| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Statuut voor het
Koninkrijk der Nederlanden
BESLUIT
TIJDELIJK FINANCIEEL TOEZICHT BES
Tekst zoals deze geldt op
3 maart 2009
Regeling vervalt m.i.v. 1 januari 2011
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 8 november 2007, houdende tijdelijke
voorzieningen voor het toezicht op de begroting en de bedrijfsvoering
van de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de Nederlandse
Antillen (Besluit tijdelijk financieel toezicht BES)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 11 juli 2007, nr. 2007-0000253355, Directie
Koninkrijksrelaties, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën;
Overwegende dat er overeenstemming bestaat
tussen Nederland, de Nederlandse Antillen en de eilandgebieden Bonaire,
Sint Eustatius en Saba over toekomstige nieuwe staatkundige verhoudingen
van deze eilandgebieden, te weten de totstandkoming van een status als
Nederlands openbaar lichaam voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
Dat in de Miniconferentie van 10 en 11 oktober
2006 met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba is
afgesproken dat de openbare financiën van deze eilandgebieden van de
Nederlandse Antillen op orde moeten worden gebracht om deze eilanden een
goede startpositie te geven en dat daartoe bij algemene maatregel van
rijksbestuur toezicht zal worden ingesteld;
Dat met de Nederlandse Antillen en met de
eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeenstemming bestaat
over de vormgeving van het financieel toezicht voor deze eilandgebieden;
Dat wordt gestreefd naar een startdatum van de
nieuwe staatkundige verhoudingen op 15 december 2008;
Gelet op artikel 38, tweede lid, van het
Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord
(advies van 23 augustus 2007, nr. W04.07.0242/I/K);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 23
oktober 2007, nr. 2007-0000431714, uitgebracht mede namens Onze Minister
van Financiën;
De bepalingen van het Statuut voor het
Koninkrijk in acht genomen zijnde:
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
– begroting: het jaarlijkse overzicht van de geraamde uitgaven
en ontvangsten van een eilandgebied, inclusief een daarbij behorende
toelichting, bestaande uit een deeloverzicht omvattende de lopende
uitgaven en ontvangsten (de gewone dienst) en een deeloverzicht
omvattende de kapitaaluitgaven en kapitaalontvangsten (de
kapitaaldienst);
– bestuurscollege: het bestuurscollege van een eilandgebied;
– collectieve sector: de gezamenlijkheid van de rechtspersonen
die op basis van het System of National Accounts van de Verenigde
Naties tot de sector overheid worden gerekend;
– eilandgebied: het eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of
Saba;
– eilandsraad: de eilandsraad van een eilandgebied;
– geconsolideerde schuld: de gezamenlijke schulden van de
collectieve sector van een eilandgebied in de vorm van leningen en
kredieten, met uitzondering van de onderlinge schulden van de
betreffende collectieve sector;
– kapitaaluitgaven: uitgaven die ingevolge de geldende
definitie van het System of National Accounts van de Verenigde
Naties op de kapitaaldienst van de overheidsrekening worden geboekt;
– Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties;
– rentelast: de uitgaven aan rente in een begrotingsjaar over
de geconsolideerde schuld van de collectieve sector van een
eilandgebied, weergegeven als percentage van de gemiddelde
ontvangsten van de collectieve sector van het eilandgebied over de
drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de begroting wordt
ingediend;
– rentelastnorm: de norm dat de rentelast van een eilandgebied
niet hoger is dan het percentage, genoemd in artikel 17, eerste lid.
Hoofdstuk 2. Het College financieel toezicht
Artikel 2
In dit besluit wordt verstaan onder College financieel toezicht: het
College financieel toezicht, genoemd in artikel 2 van het Besluit
tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint
Maarten.
Artikel 3 [Vervallen per 10-12-2008]
Artikel 4. Taak
De taken van het College financieel toezicht op grond van dit besluit
zijn, onverminderd de in andere artikelen genoemde taken:
a. het toezicht op de toepassing van de bij dit besluit
vastgestelde normen ter zake van de voorbereiding, de uitvoering en
de verantwoording van de begroting door het eilandgebied, alsmede
het toezicht op de verbetering van het financieel beheer, de
inrichting en de werking van de administraties en het
betalingsverkeer;
b. het toetsen of aan de bij dit besluit vastgestelde voorwaarden
is voldaan voor het aangaan van kredieten door een eilandgebied.
Artikel 5 [Vervallen per 10-12-2008]
Artikel 6 [Vervallen per 10-12-2008]
Artikel 7 [Vervallen per 10-12-2008]
Artikel 8. Informatieplicht
1. De bestuurscolleges verstrekken het College financieel toezicht
alle inlichtingen die deze voor de uitoefening van zijn taken nodig
acht.
2. De bestuurscolleges verlenen het College financieel toezicht dan
wel door hem aangewezen vertegenwoordigers, te allen tijde toegang tot
dan wel inzage in alle goederen, administraties, documenten en andere
informatiedragers.
3. Het College financieel toezicht kan na overleg met Onze
Minister, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de raad
van ministers van het Koninkrijk, regels stellen over de verstrekking
van gegevens door de collectieve sector, niet zijnde een eilandgebied.
Artikel 9. Bekostiging en financiering
1. De uitgaven en ontvangsten, samenhangende met het verstrekken
van rekening-courantkredieten door het College financieel toezicht aan
een eilandgebied, komen ten laste respectievelijk ten gunste van de
begroting van Onze Minister.
2. De valutarisico’s, samenhangende met het verstrekken van
rekening-courantkredieten door het College financieel toezicht aan een
eilandgebied, komen voor rekening van de begroting van Onze Minister.
Artikel 10 [Vervallen per 10-12-2008]
Hoofdstuk 3. Toezicht op de begroting
Artikel 11. Indiening ontwerpbegroting
1. Het bestuurscollege zendt voor een door het College financieel
toezicht te bepalen datum de ontwerpbegroting voor het komende jaar
aan hem toe. Aan de ontwerpbegroting worden de ramingen voor het op
het begrotingsjaar volgende jaar toegevoegd.
2. Het College financieel toezicht toetst de ontwerpbegroting en
ramingen aan de criteria, genoemd in artikel 16.
3. Het College financieel toezicht zendt binnen veertien dagen na
ontvangst van de ontwerpbegroting aan het bestuurscollege een advies
bevattende zijn bevindingen met betrekking tot de uitgevoerde toetsing
en aanbevelingen met betrekking tot aanpassing van de begroting.
4. Het bestuurscollege dient de ontwerpbegroting in bij de
eilandsraad en geeft daarbij aan op welke wijze rekening is gehouden
met de bevindingen en aanbevelingen van het College financieel
toezicht.
5. Het bestuurscollege legt de op de ontwerpbegroting ingediende
amendementen onmiddellijk na indiening voor advisering voor aan het
College financieel toezicht. Het College financieel toezicht brengt,
na de toetsing bedoeld in het tweede lid, aan het bestuurscollege
binnen drie werkdagen na ontvangst zijn advies uit over de
amendementen.
Artikel 12. Vaststelling begroting
1. Het bestuurscollege legt de begroting, onmiddellijk nadat deze
door de eilandsraad is vastgesteld, voor aan het College financieel
toezicht.
2. Het College financieel toezicht toetst de vastgestelde
begrotingen aan de criteria, genoemd in artikel 16.
3. Het College financieel toezicht zendt binnen veertien dagen na
ontvangst van de vastgestelde begrotingen aan het bestuurscollege een
goedkeurende verklaring, een gedeeltelijk afkeurende verklaring of een
afkeurende verklaring inzake de uitvoering van de begroting.
4. Eerst na ontvangst van een goedkeurende verklaring of een
gedeeltelijk afkeurende verklaring neemt het bestuurscollege de
begroting, respectievelijk het niet afgekeurde deel van de begroting
in uitvoering.
5. Een afkeurende en een gedeeltelijk afkeurende verklaring maakt
de vaststelling van de begroting, respectievelijk van de afgekeurde
gedeelten van de begroting, door de eilandsraad ongedaan.
6. Het bestuurscollege stelt zo spoedig mogelijk na ontvangst van
een afkeurende of een gedeeltelijk afkeurende verklaring een nieuwe
ontwerpbegroting op.
7. Op deze ontwerpbegroting zijn artikel 11 en het eerste tot en
met het zesde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13. Geen ontwerpbegroting 2008
1. Indien op de in artikel 11, eerste lid, bedoelde datum geen
ontwerpbegroting voor het jaar 2008 aan het College financieel
toezicht is voorgelegd, stelt het College financieel toezicht de
ontwerpbegroting voor dat jaar op. Het College financieel toezicht
informeert hierover de raad van ministers van het Koninkrijk door
tussenkomst van Onze Minister.
2. Het College financieel toezicht neemt bij de opstelling van de
ontwerpbegroting de criteria van artikel 16 in acht.
3. Het bestuurscollege dient deze ontwerpbegroting in bij de
eilandsraad.
4. Artikel 12 is van toepassing op de in dit artikel bedoelde
begroting.
Artikel 14. Geen begroting 2008 vastgesteld
1. Indien de begroting voor het jaar 2008 niet op een door het
College financieel toezicht te bepalen tijdstip is vastgesteld, stelt
het College financieel toezicht een ontwerpbegroting op.
2. Het College financieel toezicht neemt bij de opstelling van de
ontwerpbegroting de criteria van artikel 16 in acht.
3. De vaststelling van de in dit artikel bedoelde begroting
geschiedt in overeenstemming met het gevoelen van de raad van
ministers van het Koninkrijk door Onze Minister.
Artikel 15. Begrotingen na 2008
1. Zolang het College financieel toezicht met betrekking tot de
begrotingen voor de jaren na 2008 geen goedkeurende verklaring heeft
verleend, blijft de goedgekeurde begroting van het jaar voorafgaande
aan het jaar waarover de begroting wordt ingediend, van kracht.
2. Het College financieel toezicht toetst de begroting over het
voorafgaande jaar aan de criteria genoemd in artikel 16.
3. Indien de toetsing daartoe aanleiding geeft, stelt het College
financieel toezicht een nieuwe ontwerpbegroting op met inachtneming
van de criteria genoemd in artikel 16.
4. De vaststelling van de in het derde lid bedoelde begroting
geschiedt in overeenstemming met het gevoelen van de raad van
ministers van het Koninkrijk door Onze Minister.
Hoofdstuk 4. Beoordeling begrotingen en kredieten
Artikel 16. De toetsingscriteria voor begrotingen
1. Voor de beoordeling van de ontwerpbegroting en van de
vastgestelde begroting van een eilandgebied hanteert het College
financieel toezicht de volgende criteria:
a. de gewone dienst en de kapitaaldienst vertonen geen tekort;
b. in de begroting zijn alle voorgenomen uitgaven en verwachte
ontvangsten opgenomen;
c. in de begroting zijn de meerjarige uitgaven als gevolg van
de voorgenomen verplichtingen opgenomen;
d. in de begroting is het verband met de begroting van het
voorafgaande jaar aangegeven;
e. de rentelastnorm wordt niet overschreden;
f. de begroting is toelaatbaar uit een oogpunt van een
rechtmatig, doelmatig, ordelijk en controleerbaar financieel
beheer;
g. de in de begroting opgenomen uitgaven en ontvangsten zijn in
overeenstemming met de best mogelijke inschatting van reeds
aangegane financiële verplichtingen en van te verwachten externe
ontwikkelingen;
h. de in de begroting opgenomen financiële verplichtingen en
uitgaven brengen geen onaanvaardbare risico’s met zich mee voor
toekomstige begrotingsjaren;
i. de begroting voldoet overigens aan de geldende regelgeving.
2. Het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geldt
niet gedurende de drie eerstvolgende begrotingsjaren na
inwerkingtreding van dit besluit, indien Onze Minister en Onze
Minister van Financiën enerzijds en een bestuurscollege anderzijds
overeenstemming hebben over het tijdpad en de tekortreeks om te komen
tot een sluitende gewone dienst. Gedurende deze periode kan het
bestuurscollege de financiering van de tekorten op de gewone dienst
alleen aantrekken bij het College financieel toezicht.
Artikel 17. Rekening-courantkredieten
1. De rentelastnorm voor de collectieve sector van een eilandgebied
bedraagt 0% gemiddeld per begrotingsjaar.
2. Liquiditeitstekorten ten gevolge van afwijkingen in de
gerealiseerde uitgaven en ontvangsten van de gewone dienst worden, na
instemming van het College financieel toezicht, gedekt door het
toestaan van een tekort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 24,
derde lid (rekening-courantkrediet).
3. Het College financieel toezicht stelt per maand, per kwartaal of
per half jaar een maximum vast van het tekort op een rekening-courant,
dan wel het minimum van het tegoed op een rekening-courant, zodanig
dat het toegestane rekening-courantkrediet niet leidt tot
overschrijding van de geldende rentelastnorm in het begrotingsjaar.
4. Een eilandgebied is niet bevoegd kredieten anders dan bij het
College financieel toezicht op te nemen.
5. De norm, bedoeld in het eerste lid, geldt niet gedurende de drie
eerstvolgende begrotingsjaren na inwerkingtreding van dit besluit,
indien Onze Minister en Onze Minister van Financiën enerzijds en een
bestuurscollege anderzijds overeenstemming hebben over het tijdpad en
de tekortreeks om te komen tot een sluitende gewone dienst. Gedurende
deze periode kan het bestuurscollege de financiering van de tekorten
op de gewone dienst alleen aantrekken bij het College financieel
toezicht.
Hoofdstuk 5. De uitvoering en verantwoording van de begroting
Artikel 18. Uitvoering van beleidsvoornemens
1. Beleidsmaatregelen die gevolgen hebben voor de uitgaven of de
ontvangsten op de begroting, worden door het bestuurscollege en de
eilandsraad uitgevoerd door middel van een daartoe geëigende
voorziening.
2. Indien het bestuurscollege de in het eerste lid bedoelde
voorziening niet vaststelt of op een zodanig tijdstip vaststelt,
implementeert of uitvoert dat de haalbaarheid van de uitgaven- en
ontvangstenramingen in gevaar komt, rapporteert het College financieel
toezicht hierover aan Onze Minister en Onze Minister van Financiën
van Nederland.
3. Het College financieel toezicht rapporteert eveneens aan Onze
Minister en Onze Minister van Financiën van Nederland indien een
eilandsraad niet met een voorgestelde voorziening instemt of daarmee
op een zodanig tijdstip instemt dat de haalbaarheid van de uitgaven-
en ontvangstenramingen in gevaar komt.
4. Het College financieel toezicht zendt de betreffende
bestuurscolleges en eilandsraden een afschrift van het rapport.
5. Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de
raad van ministers van het Koninkrijk en in afwachting van de
totstandkoming of implementatie van de bedoelde voorziening, besluiten
het College financieel toezicht te belasten met het vaststellen van
bijzondere maatregelen en het zelfstandig uitvoeren hiervan.
Artikel 19. Wijzigen van de begroting
1. Een bestuurscollege zendt uiterlijk drie weken na afloop van
ieder kwartaal uitvoeringsrapportages en zo nodig ontwerpen van
begrotingswijzigingen aan het College financieel toezicht.
2. Ontwerpen van begrotingswijzigingen worden in ieder geval
voorgelegd met betrekking tot:
a. wijzigingen in de ramingen van de verplichtingen, de
uitgaven en de ontvangsten van het lopende jaar;
b. voornemens tot nieuw beleid.
3. Het College financieel toezicht toetst deze ontwerpen van
begrotingswijzigingen aan de criteria, genoemd in artikel 16. Hij
betrekt hierbij de ontwikkeling van het saldo op de rekening-courant,
bedoeld in artikel 24, derde lid.
4. Op ontwerpen van begrotingswijzigingen en op de vaststelling van
begrotingswijzigingen zijn de artikelen 11, 12 en 14 van toepassing.
5. Ten aanzien van de toepassing van artikel 14 geldt dat ingevolge
het eerste lid ingezonden ontwerpen van begrotingswijzigingen
uiterlijk zes weken na aanvang van ieder kwartaal zijn vastgesteld.
6. Na de vaststelling van de begrotingswijzigingen maken deze deel
uit van de begroting voor het lopende jaar.
Artikel 20. Verantwoording
1. Uiterlijk 1 april van ieder jaar verstrekt het bestuurscollege
de jaarrekening van het voorafgaande jaar aan het College financieel
toezicht.
2. Het College financieel toezicht laat deze jaarrekening
controleren door een registeraccountant.
3. Indien uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een tekort
op de gewone dienst of op de kapitaaldienst of van een overschrijding
van de rentelastnorm, geeft het College financieel toezicht aan het
bestuurscollege een advies voor wijziging van de begroting voor het
lopende jaar en voor de begroting voor het komende jaar. Artikel 19 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21. De bedrijfsvoering
1. Het College financieel toezicht kan met een bestuurscollege
afspraken maken ter verbetering van het financieel beheer, het
materieel beheer en de daarvoor bij te houden administraties.
2. Het College financieel toezicht kan het bestuurscollege ter zake
van de in het eerste lid genoemde onderwerpen algemene en bijzondere
aanwijzingen geven.
3. Het College financieel toezicht geeft deze aanwijzingen op het
terrein van het financieel beheer met inachtneming van de bevindingen
van de accountant en van de Algemene Rekenkamer van de Nederlandse
Antillen.
4. Het bestuurscollege neemt de aanwijzingen, bedoeld in het tweede
en derde lid, in acht.
5. Voor de afspraken inzake de verbeteringen in het financieel
beheer maakt het College financieel toezicht gebruik van de
bevindingen van de accountant en van de Algemene Rekenkamer van de
Nederlandse Antillen.
6. Het College financieel toezicht houdt toezicht op de inrichting
van de controle die plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de
begroting.
Artikel 22. Aangaan van financiële verplichtingen
1. Een bestuurscollege gaat uitsluitend financiële verplichtingen
aan voor zover deze zijn opgenomen in een begroting die in uitvoering
mag worden genomen.
2. Het bestuurscollege legt het voornemen tot het aangaan van een
financiële verplichting voor advies voor aan het hoofd Financiën van
het eilandgebied of, bij zijn afwezigheid, aan zijn eerste of tweede
plaatsvervanger. Een positief advies wordt verleend indien de
financiële verplichting voortvloeit uit de uitvoering van de
begroting.
3. Namens het eilandgebied is uitsluitend het hoofd Financiën van
dat eilandgebied of zijn eerste of tweede plaatsvervanger gemachtigd
tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen die
voortvloeien uit een besluit tot het aangaan van een financiële
verplichting en waarover een positief advies als bedoeld in het tweede
lid is verleend.
4. Indien het bestuurscollege zonder een positief advies, bedoeld
in het tweede lid, de in dat lid bedoelde functionarissen niettemin
opdraagt een verplichting aan te gaan of de daarmee verband houdende
privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, informeert de
betrokken functionaris het College financieel toezicht daarover.
5. Het College financieel toezicht geeft ter zake van de door de
betrokken functionaris voorgelegde aangelegenheden een aanwijzing. Het
bestuurscollege en de betrokken functionaris nemen deze aanwijzing in
acht.
6. Het bestuurscollege deponeert de namen en functies van de
personen, bedoeld in het tweede en derde lid, bij het College
financieel toezicht. Het College financieel toezicht houdt hiervan een
register bij en publiceert dit register na de vaststelling ervan, na
elke wijziging, maar in elk geval iedere zes maanden.
7. Het College financieel toezicht kan na overleg met Onze
Minister, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de raad
van ministers van het Koninkrijk, begrotingen of begrotingsartikelen
aanwijzen ten laste waarvan geen financiële verplichtingen mogen
worden aangegaan, voordat het daarmee heeft ingestemd.
8. De inhoud van de aangewezen begrotingen of begrotingsartikelen,
bedoeld in het zevende lid, worden, zolang ze zijn aangewezen,
opgenomen in het register, bedoeld in het zesde lid.
9. Privaatrechtelijke rechtshandelingen betreffende het aangaan van
financiële verplichtingen als bedoeld in dit artikel zijn niet geldig
indien:
a. de regels in dit besluit omtrent de bevoegdheid van de
handelende personen niet zijn nageleefd, of
b. deze handelingen begrotingen of begrotingsartikelen
betreffen die ingevolge het achtste lid zijn opgenomen in het
register, bedoeld in het zesde lid.
10. In geval van het aangaan van financiële verplichtingen en het
verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen waartoe door de
eilandsraad is besloten, is dit artikel van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 23. Verrichten van betalingen en incasseren van ontvangsten
1. Namens het eilandgebied is uitsluitend het hoofd Financiën van
het eilandgebied of, bij zijn afwezigheid zijn eerste of tweede
plaatsvervanger, bevoegd tot het verrichten van betalingen die
voortvloeien uit door een bestuursorgaan aangegane financiële
verplichtingen. Zij kunnen de eilandsontvanger machtigen de genoemde
betalingen te verrichten.
2. Artikel 22, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing op opdrachten van het bestuurscollege tot het doen van
betalingen, bedoeld in het eerste lid.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen betalingen door anderen
dan de gemachtigden worden verricht voor zover zij contant betalen of
gebruik maken van een bankpas of creditcard, onverminderd het bepaalde
in het achtste lid.
4. Betalingen namens het eilandgebied, zowel onderling als aan
derde partijen, worden uitsluitend verricht via het bancaire
betalingsverkeer, behoudens het bepaalde in het derde lid.
5. Met de schriftelijke instemming van het College financieel
toezicht en onder door hem te stellen voorwaarden kan van het vierde
lid worden afgeweken.
6. Het bestuurscollege bevordert dat derde partijen hun betalingen
aan het eilandgebied verrichten ten gunste van de betrokken
ontvangstenrekening van het eilandgebied.
7. Ontvangen contante gelden en cheques worden op de dag van
ontvangst gestort op de ontvangstenrekening van het eilandgebied.
8. Het doen van contante betalingen, het gebruik van bankpassen,
creditcards, chippassen en andere elektronische betaalwijzen is,
zonder voorafgaande schriftelijke instemming van het College
financieel toezicht, niet toegestaan. In overleg met het
bestuurscollege kan het College financieel toezicht voor het gebruik
van een creditcard een bestedingslimiet vaststellen.
9. Betalingen namens het eilandgebied geschieden tegen voldoende
kwijting.
10. Het als geldelijke betaling in ontvangst nemen van
niet-geldelijke zaken is niet toegestaan. Met de schriftelijke
instemming van het College financieel toezicht kan hiervan worden
afgeweken.
11. Het afgeven aan derden en het in ontvangst nemen van derden van
geldswaardige papieren in de vorm van effecten (aandelen en
obligaties) geschiedt tegen een voldoende kwijting.
12. Het verlenen van voorschotten op aan derde partijen te
verrichten betalingen geschiedt met inachtneming van door het College
financieel toezicht na overleg met het bestuurscollege op te stellen
regels inzake het verlenen van voorschotten.
Artikel 24. Rekening-courant en bankieren bij het College financieel
toezicht
1. Met ingang van een door het College financieel toezicht te
bepalen datum draagt het bestuurscollege, in overeenstemming met het
College financieel toezicht, er zorg voor:
a. dat voor het doen van betalingen en het incasseren van
ontvangsten aparte bankrekeningen zijn geopend bij een of meer
banken, al naar gelang de doelmatigheid dat vereist;
b. dat creditsaldi op de bankrekeningen dagelijks aan het eind
van de dag worden overgeboekt naar de bankrekening van het College
financieel toezicht;
c. dat het College financieel toezicht dagelijks afschriften
ontvangt van de mutaties op de bankrekeningen.
2. Het College financieel toezicht draagt er zorg voor dat
debetsaldi op de bankrekeningen dagelijks aan het eind van de dag
worden aangevuld.
3. De mutaties op de in het eerste lid, onder b, bedoelde
bankrekening worden door het College financieel toezicht voor elk van
de eilandgebieden bijgehouden op een rekening-courant.
4. Het College financieel toezicht vergoedt over creditsaldi op de
rekening-courant een creditrente en brengt over debetsaldi een
debetrente in rekening. Het percentage van de creditrente en van de
debetrente zijn aan elkaar gelijk en gelijk aan de Euro Overnight
Index Average.
5. De Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden is van
overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Bijzondere omstandigheden
Artikel 25. Ontwikkelingen in de collectieve sector
1. Indien een dreigende overschrijding van de rentelastnorm wordt
veroorzaakt door uitgaven- en ontvangstenontwikkelingen in de
collectieve sector, niet zijnde een eilandgebied, kan het College
financieel toezicht na overleg met Onze Minister, handelende in
overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van het
Koninkrijk, regels stellen ter beheersing van de rentelasten van de
collectieve sector.
2. Ter beoordeling van deze uitgaven- en ontvangstenontwikkeling,
rapporteert het Centraal Bureau voor de Statistiek van de Nederlandse
Antillen in samenwerking met de Bank Nederlandse Antillen en het
Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek aan het College
financieel toezicht en aan de raad van ministers van het Koninkrijk,
gelijktijdig met de jaarrekeningen van de eilandgebieden, over de
voorlopige uitgaven-, ontvangsten-, tekort- en schuldcijfers van de
collectieve sector van de eilandgebieden. Daarbij zijn de definities
van het System of National Accounts leidend.
Artikel 26. Deelnemen van bestuurscollege in rechtspersonen en
vervreemding van bezittingen
1. In dit artikel wordt onder deelnemen in een privaatrechtelijke
rechtspersoon verstaan het houden van aandelen of onderdeel uitmaken
van het bestuur van die rechtspersoon.
2. Een bestuurscollege of een eilandgebied neemt met ingang van de
datum van inwerkingtreding van dit besluit niet deel in een
privaatrechtelijke rechtspersoon en richt geen privaatrechtelijke
rechtspersoon op zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het
College financieel toezicht.
3. Benoemingen en herbenoemingen van vertegenwoordigers van een
bestuurscollege of een eilandgebied in een privaatrechtelijke
rechtspersoon worden vooraf ter goedkeuring aan het College financieel
toezicht voorgelegd. Het college geeft de goedkeuring tot benoeming
indien de vertegenwoordiger over voldoende deskundigheid beschikt en
de vertegenwoordiger ook overigens voldoet aan de eisen die
voortvloeien uit de beginselen van goed ondernemingsbestuur.
4. Ambtenaren en politieke ambtsdragers nemen geen zitting in het
bestuur van een privaatrechtelijke rechtspersoon waarin het
eilandgebied deelneemt.
5. Het College financieel toezicht geeft toestemming tot het
oprichten van of het deelnemen in een privaatrechtelijke rechtspersoon
als het bestuurscollege of het eilandgebied aannemelijk maakt dat dit
noodzakelijk is voor het verrichten van de beoogde activiteit of ten
behoeve van vervreemding van bezittingen van het eilandgebied.
6. Vervreemding van bezittingen van een eilandgebied op welke wijze
dan ook, geschiedt tegen marktcomforme voorwaarden en behoeft
instemming vooraf van het College financieel toezicht voor alle
onroerende zaken, aandelen en concessies en voor roerende zaken,
indien met toepassing van die voorwaarden voorzien kan worden dat met
de vervreemding een geldelijk belang is gemoeid van meer dan Naf
10.000,–.
7. Het College financieel toezicht kan op grond van overwegingen
van deugdelijk beheer dwingende voorschriften geven aan de
vertegenwoordiger van een bestuurscollege of een eilandgebied in een
privaatrechtelijke rechtspersoon met het oog op de standpuntbepaling
in de aandeelhouders- of bestuursvergadering op het terrein van het
dividendbeleid, de benoeming, het ontslag en de salarissen van
bestuurders. De vertegenwoordiger neemt in elk geval het standpunt in
dat investeringen en desinvesteringen door de rechtspersoon voor
goedkeuring aan de algemene aandeelhoudersvergadering, respectievelijk
het bestuur worden voorgelegd.
8. Het bestuurscollege stelt de jaarrekeningen van de
privaatrechtelijke rechtspersonen waarin het of het eilandgebied
deelneemt uiterlijk zes maanden na afloop van het boekjaar aan het
College financieel toezicht ter beschikking.
Artikel 27. Schade door buitengewone gebeurtenissen
Indien dit nodig is in verband met het herstel van schade veroorzaakt
door buitengewone gebeurtenissen, waaronder natuurrampen, kan het
College financieel toezicht, na overleg met het betreffende
bestuurscollege en Onze Minister, handelende in overeenstemming met de
raad van ministers van het Koninkrijk, afwijken van de artikelen 16 en
17.
Hoofdstuk 7. Beroep
Artikel 28
1. Tegen een besluit van het College financieel toezicht tot het
afgeven van een afkeurende of gedeeltelijk afkeurende verklaring
inzake het uitvoeren van een begroting of een begrotingswijziging
staat voor een bestuurscollege gedurende dertig dagen na verzending
van het besluit, beroep open bij Ons. De Raad van State van het
Koninkrijk is belast met het voorbereiden van het ontwerpbesluit
inzake de beslissing op het beroep. Ons besluit wordt in het
Publicatieblad van de Nederlandse Antillen bekend gemaakt en ter
kennis van het bestuurscollege en de eilandsraad van het betrokken
eilandgebied gebracht.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een besluit
van Onze Minister als bedoeld in artikel 14, derde lid, artikel 15,
vierde lid, en artikel 18, vijfde lid.
3. De Raad van State van het Koninkrijk kan bij de voorbereiding
van het ontwerpbesluit, bedoeld in het eerste lid, belanghebbenden,
getuigen, deskundigen en tolken oproepen om tijdens het onderzoek ter
zitting te worden gehoord.
4. De artikelen 32 tot en met 35 van de Wet op de Raad van State
zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De artikelen 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21, 8:24, 8:25,
8:27 tot en met 8:29, 8:31, 8:32, 8:33 tot en met 8:36, eerste lid,
8:39, 8:50 , 8:61 en 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing. Ambtsberichten en andere door Onze
Minister aangewezen stukken zijn niet openbaar.
6. Het ontwerp van een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste
lid, is niet openbaar.
7. Artikel 18a van de Wet op de Raad van State is van
overeenkomstige toepassing. Het onderzoek ter zitting is openbaar.
8. Het beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het
is gericht.
9. De Raad van State van het Koninkrijk kan een procesreglement
vaststellen voor de behandeling van het beroep, bedoeld in het eerste
of tweede lid, en van het verzoek om een voorlopige voorziening,
bedoeld in artikel 29.
10. Binnen een maand nadat het ontwerpbesluit is opgesteld kan Onze
Minister de Raad gemotiveerd verzoeken zijn ontwerp in nadere
overweging te nemen. Indien het koninklijk besluit afwijkt van het
ontwerp of het nader ontwerp, wordt het in het Staatsblad geplaatst
met het ontwerp, bedoeld in het eerste lid en indien daarvan sprake
is, het nader ontwerp. Indien niet binnen een maand een verzoek als
bedoeld in de eerste volzin is gedaan, luidt het koninklijk besluit
overeenkomstig het ontwerpbesluit.
11. Binnen dertig dagen na verzending van andere dan in het eerste
en tweede lid bedoelde besluiten van het College financieel toezicht
kan een bestuurscollege of een andere rechtspersoon die deel uitmaakt
van de collectieve sector verzoeken om heroverweging, indien zij door
die besluiten rechtstreeks in de aan hen toevertrouwde belangen worden
getroffen. Het College financieel toezicht beslist binnen een week op
dit verzoek.
12. Besluiten van het College financieel toezicht en van Onze
Minister op grond van dit besluit zijn niet vatbaar voor beroep bij de
administratieve rechter op grond van de Landsverordening
Administratieve rechtsspraak of de Algemene wet bestuursrecht. Dit
geldt eveneens voor Ons besluit als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 29
1. Indien op grond van artikel 28, eerste of tweede lid, tegen een
besluit beroep is ingesteld, kan een daartoe door de Vice-President
aangewezen staatsraad op verzoek een voorlopige voorziening treffen
indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden gedaan door het
bestuurscollege dat het beroep instelde.
3. De artikelen 32 tot en met 35 van de Wet op de Raad van State
zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De artikelen 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21, 8:68, 8:72,
vijfde lid, 8:83, eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
5. De staatsraad, bedoeld in het eerste lid, doet zo spoedig
mogelijk schriftelijk of mondeling uitspraak.
6. De uitspraak strekt tot:
a. onbevoegdheid van de staatsraad, bedoeld in het eerste lid,
b. niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek,
c. afwijzing van het verzoek, of
d. gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.
7. De staatsraad, bedoeld in het eerste lid, kan de voorlopige
voorziening, op verzoek en ambtshalve, opheffen of wijzigen, nadat zij
of hij partijen heeft gehoord, althans behoorlijk opgeroepen. De
artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21, 8:83,
eerste, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn
van overeenkomstige toepassing.
8. De voorlopige voorziening vervalt, zodra door Ons is beslist,
voor zover daarvoor in Ons besluit geen ander tijdstip is aangegeven.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 30
1. Indien de inzending van de ontwerpbegroting 2008 of de begroting
2008 niet plaatsvindt binnen de daartoe in hoofdstuk 3 gestelde
termijnen of indien het College financieel toezicht op deze begroting
geen goedkeurende verklaring kan geven, kan het college een tijdelijke
voorziening treffen, gericht op het verkrijgen van een goedkeurende
verklaring als bedoeld in artikel 12. De voorziening eindigt uiterlijk
drie maanden na het verlenen van de toestemming.
2. Bij regeling van Onze Minister kan bepaald worden dat de
toepassing van artikelen of onderdelen daarvan tijdelijk wordt
opgeschort wegens voorbereidende werkzaamheden door het College
financieel toezicht of het bestuurscollege ten behoeve van de
uitvoerbaarheid van die artikelen of onderdelen daarvan.
3. In afwijking van artikel 16, eerste lid, onderdeel a, en tweede
lid, wordt de rentelast, voortvloeiend uit de door Nederland over te
nemen leningen, niet betrokken bij de beoordeling van het tekort op de
gewone dienst.
Artikel 31 [Vervallen per 10-12-2008]
Artikel 32. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijk financieel
toezicht BES.
Artikel 33. Inwerkingtreding
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
2. Dit besluit vervalt op 1 januari 2011 of op een eerder bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting zal worden geplaatst in het Staatsblad,
in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad
van Aruba.
's-Gravenhage, 8 november 2007
BEATRIX
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
A.Th.B. Bijleveld-Schouten
De Minister van Financiën,
W.J. Bos
Uitgegeven de dertigste november 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|