| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Telecommunicatiewet
FREQUENTIEBESLUIT
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 10 november 1998, houdende regels
betreffende toewijzing en gebruik van frequentieruimte (Frequentiebesluit)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 mei 1998,
nr. HDTP/98/1550/HW, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Gelet op Richtlijn nr. 97/13/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 10 april 1997
betreffende een gemeenschappelijk kader voor algemene machtigingen en
individuele vergunningen op het gebied van telecommunicatiediensten (PbEG
L 117/15) en de artikelen 3.1, 3.3, zevende lid, 3.4, tweede lid, en
artikel 3.5, derde en vierde lid, van de Telecommunicatiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 19
augustus 1998, nr. W09.98.0214);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 3 november 1998, nr. HDTP/98/3248/HW,
Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Telecommunicatiewet;
b. vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid,
van de wet;
c. antenneregister: openbaar antenneregister als bedoeld in
artikel 3.14 van de wet.
HOOFDSTUK 2. BESLUITVORMING MET BETREKKING TOT DE PROCEDURE VAN
VERGUNNINGVERLENING
Paragraaf 1. algemeen
Artikel 2
1.In het frequentieplan worden de frequentiebestemmingen
onderverdeeld in de volgende hoofdcategorieën van gebruik:
a. zakelijk gebruik;
b. gebruik voor vitale overheidstaken;
c. omroep, bestaande uit de categorieën publieke en
commerciële omroep;
d. overig gebruik.
2.In het frequentieplan wordt voor de hoofdcategorieën zakelijk
gebruik en overig gebruik, alsmede voor de categorie commerciële
omroep, per eenheid van frequentieruimte, met in achtneming van het
bepaalde in het derde en vierde lid, vastgesteld of bij de verlening
van een vergunning hetzij de procedure van op volgorde van binnenkomst
hetzij de procedure van veiling of vergelijkende toets wordt
toegepast.
3.De procedure van veiling of vergelijkende toets wordt alleen
toegepast terzake van de verdeling van frequentieruimte voor de
hoofdcategorie zakelijk gebruik en de categorie commerciële omroep.
De hiervoor genoemde procedures worden niet toegepast indien het
redelijkerwijs te verwachten is dat er met betrekking tot de vraag
naar de frequentieruimte sprake zal zijn van een voldoende aanbod van
de frequentieruimte.
4.In de gevallen waarin de veiling of de vergelijkende toets op
grond van het derde lid niet wordt toegepast, alsmede bij de
hoofdcategorie overig gebruik, geschiedt de verlening van de
vergunningen op volgorde van binnenkomst van de aanvraag.
Artikel 2a
Ingeval van een procedure voor de verlening van vergunningen als
bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, van de Telecommunicatiewet kan bij
ministeriële regeling frequentieruimte voor een categorie van
aanvragers worden gereserveerd.
Paragraaf 2. veiling en vergelijkende toets
Artikel 3
1.De procedure voor het verlenen van een vergunning die door middel
van een veiling of een vergelijkende toets zal worden verleend, vangt
aan op een door Onze Minister te bepalen tijdstip. Hiervan wordt in de
Staatscourant mededeling gedaan alsmede van het besluit van Onze
Minister welke van beide procedures zal worden toegepast.
2.Ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde besluit tot
vaststelling van de procedure door middel waarvan een vergunning voor
het gebruik van frequentieruimte zal worden verleend, geldt dat de
procedure van vergelijkende toets slechts wordt toegepast indien het
algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang dit vordert.
3.Uiterlijk zeven dagen nadat de mededeling, bedoeld in het eerste
lid, is gedaan, maakt Onze Minister bekend:
a. de regels, bedoeld in de artikelen 4, 6, eerste lid en 8,
eerste lid;
b. de regels, bedoeld in artikel 3.3a, eerste lid, van de wet,
en
c. voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, de vergunning
zoals die zal worden verleend en de voorschriften en beperkingen
die aan die vergunning zullen worden verbonden.
4.Het tweede lid is niet van toepassing op frequentieruimte die is
bestemd voor commerciële omroep.
5.De bekendmaking, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, geschiedt
hetzij in de Staatscourant, hetzij op een andere wijze die door Onze
Minister is aangegeven in de mededeling, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de indiening
van de aanvraag om een vergunning en omtrent de inhoud van de aanvragen
en de daarbij te overleggen gegevens. Deze regels kunnen per te verlenen
vergunning verschillen.
Artikel 5
1.Onze Minister stelt eenieder in de gelegenheid om gedurende vier
weken zijn zienswijze in te brengen over een ontwerp van de regels,
bedoeld inartikel 3, derde lid, onderdelen a en b, en een ontwerp van
het besluit, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel c.
2.Indien de ontwerpen niet worden geplaatst in de Staatscourant,
deelt Onze Minister in de Staatscourant mede op welke wijze inzage in
de ontwerpen kan worden verkregen.
Artikel 6
1. Tot de veiling en de vergelijkende toets worden slechts
toegelaten aanvragers die voldoen aan bij ministeriële regeling te
stellen eisen. Deze eisen kunnen per te verlenen vergunning
verschillen.
2. De in het eerste lid bedoelde eisen kunnen slechts betrekking
hebben op de:
a. rechtsvorm van de aanvrager;
b. financiële positie van de aanvrager;
c. kennis en ervaring van de aanvrager;
d. technische middelen waarover de aanvrager kan beschikken;
e. hoedanigheid van de aanvrager als commerciële omroep;
f. door de aanvrager te leveren bijdrage aan de overgang van
analoge naar digitale techniek.
3. Indien een te verlenen vergunning betrekking heeft op het
gebruik van frequentieruimte die is bestemd voor commerciële omroep,
kunnen de in het eerste lid bedoelde eisen tevens betrekking hebben op
het waarborgen van democratische, sociale, taalkundige en culturele
belangen die een rol spelen bij het gebruik van frequentieruimte,
waarbij rekening kan worden gehouden met pluralisme in de media.
Artikel 6a
1.Bij ministeriële regeling kan, in het belang van een
evenwichtige verdeling dan wel een doelmatig gebruik van
frequentieruimte, met betrekking tot categorieën van frequentieruimte
de maximale hoeveelheid frequentieruimte worden vastgesteld die een
aanvrager kan verwerven door middel van een procedure van veiling of
vergelijkende toets. Daarbij kan rekening worden gehouden met
verschillen binnen een of meer categorieën van frequentieruimte. Voor
categorieën van frequentieruimte of voor procedures voor het verlenen
van een vergunning kunnen verschillende regels worden gesteld.
2.Indien een aanvrager op het tijdstip waarop een aanvraag
uiterlijk dient te zijn ontvangen op grond van de ministeriële
regeling, bedoeld inartikel 4, reeds beschikt over een vergunning met
betrekking tot een categorie van frequentieruimte waarvoor een maximum
is vastgesteld dan wel beschikt over de maximale hoeveelheid
frequentieruimte, brengt Onze Minister deze frequentieruimte in
mindering op de maximale hoeveelheid frequentieruimte die de aanvrager
voor die categorie van frequentieruimte kan verwerven
onderscheidenlijk sluit Onze Minister de aanvrager volledig uit van
deelname aan de veiling of de vergelijkende toets. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het
geval dat een aanvrager na het tijdstip waarop een aanvraag uiterlijk
dient te zijn ontvangen op grond van de ministeriële regeling,
bedoeld in artikel 4, een vergunning verwerft met betrekking tot een
categorie van frequentieruimte waarvoor een maximum is vastgesteld.
4.Indien een aanvrager deel uitmaakt van een groep waartoe een
andere rechtspersoon of vennootschap behoort die een vergunning heeft
of verwerft met betrekking tot frequentieruimte waarvoor een maximum
is vastgesteld, wordt bij de toepassing van het bepaalde bij of
krachtens het tweede en derde lid ook die vergunning in aanmerking
genomen.
Artikel 7
Indien voor een vergunning slechts een aanvrager voldoet aan de op
grond van artikel 6 gestelde eisen wordt aan deze aanvrager de
vergunning verleend zonder toepassing van een veiling of een
vergelijkende toets.
Artikel 8
1.Bij ministeriële regeling worden in het kader van de behandeling
van een aanvraag om een vergunning regels gesteld omtrent de wijze
waarop de veiling of de vergelijkende toets plaatsvindt. Deze regeling
kan per te verlenen vergunning verschillen.
2.In het geval van een veiling hebben de in het eerste lid bedoelde
regels in elk geval betrekking op:
a. de wijze waarop een bod wordt uitgebracht;
b. de eisen die aan een geldig bod worden gesteld;
c. de zekerheidstelling dat een bod gestand wordt gedaan of
kosten en schade kunnen worden verhaald;
d. maatregelen ten behoeve van een ongestoord verloop van de
veiling;
e. de bij veiling toe te passen methode ter vaststelling van
het bod waarvan de uitbrenger in aanmerking komt voor verlening
van de vergunning;
f. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van
betaling en het tijdstip waarop degene aan wie de vergunning wordt
verleend deze betaling moet hebben verricht;
g. de gevallen waarin, de termijn waarbinnen en de voorwaarden
waaronder er opnieuw wordt geveild zonder dat er sprake is van een
nieuwe veilingprocedure.
3.In het geval van een vergelijkende toets hebben de in het eerste
lid bedoelde regels in elk geval betrekking op de criteria waarmee de
kwaliteit van de aanvraag of de kwaliteit van de aanvrager wordt
bepaald.
4.In het geval van een vergelijkende toets met inbegrip van een
financieel bod, kunnen de in het eerste lid bedoelde regels eveneens
betrekking hebben op:
a. de gevallen waarin een financieel bod wordt uitgebracht
alsmede de wijze waarop dat bod wordt uitgebracht;
b. de eisen die aan een geldig financieel bod worden gesteld;
c. de zekerheidstelling dat een financieel bod gestand wordt
gedaan of kosten en schade kunnen worden verhaald;
d. de eisen die gesteld worden met betrekking tot de wijze van
betaling van het financieel bod en het tijdstip waarop degene aan
wie de vergunning wordt verleend deze betaling moet hebben
verricht.
5.In het geval van een vergelijkende toets houdt Onze Minister bij
het opstellen van de criteria rekening met de doelstellingen, bedoeld
in artikel 1.3, eerste lid, van de wet.
Artikel 9
1. Onze Minister kan een vergunning die is verleend door middel van
een veiling of een vergelijkende toets niet verlengen, tenzij het
algemeen maatschappelijk, cultureel of economisch belang verlenging
naar het oordeel van Onze Minister vordert of verlenging naar het
oordeel van Onze Minister van belang is voor de bevordering van de
overgang van analoge naar digitale techniek, mits de aanvraag om
verlenginguiterlijk een jaar, doch niet eerder dan twee jaar voor het
tijdstip waarop de periode waarvoor de vergunning is verleend, is
verstreken, is ontvangen door Onze Minister. Bij regeling van Onze
Minister kan voor nader bepaalde vergunningen een afwijkende periode
worden bepaald waarbinnen het verzoek tot verlenging moet worden
ontvangen.
2. Indien de vergunning betrekking heeft op frequentieruimte
bestemd voor de categorie commerciële omroep besluit Onze Minister
over een verzoek tot verlenging als bedoeld in het eerste lid, niet
dan in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen.
3. In het geval een vergunning wordt verlengd kunnen de aan de
vergunning verbonden voorschriften en beperkingen worden gewijzigd en
kunnen nieuwe voorschriften en beperkingen aan de vergunning worden
toegevoegd.
4. Bij ministeriële regeling kunnen inzake de verlenging van
vergunningen nadere regels worden gesteld. Deze regels kunnen per te
verlenen vergunning verschillen.
Artikel 10
1.In het geval de te verlenen vergunning betrekking heeft op
frequentieruimte bestemd voor de categorie commerciële omroep en de
verlening van de vergunning plaatsvindt door middel van een
vergelijkende toets worden de in deze paragraaf aan Onze Minister
opgedragen taken en toegekende bevoegdheden uitgeoefend, voorzover het
niet betreft de vaststelling van de frequentieruimte waarvoor de
vergunning wordt verleend, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen in overeenstemming met Onze Minister.
2.Onze Minister verleent een vergunning voor het gebruik van
frequentieruimte bestemd voor de categorie commerciële omroep op
voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
indien die voordracht tot stand is gekomen na uitvoering van de
vergelijkende toets.
Paragraaf 3. procedure waarbij aanvragen op volgorde van binnenkomst
worden behandeld
Artikel 11
1. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld waaraan
de aanvrager moet voldoen om in aanmerking te komen voor een
vergunning. Deze eisen kunnen slechts inhouden dat:
a. de aanvrager een bepaalde leeftijd heeft bereikt;
b. de aanvrager met goed gevolg een voor het gebruik van de
gevraagde frequentieruimte, in samenhang met het doel waarvoor die
frequentieruimte wordt gebruikt, vereist examen heeft afgelegd;
c. de aanvrager in het bezit is van een certificaat van
bediening;
d. de aanvrager een redelijk belang heeft bij het voorgenoemen
gebruik van de gevraagde frequentieruimte.
2. Ten aanzien van het verkrijgen van een certificaat van bediening
en het examen genoemd in het eerste lid kunnen bij ministeriële
regeling regels worden gesteld die betrekking hebben op:
a. het afleggen en het afnemen van het examen;
b. de eisen van het examen;
c. de ontheffing van het examen;
d. de wijze waarop de vergoeding voor een examen dan wel een
ontheffing moet worden voldaan;
e. het verkrijgen van een certificaat van bediening.
3. Voor zover de aard, de omvang of het maatschappelijk belang van
de vergunning daartoe naar het oordeel van Onze Minister aanleiding
geeft, kunnen naast de eisen genoemd in het eerste lid bij
ministeriële regeling tevens de eisen worden gesteld bedoeld in
artikel 6, tweede en derde lid, en kunnen voorts regels worden gesteld
in het belang van een evenwichtige verdeling dan wel een doelmatig
gebruik van frequentieruimte.
Artikel 12
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de indiening
van de aanvraag om een vergunning en omtrent de inhoud van de aanvragen
en de daarbij te overleggen gegevens. Deze regeling kan per te verlenen
vergunning verschillen.
Artikel 13
1. Een vergunning wordt op aanvraag verlengd, tenzij een doelmatige
ordening van het frequentiespectrum zich daartegen verzet.
2. Bij verlenging van een vergunning kunnen de aan de vergunning
verbonden voorschriften of beperkingen worden gewijzigd en kunnen
nieuwe voorschriften of beperkingen aan de vergunning worden
toegevoegd.
3. Bij ministeriële regeling kunnen inzake de verlenging van
vergunningen nadere regels worden gesteld. Deze regels kunnen per te
verlenen vergunning verschillen.
Paragraaf 4. procedure waarbij vergunningen bij voorrang worden
verleend
Artikel 14
Op aanvragen om een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte
ten behoeve van de uitvoering van vitale overheidstaken, van het
verzorgen van taken op het terrein van de publieke omroep als bedoeld in
artikel 1, onder t, van de Mediawet, of ter uitvoering van een wettelijk
voorschrift, zijn de artikelen 12 en 13 van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 5. termijn vergunningverlening
Artikel 15
1.In het geval de verlening van een vergunning betrekking heeft op
frequentieruimte die is bestemd voor het aanbieden van openbare
elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische
communicatiediensten beslist Onze Minister op een aanvraag om
verlening van de vergunning binnen 6 weken na ontvangst van de
aanvraag.
2.Indien de duur van de procedure van veiling of vergelijkende
toets tot gevolg heeft dat niet binnen de in het eerste lid bedoelde
termijn kan worden beslist, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan
in kennis en geeft daarbij een termijn waarbinnen zal worden beslist,
welke termijn niet langer is dan 32 weken na afloop van de in het
eerste lid genoemde termijn.
3.Van de termijnen, genoemd in het eerste en tweede lid, kan worden
afgeweken indien op grond van het Internationale
Telecommunicatieverdrag internationale frequentie- en
satellietcoördinatie daartoe nopen.
HOOFDSTUK 3. DE VERGUNNING
Artikel 16
1.De aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen
kunnen slechts betrekking hebben op:
a. het doelmatig gebruik van de toegewezen frequentieruimte;
b. de aard van de radiozendapparaten en de daarbij behorende
antenne-inrichtingen alsmede het vermogen waarmee mag worden
uitgezonden;
c. bescheiden die de vergunninghouder ter beschikking moet
houden;
d. verplichtingen die voortvloeien uit de toezeggingen die de
vergunninghouder in het kader van de vergelijkende toets heeft
gedaan, ook indien toepassing wordt gegeven aan artikel 7;
e. het veroorzaken van belemmeringen in radiozend- of
ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen
door het gewenste signaal van een radiozendapparaat;
f. het waarborgen van de in artikel 6, derde lid, bedoelde
belangen;
g. de diensten die moeten worden aangeboden, het soort
elektronisch communicatienetwerk dat moet worden aangeboden of de
technologie die moet worden gebruikt;
h. de naleving van verdragen of besluiten van een
volkenrechtelijke organisatie aangaande het gebruik van
frequentieruimte;
i. de identificatie van het zendapparaat door middel van een
daartoe bij de vergunningverlening toe te kennen combinatie van
letters of cijfers.
2.De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde voorschriften en
beperkingen kunnen onder meer betrekking hebben op de termijn waarop
en het geografisch gebied waarbinnen de in het eerste lid, onderdeel
g, bedoelde diensten moeten worden aangeboden.
Artikel 17
Onze Minister kan een vergunning en de daaraan verbonden
voorschriften en beperkingen gedurende de looptijd van de vergunning
slechts wijzigen:
a. op verzoek van de vergunninghouder;
b. indien de naleving van een internationale overeenkomst
aangaande het gebruik van frequentieruimte dit vordert;
c. in de gevallen bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de wet,
en
d. indien door het gebruik van de vergunning ontoelaatbare
belemmeringen worden veroorzaakt in radiozend-of ontvangapparaten of
in elektrische of elektronische inrichtingen.
HOOFDSTUK 4. GEBRUIK VAN FREQUENTIERUIMTE ZONDER DAT DAARVOOR EEN
VERGUNNING IS VEREIST
Artikel 18
Bij ministeriële regeling kunnen ter zake van het gebruik van
frequentieruimte waarvoor geen vergunning is vereist, regels worden
gesteld inzake:
a. de doelmatigheid van het gebruik;
b. de aard van de radiozendapparaten en de daarbij behorende
antenne-inrichtingen alsmede het vermogen waarmee mag worden
uitgezonden;
c. het door de gebruiker beschikbaar houden van bescheiden;
d. het veroorzaken van belemmeringen in radiozend- of
ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen
door het gewenste signaal van een radiozendapparaat;
e. de naleving van verdragen of besluiten van een
volkenrechtelijke organisatie aangaande het gebruik van
frequentieruimte.
Artikel 19
De aanwijzing van categorieën radiozendapparaten, bedoeld in artikel
3.4, eerste lid, onder a, van de wet, kan uitsluitend geschieden voor
zover het radiozendapparaten betreft, die geen of vrijwel geen storing
of belemmering veroorzaken in elektrische of elektronische apparaten,
die geen radiozendapparaten zijn.
Artikel 20
1.Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld waaraan
een natuurlijke persoon moet voldoen voor het gebruik van de
frequentieruimte, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder
c, van de wet. Deze eisen kunnen slechts inhouden dat:
a. de gebruiker een bepaalde leeftijd heeft bereikt;
b. de gebruiker met goed gevolg een voor het gebruik van de
gevraagde frequentieruimte, in samenhang met het doel waarvoor die
frequentieruimte wordt gebruikt, vereist examen heeft afgelegd, of
c. de gebruiker in het bezit is van een certificaat van
bediening.
2.Artikel 11, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het
gebruik door rechtspersonen van frequentieruimte, bedoeld in artikel
3.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet.
4.Voor de toepassing van dit artikel wordt een personenvennootschap
gelijk gesteld met een rechtspersoon.
Artikel 20a
1.Degene die voornemens is frequentieruimte als bedoeld in artikel
3.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet, te gebruiken, doet
hiervan melding aan Onze Minister.
2.Onze Minister registreert het in de melding bedoelde
frequentiegebruik tenzij niet wordt voldaan aan bij ministeriële
regeling te stellen regels.
3.De frequentieruimte, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef
en onder c, van de wet, wordt slechts gebruikt indien het gebruik is
geregistreerd overeenkomstig het tweede lid.
4.Met het oog op de identificatie van het radiozendapparaat kent
Onze Minister in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen aan
degene die de melding heeft gedaan een combinatie van letters of
cijfers toe.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
ter zake van de melding, de registratie en de toekenning van de
combinatie van letters of cijfers.
Hoofdstuk 4a
Antenneregister
Artikel 20b
1. In het antenneregister worden gegevens opgenomen van:
a) antennes die zijn geplaatst op een vaste locatie met het
doel met een zendvermogen van meer dan 10 dB watt Effective
Radiated Power (ERP) uit te gaan zenden;
b) antennes die zijn geplaatst op een vaste locatie en die tot
een netwerk behoren, indien meer dan de helft van het aantal
antennes van het netwerk een zendvermogen van meer dan 10 dB watt
ERP heeft.
c) antennes van radiozendamateurs die zijn geregistreerd als
gebruiker van frequentieruimte.
2. Van het eerste lid zijn uitgezonderd de gegevens van antennes in
gebruik bij overheidsorganen die een taak uitoefenen op het terrein
van politie, justitie of veiligheid.
Artikel 20c
1. In het antenneregister worden voor de antennes, bedoeld in
artikel 20b, eerste lid, onder a en b de volgende gegevens opgenomen:
a) de toepassing van de antenne;
b) de hoogte gemeten vanaf het maaiveld tot het geometrische
midden van de antenne;
c) de frequentie van de gebruikte toepassing;
d) de hoofdstraalrichting van de antenne;
e) het zendvermogen van de antenne in de hoofdstraalrichting
aangeduid in dB watt ERP;
f) de datum van ingebruikname van de antenne en
g) de locatie van de antenne-installatie, met een
nauwkeurigheid van 15 meter, aangeduid met toepassing van het
World Geodetic System 1984.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aan Onze Minister
verstrekt door de diegene die de frequentie gebruikt of wil gebruiken.
Artikel 20d
1. In het antenneregister worden voor de antennes, bedoeld in
artikel 20b, eerste lid, onder c, de volgende gegevens opgenomen:
a. de locatie van de antenne-installatie, met een
nauwkeurigheid van 15 meter, aangeduid met toepassing van het
World Geodetic System 1984 en
b. het type registratie
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden aan Onze Minister
verstrekt door de radiozendamateur die zich voor het gebruik van
frequentieruimte heeft geregistreerd.
3. Onze Minister kan gegevens die door radiozendamateurs worden
verstrekt in het kader van de registratie opnemen in het
antenneregister.
Artikel 20e
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot:
a) de inrichting van het antenneregister,
b) het tijdstip waarop de gegevens worden aangeleverd,
c) de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens aangeleverd
worden en
d) de wijze waarop van de gegevens kennis wordt genomen.
HOOFDSTUK 5. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 21
1. In dit artikel wordt verstaan onder de inwerkingtredingsdatum:
de datum waarop het Besluit van 8 maart 2005, houdende enkele
technische wijzigingen van het Frequentiebesluit en het Besluit
beveiliging gegevens aftappen telecommunicatie, alsmede een wijziging
van het Besluit medegebruik omroepzendernetwerken teneinde het regime
van medegebruik uit te breiden tot aanbieders van antenne-opstelpunten
die bestemd zijn voor omroep in werking treedt.
2. Dit besluit, zoals dat luidde voor de inwerkingtredingsdatum,
blijft, met uitzondering vanartikel 19, van toepassing op:
a. vergunningen die zijn verleend voor de
inwerkingtredingsdatum;
b. veiling- of vergelijkende toetsprocedures die zijn
aangevangen voor de inwerkingtredingsdatum, en
c. vergunningen die op of na de inwerkingtredingsdatum zijn
verleend door middel van een veiling- of vergelijkende
toetsprocedure die is aangevangen voor de inwerkingtredingsdatum.
3. Artikel 17 is van toepassing op de in het eerste lid bedoelde
vergunningen.
4. Artikel 9 zoals dat luidde voor 25 februari 2011, blijft van
toepassing op aanvragen om verlenging die zijn ingediend voor het
tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit.
Artikel 22 [Vervallen per 23-03-2005]
Artikel 23
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 24
Dit besluit wordt aangehaald als: Frequentiebesluit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 november 1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.M. de Vries
Uitgegeven de negentiende november 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|
|