| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Tabakswet
BESLUIT
BEPERKING VERKOOP EN GEBRUIK TABAKSPRODUKTEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 28 december 1989 tot uitvoering van de
artikelen 9, 10, 11, eerste lid, en 12 van de Tabakswet (Stb.
1988, 342)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur, van 15 augustus 1989, DG Vgz/ADT/ nr. 736.185, gedaan in
overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken, van Onderwijs
en Wetenschappen en van Landbouw en Visserij;
Gelet op de artikelen 9, 10, 11, eerste lid, en
12 van de Tabakswet (Stb. 1988, 342);
Gehoord de Nationale Raad voor de
Volksgezondheid (advies van 21 april 1989);
De Raad van State gehoord (advies van 21
december 1989, nr. W.13.89 0512);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 22 december
1989, DG Vgz/ADT/ nr. 737.296, uitgebracht mede namens Onze Ministers
van Economische Zaken, van Onderwijs en Wetenschappen en van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Waar in dit besluit sprake is van een ruimte of van een inrichting
worden daaronder niet begrepen ruimten of delen van een inrichting,
gelegen in de open lucht.
Artikel 2
1. Als categorieën van ruimten waarin ingevolge artikel 10,
tweede lid, van de Tabakswet, een rookverbod ingesteld en gehandhaafd
dient te worden, worden aangewezen:
a. ruimten waarin zich loketten bevinden;
b. wachtruimten;
c. hallen, gangen en trappen;
d. liften;
e. vergaderzalen;
f. les- en stemlokalen;
g. toiletten;
h. kantines;
i. recreatie- en soortgelijke ruimten;
j. overige ruimten, voor zover deze voor het publiek toegankelijk
zijn.
2. In ruimten waarvoor een rookverbod is ingesteld, wordt zulks
aangeduid met de goed leesbare tekst «roken verboden», dan wel met een
begrijpelijke aanduiding, anders dan in letters, met dezelfde betekenis.
3. Indien in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg,
ouderenzorg, gehandicaptenzorg of maatschappelijke opvang meer dan één
ruimte, behorend tot een van de categorieën, genoemd in het eerste lid,
onder b, h of i aanwezig is, kan het bevoegde orgaan besluiten per
categorie ten hoogste de helft van dit aantal ruimten van het rookverbod
uit te zonderen.
Artikel 3
1. Degenen die - anders dan in een hoedanigheid als bedoeld in
artikel 10 van de Tabakswet - het beheer hebben over inrichtingen voor
gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening of -ondersteuning,
welzijn, kunst en cultuur, sport, sociaal-cultureel werk of onderwijs,
voor zover die inrichtingen behoren tot de in het tweede lid
aangewezen categorieën, zijn verplicht maatregelen te treffen als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Tabakswet.
2. De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:
a. instellingen waarin zorg wordt verleend als bedoeld in de
Kwaliteitswet zorginstellingen;
b. inrichtingen waarin voorzieningen worden aangeboden op de
terreinen van maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onder g, van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
c. inrichtingen voor kunst en cultuur;
d. inrichtingen op het terrein van de sport;
e. gebouwen en inrichtingen van stichtingen als bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, gebouwen en inrichtingen van
zorgaanbieders als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Wet op de
jeugdzorg, alsmede gebouwen van justitiële jeugdinrichtingen als
bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen die niet door de Staat of openbare lichamen worden
beheerd;
f. openbare en bijzondere onderwijsinstellingen als bedoeld in:
1°. de Wet op het basisonderwijs;
2°. de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet
speciaal onderwijs;
3°. de Wet op het voortgezet onderwijs;
4°. de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
5°. de Experimentenwet onderwijs;
6°. de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verplichting
is artikel 2 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3a
Het bevoegde orgaan binnen een instelling, dienst of bedrijf als
bedoeld in artikel 10 van de Tabakswet of een gebouw of inrichting als
bedoeld in artikel 11 van de Tabakswet kan besluiten één of meer
ruimten van het rookverbod uit te zonderen, mits die ruimten afsluitbaar
zijn, voor het roken van tabaksproducten zijn aangewezen en als zodanig
zijn aangeduid.
Artikel 4
Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede
lid, van de Tabakswet worden aangewezen de categorieën van inrichtingen
als bedoeld in artikel 3 met uitzondering van de verpleeghuizen,
revalidatiecentra, psychiatrische ziekenhuizen,
zwakzinnigeninrichtingen, gezinsvervangende tehuizen voor gehandicapten,
verzorgingshuizen en inrichtingen voor kunst en cultuur.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1990. Indien
het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt
uitgegeven na 31 december 1989, treedt het in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst.
Artikel 6
Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit beperking verkoop en
gebruik tabaksprodukten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 28 december 1989
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
H.J. Simons
De Minister van Economische Zaken,
J.E. Andriessen
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
a.i.,
J.E. Andriessen
Uitgegeven de negenentwintigste december 1989
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|