BESLUIT van 14 december 1995, houdende voorlopige
regeling van de instelling van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen
en Aruba (Voorlopige regeling Kustwacht voor de Nederlandse Antillen
en Aruba)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Justitie
van 21 maart 1995, nr. C93/90095005497;
Gelet op artikel 38, eerste en tweede lid, van
het Statuut voor het Koninkrijk;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord
(advies van 2 juni 1995, nr. W07.95.0142/K);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Defensie en Onze Minister van Justitie van 13 december 1995; nr.
C93/90095023274;
De bepalingen van het Statuut voor het
Koninkrijk in acht genomen zijnde;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. Er is een Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba,
hierna te noemen de Kustwacht.
2. De Kustwacht is belast met toezichthoudende en opsporingstaken
alsmede met dienstverlenende taken.
3. De toezichthoudende en opsporingstaken zijn:
a. algemene politietaken, waaronder drugsbestrijdingsoperaties;
b. grensbewaking;
c. douanetoezicht;
d. toezicht op het milieu en de visserij;
e. toezicht op de scheepvaart, waaronder het verkeer en de
uitrusting van schepen.
4. De dienstverlenende taken zijn:
a. afwikkeling van nood-, spoed- en veiligheidsverkeer;
b. hulpverlening en rampenbestrijding.
Artikel 2
De Kustwacht oefent de in artikel 1 genoemde taken uit in de volgende
wateren en het luchtruim daarboven:
a. de binnenwateren van de Nederlandse Antillen en van Aruba;
b. de territoriale zeeën van de Nederlandse Antillen en van
Aruba;
c. het overige zeegebied in de Caraïbische Zee, voorzover het
volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.
Artikel 3
1. De Raad van Ministers van het Koninkrijk stelt het beleid
voor de Kustwacht met betrekking tot de uitoefening van de in artikel
1 genoemde taken vast, onverminderd het gestelde in artikel 5.
2. De Raad van Ministers van het Koninkrijk stelt daartoe vast
het beleidsplan van de Kustwacht, het operationeel jaarplan, de
begroting, het jaarverslag en de jaarlijkse financiële verantwoording.
3. Onze Minister van Defensie draagt zorg voor het indienen bij
de Raad van Ministers van het Koninkrijk van de in het tweede lid
genoemde documenten. Onze Minister van Defensie gaat niet tot indiening
van de genoemde documenten over dan nadat de bij de taakuitoefening van
de Kustwacht betrokken ministers van Nederland, de Nederlandse Antillen
en Aruba in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze hierover aan hem
kenbaar te maken.
Artikel 4
1. Er is een Kustwachtcommissie die tot taak heeft de
voorbereiding van de in artikel 3, tweede lid genoemde documenten ten
behoeve van de indiening door Onze Minister van Defensie bij de Raad
van Ministers van het Koninkrijk.
2. De Kustwachtcommissie is samengesteld uit ambtelijke
vertegenwoordigers van de bij de taakuitoefening van de Kustwacht
betrokken Ministers van Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba.
3. Er is een presidium van de Kustwachtcommissie. Ieder land
wijst daarvoor een lid aan. Het presidium regelt het voorzitterschap van
de vergadering van de Kustwachtcommissie.
4. Er is een secretariaat van de Kustwachtcommissie bestaande uit
een algemeen secretaris en twee secretarissen. Onze Minister van
Defensie benoemt de algemeen secretaris en de Ministers van Justitie van
de Nederlandse Antillen en Aruba benoemen ieder een secretaris.
Artikel 5
1. Onze Ministers van Justitie van Nederland, de Nederlandse
Antillen en Aruba voeren regelmatig overleg over het justitieel beleid
ten behoeve van de uitoefening van de taken van de Kustwacht en
stellen dit beleid gezamenlijk vast.
2. Voorstellen voor het justitieel beleid kunnen worden gedaan
door het overleg van de Procureurs-Generaal van de Nederlandse Antillen
en Aruba en de voorzitter van de vergadering van de Procureurs-Generaal
in Nederland.
3. Bij gebrek aan overeenstemming tussen Onze Ministers van
Justitie beslist de Raad van Ministers van het Koninkrijk.
Artikel 6
1. Onze Ministers van Nederland, de Nederlandse Antillen en
Aruba dragen er zorg voor dat de Commandant en personeel van de
Kustwacht toezichthoudende en opsporingsbevoegdheid worden verleend
die nodig zijn voor de goede uitoefening van de taken van de
Kustwacht.
2. De Commandant van de Kustwacht is gehouden de aanwijzingen met
betrekking tot het uitvoeren van toezichthoudende, dienstverlenende en
opsporingstaken van het bevoegd gezag op te volgen.
3. Indien door de Nederlandse Antillen en Aruba in het kader van
de taakuitoefening van de Kustwacht aanwijzingen kunnen worden gegeven
aan de Commandant van de Kustwacht, geschiedt dit door de Gouverneur van
het betrokken land, onverminderd zijn bevoegdheden en
verantwoordelijkheden als Koninkrijksorgaan, met dien verstande dat met
betrekking tot de uitvoering van opsporingstaken van de Kustwacht de
aanwijzingen worden gegeven door de Procureur-Generaal van het betrokken
land.
4. Onze Ministers van Nederland, de Nederlandse Antillen en
Aruba, alsmede de onder hen ressorterende diensten, verschaffen aan de
Commandant en aan het personeel van de Kustwacht, de inlichtingen die
nodig zijn voor een goede uitoefening van de taken van de Kustwacht.
Artikel 7
1. Onze Minister van Defensie is binnen de overeengekomen
budgettaire randvoorwaarden verantwoordelijk voor het beheer van de
inrichting van de Kustwacht alsmede de wijze waarop de taken door de
Kustwacht worden uitgevoerd, zoals vastgelegd in het beleidsplan en
het operationeel jaarplan.
2. De Commandant van de Kustwacht is belast met de algehele
leiding van de Kustwacht. Deze functie wordt vervuld door de Commandant
der Zeemacht in het Caraïbisch gebied.
3. Voor de uitoefening van de taken van de Kustwacht stelt
Nederland de nu in het Caraïbisch gebied aanwezige defensiemiddelen en
defensiepersoneel ter beschikking van de Kustwacht voor zover deze voor
de taakuitoefening van de Kustwacht geschikt zijn en deze niet voor
defensietaken behoeven te worden ingezet. De Nederlandse Antillen en
Aruba dragen de nu aanwezige middelen en personeel van de maritieme
politie en douane over aan de Kustwacht, voor zover deze nu belast zijn
met maritieme opsporings- en toezichtstaken.
4. De kosten van de Kustwacht worden door Nederland, de
Nederlandse Antillen en Aruba gezamenlijk gedragen.
Artikel 8
1. Op het door Onze Minister van Defensie aan de Kustwacht ter
beschikking gestelde personeel zijn de rechtspositieregelingen van het
ministerie van Defensie van toepassing.
2. Op het overige personeel zijn de rechtspositieregelingen van
toepassing van de respectieve landen waarvan het personeel afkomstig is,
in afwachting van de totstandkoming van een regeling voor de
rechtspositie van dat personeel dat bij de Kustwacht werkzaam is.
Artikel 9
1. Het personeel werkzaam bij de Kustwacht is in de rechtmatige
uitoefening van zijn taken bevoegd tot gebruik van geweld, wanneer het
daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld
verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze
kan worden bereikt.
2. Aan de uitoefening van geweld gaat zo mogelijk een
waarschuwing vooraf.
3. De uitoefening van de bevoegdheid tot gebruik van geweld dient
in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.
4. De regering van het Koninkrijk draagt ervoor zorg dat op korte
termijn bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels worden
vastgesteld omtrent het gebruik van geweld bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
tweede kalendermaand na die waarin het tijdstip van uitgifte van het Staatsblad
waarin het wordt geplaatst is gelegen.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Voorlopige regeling Kustwacht voor
de Nederlandse Antillen en Aruba.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publikatieblad
van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 14 december 1995
BEATRIX
De Minister van Defensie,
J.J.C. Voorhoeve
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de eenentwintigste december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager