BESLUIT van 20 oktober 2006 tot vaststelling van
het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie van 1 mei 2006, nr.
5417624/06/6;
Gelet op de artikelen 126m, negende lid,
en 126ee van het Wetboek van Strafvordering en artikel 3.10 van
de Telecommunicatiewet;
De Raad van State gehoord (advies van
19 juni 2006, nr. W03.06.0141/l );
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Justitie van 13 oktober 2006, nr. 5446307/06/6;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. technisch hulpmiddel: een technisch hulpmiddel als bedoeld in
artikel 126ee, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering;
b. observatie: observatie met een technisch hulpmiddel ter
uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 126g, derde lid,
artikel 126o, derde lid of artikel 126zd, vierde lid, van het
Wetboek van Strafvordering;
c. opnemen van vertrouwelijke communicatie: het opnemen van
vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, ter
uitvoering van een bevel als bedoeld in artikel 126l, eerste lid,
artikel 126s, eerste lid of artikel 126zf, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering;
d. opnemen van telecommunicatie: het opnemen van communicatie met
een technisch hulpmiddel, ter uitvoering van een bevel als bedoeld
in artikel 126m, eerste lid, 126t, eerste lid, en 126zg, eerste lid,
voor zover het bevel, bedoeld in artikel 126m, derde of vierde lid,
onderscheidenlijk artikel 126t, derde of vierde lid, en artikel
126zg, derde of vierde lid, ten uitvoer wordt gelegd zonder
medewerking van de betrokken aanbieder;
e. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
f. korpsbeheerder: de korpsbeheerder, bedoeld in de artikelen 24
en 38 van de Politiewet 1993;
g. AIVD: de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, bedoeld
in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 2. Overeenkomstige toepassing werkgever
Hetgeen in dit besluit wordt bepaald over de korpsbeheerder is van
overeenkomstige toepassing op de werkgever van de ambtenaren bedoeld in
artikel 141, onderdeel b en c van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 3. Reikwijdte
1. Opsporingsambtenaren als bedoeld in de artikelen 141,
onderdelen b tot en met d, en 142 van het Wetboek van Strafvordering
kunnen worden belast met de plaatsing, verwijdering en inzet van een
technisch hulpmiddel voor observatie.
2. Opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141, onderdeel b,
van het Wetboek van Strafvordering kunnen worden belast met de
plaatsing, verwijdering en inzet van een technisch hulpmiddel voor het
opnemen van vertrouwelijke communicatie en het opnemen van
telecommunicatie.
Artikel 4. Wederzijdse erkenningsclausules
1. Met technische hulpmiddelen in dit besluit worden
gelijkgesteld technische hulpmiddelen die rechtmatig zijn vervaardigd
of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese
Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat, niet zijnde een
lid van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of
mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan
eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig
is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
2. Met een keuringsrapport als bedoeld in dit besluit wordt
gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een
onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese
Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lid van de Europese Unie, die
partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag
dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van
onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste
gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen
wordt nagestreefd.
Hoofdstuk 2. Opslag, verstrekking en plaatsing van technische
hulpmiddelen
Artikel 5. Opslag technische hulpmiddelen
1. Door of namens de korpsbeheerder wordt een plaats aangewezen
voor de opslag van technische hulpmiddelen en wordt ervoor
zorggedragen dat deze plaats beveiligd is en uitsluitend toegankelijk
is voor of onder begeleiding van daartoe geautoriseerd personeel.
2. Door of namens de korpsbeheerder worden één of meer terzake
deskundige ambtenaren aangewezen, die belast zijn met de opslag van
technische hulpmiddelen.
Artikel 6. Verstrekking technische hulpmiddelen
1. De ambtenaar, bedoeld in artikel 5, tweede lid, verstrekt,
na ontvangst van een kopie van het daarop betrekking hebbende bevel,
het voor de uitvoering daarvan benodigde technische hulpmiddel aan de
met de uitvoering belaste ambtenaar. Indien het bevel mondeling is
gegeven wordt, in afwijking van de eerste volzin, binnen drie dagen
een kopie van het schriftelijke bevel overgelegd.
