St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Telecommunicatiewet

 

BESLUIT  OVERGANGSRECHT  TELECOMMUNICATIEWET

Tekst zoals deze geldt op 5 maart 2009

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

 

 

 
BESLUIT van 10 november 1998, houdende overgangsrechtelijke bepalingen krachtens hoofdstuk 20 van de Telecommunicatiewet (Besluit overgangsrecht Telecommunicatiewet)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 mei 1998, nr. HDTP/98/1541/MO, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
     Gelet op de artikelen 20.1, vierde lid, 20.3, vierde lid, en 20.18 van de Telecommunicatiewet;
     De Raad van State gehoord (advies van 13 augustus 1998, nr. W09.98.0220);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 3 november 1998, nr. HDTP/98/2584/CG, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1. Begripsbepaling

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder wet: Telecommunicatiewet.

§ 2. Criteria als bedoeld in artikel 20.1, vierde lid, van de wet

Artikel 2

1. Criteria als bedoeld in artikel 20.1, vierde lid, van de wet zijn:

a. het hanteren van dezelfde tarieven in het gehele land voor gelijke vormen van dienstverlening,

b. verkeersvolume,

c. tijdsduur,

d. tijdstip,

e. afstand of

f. contractduur.

2. Na het voor de eerste maal vaststellen van de hoogte van de tarieven kan de hoogte van de tarieven eenmaal per jaar opnieuw worden vastgesteld, uitgaande van de ramingen van het Centraal Planbureau ten aanzien van de ontwikkeling van de consumptieprijs voor de periode waarin de nieuwe tarieven zullen gelden.

§ 3. Vergunningen met een in de tijd onbeperkte werking

Artikel 3

Deze paragraaf is van toepassing op vergunningen als bedoeld in artikel 20.3, eerste of tweede lid, van de wet die krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen met een in de tijd onbeperkte werking zijn verleend.

Artikel 4

Een vergunning als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, van de wet geldt voor een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, voorzover deze betrekking heeft op de toepassing maritiem (grote handelsvaart).

Artikel 5

Een vergunning als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, van de wet geldt voor een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, voorzover deze betrekking heeft op de toepassing:

a. radiozendamateurs,

b. experimenteel radio-onderzoek,

c. afstandsbesturing,

d. radiobeveiliging/alarmering,

e. mobiele stations en portofoons aan boord van luchtvaartuigen,

f. grondstations luchtvaartterreinen zonder verkeersbegeleiding,

g. luchtvaart recreatief,

h. grondstations luchtvaartmaatschappijen,

i. luchtvaart bijzonder gebruik,

j. militaire radio-omroepstations,

k. IND-oproep,

l. HF-oproep,

m. plaatsbepaling anders dan voor derden,

n. radarsnelheidscontrole,

o. telemetrie,

p. HF radiotelefoons,

q. VHF/UHF-radiotelefoons,

r. trunking (TR20).

Artikel 6

Een vergunning als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, van de wet geldt voor een termijn van tien jaar na de inwerkingtreding van dit besluit, voorzover deze betrekking heeft op de toepassing:

a. radar anders dan voor snelheidscontrole,

b. trunking (TR10).

Artikel 7

Een vergunning als bedoeld in artikel 20.3, tweede lid, van de wet geldt voor een periode van vijftien jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

§ 4. Vergunningen met een in de tijd beperkte werking

Artikel 8

Deze paragraaf is van toepassing op vergunningen als bedoeld in artikel 20.3, eerste, tweede of derde lid, van de wet die krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen met een in de tijd beperkte werking zijn verleend.

Artikel 9

Vergunningen behouden hun werkingsduur, zoals deze krachtens de Wet op de telecommunicatievoorzieningen is bepaald.

§ 5. Regels als bedoeld in artikel 20.18 van de wet

Artikel 10

1. Een toekenning van radiofrequenties als bedoeld in artikel 21 van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur wordt gelijkgesteld met een vergunning, verleend krachtens artikel 3.3, eerste lid, van de wet.

2. Een toekenning van radiofrequenties als bedoeld in het eerste lid behoudt haar werkingsduur, zoals deze krachtens artikel 21 van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur is bepaald.

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 11

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 12

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit overgangsrecht Telecommunicatiewet.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

's-Gravenhage, 10 november 1998

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.M. de Vries

 

Uitgegeven de negentiende november 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x