BESLUIT van 28 december 2006, houdende regels inzake
randapparaten en radioapparaten (Besluit randapparaten en
radioapparaten 2007)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Minister van Economische Zaken van 5 september
2006, nr. WJZ 6062961;
Gelet op Richtlijn nr. 1999/5/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 1999
betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de
wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PbEG L 91), alsmede
op het Besluit van het Gemengd Comité van de EER, nr. 48/2000, van
31 mei 2000, tot wijziging van bijlage II (Technische
voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-Overeenkomst
(PbEG L 237), artikel 3, tweede lid en de sectorbijlage
betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur van de
Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning tussen de Europese Gemeenschap
en de Verenigde Staten van Amerika (PbEG 1999, L 31), artikel II,
derde lid en de sectorbijlage betreffende radioapparatuur en
telecommunicatie-eindapparatuur van de Overeenkomst inzake wederzijdse
erkenning tussen de Europese Gemeenschap en Canada (PbEG 1998, L
280), artikel 2, tweede lid, en de sectorbijlage betreffende
radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur van de Overeenkomst
inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling,
certificaten en markeringen tussen de Europese Gemeenschap en Australië
(PbEG 1998, L 229), artikel 2, tweede lid, en de sectorbijlage
betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur van de
Overeenkomst inzake de wederzijdse erkenning van
overeenstemmingsbeoordeling tussen de Europese Gemeenschap en
Nieuw-Zeeland (PbEG 1998, L 229), artikel 2 en de sectorbijlage
betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en radioapparatuur van
de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van
overeenstemmingsbeoordeling, tussen de Europese Gemeenschap en Japan (PbEG
2001, L 284), artikel 1 en bijlage 1, hoofdstuk 7, betreffende
eindapparatuur voor telecommunicatie van de Overeenkomst inzake
wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling tussen de Europese
Gemeenschap en Zwitserland (PbEG 2002, L 114) en op de artikelen
10.1, tweede lid, 10.2, tweede lid, 10.3, 10.4, 10.6, 10.7 en 10.8,
onderdeel b, van de Telecommunicatiewet;
De Raad van State gehoord (advies van
12 oktober 2006, nr. W10.06.0378/II);
Gezien het nader rapport van Minister van
Economische Zaken van 20 december 2006, nr. WJZ 6108618;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
en toepassingsbereik
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Telecommunicatiewet;
b. richtlijn nr. 1999/5/EG: richtlijn nr. 1999/5/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart
1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur
en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PbEG L 91);
c. richtlijn nr. 2006/95/EG: richtlijn nr. 2006/95/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december
2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke
voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor
gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PbEU L 374).
d. richtlijn nr. 2004/108/EG: richtlijn nr. 2004/108/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van
15 december 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische
compatibiliteit en tot intrekking van Richtlijn 89/336/EEG (PbEG L
390);
e. radioapparaten: radiozendapparaten en apparaten die naar hun
aard bestemd zijn voor het ontvangen van radiocommunicatiesignalen;
f. geharmoniseerde norm: technische specificatie die door een
erkende Europese normalisatie-instelling, in opdracht van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen en in overeenstemming met
de procedures van de notificatierichtlijn is goedgekeurd;
g. lidstaat: staat die lid is van de Europese Unie;
h. derde land: land dat partij is bij een bij ministeriële
regeling genoemde overeenkomst;
i. aangemelde instantie: instantie die voor het uitvoeren van
conformiteitsbeoordelingsprocedures als bedoeld in artikel 10 van
richtlijn nr. 1999/5/EG is aangewezen
1°. door een lidstaat die de instantie op grond van artikel 11
van richtlijn nr. 1999/5/EG heeft aangemeld,
2°. door een staat, niet zijnde een lidstaat, die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte die
de instantie op grond van artikel 11 van richtlijn nr. 1999/5/EG
heeft aangemeld, of
3°. in het kader van een bij ministeriële regeling genoemde
overeenkomst, door de aanwijzende autoriteit in een derde land.
j. verklaring van conformiteit: document waarin degene die
randapparaten of radioapparaten in de handel brengt, verklaart dat
die apparaten voldoen aan de voorschriften van richtlijn nr. 1999/5;
k. schadelijke interferentie: interferentie die het functioneren
van een radionavigatiedienst of van andere veiligheidsdiensten in
gevaar brengt, of die een overeenkomstig de van toepassing zijnde
communautaire of nationale voorschriften werkende
radiocommunicatiedienst op een andere wijze ernstig doet
achteruitgaan, hindert of herhaaldelijk onderbreekt.
Artikel 2
Het bij of krachtens dit besluit bepaalde is niet van toepassing op:
a. de randapparaten of radioapparaten, genoemd in bijlage I van
richtlijn nr. 1999/5/EG, en
b. randapparaten of radioapparaten die uitsluitend worden
gebruikt bij activiteiten die betrekking hebben op de openbare
veiligheid, defensie, de staatsveiligheid en bij de activiteiten van
de staat op gebieden die onder het strafrecht vallen.
Artikel 3
De verplichtingen die bij of krachtens dit besluit worden opgelegd
aan degene die randapparaten of radioapparaten in de handel brengt en
aan degene die het voornemen heeft om radioapparaten, die in
frequentiebanden worden gebruikt waarvan het gebruik niet in de gehele
Europese Unie is geharmoniseerd, in Nederland in de handel te brengen,
zijn eveneens van toepassing op de in Nederland gevestigde
vertegenwoordigers van deze personen.
Hoofdstuk 2. Randapparaten en radioapparaten
Paragraaf 2.1. Kennisgeving
Artikel 4
1. Degene die het voornemen heeft om radioapparaten, die in
frequentiebanden worden gebruikt waarvan het gebruik niet in de gehele
Europese Unie is geharmoniseerd, in Nederland in de handel te brengen,
stelt Onze Minister ten minste vier weken voordat de apparaten in
Nederland in de handel worden gebracht in kennis van dit voornemen.
2. Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt aan Onze
Minister informatie verschaft inzake de radiokenmerken van de
radioapparaten en wordt, indien bij de
conformiteitsbeoordelingsprocedures, bedoeld in artikel 7, een
aangemelde instantie is betrokken, het identificatienummer van deze
aangemelde instantie verstrekt.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake
de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde kennisgeving geschiedt en
de informatie die hierbij wordt verschaft.
Paragraaf 2.2. Essentiële eisen
Artikel 5
1. Randapparaten en radioapparaten voldoen aan de
voorschriften, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van richtlijn nr.
1999/5/EG, te weten:
a. de bescherming van de gezondheid of de veiligheid van de
gebruiker of van anderen, met inbegrip van de doelstellingen met
betrekking tot de veiligheidsvoorschriften van richtlijn nr.
2006/95/EG, echter zonder toepassing van de spanningsgrens, en
b. de elektromagnetische compatibiliteit van richtlijn nr.
2004/108/EG, voor zover deze relevant zijn voor randapparaten of
radioapparaten.
2. Onverminderd het eerste lid, voldoen radioapparaten aan
artikel 3, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/5/EG.
3. Indien op grond van artikel 3, derde lid, van richtlijn nr.
1999/5/EG voorschriften worden gesteld, worden ter uitvoering daarvan
bij ministeriële regeling regels gesteld inzake die voorschriften
waaraan randapparaten of radioapparaten dan wel categorieën of soorten
daarvan, onverminderd het eerste en tweede lid, voldoen.
Paragraaf 2.3. Conformiteitsbeoordeling
Artikel 6
1. Randapparaten en radioapparaten worden vermoed aan een of
meer voorschriften, bedoeld in artikel 5 te voldoen, indien blijkens
een van de in artikel 7 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedures
is voldaan aan de met betrekking tot richtlijn nr. 1999/5/EG
vastgestelde geharmoniseerde normen of delen daarvan, die betrekking
hebben op de desbetreffende voorschriften.
2. Naast de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, worden
randapparaten en radioapparaten eveneens vermoed aan de voorschriften,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk
onderdeel b, te voldoen, indien blijkens een van de in artikel 7
bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedures is voldaan aan de met
betrekking tot richtlijn nr. 2006/95/EG onderscheidenlijk met betrekking
tot richtlijn nr. 2004/108/EG vastgestelde geharmoniseerde normen of
delen daarvan, die betrekking hebben op de desbetreffende voorschriften.
3. Van een vermoeden van overeenstemming als bedoeld in het
eerste of tweede lid is slechts sprake indien de referentienummers van
de bij de conformiteitsbeoordelingsprocedure gehanteerde geharmoniseerde
normen gepubliceerd zijn in het Publicatieblad van de Europese Unie en
deze normen of voorschriften van kracht zijn.
Artikel 7
1. Degene die randapparaten die geen gebruik maken van de
frequentieruimte, apparaten die naar hun aard bestemd zijn voor het
ontvangen van radiocommunicatiesignalen of ontvangende delen van
radiozendapparaten in de handel brengt, onderwerpt deze apparaten naar
keuze aan de in bijlage II, IV of V van richtlijn nr. 1999/5/EG
beschreven conformiteitsbeoordelingsprocedures om vast te stellen of
deze apparaten aan de voorschriften, bedoeld in artikel 5, voldoen.
2. Degene die andere dan de in het eerste lid bedoelde
radioapparaten in de handel brengt en de van toepassing zijnde
geharmoniseerde normen, bedoeld in artikel 6, heeft toegepast,
onderwerpt deze apparaten naar keuze aan de in bijlage III, IV of V van
richtlijn nr. 1999/5/EG beschreven conformiteitsbeoordelingsprocedures
om vast te stellen of deze apparaten aan de voorschriften, bedoeld in
artikel 5, voldoen.
3. Degene die andere dan de in het eerste lid bedoelde
radioapparaten in de handel brengt en de van toepassing zijnde
geharmoniseerde normen, bedoeld in artikel 6, niet of slechts
gedeeltelijk heeft toegepast, onderwerpt deze apparaten naar keuze aan
de in de bijlage IV of V van richtlijn nr. 1999/5/EG beschreven
conformiteitsbeoordelingsprocedures om vast te stellen of deze apparaten
aan de voorschriften, bedoeld in artikel 5, voldoen.
4. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kan
degene die randapparaten of radioapparaten in de handel brengt de
conformiteitsbeoordelingsprocedures, bedoeld in bijlage III, paragraaf
B, en bijlage IV van richtlijn nr. 2006/95/EG toepassen, om vast te
stellen of deze apparaten aan de voorschriften, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, onderdeel a, voldoen.
5. De stukken die betrekking hebben op de in het eerste tot en
met het vierde lid bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedures zijn
gesteld in een officiële taal van de lidstaat waar de
conformiteitsbeoordelingsprocedure plaatsvindt of in een taal die door
de bij de conformiteitsbeoordelingsprocedure betrokken aangemelde
instantie wordt aanvaard.
Artikel 8
Degene die randapparaten of radioapparaten in de handel brengt,
voldoet aan de uit de bijlagen II tot en met V van richtlijn nr.
1999/5/EG voortvloeiende verplichtingen behorende bij de
conformiteitsbeoordelingsprocedures die op grond van artikel 7 op die
apparaten van toepassing zijn.
Artikel 9
1. Bij de in artikel 7 bedoelde
conformiteitsbeoordelingsprocedures kan degene die randapparaten of
radioapparaten in de handel brengt een aangemelde instantie
inschakelen, mits deze instantie voor de desbetreffende procedure of
het desbetreffende onderdeel daarvan bij de Commissie van de Europese
Gemeenschappen is aangemeld op grond van artikel 11, eerste lid, van
richtlijn nr. 1999/5/EG.
2. In afwijking van het eerste lid kan degene die randapparaten
of radioapparaten in de Europese Unie in de handel brengt een aangemelde
instantie in een derde land inschakelen, mits deze aangemelde instantie
is vermeld in de sectorbijlage betreffende radioapparatuur en
telecommunicatie-eindapparatuur behorend bij een bij ministeriële
regeling genoemde overeenkomst, de aanwijzing van de instantie op grond
van deze overeenkomst niet is geschorst en de Europese Gemeenschap haar
uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet geheel of
gedeeltelijk heeft opgeschort.
Artikel 10
1. Ter bekrachtiging dat randapparaten of radioapparaten aan de
voorschriften, bedoeld in artikel 5 voldoen, stelt degene die deze
apparaten in de handel brengt een verklaring van conformiteit op en
brengt hij op elk apparaat, op de eventuele verpakking hiervan en op
de documenten met betrekking tot de apparaten, een door Onze Minister
aan te wijzen markering aan.
2. Onverminderd het eerste lid wordt op radioapparaten, in bij
ministeriële regeling te bepalen gevallen, een door Onze Minister aan
te wijzen markering aangebracht ter aanduiding van de categorie waartoe
deze radioapparaten behoren.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid wordt op radioapparaten
die gebruikt worden in frequentiebanden waarvan het gebruik niet in de
gehele Europese Unie is geharmoniseerd, een door Onze Minister aan te
wijzen markering aangebracht.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake
de afmeting en de grafische vorm van de in het eerste, tweede en derde
lid bedoelde markeringen, de aanvullende aanduidingen bij deze
markeringen, de wijze waarop deze markeringen wordt aangebracht en
omtrent de zichtbaarheid, leesbaarheid en herkenbaarheid hiervan.
Paragraaf 2.4. Aanwijzing van aangemelde instanties
Artikel 11
1. Onze Minister kan een instantie aanwijzen voor de uitvoering
van de taken die met de in artikel 7 bedoelde
conformiteitsbeoordelingsprocedures samenhangen, indien uit de
aanvraag tot aanwijzing volgt, dat de instantie blijkens accreditatie
aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN 45011 of de norm NEN-EN 45012.
2. Onze Minister kan de aanwijzing beperken tot daarbij te
omschrijven categorieën van randapparaten of radioapparaten of
conformiteitsbeoordelingsprocedures, dan wel onderdelen hiervan.
Artikel 12
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze
waarop een aanvraag tot aanwijzing als bedoeld in artikel 11 moet worden
ingediend.
Paragraaf 2.5. Informatie
Artikel 13
1. Degene die randapparaten of radioapparaten in de handel
brengt, verstrekt aan de gebruiker een afschrift van de verklaring van
conformiteit en informatie over het gebruik waarvoor deze apparaten
bestemd zijn, met dien verstande dat:
a. indien het radioapparaten betreft, de verpakking of de
gebruiksaanwijzing informatie bevat waaruit blijkt voor het gebruik in
welke lidstaat of in welk geografisch grondgebied binnen een lidstaat
deze radioapparaten bedoeld zijn en de gebruiker door de op het
apparaat aangebrachte markering als bedoeld in artikel 10, derde lid,
geattendeerd wordt op voorschriften inzake het gebruik van deze
radioapparaten in bepaalde lidstaten;
b. indien het randapparaten betreft, op alle apparaten duidelijk
zichtbaar informatie is aangebracht waaruit blijkt voor welke
netwerkaansluitpunten van openbare telecommunicatienetwerken deze
randapparaten zijn bestemd.
2. Degene die randapparaten of radioapparaten in de handel
brengt, draagt er zorg voor dat op de apparaten zijn naam of de naam van
de fabrikant is aangebracht alsmede een type-, partij- of serienummer,
waardoor het mogelijk is hem of de fabrikant te identificeren.
3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake
de informatie die in de documenten met betrekking tot de randapparaten
of radioapparaten moet zijn opgenomen.
Paragraaf 2.6. Specificaties van netwerkaansluitpunten en toegang tot
openbare telecommunicatienetwerken
Artikel 14
1. Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk
verschaft het college informatie over de technische specificaties van
de netwerkaansluitpunten en maakt deze informatie op genoegzame wijze
bekend, voordat via deze netwerkaansluitpunten diensten aan het
publiek beschikbaar worden gesteld.
2. De in het eerste lid bedoelde technische specificaties moeten
nauwkeurig genoeg zijn om randapparaten te kunnen ontwerpen waarmee alle
via het netwerkaansluitpunt verstrekte diensten kunnen worden gebruikt
en moeten in elk geval alle informatie bevatten die de fabrikanten in
staat stellen naar keuze de relevante tests uit te voeren om vast te
stellen of de randapparaten voldoen aan de voorschriften, bedoeld in
artikel 5.
3. Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk draagt
er zorg voor dat wijzigingen in de informatie, bedoeld in het eerste
lid, ten minste twee maanden voor de datum waarop die wijzigingen
ingaan, bij het college bekend zijn en op genoegzame wijze bekend zijn
gemaakt.
4. Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk doet
van de wijze van bekendmaking, bedoeld in het eerste en derde lid,
mededeling in de Staatscourant.
Artikel 15
Een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk zorgt er voor
dat randapparaten die voldoen aan de voorschriften, bedoeld in artikel
5, op daartoe geschikte netwerkaansluitpunten kunnen worden aangesloten.
Artikel 16
In afwijking van artikel 15 is een aanbieder van een openbaar
telecommunicatienetwerk gerechtigd om randapparaten die voldoen aan de
voorschriften, bedoeld in artikel 5, niet aan te sluiten of af te
sluiten dan wel buiten gebruik te stellen indien deze apparaten ernstige
schade toebrengen aan een telecommunicatienetwerk, schadelijke
interferentie veroorzaken of het telecommunicatienetwerk of de werking
daarvan schaden, mits hij hiertoe voorafgaande toestemming heeft van het
college.
Artikel 17
1. In afwijking van de artikelen 15 en 16 is een aanbieder van
een openbaar telecommunicatienetwerk gerechtigd randapparaten af te
sluiten, indien dit in verband met de bescherming van het
telecommunicatienetwerk onmiddellijk dient te geschieden en biedt de
gebruiker van het telecommunicatienetwerk direct, en zonder daarvoor
kosten in rekening te brengen, een alternatieve voorziening.
2. De aanbieder, bedoeld in het eerste lid, doet onmiddellijk
mededeling aan het college van het feit dat de randapparaten zijn
afgesloten.
Hoofdstuk 3. Verhandelen van randapparaten en radioapparaten
Artikel 18
1. Het verbod om uitrusting te verhandelen, bedoeld in artikel
10.1, eerste lid, van de wet, geldt niet voor randapparaten of
radioapparaten indien wordt voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in
de artikelen 10, eerste tot en met derde lid, en 13, eerste en tweede
lid, betreffende het aanbrengen van markeringen, het verstrekken van
een afschrift van de verklaring van conformiteit en het verschaffen
van informatie.
2. Indien wordt geconstateerd, dat een in de handel gebracht
randapparaat of radioapparaat niet voldoet aan de in artikel 5 bedoelde
voorschriften ondanks het feit dat wordt voldaan aan de verplichtingen
in de artikelen 10, eerste tot en met derde lid, en 13, eerste en tweede
lid, betreffende het aanbrengen van markeringen, het verstrekken van een
afschrift van de verklaring van conformiteit en het verschaffen van
informatie, wordt hiervan schriftelijk mededeling gedaan aan de
betrokkene.
3. Onze Minister maakt de constatering, bedoeld in het tweede
lid, zo spoedig mogelijk bekend in de Staatscourant.
4. Met ingang van de dag na de datum van bekendmaking is het
verboden de randapparaten of radioapparaten van dit type te verhandelen.
Hoofdstuk 4. Maatregelen in verband met belemmeringen
Artikel 19
Onze Minister kan het in de handel brengen of verhandelen van
radiozendapparaten of categorieën van radiozendapparaten beëindigen of
beperken, indien de vrees is gewettigd dat door de betrokken
radiozendapparaten ontoelaatbare belemmeringen worden veroorzaakt in het
etherverkeer, in andere radiozendapparaten of in ontvangapparaten.
Hoofdstuk 5. Behandeling van klachten
Artikel 20
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake de
behandeling van klachten over belemmeringen welke bij het gebruik van
radiozendapparaten worden ondervonden.
Hoofdstuk 6. Handelsreclame
Artikel 21
Het is verboden handelsreclame te maken voor randapparaten of
radioapparaten die niet voldoen aan de eisen van dit besluit en waarvan
het in de handel brengen of het verhandelen op grond van artikel 10.1,
eerste lid en artikel 10.5, tweede lid, van de wet is verboden.
Hoofdstuk 7. Tentoonstellingen en demonstraties
Artikel 22
Het is verboden randapparaten of radioapparaten die niet voldoen aan
de eisen van dit besluit tentoon te stellen of te demonstreren, tenzij
a. het tentoonstellen of demonstreren plaatsvindt tijdens
handelsbeurzen, tentoonstellingen of soortgelijke evenementen, en
b. deze uitrusting is voorzien van een zichtbaar teken dat
aangeeft dat de uitrusting niet in de handel mag worden gebracht of
mag worden verhandeld zolang deze uitrusting niet voldoet aan de
eisen van dit besluit.
Hoofdstuk 8. Gelijkstelling
Artikel 23
Voor de toepassing van artikel 10.8 tot en met 10.11 van de wet
worden met radiozendapparaten gelijkgesteld
radiofrequentvermogensversterkers die geschikt zijn voor gebruik tezamen
met radiozendapparaten alsmede andere elektrische of elektronische
apparaten die geschikt zijn om het radiofrequent signaal van
radiozendapparaten te wijzigen.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 24
1. [Wijzigt het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en
zeilvaart.]
2. [Wijzigt het Besluit zeevisvaartbemanning.]
Artikel 25
1. Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling
storingsklachten op artikel 22 van het Besluit elektromagnetische
compatibiliteit 2007 en op artikel 20 van dit besluit.
2. Na de inwerkingtreding van dit besluit berust de Regeling
randapparaten en radioapparaten op artikel 1, onderdeel h, artikel 4,
derde lid, artikel 10, artikel 12, artikel 13, derde lid en artikel 20
van dit besluit.
Artikel 26
Een wijziging van richtlijn nr. 1999/5/EG, van de
notificatierichtlijn, van richtlijn nr. 2004/108/EG, of van richtlijn
nr. 2006/95/EG gaat voor de toepassing van het onderhavige besluit
gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn
uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de
Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 27
1. Het bij of krachtens dit besluit bepaalde is niet van
toepassing op apparaten die vóór 8 april 2001 overeenkomstig
het bij of krachtens het Besluit randapparatuur en apparatuur voor
satellietgrondstations bepaalde, onderscheidenlijk het bij of
krachtens het Besluit radio-elektrische inrichtingen bepaalde, in de
handel zijn gebracht.
2. Apparaten, bedoeld in het eerste lid, die niet of niet meer
voldoen aan de voorschriften waaraan deze apparaten op grond van het bij
of krachtens het Besluit radio-elektrische inrichtingen of het Besluit
randapparatuur en apparatuur voor satellietgrondstations bepaalde
moesten voldoen op het tijdstip dat zij in de handel zijn gebracht,
kunnen uit de handel worden genomen.
Artikel 28
1. Het Besluit randapparaten en radioapparaten wordt
ingetrokken.
2. Het besluit van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
van 17 november 2000, nr. DGTP/00/5627/NG, houdende toepassing van
het bepaalde bij of krachtens het Besluit randapparaten en
radioapparaten in de EER wordt ingetrokken (Stcrt. 2000, 229).
Artikel 29
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 30
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit randapparaten en
radioapparaten 2007.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 28 december 2006
BEATRIX
De Minister van Economische Zaken,
J.G. Wijn
Uitgegeven de achttiende januari 2007
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin