| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Successiewet 1956 (SW)
UITVOERINGSREGELING
SUCCESSIEWET 1956
Tekst zoals deze geldt op
24 juli 2009
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2010
|
|
|
De Staatssecretaris
van Financiën;
Gelet op de artikelen 65, 73 en 75 van de
Successiewet 1956 (Stb. 1956, 362);
Besluit:
Artikel 1 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 2 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 3
De in artikel 73 van de Successiewet 1956 bedoelde aangifte wordt
ingediend bij de inspecteur. Zij houdt in:
a. de naam, voornamen, laatste woonplaats en de dagtekening van
het overlijden van de erflater;
b. een omschrijving van de goederen of bewijsstukken, de
rechtsverhouding krachtens welke de aangever deze onder zich heeft,
en de aanwijzing van hun bestemming.
Artikel 4
1. De in artikel 75 van de Successiewet
1956 bedoelde gegevens worden schriftelijk verstrekt en houden in:
a. de naam, voornamen, laatste woonplaats en de dagtekening van het
overlijden van de erflater;
b. de naam, voornamen en woonplaats met huisadres van degene aan
wie de uitkering moet plaats hebben.
c. een aanwijzing van het uit te keren bedrag of de verandering in
de uitkering; ingeval de schuldenaar van de uitkering een verzekeraar
is in de zin van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf (Stb. 1986, 638),
tevens de dagtekening en het nummer van de polis;
d. verdere gegevens welke de inspecteur voor de berekening van de
belasting nodig acht.
2. In geval, bedoeld in artikel 75, tweede lid, van de
Successiewet 1956, treedt voor de in het eerste lid, onderdeel a,
bedoelde gegevens in de plaats een vermelding van de naam, voornamen en
woonplaats met huisadres van de premiebetaler of van degene die het
beding heeft gemaakt.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 6
De inlevering van de gegevens geschiedt binnen een maand nadat:
a. de verzekeraar of schuldenaar van de in artikel 75, eerste lid
van de Successiewet 1956 bedoelde uitkering van het overlijden heeft
kennis gekregen of de verandering in die uitkering heeft
plaatsgehad;
b. de in artikel 75, tweede lid, van de Successiewet 1956
bedoelde uitkering of verandering in die uitkering heeft
plaatsgehad;
c. de in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, bedoelde verdere
gegevens door de inspecteur zijn gevraagd.
Artikel 7
Geen gegevens behoeven te worden ingeleverd:
a. indien de uitkering, in geval van overlijden, aan de
echtgenoot plaatsvindt en minder bedraagt dan € 11 345 in kapitaal
of € 1134 per jaar aan rente;
b. in alle andere gevallen indien de uitkering minder bedraagt
dan € 1815 in kapitaal of € 908 per jaar aan rente.
Artikel 7a
1. Indien de waarde van hetgeen de
belastingplichtige met betrekking tot een vennootschap aan
vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 35b, derde lid, van de
Successiewet 1956, heeft verkregen voor meer dan 15 percent is toe te
rekenen aan de onmiddellijk of middellijk door de desbetreffende
vennootschap gehouden bezittingen die, ware die vennootschap een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en waren die bezittingen
onmiddellijk gehouden bezittingen van vorenbedoelde rechtspersoon, niet
tot het ondernemingsvermogen van de rechtspersoon zouden worden
gerekend, wordt voor de toepassing van artikel 35b, tweede lid,
onderdeel b, van de Successiewet 1956, niet uitgegaan van de volle
waarde van de in het genoemde lid bedoelde vermogensbestanddelen, doch
van de waarde nadat die is verminderd met de waarde die is toe te
rekenen aan laatstbedoelde door de vennootschap, middellijk of
onmiddellijk gehouden bezittingen voorzover de daaraan toe te rekenen
waarde uitgaat boven het bedrag dat overeenstemt met vorenbedoelde 15
percent.
2. Indien tot de bezittingen van een vennootschap als bedoeld in
het eerste lid een deelneming behoort in een vennootschap welker
kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en het beleid van
deze vennootschap wordt bepaald of mede wordt bepaald door de
eerstgenoemde vennootschap, worden, voor de toepassing van de artikelen
35b, 35c en 53b, derde lid, van de Successiewet 1956 en de daarop
berustende bepalingen in deze regeling, de bezittingen en schulden van
de laatstgenoemde vennootschap beschouwd als bezittingen en schulden van
de eerstgenoemde vennootschap, voorzover ze kunnen worden toegerekend
aan de genoemde deelneming.
Artikel 7b
1. Aan de periode van vijf jaren bedoeld
in artikel 35c, vierde lid, onderdeel a, van de Successiewet 1956, is
mede voldaan indien:
a. het ondernemingsvermogen behoorde tot de onderneming van een
vennootschap, welke onderneming, nadat de vennootschap met toepassing
van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is
ontbonden, door de schenker is voortgezet of mede voortgezet,
b. de schenker aandelen of winstbewijzen hield van de in onderdeel
a bedoelde vennootschap en deze aandelen of winstbewijzen bij de
schenker tot een aanmerkelijk belang behoorden, en,
c. de periode waarin de onder a bedoelde onderneming voor rekening
van de schenker werd gedreven en de periode waarin de onder b bedoelde
aandelen of winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang behoorden bij de
schenker op het moment van de schenking tezamen een aaneengesloten
periode van ten minste vijf jaren vormen.
2. Aan de periode van vijf jaren bedoeld in artikel 35c, vierde
lid, onderdeel b, van de Successiewet 1956, is mede voldaan indien:
a. de aandelen of winstbewijzen van de vennootschap op het moment
van de schenking tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling
4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de schenker behoorden,
b. de onder a bedoelde aandelen of winstbewijzen zijn verkregen
door inbreng van een voor rekening van de schenker gedreven
onderneming in de in dat onderdeel bedoelde vennootschap, en,
c. de periode waarin de onder a bedoelde aandelen en winstbewijzen
tot een aanmerkelijk belang behoorden bij de schenker en de periode
gedurende welke de onder b bedoelde onderneming voor rekening van de
schenker werd gedreven op het moment van de schenking tezamen een
aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren vormen.
Artikel 7c
Indien de verkrijger de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel
35b, tweede lid, van de Successiewet 1956, heeft verkregen tegen een
tegenprestatie of onder een last wordt voor de toepassing van artikel
35c van die wet de waarde van die tegenprestatie of die last niet in
mindering gebracht op de waarde van de bedoelde vermogensbestanddelen.
Artikel 7d
1. Op verzoek van de verkrijger wordt de
omzetting van een niet in de vorm van een door een naamloze vennootschap
of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven
onderneming in een wel in zodanige vorm gedreven onderneming niet
aangemerkt als een gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid,
onderdeel a, van de Successiewet 1956, mits de oprichters van de
vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in
dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette
onderneming.
2. Voor de resterende duur van de termijn van vijf jaren, bedoeld
in artikel 53b, eerste lid, van de Successiewet 1956, treden de in het
eerste lid bedoelde vennootschap onderscheidenlijk aandelen voor de
toepassing van de artikelen 53a en 53b van de Successiewet 1956 in de
plaats van de omgezette onderneming, waarbij voor de toepassing van die
artikelen de aandelen worden aangemerkt als een verkrijging in de zin
van artikel 35b, tweede lid, onderdeel b, van de Successiewet 1956.
3. Op verzoek van de verkrijger wordt de ontbinding van een
vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969, niet aangemerkt als een gebeurtenis als
bedoeld in artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van de Successiewet
1956, voorzover de onderneming van de vennootschap door de verkrijger
wordt voortgezet.
4. Voor de resterende duur van de termijn van vijf jaren, bedoeld
in artikel 53b, eerste lid, van de Successiewet 1956, treedt de in het
derde lid bedoelde, door de verkrijger voortgezette onderneming voor de
toepassing van de artikelen 53a en 53b van de Successiewet 1956 in de
plaats van de in het derde lid bedoelde vennootschap onderscheidenlijk
de aandelen van die vennootschap, waarbij voor de toepassing van die
artikelen het tot de onderneming behorende vermogen wordt aangemerkt als
een verkrijging in de zin van artikel 35b, tweede lid, onderdeel a, van
de Successiewet 1956.
5. Op verzoek van de verkrijger wordt de staking van een
onderneming indien sprake is van overheidsingrijpen als bedoeld in
artikel 3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet
aangemerkt als een gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid,
onderdeel a, van de Successiewet 1956, voorzover de waarde van de tot de
onderneming behorende vermogensbestanddelen binnen de in artikel 3.54
van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde termijn wordt
geherinvesteerd in een onderneming waaruit de verkrijger winst geniet.
6. De inspecteur beslist op de in het eerste, derde en vijfde lid
bedoelde verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking.
7. Artikel 53b, eerste en tweede lid, van de Successiewet 1956
blijven buiten toepassing indien:
a. een gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid, onderdeel
a, van die wet zich voordoet ten gevolge van het overlijden van de
verkrijger van de onderneming, onderscheidenlijk de in artikel 53b,
derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde aandelen of winstbewijzen
geacht worden te zijn vervreemd ten gevolge van het overlijden van de
verkrijger van die aandelen of winstbewijzen, een en ander voor zover
gedurende het bij overlijden nog resterende gedeelte van de termijn,
bedoeld in artikel 53b, eerste lid, van die wet bij diens verkrijgers
krachtens erfrecht met betrekking tot de onderneming, aandelen of
winstbewijzen zich geen gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde
lid, van die wet, anders dan ten gevolge van overlijden, voordoet;
b. de in artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde
aandelen of winstbewijzen geacht worden te zijn vervreemd ten gevolge
van een overgang onder algemene titel krachtens
huwelijksvermogensrecht, voor zover gedurende het bij de overgang
onder algemene titel krachtens huwelijksvermogensrecht nog resterende
gedeelte van de termijn, bedoeld in artikel 53b, eerste lid, van die
wet zich met betrekking tot de aandelen of winstbewijzen geen
gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid, van die wet
voordoet en de aandelen of winstbewijzen gedurende dit resterende
gedeelte van de termijn tot de huwelijksgemeenschap blijven behoren;
c. in gevallen als bedoeld in onderdeel b tijdens de in dat
onderdeel bedoelde resterende termijn de huwelijksgemeenschap wordt
ontbonden en verdeeld, waarbij de aandelen of winstbewijzen worden
toegescheiden aan de oorspronkelijke verkrijger en zich gedurende het
op dat moment nog resterende deel van de termijn zich met betrekking
tot de aandelen of winstbewijzen geen gebeurtenis voordoet als bedoeld
in artikel 53b, derde lid, van die wet.
8. Indien gedurende de termijn van vijf jaren, bedoeld in artikel
53b, eerste lid, van de Successiewet 1956, een door toepassing van
artikel 35b, vierde lid, van die wet met een aandeel of winstbewijs
gelijkgestelde koopoptie wordt uitgeoefend, treden voor de toepassing
van artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van de Successiewet 1956 de
daardoor verworven aandelen voor de resterende duur van de genoemde
termijn in de plaats van die koopoptie.
9. De artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting
2001 zijn van overeenkomstige toepassing op artikel 53b, derde lid, van
de Successiewet 1956 en de daarop berustende bepalingen in deze
regeling.
Artikel 8
De Uitvoeringsbeschikking Successiewet 1956 (Stcrt. 1956, 142)
wordt ingetrokken. De bepalingen van die beschikking blijven van
toepassing indien het overlijden, de schenking of de in artikel 45,
derde lid, tweede volzin, of in artikel 53, eerste lid, van de
Successiewet 1956 bedoelde gebeurtenis plaatsvindt vóór 1 januari
1985, zomede indien vóór dat tijdstip krachtens schenking wordt
verkregen ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde.
Artikel 9
1. Deze regeling treedt in werking op het
tijdstip waarop de Wet van 8 november 1984, houdende herziening van de
Successiewet 1956 (Stb. 1984,
545), in werking treedt.
2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling
Successiewet 1956.
De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze,
de directeur-generaal voor Fiscale Zaken,
A. Schoemaker.
|
|
|