaf dit sein
totdat de trein het volgende sein heeft bereikt of tot een ander
ETCS-cabinesein wordt getoond. De bestuurder neemt hierbij geboden of
toestemmingen van specifieke snelheidsborden, zoals opgenomen in
bijlage 4, in acht.
2. Een door lichtsein nr. 214 of bord
nr. 317, zoals opgenomen in bijlage 4, gegeven toestemming geldt tot
aan het eerstvolgende hoofdsein.
3. Bij gebruik van een hoofdspoorweg,
met een spoorvoertuig waarvan het inzetcertificaat, bedoeld in artikel
36, vierde lid, van de wet, die hoofdspoorweg voor dat voertuig
vermeldt als te berijden met het ETCS, geldt in afwijking van het
tweede lid, een in dat lid bedoelde toestemming tot het tijdstip
waarop een ETCS-cabinesein wordt getoond indien dat tijdstip voor het
tijdstip van het passeren van het eerstvolgende hoofdsein is gelegen.
4. Onverminderd het tweede lid mag de
bestuurder, met inachtneming van geboden of toestemmingen van
specifieke snelheidsborden, bedoeld in het eerste lid, de snelheid
direct verhogen, indien:
a. hij overdag en bij goed zicht
ziet dat het eerste hoofdsein dat hij zal voorbijrijden, toestaat
om te rijden met een hogere snelheid dan de trein rijdt;
b. er zich tussen de trein en dit
hoofdsein geen wissels bevinden;
c. de trein de wisselbogen in zijn
geheel is gepasseerd; en
d. het punt van toegestane
snelheidsverhoging volledig is gepasseerd.
5. Onverminderd het tweede lid mag een
bestuurder de snelheid verhogen, indien hij een specifiek
snelheidsbord, bedoeld in het eerste lid, voorbijrijdt, dat een hogere
snelheid toestaat dan de trein rijdt, en het voorafgaande lichtsein
groen licht uitstraalde.
6. De door een ETCS-cabinesein
aangegeven toegestane snelheid treedt, bij gebruik van een
hoofdspoorweg met een spoorvoertuig als bedoeld in het derde lid,
indien in de ETCS FS-modus wordt gereden, in de plaats van de
aangegeven toegestane snelheden door de in bijlage 4 opgenomen seinen
nrs. 201 tot en met 212 a/b, nrs. 217 tot en met 219 en nrs. 313 tot
en met 316.
7. De op basis van het zesde lid
geldende toegestane snelheid, geldt tot het tijdstip waarop het in
punt 6.8.2.1.2.4 van bijlage A bedoelde signaal is getoond of een
daarmee overkomend bericht is ontvangen en één of meer van de in het
zesde lid genoemde seinen wordt gepasseerd.
8. Het derde, zesde en zevende lid is
niet van toepassing bij gebruik van de hoofdspoorweg, bedoeld in
bijlage 1, punt 15, van het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen.
§ 5. Gedoofde en onjuiste seinen
Artikel 32
1.Wanneer de bestuurder in een
hoofdsein, met uitzondering van een P-sein, gedoofd of onjuist licht
waarneemt, stopt de bestuurder direct, indien:
a. hij in het bezit is van een
aanwijzing Stoptonend sein;
b. het voorafgaande sein lichtsein
nr. 212 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht
uitstraalde, was;
c. het voorafgaande lichtsein een
gedoofd sein was;
d. het voorafgaande sein baken nr.
249a, zoals opgenomen in bijlage 4, was; of
e. het voorafgaande sein lichtsein
nr. 214, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde,
of bord nr. 317, zoals opgenomen in bijlage 4, was.
In andere dan de onder a tot en met e
genoemde gevallen begrenst de bestuurder de snelheid tot 40 km/u om op
elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder
rijden aanwezig is te kunnen stoppen.
2.Indien de bestuurder in een P-sein
gedoofd of onjuist licht waarneemt, begrenst hij de snelheid tot 40
km/u om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het
verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.
3.Indien de bestuurder in een voorsein
gedoofd of onjuist licht waarneemt, dan handelt de bestuurder alsof
dit sein overeenkomstig voorsein nr. 219 a/b, zoals opgenomen in
bijlage 4, geel licht uitstraalt.
§ 6. Het passeren van rode seinen
Artikel 33
1.Lichtseinen die rood licht uitstralen
mogen alleen voorbijgereden worden, indien de bestuurder van de
treindienstleider een aanwijzing Stoptonend sein heeft gekregen.
2.In afwijking van het eerste lid mag
een P-sein dat rood licht uitstraalt worden voorbijgereden, indien de
treindienstleider dit heeft toegestaan. Indien de bestuurder geen
spreekverbinding met de treindienstleider tot stand kan brengen, dan
mag dit P-sein voorbij worden gereden.
3.Indien het P-sein, bedoeld in het
tweede lid, voorbijgereden mag worden, mag de bestuurder ook
daaropvolgende P-seinen die rood licht uitstralen voorbijrijden.
4.Na het voorbijrijden van een P-sein
dat rood licht uitstraalt is de bestuurder verplicht:
a. met een zodanige snelheid te
rijden dat hij in staat is om te kunnen stoppen binnen de afstand
waarover de spoorweg is te overzien en deze vrij is; en
b. rekening te houden met het niet
goed functioneren van een AKI, AHOB of AOB.
5.De treindienstleider geeft geen
toestemming tot het voorbijrijden van het P-sein dat rood licht
uitstraalt, bedoeld in het tweede lid, indien hij op de hoogte is van
gevaar achter dit sein.
§ 7. Overige bepalingen
Artikel 34
Aanwijzingen van de beheerder, bedoeld in
de artikelen 4, derde lid, 12, tweede lid, onderdeel c, 13, tweede lid,
15, tweede lid, 18, tweede lid, 22, tweede lid, en 23, tweede lid, van
het Besluit spoorverkeer, gaan boven seinen.
Hoofdstuk 5. Sluitseinbord
Artikel 35
Het model, de afmetingen, het
reflecterend vermogen en de plaatsing van het schild aan de achterzijde
van treinen worden vastgesteld en vervaardigd overeenkomstig het model
en de voorschriften opgenomen in bijlage 5.
Hoofdstuk 6. Standaardaanwijzingen
Artikel 36
De treindienstleider kan aan de
bestuurder in ieder geval de volgende gestandaardiseerde aanwijzingen
geven:
1.Stoptonend sein (STS)
Aanwijzing om door te rijden en
voorbij het aangegeven sein dat rood licht uitstraalt:
a. met een zodanige snelheid, die
niet hoger is dan 40 km/u, te rijden dat de bestuurder in staat
is om te kunnen stoppen binnen de afstand waarover de spoorweg
is te overzien en deze vrij is;
b. de wissels voorzichtig te
berijden met een snelheid van ten hoogste 10 km/u en voor een
wissel te stoppen, indien de wissel niet in de aangegeven stand
ligt of uiterlijk beschadigd is; en
c. rekening te houden met het
niet goed functioneren van een AKI, AHOB dan wel een AOB.
2.Stoptonend sein met normale
snelheid (STS-A)
Aanwijzing om door te rijden en
voorbij het aangegeven sein dat rood licht uitstraalt:
a. de wissels voorzichtig te
berijden met een snelheid van ten hoogste 10 km/u en voor een
wissel te stoppen, indien de wissel niet in de aangegeven stand
ligt of uiterlijk beschadigd is;
b. rekening te houden met het
niet goed functioneren van een aangegeven AKI, AHOB dan wel een
AOB;
c. de aangegeven brug slechts te
berijden, indien sein nr. 244 a of b voorbijrijden toestaat; of
d. in andere gevallen te mogen
rijden met de normale snelheid.
3.Voorzichtig rijden (VR)
Aanwijzing om voorzichtig te rijden
met een snelheid van ten hoogste 40 km/u dan wel met een door de
treindienstleider aangegeven lagere snelheid vanwege een door hem
aangegeven reden. De bestuurder brengt de trein tot stilstand,
indien de veiligheid dit vordert.
4.AKI, AHOB of AOB
Aanwijzing om bij nadering van de
aangegeven overweg of overpad:
a. tijdig de snelheid te
verminderen tot ten hoogste 10 km/u; en
b. herhaaldelijk een fluitsignaal
te geven en te stoppen, indien de veiligheid van het wegverkeer
dit vordert.
5.Snelheid begrenzen (SB)
Aanwijzing om de snelheid te
begrenzen tot de door de treindienstleider aangegeven snelheid
vanwege de toestand van de spoorweg.
6.Verkeerd spoor (VS)
Aanwijzing om de hoofdspoorweg in een
andere richting te mogen berijden dan waarvoor de beveiliging is
ingericht.
7.Telefonische toestemming vragen
voor vertrek (TTV)
Aanwijzing om voor vertrek
telefonisch aan de treindienstleider toestemming te vragen om te
mogen vertrekken.
Artikel 37
1.De aanwijzingen, bedoeld in artikel
36, worden schriftelijk dan wel per spreekverbinding gegeven.
2.Indien de aanwijzingen per
spreekverbinding worden gegeven, noteert de bestuurder de gegevens en
herhaalt hij de inhoud van de aanwijzing.
3.Bij de aanwijzing AKI, AHOB of AOB
kan de snelheid eerst dan worden hernomen, indien de voorzijde van de
trein de overweg of het overpad is gepasseerd.
4.Bij de aanwijzing Verkeerd Spoor
wordt tevens aan de bestuurder een beeldinstructie verstrekt.
Hoofdstuk 7. Spoorwegemplacementen
Artikel 38
Als spoorwegemplacementen bedoeld in
artikel 1, onderdeel e, van het Besluit spoorverkeer worden aangewezen
de spoorwegemplacementen, bedoeld in bijlage 6.
Artikel 39
1.Tot een spoorwegemplacement behoren:
a. alle sporen, aangeduid met een
cijfer;
b. de spoorgedeeltes van het
wisselcomplex; en
c. alle aan de sporen als bedoeld
in onderdeel a en b grenzende sporen tot een maximale afstand van
200 m voor het toeleidende sein van het bedoelde emplacement.
2.In afwijking van het eerste lid,
onderdeel c, zijn de locaties waar een grotere afstand dan 200 m
benodigd is, weergegeven in bijlage 7.
Artikel 40
In afwijking van artikel 39 eerste lid,
onderdeel c, en het tweede lid, wordt door de beheerder, indien dit voor
het veilige gebruik van de spoorweg vereist is, door middel van het bord
nr. 302 uit bijlage 4 aangegeven dat op dit spoor niet gerangeerd kan
worden of dat beperkingen gelden ten aanzien van het rangeren.
Hoofdstuk 7a. Afmeting van de lading
Artikel 40a
Het profiel, bedoeld in artikel 12,
tweede lid, onderdeel a, van het Besluit Spoorverkeer, is opgenomen in
bijlage 8.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 41
Deze regeling treedt in werking op het
tijdstip waarop het Besluit spoorverkeer in werking treedt.
Artikel 42
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling spoorverkeer.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met
uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij het ministerie
van Verkeer en Waterstaat.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs.
Bijlage 1 [Vervallen per 03-12-2009]
Bijlage 2
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Verkeer en Waterstaat]
Bijlage 3, behorende bij artikel 20,
tweede lid, van de Regeling spoorverkeer
|
Treingewicht
exclusief locomotieven |
Toelaatbare standen
P/G-kranen |
|
|
|
Voorwaarden |
|
≤ 800 ton1 |
GG |
LL5 |
GP |
PP |
|
|
≤ 1600 ton2 |
Niet
toegestaan |
|
|
≤ 2500 ton3 |
Niet
toegestaan |
Voor LL: > 1600 ton, alle wagens
in de trein:
massa/wagen ≥ 32 ton |
|
≤ 4000 ton |
Voor LL: > 2500 ton, alle wagens
in de trein:
massa/wagen ≥ 40 ton |
|
> 4000 ton4 |
Automatische koppeling conform 69e
voorschrift van de Internationale Spoorweg Unie verplicht |
|
Treinlengte
incl. loc’n |
Toelaatbare standen P/G-kranen |
|
|
|
Voorwaarden |
|
> 700 meter |
GG |
Niet toegestaan |
|
|
|
|
Treinsnelheid |
Maximaal toegelaten treinsnelheid |
|
|
|
Voorwaarden |
|
Treinsnelheid |
90/95 |
120 |
|
|
Voor minimaal benodigd
rempercentage λ
zie Bijlage 2 |
1 600 ton maximaal treingewicht voor
België in stand PP
5 gelede wagens gelden als meerdere
wagens; bij een treingewicht > 1600 ton dient elk deel van de gelede
wagen een massa te hebben ≥ 32 ton en bij een treingewicht >
2500 ton een massa ≥ 40 ton, alle P/G-kranen van de gelede wagen
moeten in éénzelfde stand staan.
2 1200 ton maximaal treingewicht voor
België en Duitsland in stand GP
3 1800 ton maximaal treingewicht voor
België in stand LL
4 4500 ton maximaal treingewicht voor
België met AK
PP:
Vooroplopende locomotie(f)(ven) en alle
wagens in de stand P;
Minimum rempercentage λ volgens de
P-remtabellen in Bijlage 2;
Data invoer ETCS: P.
GP:
Vooroplopende locomotie(f)(ven) in de
stand G en de wagens in de stand P;
Remgewicht vooroplopende
locomotie(f)(ven) het G-remgewicht aanhouden;
Minimum rempercentage λ volgens de
P-remtabellen in Bijlage 2;
Data invoer ETCS: P.
LL:
Vooroplopende locomotie(f)(ven) en de
vijf volgende wagens in de stand G en de overige wagens in de stand P;
Remgewicht vooroplopende locomtie(f)(ven)
het G-remgewicht aanhouden, remgewicht van de eerste vijf wagens met 20%
verlagen, rest van de wagens het P-remgewicht aanhouden;
Minimum rempercentage λ volgens de
P-remtabellen in Bijlage 2;
Data invoer ETCS: P.
GG:
Vooroplopende locomotie(f)(ven) en alle
overige wagens in de stand G;
Minimum rempercentage λ volgens de
G-remtabellen in Bijlage 2;
Data invoer ETCS: G.
Bijlage 4
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Verkeer en Waterstaat]
Bijlage 5
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Verkeer en Waterstaat]
Bijlage 6
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Verkeer en Waterstaat]
Bijlage 7
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Verkeer en Waterstaat]
Bijlage 8
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Verkeer en Waterstaat en bij de Inspectie van Verkeer en Waterstaat]
|