2. De ambtenaar, bedoeld in artikel 5, tweede lid, verstrekt, na
ontvangst van een verzoek door of namens de korpsbeheerder voor
verstrekking van technische hulpmiddelen voor oefendoeleinden het
benodigde technische hulpmiddel aan de met de uitvoering belaste
ambtenaar.
3. De ambtenaar, bedoeld in artikel 5, tweede lid, registreert de
verstrekking van het technische hulpmiddel. De registratie bevat ten
minste de aanduiding van het technische hulpmiddel, het tijdstip van de
verstrekking en de verwachte duur van de inzet van het hulpmiddel en de
naam van de officier van justitie die het bevel heeft gegeven
onderscheidenlijk de korpsbeheerder die het verzoek heeft ingediend.
4. Het technische hulpmiddel wordt verstrekt voor de periode die
nodig is voor de uitvoering van het bevel onderscheidenlijk de duur van
de oefening.
Artikel 7. Plaatsing technische hulpmiddelen
1. De plaatsing van het technische hulpmiddel geschiedt door
een daartoe door of namens de korpsbeheerder aangewezen en terzake
deskundige opsporingsambtenaar.
2. Opsporingsambtenaren belast met het plaatsen van een technisch
hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie in een
woning of andere besloten plaats zijn in het bezit van een door Onze
Minister aangewezen document.
3. Opsporingsambtenaren belast met het plaatsen van een technisch
hulpmiddel voor het opnemen van telecommunicatie zijn in het bezit van
een door Onze Minister aangewezen document.
4. De opsporingsambtenaar maakt van het plaatsen van het
technische hulpmiddel proces-verbaal op.
Artikel 8. Controle technische hulpmiddelen
Voorafgaand aan en na afloop van de daadwerkelijke inzet van een
technisch hulpmiddel controleert de met de uitvoering belaste
opsporingsambtenaar of wordt voldaan aan de eisen, gesteld in de
artikelen 10 tot en met 14 en legt daarvan verantwoording af in het
proces-verbaal als bedoeld in artikel 7, vierde lid. Indien bij de
controle een technische afwijking, defect, verwijdering of verandering
van de oorspronkelijke beveiliging of enige andere onregelmatigheid
wordt geconstateerd, maakt de opsporingsambtenaar daarvan proces-verbaal
op dat aan de officier van justitie wordt gezonden.
Artikel 9. Verwijdering technische hulpmiddelen
1. De verwijdering van het technische hulpmiddel geschiedt door
een daartoe door of namens de korpsbeheerder aangewezen en terzake
deskundige opsporingsambtenaar.
2. Na verwijdering van het technische hulpmiddel stelt de in het
eerste lid bedoelde ambtenaar het technische hulpmiddel weer in handen
van de ambtenaar, bedoeld in het artikel 5, tweede lid. Deze registreert
de ontvangst van de technische hulpmiddelen. De registratie bevat ten
minste de aanduiding van het technische hulpmiddel, van de staat waarin
het verkeert en van het tijdstip van ontvangst.
Hoofdstuk 3. Technische eisen
Artikel 10. Datum en tijdregistratie
Het technische hulpmiddel legt de datum en tijd waarop de signalen
worden gedetecteerd, automatisch en doorlopend op de gegevensdrager
vast.
Artikel 11. Gericht opnemen telecommunicatie
Het technische hulpmiddel voor het opnemen van telecommunicatie neemt
slechts de communicatie op die plaatsvindt met gebruikmaking van één
of meer nummers van de individuele gebruiker of gebruikers, op wie het
bevel tot het opnemen van de communicatie is gericht.
Artikel 12. Beveiliging technisch hulpmiddel
Indien de opsporingsambtenaar niet voortdurend aanwezig is gedurende
de inzet van het technische hulpmiddel wordt het technische hulpmiddel
zodanig beveiligd dat technische veranderingen achteraf zo veel mogelijk
zijn vast te stellen.
Artikel 13. Beveiliging transport signalen
Het transport van het signaal wordt dusdanig beveiligd dat
manipulatie van de signalen wordt voorkomen of achteraf is vast te
stellen.
Artikel 14. Opslag signalen
1. De inhoud van de gedetecteerde signalen is identiek aan de
op de gegevensdrager opgeslagen signalen.
2. De op een gegevensdrager opgeslagen signalen worden niet
bewerkt.
3. Bij de opslag van signalen worden maatregelen genomen om
manipulatie van de opgeslagen signalen te voorkomen en om achteraf te
kunnen vaststellen of niettemin manipulatie heeft plaatsgevonden.
4. Indien het technische hulpmiddel mede bestaat uit een
component die selecteert welke signalen worden opgeslagen, legt de
opsporingsambtenaar vast welk selectiecriterium is gehanteerd.
Artikel 15. Bewerking opgeslagen signalen
1. Indien dat voor de waarneming van de opgeslagen signalen
noodzakelijk is, kan een kopie van de opgeslagen signalen technisch
worden bewerkt.
2. De in het eerste lid bedoelde bewerking wordt uitgevoerd door
een daartoe door of namens de korpsbeheerder aangewezen en terzake
deskundige ambtenaar. De officier van justitie kan bepalen dat een
technische bewerking wordt uitgevoerd door een deskundige, niet zijnde
een ambtenaar.
3. Van de bewerking wordt een schriftelijk verslag opgemaakt,
waarin het proces van bewerking wordt beschreven.
Hoofdstuk 4. Inzet technische hulpmiddelen
Artikel 16. Opnemen telecommunicatie
Het opnemen van telecommunicatie waarmee overeenkomstig artikel 3.10
van de Telecommunicatiewet een gebruik van frequentieruimte wordt
gemaakt dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van de
Telecommunicatiewet, geschiedt door een door of namens de korpsbeheerder
aangewezen en terzake deskundige opsporingsambtenaar die in het bezit is
van een door Onze Minister aangewezen document.
Artikel 17. Inzet technische hulpmiddelen opnemen telecommunicatie
1. Een technisch hulpmiddel voor het opnemen van
telecommunicatie, waarmee overeenkomstig artikel 3.10 van de
Telecommunicatiewet een gebruik van frequentieruimte wordt gemaakt dat
afwijkt van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van de
Telecommunicatiewet, voldoet aan de volgende eisen:
a. het technische hulpmiddel veroorzaakt niet meer dan een
plaatselijke, zeer geringe verandering van de functionaliteiten van
het desbetreffende netwerk;
b. de apparatuur is voorzien van een inrichting waarmee het
uitgezonden vermogen kan worden geregeld;
c. het technische hulpmiddel is geregistreerd bij Onze Minister van
Economische Zaken.
2. De opsporingsambtenaar registreert de data en de tijdstippen
waarop en de plaatsen waar het technische hulpmiddel is gebruikt en de
tijdens het gebruik van het technische hulpmiddel gehanteerde
instellingen en vermogens van het technische hulpmiddel en doet
mededeling van deze gegevens aan Onze Minister van Economische Zaken.
Artikel 18. Inzet gekeurd technisch hulpmiddel
1. Uit een keuringsrapport van het technische hulpmiddel als
zodanig of van de componenten waaruit het is samengesteld blijkt dat
een technisch hulpmiddel voor observatie of voor het opnemen van
vertrouwelijke communicatie voldoet aan de in artikelen 10, 12, 13 en
14 gestelde eisen.
2. Uit een keuringsrapport van het technische hulpmiddel als
zodanig blijkt dat een technisch hulpmiddel voor het opnemen van
telecommunicatie voldoet aan de in artikelen 10 tot en met 14 gestelde
eisen.
Artikel 19. Inzet zonder keuringsrapport
1. Indien het onderzoeksbelang dit dringend vordert, kan de
officier van justitie bepalen dat een technisch hulpmiddel voor
observatie of voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie wordt
ingezet, hoewel niet of niet geheel wordt voldaan aan artikel 18,
eerste lid.
2. Het bevel van de officier van justitie vermeldt dat toepassing
is gegeven aan het eerste lid en bevat een omschrijving van de aard en
technische mogelijkheden van het technische hulpmiddel.
3. Na afloop van de inzet wordt voor het technische hulpmiddel of
de componenten waarvoor geen keuringsrapport is vastgesteld alsnog een
keuringsrapport vastgesteld, tenzij de aard van het technische
hulpmiddel of de betrokken componenten zich daartegen naar het oordeel
van de officier van justitie verzet.
Artikel 20. Inzet AIVD middelen
1. Indien het onderzoeksbelang dit dringend vordert, kan de
officier van justitie bepalen dat een technisch hulpmiddel voor
observatie of voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, dat
bij de AIVD in gebruik is, wordt ingezet hoewel niet of niet geheel
wordt voldaan aan artikel 18, eerste lid.
2. De officier van justitie doet een schriftelijk verzoek aan het
hoofd van de AIVD voor de inzet van het technische hulpmiddel.
3. Het bevel van de officier van justitie vermeldt dat toepassing
is gegeven aan het eerste lid.
Artikel 21. Inzet internationale samenwerking
1. Indien het technische hulpmiddel wordt ingezet ter
uitvoering van een rechtshulpverzoek of ten behoeve van een
gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het
Wetboek van Strafvordering en het technische hulpmiddel in het
buitenland door buitenlandse autoriteiten is geplaatst en op
Nederlands grondgebied wordt ingezet, kan de officier van justitie
bepalen dat een technisch hulpmiddel wordt ingezet hoewel niet of niet
geheel wordt voldaan aan artikel 18, eerste lid.
2. Het bevel van de officier van justitie vermeldt dat toepassing
is gegeven aan het eerste lid.
Hoofdstuk 5. Keuring
Artikel 22. Keuringsdienst
1. Onze Minister wijst een onderdeel van het Korps Landelijke
politiediensten aan als keuringsdienst.
2. Onze Minister kan één of meer andere organisaties aanwijzen
als keuringsdienst.
3. Onze Minister kan regels stellen bij de aanwijzing van een
keuringsdienst.
Artikel 23. Keuringsprotocol
1. De keuringsdienst legt de wijze van keuring vast in een
keuringsprotocol.
2. Het keuringsprotocol behoeft voorafgaande goedkeuring door
Onze Minister.
Artikel 24. Keuring
1. Door of namens de korpsbeheerder kunnen technische
hulpmiddelen en componenten voor de detectie, het transport en de
opslag van signalen ter keuring worden aangeboden aan de
keuringsdienst.
2. De keuringsdienst maakt van de keuring een rapport op, waaruit
blijkt in hoeverre de technische hulpmiddelen onderscheidenlijk de
componenten voldoen aan de in de artikelen 10 tot en met 14 gestelde
eisen.
3. Het keuringsrapport vermeldt:
a. het keuringsnummer;
b. een categoriale aanduiding;
c. de periode waarvoor de keuring geldt;
d. relevante informatie met betrekking tot de inzet als technisch
hulpmiddel.
Artikel 25. Registratie van de keuringsrapporten
De keuringsdienst van het Korps landelijke politiediensten houdt een
centrale registratie bij van de keuringsrapporten.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 26. Overgangsbepalingen
Een geldige verklaring van goedkeuring verleend op grond van het
Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden wordt
gelijkgesteld aan een keuringsrapport als bedoeld in artikel 24.
Artikel 27. Intrekking besluit
Het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden
wordt ingetrokken.
Artikel 28. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2007.
Artikel 29. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit technische hulpmiddelen
strafvordering.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 20 oktober 2006
BEATRIX
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Uitgegeven de zevende november 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin