BESLUIT van 24 april 1986 ter uitvoering van de
artikelen 1, 15, 17, 18, 21, 37 en 45, tweede lid, van de TNO-wet
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 24
februari 1986, nr. 7208/7158, centrale directie Wetgeving en Juridische
Zaken;
Gelet op de artikelen 1, 15, derde lid, 17,
eerste lid, 18, tweede lid, 21, eerste en derde lid, 37 en 45, tweede
lid, van de TNO-wet (Stb. 1985, 762);
De Raad van State gehoord (advies van 16 april
1986, nr. W05.86.0103);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs en Wetenschappen, van 23 april 1986, nr. 7504/7158, centrale
directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Dit besluit verstaat onder:
de wet: de TNO-wet (Stb. 1985, 762);
hoofdgroep: een hoofdgroep als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van
de wet;
programma-adviesraad: een programma-adviesraad als bedoeld in artikel
15, derde lid, van de wet ;
middellange termijnplan: plan voor een periode van vier jaar voor de
werkzaamheden van de Organisatie, onderscheidenlijk de hoofdgroep,
waarin opgenomen het werkprogramma voor het eerstvolgende jaar;
basissubsidie: geldmiddelen, die Onze Minister onder nader te stellen
voorschriften ter beschikking stelt als bijdrage in de exploitatie- en
investeringskosten;
doelsubsidies: geldmiddelen, die Onze Ministers van Defensie, van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en
Waterstaat, van Economische Zaken, van Landbouw en Visserij, van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ter
beschikking stellen als vergoeding voor de exploitatie- en
investeringskosten van door hen aangewezen activiteiten, waaronder
begrepen de financiering door Onze Minister van Defensie van de
hoofdgroep voor defensie-onderzoek.
Hoofdstuk 2. Inrichting organisatie
Artikel 2. Hoofdgroepen
1. Alvorens een besluit te nemen tot instelling of opheffing
van een hoofdgroep of een besluit waarbij het werkgebied van de
hoofdgroep belangrijk wordt veranderd, hoort de raad van bestuur de
betrokken programma-adviesraad en instituutsdirecties. De
ondernemingsraad van de Organisatie wordt in de gelegenheid gesteld
advies uit te brengen over het voorgenomen besluit.
2. Een hoofdgroep wordt geleid door een hoofddirectie, welke
wordt benoemd en ontslagen door de raad van bestuur, gehoord de
betrokken programma-adviesraad en na verkregen goedkeuring van de raad
van toezicht dan wel de raad voor het defensie-onderzoek, voor zover het
betreft de hoofdgroep voor defensie-onderzoek. Een hoofddirectie bestaat
uit een hoofddirecteur en, zonodig, een of meer andere leden.
3. Een hoofddirectie bereidt jaarlijks een ontwerp-middellange
termijnplan van de hoofdgroep voor, alsmede de exploitatie- en
investeringsbegroting van de hoofdgroep voor het eerstvolgende
kalenderjaar.
4. Een hoofddirectie legt rekening en verantwoording af en
verstrekt de gevraagde inlichtingen aan de raad van bestuur, dan wel,
voor zover het betreft de hoofdgroep voor defensie-onderzoek, ten
aanzien van de aan de raad voor het defensie-onderzoek toekomende
bevoegdheden, aan deze raad.
5. De taken en bevoegdheden van een hoofddirectie worden geregeld
in het reglement, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet.
Artikel 3. Programma-adviesraden
1. De samenstelling en de werkwijze van elke
programma-adviesraad wordt geregeld in het reglement bedoeld in
artikel 15, eerste lid, van de wet.
2. Een programma-adviesraad dient de hoofddirectie van de
desbetreffende hoofdgroep en de raad van bestuur desgevraagd of eigener
beweging van advies ten aanzien van het ontwerp-middellange termijnplan
van de hoofdgroep.
3. Elk advies van een programma-adviesraad aan de raad van
bestuur, met uitzondering van de adviezen van de programma-adviesraad
van de hoofdgroep voor defensie-onderzoek, wordt door de raad van
bestuur ter kennis gebracht van de raad van toezicht.
4. Indien de hoofddirectie of de raad van bestuur afwijkt van een
door een programma-adviesraad uitgebracht advies, doet deze hiervan met
redenen omkleed mededeling aan die programma-adviesraad.
Artikel 4. Instituten
1. De raad van bestuur heeft, met inachtneming van het bepaalde
in het tweede lid, de bevoegdheid instituten in te stellen of op te
heffen.
2. De raad voor het defensie-onderzoek heeft de bevoegdheid
instituten in te stellen of op te heffen, voor zover deze behoren tot de
hoofdgroep voor defensie-onderzoek. De raad voor het defensie-onderzoek
kan een dergelijk besluit slechts nemen in overeenstemming met de raad
van bestuur.
3. Alvorens een besluit tot instelling of opheffing van een
instituut te nemen hoort de raad van bestuur de betrokken
programma-adviesraad, hoofdgroepdirectie(s) en instituutsdirectie(s). De
ondernemingsraad van de Organisatie wordt in de gelegenheid gesteld
advies uit te brengen over het voorgenomen besluit.
4. Een instituut wordt geleid door een directie die wordt benoemd
en ontslagen door de raad van bestuur, gehoord de desbetreffende
hoofddirectie. Indien een instituut behoort tot de hoofdgroep voor
defensie-onderzoek, behoeven dergelijke benoemingen en ontslagen de
goedkeuring van de raad voor het defensie-onderzoek. Een
instituutsdirectie bestaat uit een directeur en, zonodig, uit één of
meer onderdirecteuren.
5. Een instituutsdirectie legt rekening en verantwoording af aan
de hoofddirectie van de hoofdgroep en verstrekt deze alsmede de raad van
bestuur, dan wel, voor zover het betreft de hoofdgroep voor
defensie-onderzoek, ten aanzien van de in dit besluit aan hem toekomende
bevoegdheden de raad voor het defensie-onderzoek, de gevraagde
inlichtingen.
6. De taken en bevoegdheden van een instituutsdirectie worden
geregeld in het reglement, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
wet.
7. De raad van bestuur heeft, behoudens voor zover het betreft de
hoofdgroep voor defensie-onderzoek, de bevoegdheid om, na overleg met de
betrokken hoofddirectie, per één of meer instituten adviesraden in te
stellen en bij reglement de samenstelling, taken en bevoegdheden van
elke adviesraad vast te stellen. Voor zover het betreft de hoofdgroep
voor het defensie-onderzoek, oefent de raad voor het defensie-onderzoek
deze bevoegdheden, in overeenstemming met de raad van bestuur, uit.
Hoofdstuk 3. Defensie-onderzoek
Artikel 5. Samenstelling Raad voor het defensie-onderzoek
1. Als voorzitter van de raad voor het defensie-onderzoek
treedt op het op voordracht van Onze Minister van Defensie benoemde
lid van de raad van bestuur van de Organisatie.
2. Tot leden van de raad voor het defensie-onderzoek worden
voorts benoemd:
a. de directeur wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling van het
directoraat-generaal materieel van het Ministerie van Defensie, als
vertegenwoordiger van Onze Minister van Defensie;
b. drie functionarissen afkomstig uit onderscheidenlijk de
Koninklijke Marine, de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke
Luchtmacht;
c. de directeur militair-geneeskundige diensten;
d. een door onze Minister aangewezen vertegenwoordiger;
e. drie deskundigen uit de wetenschappelijke wereld;
f. ten hoogste drie andere leden.
3. De in het tweede lid, onder e en f, genoemde
leden van de raad voor het defensie-onderzoek worden benoemd voor een
tijdvak van vijf jaren, behoudens bij koninklijk besluit tussentijds
verleend ontslag en zijn éénmaal voor een tijdvak van vijf jaren
herbenoembaar. Hun wordt ontslag verleend met ingang van de eerste dag
van de maand, waarin zij de leeftijd van zeventig jaren bereiken. De
overige leden worden benoemd voor onbepaalde tijd.
Artikel 6. Taken Raad voor het defensie-onderzoek
1. De taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 18, tweede lid,
van de wet, van de raad voor het defensie-onderzoek zijn:
a. het jaarlijks vaststellen van het middellange termijnplan,
waarin opgenomen het werkprogramma voor het eerstvolgende
kalenderjaar, alsmede van het investeringsplan voor de eerstvolgende
vier jaren;
b. het jaarlijks vaststellen van de exploitatie- en
investeringsbegroting voor het eerstvolgende kalenderjaar;
c. het toezicht houden op de aanwending van de gelden bestemd voor
het aan de Organisatie opgedragen defensie-onderzoek;
d. het vaststellen van de organisatiestructuur en de
personeelsformatie;
e. het benoemen van de leden van de programma-adviesraad;
f. het vaststellen van regels voor het intern en extern
functioneren van de hoofdgroep, voor zover deze regels verband houden
met het bijzondere karakter van het defensie-onderzoek.
2. Het in de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste, tweede en vierde
lid, en 4, derde lid, bepaalde is, voor zover het de hoofdgroep voor
defensie-onderzoek en haar instituten betreft, op de raad voor het
defensie-onderzoek, met uitsluiting van de raad van bestuur en de raad
van toezicht, van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 4. Geldmiddelen
Artikel 7. Subsidie
1. Aan de Organisatie worden jaarlijks van rijkswege verstrekt
een basissubsidie en doelsubsidies, voor zover de middelen daarvoor
door de wetgever beschikbaar zijn gesteld.
2. De raad van bestuur dient hiertoe jaarlijks vóór 1 april bij
Onze Minister een met redenen omkleed subsidievoorstel voor het
eerstvolgende kalenderjaar in. Bij het voorstel wordt overgelegd een
ontwerp-middellange termijnplan van de Organisatie en van elke
hoofdgroep, een ontwerp-investeringsplan van de Organisatie voor de
eerstvolgende vier jaren, alsmede een ontwerp-exploitatie- en
-investeringsbegroting van de Organisatie en van elke hoofdgroep voor
het eerstvolgende kalenderjaar. Het subsidievoorstel en de daarbij te
voegen bescheiden behoeven de voorafgaande goedkeuring van de raad van
toezicht. De onderdelen van het voorstel en de daarbij te voegen
bescheiden die de hoofdgroep voor defensie-onderzoek betreffen worden
vastgesteld door de raad voor het defensie-onderzoek en behoeven, voor
wat betreft de bijgevoegde bescheiden, de goedkeuring van Onze Minister
van Defensie.
3. Jaarlijks vóór 1 november wordt bij subsidiebrief, bedoeld
in artikel 21, tweede lid, van de wet, bekendgemaakt:
a. de voor het eerstvolgende kalenderjaar ten laste van de
rijksbegroting voorlopig vastgestelde bedragen voor:
- het basissubsidie;
- de doelsubsidies en de verdeling daarvan over de daarvoor in
aanmerking komende hoofdstukken van de rijksbegroting;
b. de voorwaarden aangaande de bestemming van de onder a
genoemde subsidies.
c. de beslissing van Onze Minister van Defensie omtrent de ter
goedkeuring voorgelegde bescheiden, als bedoeld in het tweede lid;
De raad van bestuur zendt terstond na ontvangst van de subsidiebrief
afschrift daarvan aan de raad voor het defensie-onderzoek.
Artikel 8. Plannen en begrotingen
Met inachtneming van de subsidiebrief en het bepaalde in artikel 6,
stelt de raad van bestuur, na verkregen goedkeuring van de raad van
toezicht, jaarlijks vóór 31 december vast:
a. het middellange termijnplan van de Organisatie met daarin de
voor de uitvoering daarvan te vervullen financiële, personele,
materiële en organisatorische voorwaarden, het investeringsplan
voor de eerstvolgende vier jaren, alsmede een exploitatie- en
investeringsbegroting voor het eerstvolgende kalenderjaar;
b. de middellange termijnplannen van de hoofdgroepen, alsmede de
exploitatie- en investeringsbegrotingen van de hoofdgroepen voor het
eerstvolgende kalenderjaar.
Artikel 9. Definitieve vaststelling
Na afloop van elk kalenderjaar stelt Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, de bedragen
bedoeld in artikel 7, derde lid onderdeel a , definitief vast en
zendt hiervan bericht aan de raad van bestuur vóór 1 april van het
daaropvolgende kalenderjaar.
Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 10. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als: TNO-besluit 1986.
Artikel 11. Inwerkingtreding
De TNO-wet en dit besluit treden in werking op 1 mei 1986.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 24 april 1986
BEATRIX
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
Uitgegeven de negenentwintigste april 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes