BESLUIT van 18 december 2001, houdende regels voor de
vergaring van nummergegevens door middel van afwijkend frequentiegebruik
en bestandsanalyse met het oog op het onderzoek van telecommunicatie (Besluit
bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 16 mei
2001, nr. DGTP/01/2472/RJD, Directoraat-Generaal Telecommunicatie en
Post, mede namens Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Gelet op de artikelen 3.10, vierde lid,
onderdeel a, en 13.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 11
september 2001, nr. W09.01.0232/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 12 december 2001, nr.
DGTP/01/5617/RJD, Directoraat-Generaal Telecommunicatie en Post,
uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie en Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsbepaling
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Telecommunicatiewet;
b. aanbieder: de aanbieder van een openbaar
telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst;
c. bevoegde autoriteit:
1°. de officier van justitie, dan wel de door hem in een
bepaald geval schriftelijk aangewezen opsporingsambtenaar,
2°. het hoofd van de Algemene Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst, dan wel door hem schriftelijk aangewezen
functionarissen optredend in het kader van de uitvoering van hun
taak,
3°. het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst, dan wel door hem schriftelijk aangewezen
functionarissen optredend in het kader van de uitvoering van hun
taak.
d. gebruiker: de natuurlijke of rechtspersoon die met de
aanbieder een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het
gebruik van een openbaar telecommunicatienetwerk of de levering van
een openbare telecommunicatiedienst, alsmede de natuurlijke of
rechtspersoon die daadwerkelijk gebruik maakt van een openbaar
telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst.
§ 2. Afwijkend gebruik van frequentieruimte
Artikel 2
1. De apparatuur waarmee op grond van artikel 3.10, vierde lid,
van de wet een gebruik van frequentieruimte is toegestaan dat afwijkt
van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van de wet voldoet aan
de volgende eisen:
a. de apparatuur is voorzien van een inrichting die de
nummergegevens, bedoeld in artikel 13.4, eerste lid, van de wet
zodanig selecteert dat het selectieproces niet meer dan een
plaatselijke, zeer geringe verandering van de functionaliteiten van
het desbetreffende netwerk veroorzaakt;
b. de apparatuur is voorzien van een inrichting waarmee het
uitgezonden vermogen kan worden geregeld;
c. indien de apparatuur is voorzien van een inrichting die het, al
dan niet in combinatie met het selectieproces, bedoeld onder a,
mogelijk maakt om telecommunicatie af te luisteren of op te nemen,
dient deze inrichting uitgeschakeld en vergrendeld te zijn;
d. de apparatuur is geregistreerd bij Onze Minister.
2. De apparatuur, bedoeld in het eerste lid, is opgeslagen bij
een door de korpsbeheerder aangewezen onderdeel van het Korps landelijke
politiediensten.
Artikel 3
Met de in artikel 2 bedoelde apparatuur wordt gelijkgesteld
apparatuur die rechtmatig is vervaardigd of in de handel is gebracht in
een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig is
vervaardigd in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de
Europese Economische Ruimte, en die aan tenminste gelijkwaardige
technische eisen voldoet.
Artikel 4
1. Bevoegd tot het gebruik van de apparatuur, bedoeld in
artikel 2, is de door de korpsbeheerder van het Korps landelijke
politiediensten aangewezen opsporingsambtenaar van het Korps
landelijke politiediensten die voldoet aan de door Onze Minister van
Justitie vastgestelde eisen betreffende kennis van de juridische,
operationele en technische aspecten van het gebruik van de apparatuur.
2. De opsporingsambtenaar maakt van het gebruik van de apparatuur
proces-verbaal op. Het proces-verbaal vermeldt:
a. of gebruik is gemaakt van apparatuur als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder c, en of de inrichting die het mogelijk maakt om
telecommunicatie af te luisteren of op te nemen is uitgeschakeld en
vergrendeld,
b. de data en de tijdstippen waarop en de plaatsen waar de
apparatuur is gebruikt, en
c. de gegevens die door het gebruik van de apparatuur zijn
verkregen.
3. De opsporingsambtenaar vermeldt de gegevens, bedoeld in het
tweede lid, onder b, alsmede de tijdens het gebruik van de apparatuur
gehanteerde instellingen en vermogens van de apparatuur in een daartoe
aan te leggen registratie en doet mededeling van deze gegevens aan Onze
Minister.
§ 3. Bestandsanalyse
Artikel 5
1. Op het verzoek van de bevoegde autoriteit in een geval als
bedoeld in artikel 13.4, tweede lid, jo artikel 13.4, eerste lid, van
de wet, achterhaalt en verstrekt de aanbieder het aan de gebruiker
verleende nummer.
2. Het verzoek is schriftelijk en vermeldt gegevens betreffende
twee tijdstippen waarop en locaties waar de gebruiker kennelijk gebruik
heeft gemaakt van telecommunicatie. Indien de bevoegde autoriteit, gelet
op de feiten of omstandigheden meent dat volstaan kan worden met de
vermelding van één tijdstip en één locatie, vermeldt het verzoek,
onder aanduiding van de feiten of omstandigheden, de gegevens
betreffende één tijdstip en één locatie. Deze gegevens omvatten:
a. het tijdstip: het jaar, de maand, de dag, het uur en een zo
nauwkeurig mogelijke aanduiding van de minuut;
b. de locatie: de gemeente, postcode, straat en het huisnummer, dan
wel de coördinaten van de Nederlandse Topografische Dienst met twee
maal zes cijfers.
3. De feiten of omstandigheden, bedoeld in het tweede lid,
betreffen:
a. de locatie, wanneer het een locatie betreft waar weinig
telecommunicatieverkeer plaatsvindt,
b. het tijdstip, wanneer het een tijdstip betreft waarop weinig
telecommunicatieverkeer plaatsvindt,
c. een geval waarin het nummer waarmee de gebruiker van
telecommunicatie contact zoekt, bekend is.
Artikel 6
1. De aanbieder achterhaalt het nummer, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, door een bewerking toe te passen op de gegevens
betreffende het gebruik van het door hem aangeboden openbare
telecommunicatienetwerk of de door hem aangeboden openbare
telecommunicatiedienst.
2. Nadat de aanbieder het verzoek als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, heeft ontvangen, verstrekt hij het nummer onverwijld aan de
bevoegde autoriteit. De verstrekking is schriftelijk en vermeldt het
nummer, dan wel indien de bewerking meer dan één nummer heeft
opgeleverd, de nummers. In geval van spoed vindt de verstrekking
mondeling plaats, waarna deze schriftelijk wordt bevestigd.
3. De aanbieder verstrekt, in afwijking van het tweede lid, het
nummer zo spoedig mogelijk indien het verzoek niet ten minste de
gegevens bevat, genoemd in artikel 5, tweede lid.
Artikel 7
Als gegevens, bedoeld in artikel 13.4, tweede lid, tweede volzin, van
de wet, worden aangewezen:
a. de tijdstippen waarop telecommunicatie heeft plaatsgevonden,
b. de met die tijdstippen en de desbetreffende telecommunicatie
corresponderende nummers,
c. bij welk basisstation elk van de gegevens onder a en b zijn
binnengekomen.
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 8
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijzondere vergaring
nummergegevens telecommunicatie.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 18 december 2001
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.M. de Vries
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
K.G. de Vries
Uitgegeven de negenentwintigste januari 2002
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals