Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
§ 1. Definities en reikwijdte
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Paspoortwet;
b. aanvraag, weigering, verstrekking,
uitreiking, houder, wijziging, inhouding, vervallen of
vervallenverklaring en vermissing: hetgeen ingevolge artikel 1, eerste
lid, van de wet daaronder wordt verstaan;
c. aanvrager: degene die een aanvraag als
bedoeld in artikel 1, onder a, van de wet indient of op wie een
dergelijke aanvraag betrekking heeft;
d. register paspoortsignaleringen: het register,
bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet;
e. signalerende autoriteit: de autoriteit,
bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24 van de wet, die op grond van
artikel 25 van de wet een verzoek tot weigering of vervallenverklaring
heeft ingediend;
f. basisadministratie: de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens als bedoeld in artikel 2 van de
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel een
basisadministratie als bedoeld in artikel 2 van de Wet
basisadministraties persoonsgegevens BES;
g. basisregister reisdocumenten: het register,
bedoeld in artikel 4a van de wet;
h. aanvraagsysteem reisdocumenten: het geheel
van apparatuur, programmatuur, opslagmedia en overige materialen,
waarvan door de bevoegde autoriteit gebruik wordt gemaakt bij de
aanvraag, verstrekking, uitreiking en registratie van reisdocumenten;
i. reisdocumentenstation: de door de leverancier
beschikbaar gestelde apparatuur en programmatuur, waarin gegevens met
betrekking tot aangevraagde en uitgereikte reisdocumenten worden
verwerkt en gearchiveerd en waarmee de gegevensuitwisseling tussen de
bevoegde autoriteit en de leverancier plaatsvindt
(reisdocumentenaanvraag- en archiefstation);
j. reisdocumentenadministratie: de in het
reisdocumentenstation en op andere wijze bij de bevoegde autoriteit
opgeslagen gegevens met betrekking tot aangevraagde en uitgereikte
reisdocumenten;
k. reisdocumentenmodule: de apparatuur en
programmatuur, waarmee de bevoegde autoriteit bij de aanvraag en
uitreiking gegevens uitwisselt met het reisdocumentenstation en de
basisadministratie;
l. standaardclausule: een clausule, waarvan de
tekst in bijlage A van deze regeling is opgenomen en die door de
leverancier dan wel de bevoegde autoriteit in het reisdocument wordt
aangebracht;
m. standaardformulier: een voorbedrukt
formulier, opgenomen in bijlage B van deze regeling;
n. modelformulier: een model voor een formulier,
opgenomen in bijlage C van deze regeling;
o. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire,
Sint Eustatius of Saba;
p. aanvraagnummer: het nummer dat voorgedrukt is
op het foto- en handtekeningformulier;
q. administratienummer: het administratienummer,
bedoeld in artikel 50 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens, dan wel in de artikelen 10 en 11 van de Wet
basisadministraties persoonsgegevens BES;
r. burgerservicenummer : het nummer, bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer;
s. bijschrijving: bijschrijving van kinderen als
bedoeld in artikel 17 van de wet;
t. bijschrijvingssticker: sticker waarop de
gegevens van een bij te schrijven kind zijn vermeld;
u. spoedopdracht: de opdracht aan de leverancier
om versneld over te gaan tot vervaardiging en levering van een
reisdocument dan wel een bijschrijvingssticker, bedoeld in artikel 37;
v. agentschap BPR: het agentschap
Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het
ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
w. identificatiekaart: een document als bedoeld
in artikel 80, waarmee op elektronische wijze toegang kan worden
verkregen tot het reisdocumentenstation en de daarin opgeslagen
programmatuur en gegevens;
x. leverancier: een bedrijf dat in opdracht van
het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast is
met het verrichten van een of meerdere diensten die verband houden met
de verstrekking van reisdocumenten;.
y. distributeur: het bedrijf dat zorg draagt
voor de distributie van reisdocumenten, bijschrijvingsstickers,
identificatiekaarten en overige materialen die door de leverancier
worden geleverd;
z. bestelkantoor: het plaatselijke kantoor van
de distributeur;
aa. besteller: een werknemer in dienst bij de
distributeur, die belast is met de feitelijke aflevering van de
documenten en overige materialen;
bb. uitgiftelocatie: de locatie bij een bevoegde
autoriteit waar de aanvragen aan de leverancier worden verzonden en de
documenten en overige materialen door de distributeur worden
afgeleverd;
cc. transporteur: het bedrijf dat, in
voorkomende gevallen met inschakeling van tussenpersonen, zorg draagt
voor de distributie van reisdocumenten, bijschrijvingsstickers,
identificatiekaarten en overige materialen tussen het ministerie van
Buitenlandse Zaken en de bevoegde autoriteiten in de openbare
lichamen;
dd. verblijfsdocument: een document waaruit het
verblijfsrecht van de vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000
of de Wet toelating en uitzetting BES blijkt;
ee. aanvraagstation:de door de minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen apparatuur en
programmatuur voor het ondersteunen van het aanvraag- en
uitgifteproces van reisdocumenten;
ff. foto- en handtekeningformulier:het in
bijlage B van deze regeling opgenomen standaardformulier B8 dat
bestemd is voor het in de aanvraag opnemen van de foto en
handtekening, bedoeld in artikel 38, eerste en tweede lid;
gg. aanvraagstationlocatie:de locatie
waar de bevoegde autoriteit met inachtneming van artikel 91 één of
meerdere aanvraagstations heeft geplaatst;
hh. mobiel vingerafdrukopname-apparaat:de door
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangewezen
apparatuur en bijbehorende programmatuur voor het opnemen van
vingerafdrukken indien de aanvrager op grond van artikel 28, derde
lid, van de wet niet in persoon verschijnt.
2. Deze regeling
is van toepassing op de verstrekking van reisdocumenten door de
burgemeesters en de gezaghebbers.
§ 2. Andere reisdocumenten van het
Koninkrijk der Nederlanden
Artikel 2
Andere reisdocumenten van het Koninkrijk der
Nederlanden ingevolge artikel 2, eerste lid, onder g, van de wet zijn:
a. faciliteitenpaspoort;
b. tweede paspoort.
§ 3. Modellen van de reisdocumenten
Artikel 3
1. Met
betrekking tot de in artikel 2, eerste lid, onder a tot en met e,
van de wet bedoelde reisdocumenten bestaan de navolgende modellen:
a. nationaal paspoort: model nationaal
paspoort met 34 bladzijden, dan wel met 66 bladzijden
(zakenpaspoort);
b. diplomatiek paspoort: model diplomatiek
paspoort;
c. dienstpaspoort: model dienstpaspoort en
model nationaal paspoort voorzien van standaardclausule IX;
d. reisdocument voor vluchtelingen: model
reisdocument voor vluchtelingen;
e. reisdocument voor vreemdelingen: model
reisdocument voor vreemdelingen.
2. Met betrekking
tot het in artikel 2, eerste lid, onder f, van de wet bedoelde
nooddocument bestaan de navolgende modellen:
a. noodpaspoort: model noodpaspoort;
b. laissez-passer: model laissez-passer.
3. Met betrekking
tot de ingevolge artikel 2, eerste lid, onder g, van de wet
vastgestelde reisdocumenten bestaan de navolgende modellen:
a. faciliteitenpaspoort: model nationaal
paspoort met 34 bladzijden, dan wel met 66 bladzijden
(zakenpaspoort), voorzien van standaardclausule VI;
b. tweede paspoort: model nationaal paspoort
met 34 bladzijden, dan wel met 66 bladzijden (zakenpaspoort),
voorzien van standaardclausule VII.
4. Met betrekking
tot de ingevolge artikel 2, tweede lid, van de wet genoemde
Nederlandse identiteitskaart bestaat het navolgende model: model
Nederlandse identiteitskaart.
5. In de modellen,
genoemd in het eerste, derde en vierde lid, is een machineleesbare
strook en een chip opgenomen.
6. In het model,
genoemd in het tweede lid, onder a, is een machineleesbare strook
opgenomen.
Artikel 3a. Documenten zonder vingerafdrukken
Een nooddocument als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onder f, van de wet wordt niet voorzien van
vingerafdrukken van de houder.
§ 4. Register paspoortsignaleringen
Artikel 4. Vestigingsplaats van het register
Het register paspoortsignaleringen is
ondergebracht bij het agentschap BPR.
Artikel 5. Administratie van kennisgevingen uit
het register
1. De tot
verstrekking dan wel inhouding bevoegde autoriteiten dragen er zorg
voor dat de administratie, bedoeld in artikel 25, vierde en vijfde
lid, van de wet, te allen tijde de naam, voornamen, geboortedatum en
geboorteplaats bevat van de personen ten aanzien van wie zij op
grond van de wet bevoegd zijn tot verstrekking dan wel inhouding.
2. De in het
eerste lid bedoelde administratie is op naam toegankelijk en kan
desgewenst worden gevoerd door het bewaren en raadplegen van de
regelmatig toegezonden signaleringslijst en de tussentijdse
aanvullingen daarop.
§ 5. Aangewezen autoriteiten
Artikel 6. Burgemeester en gezaghebber
1. De
burgemeester of de gezaghebber neemt ten behoeve van personen die
als ingezetene in de basisadministratie van zijn gemeente,
onderscheidenlijk openbaar lichaam zijn ingeschreven naast de in de
wet genoemde gevallen tevens de aanvragen in ontvangst voor en gaat
over tot verstrekking van:
a. faciliteitenpaspoorten;
b. tweede paspoorten.
2. De gezaghebber
neemt ten behoeve van een persoon die in aanmerking komt voor een
reisdocument als bedoeld in de artikelen 9, 11, 12, 13, 14 of 15,
tweede lid, van de wet, maar op het moment van vertrek uit het
openbaar lichaam niet in het bezit is van een geldig nationaal
paspoort, reisdocument voor vluchtelingen of reisdocument voor
vreemdelingen, met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk XIVa,
een aanvraag in ontvangst voor en gaat over tot de verstrekking van:
a. een noodpaspoort, indien de aanvrager
Nederlander is;
b. een laissez-passer, indien verstrekking van
een noodpaspoort met gebruikmaking van het reisdocumentenstation
niet mogelijk is of de aanvrager vreemdeling is.
Artikel 7. De burgemeesters van Den Haag,
Enschede, Maastricht, Echt-Susteren en Oldambt
De burgemeesters van Den Haag, Enschede,
Maastricht, Echt-Susteren en Oldambt verrichten de handelingen
ingevolge de wet en artikel 6 tevens ten behoeve van personen die niet
als ingezetene in de basisadministratie van een gemeente zijn
ingeschreven.
Artikel 8. Verwijzing
De burgemeester of de gezaghebber die niet
bevoegd is tot het in ontvangst nemen van de aanvraag verwijst de
betrokken persoon terstond naar de burgemeester of de gezaghebber die
ingevolge de wet en de artikelen 6 en 7 van deze regeling daartoe wel
bevoegd is.
Hoofdstuk II. Vaststelling aanspraken op
reisdocumenten en geldigheid
§ 1. Nationale paspoorten en
Nederlandse identiteitskaarten
Artikel 9. Vaststelling van het Nederlanderschap
1. Voor
het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van
de aanvrager die als ingezetene in een basisadministratie is
ingeschreven, wordt gebruik gemaakt van de daarin opgenomen
gegevens.
2. Indien
onzekerheid bestaat over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt
daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel
mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de
aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een
bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere
bewijsstukken.
Artikel 10. Geldigheid
1. Het nationaal
paspoort is geldig voor vijf jaren en voor alle landen.
2. De Nederlandse
identiteitskaart is geldig voor vijf jaren en voor de landen die
behoren tot de Europese Unie, alsmede voor Andorra, Liechtenstein,
Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland.
3. Indien
als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen
vingerafdrukken in het document worden opgenomen, bedraagt in
afwijking van het eerste en tweede lid, de geldigheidsduur van het
betreffende reisdocument één jaar.
§ 2. Reisdocumenten voor vluchtelingen
en reisdocumenten voor vreemdelingen
Artikel 11. Vaststelling aanspraken op
reisdocumenten als bedoeld in artikel 11 en 13 van de wet
1. De
vaststelling van het recht op een reisdocument voor vluchtelingen
als bedoeld in artikel 11 van de wet geschiedt op grond van de
gegevens die over het verblijfsrecht en de nationaliteit van de
aanvrager in de basisadministratie zijn opgenomen, alsmede aan de
hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument waaruit
diens nationaliteit blijkt, en:
a. waaruit diens verblijfsrecht ingevolge
artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000 blijkt, of
b. waaruit diens verblijfsrecht ingevolge
artikel 12a van de Wet toelating en uitzetting BES blijkt.
2. De vaststelling
van het recht op een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in
artikel 13 van de wet geschiedt op grond van de gegevens die over het
verblijfsrecht en de staatloosheid van de aanvrager in de
basisadministratie zijn opgenomen, alsmede aan de hand van het door de
aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit het gegeven van diens
staatloosheid blijkt, en:
a. waaruit diens verblijfsrecht ingevolge
artikel 14 of 20 van de Vreemdelingenwet 2000 blijkt, of
b. waaruit diens toelating als staatloze in de
openbare lichamen blijkt.
3. Indien de in de
basisadministratie opgenomen gegevens als bedoeld in het eerste en
tweede lid afwijken van de gegevens die zijn vermeld in het door de
aanvrager overgelegde verblijfsdocument dan wel anderszins onzekerheid
bestaat over deze gegevens, wordt daarnaar een gericht onderzoek
ingesteld waarbij de gegevens die over het verblijfsrecht en de
nationaliteit dan wel staatloosheid van de aanvrager in de
vreemdelingenadministratie zijn opgenomen, mede worden betrokken.
Artikel 12. Vaststelling aanspraken op
reisdocumenten als bedoeld in artikel 12, 14 en 15, tweede lid, van de
wet
1. Behoudens het
bepaalde in artikel 15a, wordt gebruik gemaakt van modelformulier C1
bij de vaststelling van de aanspraak op verstrekking:
a. van een reisdocument als bedoeld in artikel
14 of 15, tweede lid, van de wet door de burgemeester, of
b. van een reisdocument als bedoeld in artikel
12, 14 of 15, tweede lid, van de wet door de gezaghebber.
2. In het
formulier worden naast de geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum en
geboorteplaats van de aanvrager de navolgende gegevens vermeld:
I. met betrekking tot de nationaliteit:
a. welke nationaliteit de aanvrager bezit,
dan wel
b. door welke oorzaak de aanvrager staatloos
of van onbekende nationaliteit is, dan wel
c. op grond van welke wettelijke regeling of
administratieve beslissing de aanvrager zijn nationaliteit heeft
verloren;
II. met betrekking tot de (gewezen)
echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner:
de geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats,
nationaliteit en burgerlijke staat van de echtgenoot, echtgenote of
geregistreerd partner, dan wel laatste gewezen echtgenoot,
echtgenote of geregistreerd partner, alsmede het bezit van een
verblijfsdocument met vermelding van het verblijfsrecht, het
documentnummer en de geldigheidsduur van het document indien de
betrokkene niet het Nederlanderschap bezit;
III. met betrekking tot de binnenkomst in het
Europese dan wel Caribische deel van Nederland:
a. de datum van binnenkomst van de
aanvrager;
b. het land van waar de aanvrager voor
binnenkomst laatstelijk was vertrokken of het deel van Nederland
indien de aanvrager voor binnenkomst laatstelijk was vertrokken
uit het Europese dan wel Caribische deel van Nederland;
c. de gemeente dan wel het openbaar lichaam
waar de aanvrager bij binnenkomst voor het eerst als ingezetene in
de basisadministratie is ingeschreven;
d. het documentnummer, de geldigheidsduur,
alsmede de datum en autoriteit van verstrekking van het
reisdocument waarover de aanvrager bij binnenkomst beschikte;
IV. met betrekking tot het rechtmatig verblijf
van de aanvrager in Nederland:
a. de in de basisadministratie opgenomen
gegevens over het verblijfsrecht van de aanvrager;
b. het door de aanvrager ter inzage
overgelegde verblijfsdocument met vermelding van het
verblijfsrecht, het documentnummer en de geldigheidsduur van het
document, dan wel de reden waarom geen geldig verblijfsdocument
ter inzage kan worden overgelegd;
V. met betrekking tot de redenen om aanspraak
te kunnen maken op een reisdocument:
a. de reden waarom de aanvrager geen
reisdocument van een ander land kan verkrijgen, dan wel
b. de reden waarom van de aanvrager niet kan
worden gevergd, dat hij een reisdocument van een ander land
aanvraagt, dan wel
c. indien de aanvrager een verzoek om
naturalisatie tot Nederlander heeft ingediend, op welke datum dit
is geschied, in welk stadium de procedure zich bevindt en wat het
daarop betrekking hebbende behandelingsnummer van het ministerie
van Justitie is, dan wel
d. indien de aanvrager van een reisdocument
als bedoeld in artikel 12 of 15, tweede lid, van de wet niet in
het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of
voor onbepaalde tijd, met welk doel hij zich wenst te begeven
buiten het Europese dan wel het Caribische deel van Nederland.
3. De daartoe
aangewezen ambtenaar voorziet het formulier op de bestemde plaats van
zijn handtekening.
4. De burgemeester
of de gezaghebber verwijst een persoon die een aanvraag voor de
verstrekking van een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in
artikel 15, tweede lid, van de wet wil indienen naar de Minister van
Buitenlandse Zaken, indien de betrokken persoon zich naar een land
wenst te begeven waar hij met een laissez-passer toegang en verblijf
kan verkrijgen.
Artikel 13. Opmerkingen van de Minister van
Justitie
1. Het formulier
en de eventuele overgelegde bewijsstukken worden doorgezonden aan de
Minister van Justitie in wiens vreemdelingenadministratie de
aanvrager ten tijde van de aanvraag is opgenomen.
2. Bij het
formulier worden afschriften van de in het bezit van de aanvrager
zijnde buitenlandse reisdocumenten, dan wel van de buitenlandse
reisdocumenten waarin hij staat bijgeschreven (met alle bestempelde
visumbladzijden) meegezonden.
3. In het
formulier worden de navolgende gegevens die over de aanvrager in de
vreemdelingenadministratie zijn opgenomen, vermeld:
a. geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum,
geboorteplaats en nationaliteit;
b. de datum sedert welke de aanvrager in de
vreemdelingenadministratie is ingeschreven;
c. het verblijfsrecht van de aanvrager met de
datum waarop dit eindigt;
d. het aan de aanvrager verstrekte
verblijfsdocument met vermelding van het documentnummer en de
geldigheidsduur, dan wel de reden waarom de aanvrager niet in
aanmerking komt voor een verblijfsdocument.
4. In het
formulier wordt tevens vermeld of en zo ja, op welke punten de
ingevolge artikel 12 vermelde gegevens afwijken van de gegevens die
omtrent de aanvrager in de vreemdelingenadministratie zijn opgenomen.
5. De daartoe
aangewezen ambtenaar voorziet het formulier op de bestemde plaats van
zijn handtekening.
Artikel 13a. Beslissing inzake de aanspraak op
een reisdocument als bedoeld in artikel 12 van de wet, aangevraagd in
de openbare lichamen
1. De Minister
van Justitie vermeldt in het formulier of tegen het verlenen van een
reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 12 van de wet
op verblijfsrechtelijke gronden bedenkingen bestaan. Indien dit het
geval is, vermeldt de Minister van Justitie in het formulier zijn
bedenkingen.
2. De daartoe
aangewezen ambtenaar voorziet het formulier op de bestemde plaats van
zijn handtekening en zendt het aan de Minister van Buitenlandse Zaken.
3. De Minister van
Buitenlandse Zaken vermeldt in het formulier of en zo ja, welke
bedenkingen hij heeft tegen de verstrekking van het aangevraagde
reisdocument. Het formulier wordt door de daartoe aangewezen ambtenaar
op de bestemde plaats voorzien van zijn handtekening en teruggezonden
aan de gezaghebber waar de aanvraag is ingediend. Het teruggezonden
formulier wordt door de gezaghebber aangemerkt als de in artikel 40,
zesde lid, van de wet vereiste vaststelling door de Minister van
Justitie in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken of
door de aanvrager is voldaan aan de voorwaarden voor een aanspraak op
verstrekking van een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in
artikel 12 van de wet. In dat geval is het in het teruggezonden
formulier neergelegde oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken
doorslaggevend.
Artikel 14. Beslissing inzake de aanspraak op
een reisdocument als bedoeld in artikel 14 van de wet
1. Indien de
Minister van Justitie heeft vastgesteld, dat de aanvrager niet
beschikt over een geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan
wel voor onbepaalde tijd, zendt hij het formulier met deze
mededeling terug aan de burgemeester of de gezaghebber waar de
aanvraag is ingediend. Het teruggezonden formulier wordt door de
burgemeester of de gezaghebber aangemerkt als de in artikel 40,
vijfde en zesde lid, van de wet vereiste vaststelling door de
Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van
Buitenlandse Zaken, inhoudende dat door de aanvrager niet is voldaan
aan de voorwaarden voor een aanspraak op verstrekking van een
reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 14 van de
wet.
2. Indien de
Minister van Justitie heeft vastgesteld, dat de aanvrager beschikt
over een geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel voor
onbepaalde tijd, zendt hij het aanvraagformulier met deze mededeling
aan de Minister van Buitenlandse Zaken, die beslist of aan de
aanvrager die geen reisdocument van een ander land kan verkrijgen dan
wel die kan aantonen dat van hem redelijkerwijs niet kan worden
gevergd dat hij van een ander land een reisdocument aanvraagt, een
reisdocument voor vreemdelingen kan worden verstrekt.
3. De Minister van
Buitenlandse Zaken vermeldt in het formulier zijn beslissing inzake de
verstrekking van het aangevraagde reisdocument. De daartoe aangewezen
ambtenaar voorziet op de bestemde plaats het formulier van zijn
handtekening en zendt het terug aan de burgemeester of de gezaghebber
waar de aanvraag is ingediend.
4. Indien de
Minister van Buitenlandse Zaken geen bedenkingen heeft tegen het
verlenen van het aangevraagde reisdocument, wordt het teruggezonden
formulier door de burgemeester of de gezaghebber aangemerkt als de in
artikel 40, vijfde en zesde lid, van de wet vereiste vaststelling door
de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van
Buitenlandse Zaken, inhoudende dat door de aanvrager is voldaan aan de
voorwaarden voor een aanspraak op verstrekking van een reisdocument
voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 14 van de wet.
5. Indien de
Minister van Buitenlandse Zaken bedenkingen heeft tegen het verlenen
van het aangevraagde reisdocument, legt hij deze bedenkingen vast in
een beschikking die rechtstreeks aan de aanvrager wordt gezonden. Bij
de terugzending van het formulier aan de burgemeester of de
gezaghebber wordt een afschrift van de beschikking meegezonden. Het
teruggezonden formulier wordt door de burgemeester of de gezaghebber
aangemerkt als een mededeling van de Minister van Justitie in
overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken, inhoudende dat
bij beschikking van de Minister van Buitenlandse Zaken is vastgesteld,
dat door de aanvrager niet is voldaan aan de voorwaarden voor een
aanspraak op verstrekking van een reisdocument voor vreemdelingen als
bedoeld in artikel 14 van de wet.
6. De burgemeester
of de gezaghebber aan wie het formulier ingevolge het vijfde lid is
teruggezonden, neemt geen beslissing op de aanvraag gedurende de
periode dat nog een beroepstermijn tegen de beschikking van de
Minister van Buitenlandse Zaken open staat dan wel een daarop
betrekking hebbende beroepsprocedure aanhangig is. Indien door de
aanvrager beroep is aangetekend tegen de beschikking van de Minister
van Buitenlandse Zaken, stelt deze de burgemeester of de gezaghebber
hiervan en van de afloop van deze beroepsprocedure terstond in kennis.
Artikel 15. Beslissing inzake de aanspraak op
een reisdocument als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet
1. De Minister
van Justitie vermeldt in het formulier of tegen het verlenen van een
reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 15, tweede
lid, van de wet op verblijfsrechtelijke gronden bedenkingen bestaan.
Indien dit het geval is, vermeldt de Minister van Justitie in het
formulier als bedenkingen:
a. de aanvrager dient in het bezit te zijn van
een geldig reisdocument voor grensoverschrijding, verstrekt door de
autoriteiten van een ander land, dan wel
b. de verblijfsvergunning van de aanvrager zal
niet meer worden verlengd, dan wel
c. de verblijfsvergunning van de aanvrager is
of wordt ingetrokken, dan wel
d. andere bedenkingen.
2. De daartoe
aangewezen ambtenaar voorziet het formulier op de bestemde plaats van
zijn handtekening en zendt het aan de Minister van Buitenlandse Zaken.
3. De Minister van
Buitenlandse Zaken vermeldt in het formulier of en zo ja, welke
bedenkingen hij heeft tegen de verstrekking van het aangevraagde
reisdocument. Het formulier wordt door de daartoe aangewezen ambtenaar
op de bestemde plaats voorzien van zijn handtekening en teruggezonden
aan de burgemeester of de gezaghebber waar de aanvraag is ingediend.
Het teruggezonden formulier wordt door de burgemeester of de
gezaghebber aangemerkt als de in artikel 40, vijfde en zesde lid, van
de wet vereiste vaststelling door de Minister van Justitie in
overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken of door de
aanvrager is voldaan aan de voorwaarden voor een aanspraak op
verstrekking van een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in
artikel 15, tweede lid, van de wet. In dat geval is het in het
teruggezonden formulier neergelegde oordeel van de Minister van
Buitenlandse Zaken doorslaggevend.
Artikel 15a. Vaststelling aanspraken op een
reisdocument als bedoeld in artikel 14 van de wet voor in Nederland
geboren minderjarige vreemdelingen
1. Met
betrekking tot de aanspraak op verstrekking van een reisdocument van
een in Nederland geboren kind, dat de leeftijd van zestien jaren nog
niet heeft bereikt en van wie ieder van de ouders die gezamenlijk
het gezag uitoefenen dan wel van wie de ouder die alleen het gezag
uitoefent, beschikt over een verblijfsrecht ingevolge artikel 28 of
33 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel ingevolge artikel 12a van
de Wet toelating en uitzetting BES, wordt op voorhand aangenomen dat
ingevolge artikel 40, vijfde en zesde lid, van de wet, door de
Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van
Buitenlandse Zaken is vastgesteld dat aan de voorwaarden als bedoeld
in artikel 14 van de wet is voldaan.
2. De vaststelling
van de aanspraak op verstrekking van het reisdocument dat ingevolge
het eerste lid wordt aangevraagd, geschiedt aan de hand van het door
de aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit diens
verblijfsrecht ingevolge artikel 14 of 20 van de Vreemdelingenwet
2000, dan wel ingevolge de Wet toelating en uitzetting BES, en diens
nationaliteit blijkt, alsmede op grond van de gegevens die over het
verblijfsrecht en de nationaliteit van de aanvrager in de
basisadministratie zijn opgenomen.
3. Artikel 11,
derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16. Geldigheid
1. Een
reisdocument voor vluchtelingen, verstrekt aan een persoon die
beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als
bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000, is geldig voor
vijf jaren en voor alle landen, met uitzondering van het land
waarvan de houder de nationaliteit bezit.
2. Een
reisdocument voor vluchtelingen, verstrekt aan een persoon die
beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel als bedoeld in
artikel 12a van de Wet toelating en uitzetting BES, is geldig:
a. tot de datum waarop de geldigheidsduur van
de verblijfsvergunning eindigt, met een minimale geldigheidsduur van
een jaar en een maximale geldigheidsduur van drie jaren, en
b. voor alle landen, met uitzondering van het
land waarvan de houder de nationaliteit bezit.
3. Een
reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die
beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld
in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel als bedoeld in de
Wet toelating en uitzetting BES, is geldig voor vijf jaren en voor
alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de
nationaliteit bezit.
4. Een
reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die
beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel als bedoeld in de
Wet toelating en uitzetting BES, is geldig:
a. tot de datum waarop de geldigheidsduur van
de verblijfsvergunning eindigt, met een maximale geldigheidsduur van
vijf jaren, en
b. voor alle landen, met uitzondering van het
land waarvan de houder de nationaliteit bezit.
5. Een
reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die op
grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander
wordt behandeld, is geldig voor vijf jaren en voor alle landen.
6. Op een
reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt op grond van artikel 15a,
is het bepaalde in het derde en vierde lid van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat het reisdocument ten hoogste geldig
is tot de datum waarop de houder de leeftijd van zestien jaren
bereikt.
7. Een
reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 15, tweede lid,
van de wet, is geldig:
a. voor het land van bestemming en de landen
waarvan de houder op zijn doorreis de grens passeert, met
uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit;
b. voor de duur van de reis, waarbij rekening
wordt gehouden met de door het land van bestemming en de landen van
doorreis vereiste minimale geldigheid van het reisdocument na
binnenkomst, dan wel na vertrek van de houder, met een maximum van
een jaar.
8. Indien
als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen
vingerafdrukken in het document worden opgenomen, bedraagt in
afwijking van het eerste, tweede, derde en vijfde lid, de
geldigheidsduur van het betreffende reisdocument één jaar en
bedraagt in afwijking van het vierde, zesde en zevende lid, de
geldigheidsduur van het betreffende reisdocument maximaal één jaar.
§ 3. Faciliteitenpaspoorten
Artikel 17. Aanspraken
1. Aan een
staatloze persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van
Molukkers als Nederlander wordt behandeld, wordt op zijn verzoek
binnen de grenzen bij de wet bepaald een faciliteitenpaspoort
verstrekt.
2. Indien
onzekerheid bestaat over de behandeling als Nederlander van de
aanvrager, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit
onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de behandeling als
Nederlander met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten
die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn
geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.
Artikel 18. Geldigheid
1. Een
faciliteitenpaspoort is geldig voor vijf jaren en voor alle landen.
2. Indien
als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen
vingerafdrukken in het document worden opgenomen, bedraagt in
afwijking van het eerste lid, de geldigheidsduur van het betreffende
reisdocument één jaar.
§ 4. Tweede paspoorten
Artikel 19. Aanspraken
1. Ingevolge
artikel 30, eerste lid, van de wet kan een tweede paspoort worden
verstrekt op verzoek van houders van een nationaal paspoort, die
aantonen dat zij voor zakelijke of beroepsmatige redenen:
a. in een reis achtereenvolgens verschillende
landen moeten bezoeken waarbij zij de gerede kans lopen dat hun
toelating tot een land op problemen zal stuiten, omdat uit het
daartoe over te leggen nationaal paspoort blijkt dat zij eerder in
een ander land zijn geweest, dan wel
b. regelmatig dringend moeten reizen op een
tijdstip dat hun nationaal paspoort zich in verband met visering bij
een buitenlandse vertegenwoordiging bevindt.
2. De Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt na overleg met de
Minister van Buitenlandse Zaken een overzicht op van de in het eerste
lid, onder a, bedoelde landen.
3. Bij de aanvraag
dient het oorspronkelijke paspoort en het eventueel eerder uitgereikte
tweede paspoort te worden overgelegd.
4. In afwijking
van het derde lid kan bij de aanvraag worden volstaan met afschriften
van de houderpagina en van alle bestempelde visumbladzijden van het
oorspronkelijke paspoort en het eventueel eerder uitgereikte tweede
paspoort, indien de aanvrager met een door een buitenlandse
vertegenwoordiging verstrekte verklaring of ander schriftelijk bewijs
kan aantonen, dat het over te leggen reisdocument zich op dat moment
in verband met visering bij de desbetreffende buitenlandse
vertegenwoordiging bevindt.
5. Indien bij de
aanvraag blijkt dat de geldigheidsduur van het oorspronkelijke
paspoort binnen zes maanden zal verstrijken, wordt de beslissing op de
aanvraag pas genomen nadat het oorspronkelijke paspoort is vervangen
door een nieuw nationaal paspoort.
Artikel 20. Geldigheid
1. Een tweede
paspoort is geldig voor twee jaren en voor alle landen.
2. Indien
als gevolg van een tijdelijke verhindering bij de aanvrager geen
vingerafdrukken in het document worden opgenomen, bedraagt in
afwijking van het eerste lid, de geldigheidsduur van het betreffende
reisdocument één jaar.
Hoofdstuk III. Aanvraagprocedure
§ 1. Algemeen
Artikel 21. Het opmaken van de aanvraag voor een
reisdocument
1. De
gegevens voor de aanvraag van een reisdocument worden opgenomen met
behulp van de reisdocumentenmodule en het aanvraagstation.
2. In de aanvraag
wordt de in artikel 83 bedoelde locatiecode, behorende bij de
uitgiftelocatie, vermeld.
3. In de aanvraag
wordt aangegeven op welk model reisdocument deze betrekking heeft.
4. In de aanvraag
wordt het aantal gelijktijdig in het reisdocument bij te schrijven
kinderen vermeld.
5. In de aanvraag
wordt het aanvraagnummer vermeld.
Artikel 22. Vaststelling van de identiteit van
de aanvrager
1. Voor het
verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de
aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager
overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de gegevens die
over de aanvrager in de basisadministratie zijn opgenomen.
2. Indien de
aanvrager niet in staat is een eerder uitgereikt Nederlands
reisdocument over te leggen, de in het overgelegde reisdocument
vermelde gegevens afwijken van de gegevens die over de aanvrager in de
basisadministratie zijn opgenomen, dan wel anderszins onvoldoende
zekerheid bestaat over de identiteit van de aanvrager, worden de in de
reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens behorende bij het
eerder aan betrokkene uitgereikte reisdocument, niet zijnde een
nooddocument, geraadpleegd. Tevens worden in dat geval nadere
identificerende vragen gesteld.
3. Berusten de in
het tweede lid bedoelde gegevens bij een andere autoriteit, dan wordt
deze verzocht om kosteloze verstrekking van een afschrift van de
gevraagde gegevens uit de reisdocumentenadministratie. In de aanvraag
wordt vermeld bij welke autoriteit de gegevens zijn opgevraagd.
4. In afwijking
van het tweede en het derde lid kan bij vermissing van een eerder
uitgereikt reisdocument het raadplegen van de gegevens uit de
reisdocumentenadministratie achterwege blijven, indien de identiteit
van de aanvrager met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld aan de
hand van een ander op grond van artikel 30 van de wet aan de aanvrager
uitgereikt geldig reisdocument.
5. De aanvrager
aan wie niet eerder een Nederlands reisdocument is verstrekt, dient
bij zijn aanvraag andere identiteitsdocumenten die voorzien zijn van
zijn foto en handtekening over te leggen. Indien hij dergelijke
documenten niet kan overleggen of ondanks overlegging van deze
documenten twijfel blijft bestaan over zijn identiteit, wordt daarnaar
een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk
verificatie van de identiteit met behulp van door de aanvrager over te
leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit,
waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.
6. In de aanvraag
wordt vermeld dat de identiteit van de aanvrager is vastgesteld en met
welke documenten of andere bewijsstukken de identiteitsvaststelling
heeft plaatsgevonden.
Artikel 23. Persoonsgegevens van de aanvrager
1. In de
aanvraag voor een reisdocument worden de volgende persoonsgegevens
van de aanvrager vermeld:
a. geslachtsnaam en voornamen;
b. geboortedatum en geboorteplaats;
c. adres en woonplaats;
d. geslacht;
e. nationaliteit;
f. lengte.
2. De in het
eerste lid, onder a tot en met e, bedoelde gegevens worden
geverifieerd in de basisadministratie waarin de aanvrager als
ingezetene is ingeschreven.
3. De
geslachtsnaam omvat tevens de voorvoegsels en adellijke titels, de
voornaam omvat tevens de adellijke predikaten. Op verzoek van de
aanvrager kan de vermelding van adellijke titels en predikaten
achterwege blijven.
4. Indien alleen
een naam, voornaam of een roepnaam bekend is, wordt deze als
geslachtsnaam beschouwd.
5. Indien de naam
van de geboorteplaats niet kan worden ontleend aan de
basisadministratie waarin de aanvrager als ingezetene is ingeschreven,
dient de naam te worden vermeld zoals deze is opgenomen in zijn
geboorteakte. In alle andere gevallen wordt de naam gevolgd zoals deze
luidde ten tijde van de geboorte van de aanvrager, waarbij zoveel
mogelijk de Nederlandse schrijfwijze wordt gebruikt. Indien de
geboorteplaats niet kan worden vastgesteld, blijft de vermelding
daarvan in de aanvraag achterwege. Het vermelden van het land achter
de geboorteplaats is slechts toegestaan op verzoek van de aanvrager
die aantoont daarbij een zwaarwegend belang te hebben en voorzover het
reisdocument daartoe voldoende ruimte bevat.
6. De
geboortedatum omvat de dag, de maand en het jaar. Van vermelding van
de dag en de maand kan worden afgezien, voor zover deze niet bekend
zijn.
7. In de aanvraag
wordt het administratienummer vermeld waaronder de aanvrager in de
basisadministratie is ingeschreven.
8. In de aanvraag
voor een nationaal paspoort, een zakenpaspoort, een tweede paspoort,
een faciliteitenpaspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt,
indien de aanvrager een burgerservicenummer heeft, tevens het
burgerservicenummer van de aanvrager vermeld.
Artikel 24. Vermelding pseudoniem aanvrager
In de aanvraag voor een reisdocument, niet
zijnde een Nederlandse identiteitskaart, kan op verzoek van de
aanvrager die door middel van schriftelijke bewijsstukken aantoont in
het maatschappelijk verkeer zakelijk of beroepshalve bekend te staan
onder een andere naam, tevens deze andere naam worden vermeld ter
opneming van dit gegeven in het reisdocument.
Artikel 25. Gegevens van de (gewezen)
echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner
1. In de
aanvraag voor een reisdocument worden tevens de geslachtsnaam van de
huidige echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner, dan wel van
de laatste gewezen echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner,
alsmede de burgerlijke staat op het moment van de aanvraag vermeld,
indien de aanvrager om opneming van deze gegevens in het
aangevraagde reisdocument verzoekt.
2. Indien de
aanvraag betrekking heeft op de Nederlandse identiteitskaart wordt aan
het in het eerste lid bedoelde verzoek slechts gevolg gegeven
voorzover het reisdocument voldoende ruimte bevat voor vermelding van
deze gegevens.
Artikel 26. Bezit van of vermelding in andere
reisdocumenten
1. Van de door
de aanvrager overgelegde Nederlandse of buitenlandse reisdocumenten
die op zijn naam zijn gesteld, dan wel van de reisdocumenten waarin
hij staat bijgeschreven, worden het soort reisdocument, het
documentnummer, de datum waarop de geldigheid van het document
eindigt en de autoriteit die het document heeft verstrekt, in de
aanvraag vermeld.
2. Het bezit van
of de vermelding in een buitenlands reisdocument wordt geregistreerd
in de basisadministratie waarin de aanvrager als ingezetene is
ingeschreven.
3. Indien het
overgelegde Nederlandse reisdocument bladzijden met een nog geldig
visum of een geldige verblijfstitel bevat, wordt op verzoek van de
aanvrager in de aanvraag vermeld, dat in het aangevraagde reisdocument
standaardclausule XII met het documentnummer van het in te leveren
reisdocument wordt opgenomen.
Artikel 27. Vermist of ingenomen reisdocument
bij aanvraag
1. Indien een
eerder uitgereikt Nederlands reisdocument is vermist of op andere
gronden dan ingevolge de wet door een daartoe bevoegde autoriteit is
ingenomen, wordt dit gegeven, alsmede het nummer van het
desbetreffende reisdocument en de autoriteit die het heeft
verstrekt, in de aanvraag vermeld. Indien deze gegevens op het
moment van de aanvraag niet voorhanden zijn, wordt hiernaar een
gericht onderzoek ingesteld.
2. De ingevolge
artikel 31, eerste lid, van de wet door de aanvrager af te leggen
schriftelijke verklaring omtrent de vermissing geschiedt ten overstaan
van de daartoe aangewezen ambtenaar overeenkomstig modelformulier C2.
De in artikel 31, tweede lid, van de wet genoemde gewaarmerkte kopie
van het proces-verbaal vormt een integraal onderdeel van de
schriftelijke verklaring omtrent de vermissing en wordt aan deze
verklaring toegevoegd.
3. De daartoe
aangewezen ambtenaar maakt een kopie van de door de aanvrager over te
leggen schriftelijke verklaring omtrent de inname van zijn
reisdocument als bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet.
4. De
schriftelijke verklaring omtrent de vermissing en de bijgevoegde
gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal van de politie dan wel de
kopie van de schriftelijke verklaring omtrent de inname worden bewaard
in de reisdocumentenadministratie.
5. De datum waarop
de schriftelijke verklaring omtrent de vermissing wordt afgelegd dan
wel de schriftelijke verklaring omtrent de inname wordt overgelegd,
alsmede het nummer van het proces-verbaal van de politie, bedoeld in
het tweede lid, worden in de aanvraag vermeld.
6. Indien een
eerder uitgereikt Nederlands reisdocument, niet zijnde een
nooddocument, is vermist of op andere gronden dan ingevolge de wet
door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen, wordt dit gegeven
terstond opgenomen in de basisadministratie van de gemeente waar de
houder als ingezetene is ingeschreven.
Artikel 28
1. Bij het
indienen van een aanvraag voor een reisdocument wordt een pasfoto
overgelegd die een goedgelijkend beeld van de aanvrager geeft.
2. De overgelegde
pasfoto voldoet aan de acceptatiecriteria van de in bijlage L bij deze
regeling opgenomen fotomatrix.
3. In afwijking
van het tweede lid kan een pasfoto worden geaccepteerd indien de
aanvrager heeft aangetoond dat godsdienstige of levensbeschouwelijke
redenen zich verzetten tegen het niet bedekken van het hoofd.
4. In afwijking
van het tweede lid kan een pasfoto worden geaccepteerd indien op grond
van objectief vast te stellen fysieke of medische redenen, door de
aanvrager niet kan worden voldaan aan alle in de fotomatrix opgenomen
acceptatiecriteria. Bij gerede twijfel aan de medische redenen kan van
de aanvrager worden verlangd, dat deze daartoe een door een bevoegde
arts of medische instelling ondertekende verklaring overlegt.
5. In afwijking
van het tweede lid kan een pasfoto van een aanvrager die de leeftijd
van zes jaar nog niet heeft bereikt worden geaccepteerd, indien de
foto voldoet aan de in de fotomatrix voor die leeftijdscategorie
opgenomen minimum vereisten.
Artikel 28a. Vingerafdrukken
1. Bij het
indienen van een aanvraag voor een reisdocument, worden de afdrukken
van vier vingers van de aanvrager opgenomen.
2. Bij de
aanvrager worden platte afdrukken van de linker- en de
rechterwijsvinger opgenomen voor opslag in het reisdocument. Indien de
kwaliteit van de vingerafdrukken van de wijsvingers ontoereikend is,
worden platte afdrukken van de middelvingers, ringvingers of duimen
opgenomen.
3. In de
reisdocumentenadministratie worden de vingerafdrukken opgeslagen die
ingevolge het tweede lid zijn opgenomen. Daarnaast worden bij de
aanvrager platte afdrukken van twee andere in het tweede lid genoemde
vingers opgenomen voor opslag in de reisdocumentenadministratie.
Indien de kwaliteit van deze vingers ontoereikend is, worden platte
afdrukken van de pinken opgenomen.
4. Indien
van slechts één vinger een afdruk van voldoende kwaliteit kan worden
opgenomen, wordt uitsluitend de afdruk van die vinger opgeslagen in
het reisdocument en in de reisdocumentenadministratie.
5. In
afwijking van het eerste lid wordt van het opnemen van vingerafdrukken
afgezien, indien de aanvrager op het moment van het indienen van de
aanvraag de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt.
6. Indien de
daartoe aangewezen ambtenaar van oordeel is dat het fysiek dan wel als
gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de
aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van
de aanvraag vier vingerafdrukken worden opgenomen, worden in ieder
geval de afdrukken opgenomen van de vingers waarbij dit volgens de
daartoe aangewezen ambtenaar wel mogelijk is. Bij gerede twijfel of
het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering
onmogelijk is om vier vingerafdrukken op te nemen, kan van de
aanvrager worden verlangd, dat deze daartoe een door een bevoegde arts
of medische instelling ondertekende verklaring overlegt.
7. Indien van de
aanvrager geen vingerafdrukken worden opgenomen, wordt in de aanvraag
de reden voor het niet opnemen vermeld.
Artikel 29. Onbekwaamheid tot het plaatsen van
een handtekening
Indien de persoon aan wie het aangevraagde
reisdocument moet worden verstrekt door leeftijd of een handicap niet
in staat is zijn handtekening te plaatsen, wordt daarvan in de
aanvraag melding gemaakt.
Artikel 30. Verschijning van de aanvrager in
persoon
Indien de aanvrager ingevolge artikel 28, derde
lid, van de wet niet persoonlijk bij het indienen van de aanvraag is
verschenen, wordt dit gegeven met de reden daarvan in de aanvraag
vermeld.
§ 2. Aanvraag ten behoeve van een
handelingsonbekwame
Artikel 31. Overleggen verklaring van
toestemming
1. De
verklaring van toestemming als bedoeld in de artikelen 34 tot en met
37 van de wet dient schriftelijk te worden overgelegd.
2. In de
verklaring van toestemming worden tevens de naam en de handtekening
vermeld van degene die de aanvraag ten behoeve van een
handelingsonbekwame indient.
3. In de aanvraag
wordt melding gemaakt van de overlegging van de betreffende verklaring
van toestemming.
Artikel 32. Vaststelling identiteit en
bevoegdheid van degene die het gezag uitoefent of curator
1. Op de
procedure voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de
identiteit van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent
of van de curator is artikel 22 van overeenkomstige toepassing.
2. Indien degene
die een verklaring van toestemming moet afgeven niet in persoon
verschijnt, kan de aanvraag slechts in behandeling worden genomen
indien uit de overgelegde schriftelijke verklaring van toestemming en
eventuele andere overgelegde stukken met de nodige zekerheid kan
worden afgeleid dat de verklaring van toestemming van de betreffende
persoon afkomstig is.
3. Voor het
verkrijgen van de nodige zekerheid over de bevoegdheid tot het afgeven
van de verklaring van toestemming van degene die het gezag over de
minderjarige uitoefent of van de curator wordt gebruik gemaakt van de
door de betreffende persoon overgelegde stukken en de omtrent het
gezag of de curatele in de basisadministratie opgenomen gegevens.
4. Indien
onzekerheid bestaat over de bevoegdheid van degene die het gezag over
de minderjarige uitoefent of van de curator wordt daarnaar een gericht
onderzoek ingesteld.
§ 3. Aanvraag voor een bijschrijving
Artikel 33. Algemeen
1. Bijschrijving
van kinderen is toegestaan in ieder geldig Nederlands reisdocument
met uitzondering van de Nederlandse identiteitskaart, het
diplomatiek paspoort, het dienstpaspoort, het tweede paspoort, het
noodpaspoort, het laissez-passer en het reisdocument waarin een
noodverlenging is aangebracht.
2. Onverminderd
het bepaalde in artikel 7 kan bijschrijving in een reeds uitgereikt
geldig reisdocument uitsluitend worden verzocht aan de burgemeester
van de gemeente of de gezaghebber van het openbaar lichaam waar de
houder van het reisdocument dan wel waar het bij te schrijven kind als
ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven.
3. Voor elke
bijschrijving van een kind in een reisdocument dient een afzonderlijke
aanvraag te worden opgemaakt. Artikel 21, eerste en tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
4. In de aanvraag
wordt aangegeven of deze betrekking heeft op een bijschrijving in een
gelijktijdig aangevraagd reisdocument dan wel op een bijschrijving in
een reeds uitgereikt geldig reisdocument.
5. Indien om
bijschrijving wordt verzocht in een gelijktijdig aangevraagd
reisdocument, wordt in de aanvraag het aanvraagnummer, behorende bij
de aanvraag voor het desbetreffende reisdocument, vermeld.
6. Indien om
bijschrijving wordt verzocht in een reeds uitgereikt geldig
reisdocument, wordt in de aanvraag voor de bijschrijving het
documentnummer van het desbetreffende reisdocument vermeld.
Artikel 34. Vaststelling van de identiteit en de
nationaliteit van het bij te schrijven kind
1. Voor het
verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van het bij te
schrijven kind en over het gegeven of deze, evenals de houder van
het reisdocument waarin de bijschrijving wordt verzocht, Nederlander
dan wel vreemdeling is, wordt gebruik gemaakt van het door de
aanvrager overgelegde reisdocument, alsmede van de gegevens die in
de basisadministratie van de gemeente of het openbaar lichaam waar
de aanvraag in ontvangst wordt genomen, zijn vermeld.
2. Indien het bij
te schrijven kind niet als ingezetene in de basisadministratie van de
gemeente waar de aanvraag in ontvangst wordt genomen, is ingeschreven,
worden de in het eerste lid bedoelde gegevens geverifieerd:
a. in de gemeente waar het bij te schrijven
kind als ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven, dan
wel
b. aan de hand van de bewijsstukken die, door
degene die het verzoek tot bijschrijving doet, worden overgelegd,
indien het bij te schrijven kind niet als ingezetene in enige
basisadministratie van een gemeente is ingeschreven.
3. Indien het bij
te schrijven kind niet als ingezetene in de basisadministratie van het
openbaar lichaam waar de aanvraag in ontvangst wordt genomen, is
ingeschreven, worden de in het eerste lid bedoelde gegevens
geverifieerd:
a. in het openbaar lichaam waar het bij te
schrijven kind als ingezetene in de basisadministratie is
ingeschreven, dan wel
b. aan de hand van de bewijsstukken die, door
degene die het verzoek tot bijschrijving doet, worden overgelegd,
indien het bij te schrijven kind niet als ingezetene in enige
basisadministratie van een openbaar lichaam is ingeschreven.
4. Indien
onzekerheid blijft bestaan over de juistheid van de in het eerste lid
bedoelde gegevens, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit
onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie met behulp van door de
aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een
bevoegde autoriteit, waaronder de geboorteakte van het bij te
schrijven kind, en eventuele andere bewijsstukken. Tevens worden in
dat geval nadere identificerende vragen gesteld.
5. In de aanvraag
wordt vermeld of de identiteit van het bij te schrijven kind is
vastgesteld en met welke documenten of andere bewijsstukken de
identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden.
Artikel 35. Aanvraaggegevens van het bij te
schrijven kind
1. In de
aanvraag voor een bijschrijving worden de volgende persoonsgegevens
van het bij te schrijven kind vermeld:
a. geslachtsnaam en voornamen;
b. geboortedatum en geboorteplaats;
c. adres en woonplaats;
d. geslacht.
2. De in het
eerste lid bedoelde gegevens worden geverifieerd in de
basisadministratie waarin het bij te schrijven kind als ingezetene is
ingeschreven. Artikel 34, tweede en derde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
3. In de aanvraag
wordt de datum vermeld waarop de geldigheidsduur eindigt van het
reisdocument waarin de bijschrijving zal plaatsvinden.
4. Artikel 23,
derde tot en met zevende lid en de artikelen 26, 28 en 30 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 36. Overleggen verklaring van
toestemming
1. De verklaring
van toestemming als bedoeld in de artikelen 17 en 34 tot en met 37
van de wet dient schriftelijk te worden overgelegd.
2. Artikel 31,
tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 32 is
van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de identiteit en
de bevoegdheid van degene die het gezag over het bij te schrijven kind
uitoefent.
§ 4. Spoedopdracht
Artikel 37
1. De
aanvrager kan de burgemeester verzoeken om een versnelde uitreiking
van het aangevraagde reisdocument dan wel om een versnelde plaatsing
van een bijschrijvingssticker in zijn reisdocument, mits hij
aangeeft daarbij een dringend belang te hebben.
2. Indien de
aanvrager verzoekt om de versnelde uitreiking van het aangevraagde
reisdocument dan wel om de versnelde plaatsing van een
bijschrijvingssticker in zijn reisdocument, wordt in de aanvraag voor
het reisdocument en in de eventuele aanvragen voor de gelijktijdige
bijschrijving van kinderen in dat reisdocument dan wel in de aanvraag
voor de bijschrijvingssticker, een vermelding opgenomen waaruit blijkt
dat het een spoedopdracht betreft.
3. In
het geval van een spoedopdracht draagt de burgemeester er zorg voor
dat de aanvraag nog dezelfde dag vóór 16.00 uur de leverancier
bereikt, opdat het uit te reiken reisdocument dan wel de te plaatsen
bijschrijvingssticker de daarop volgende werkdag op het reguliere
tijdstip, doch uiterlijk 16.00 uur, op de uitgiftelocatie kan worden
afgeleverd.
§ 5. Het opnemen van de foto, de
vingerafdrukken en de handtekening
Artikel 38
1. De daartoe
aangewezen ambtenaar vergelijkt, behoudens in het in artikel 30
bedoelde geval, nauwkeurig de overgelegde foto van de aanvrager dan
wel van degene ten behoeve van wie de aanvraag wordt ingediend met
de persoon die voor hem staat en brengt deze foto op de bestemde
plaats in het foto- en handtekeningformulier aan.
2. De in het
eerste lid bedoelde ambtenaar ziet, behoudens in het in artikel 29
bedoelde geval, er op toe dat in het foto- en handtekeningformulier op
de bestemde plaats de duidelijk leesbare handtekening wordt geplaatst
van de aanvrager dan wel van de persoon ten behoeve van wie de
aanvraag van het reisdocument wordt gedaan.
3. Het foto- en
handtekeningformulier wordt door de in het eerste lid bedoelde
ambtenaar met gebruikmaking van het aanvraagstation gedigitaliseerd.
4. Het opnemen van
de vingerafdrukken als bedoeld in artikel 28a, geschiedt met
gebruikmaking van het aanvraagstation. Indien de aanvrager op grond
van artikel 28, derde lid, van de wet niet in persoon verschijnt,
worden zijn vingerafdrukken opgenomen met behulp van het mobiel
vingerafdrukopname-apparaat.
§ 6. Beslissing op de aanvraag en
vastlegging van de gegevens in het reisdocumentenstation
Artikel 39
1. Een
aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9
tot en met 38 wordt niet in behandeling genomen.
2. Indien de
daartoe aangewezen ambtenaar, met inachtneming van het bij of
krachtens de wet bepaalde, heeft beslist dat het aangevraagde
reisdocument kan worden uitgereikt dan wel de aangevraagde
bijschrijving kan plaatsvinden, worden in de aanvraag vermeld het feit
van deze verstrekking, de datum van deze verstrekking en de datum
waarop de geldigheidsduur van het uit te reiken reisdocument eindigt.
3. In de aanvraag
voor een reisdocument waarbij sprake is van een weigering of
vervallenverklaring wordt, afhankelijk van de genomen beslissing,
vermeld voor welke landen het reisdocument geldig is.
4. In de aanvraag
voor een reisdocument voor vluchtelingen dan wel een reisdocument voor
vreemdelingen wordt, afhankelijk van de nationaliteit van de persoon
aan wie het reisdocument wordt uitgereikt, aangegeven welk land van de
territoriale geldigheid is uitgesloten.
5. In de aanvraag
voor een reisdocument voor vreemdelingen, uit te reiken aan een
staatloze, wordt aangegeven dat diens status van staatloze in het
reisdocument moet worden vermeld.
6. De daartoe
aangewezen ambtenaar vermeldt in de aanvraag de verstrekkende
autoriteit.
Artikel 40
1. De daartoe
aangewezen ambtenaar draagt zorg dat de aanvraaggegevens, genoemd in
de artikelen 21 tot en met 27, 30 tot en met 37 en 39 in de
reisdocumentenmodule en de foto, vingerafdrukken en handtekening in
het aanvraagstation worden vastgelegd.
2. Indien bij de
aanvraag voor het opnemen van de vingerafdrukken gebruik is gemaakt
van het mobiel vingerafdrukopname-apparaat worden de gegevens
uitsluitend verwerkt in een aanvraagstation dat zich op de
uitgiftelocatie bevindt. Het mobiel vingerafdrukopname-apparaat wordt
in het locale netwerk van de uitgiftelocatie aangesloten, waarna de
daarin vastgelegde vingerafdrukken door het aanvraagstation uit het
mobiel vingerafdrukopname-apparaat worden opgehaald en samengevoegd
met de ingevolge artikel 38, derde lid, gedigitaliseerde foto en
handtekening.
3. De in de
reisdocumentenmodule en het aanvraagstation vastgelegde gegevens
worden verwerkt en doorgezonden naar het reisdocumentenstation.
4. Indien de
aanvraaggegevens zijn doorgezonden aan het reisdocumentenstation, maar
de beslissing op de aanvraag is aangehouden, worden de in artikel 39,
tweede en derde lid, genoemde gegevens in het reisdocumentenstation
vastgelegd, nadat de verstrekking heeft plaatsgevonden.
Hoofdstuk IV. Verzending van het aanvraagbestand
en levering van documenten
Artikel 41. Het toevoegen van de foto, de
vingerafdrukken en de handtekening aan de aanvraag
De in het aanvraagstation vastgelegde foto,
handtekening en vingerafdrukken worden met de aanvraaggegevens,
bedoeld in artikel 40, samengevoegd tot een aanvraagbestand in het
reisdocumentenstation.
Artikel 42. Het verzenden van het
aanvraagbestand
De daartoe aangewezen ambtenaar zendt, nadat is
vastgesteld dat het aangevraagde reisdocument kan worden uitgereikt
dan wel de aangevraagde bijschrijving kan plaatsvinden, het
aanvraagbestand met gebruikmaking van het reisdocumentenstation naar
de leverancier van de reisdocumenten. Het te verzenden aanvraagbestand
wordt voorzien van een digitale handtekening van deze ambtenaar.
Artikel 43. In ontvangstneming van geleverde
documenten in de gemeenten
1. De
reisdocumenten, bijschrijvingsstickers en identificatiekaarten
worden in ontvangst genomen door een daartoe aangewezen ambtenaar
als bedoeld in artikel 81, eerste lid.
2. De in het
eerste lid genoemde ambtenaar toont de in artikel 81, tweede lid,
bedoelde postmachtiging van de distributeur en legitimeert zich, op
verzoek van de besteller, met een identiteitsdocument als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of met een Nederlands
rijbewijs.
3. De aflevering
van de zending vindt plaats op het voor de desbetreffende
uitgiftelocatie afgesproken tijdstip. Bij aflevering kan de besteller
worden verplicht zich te identificeren met een door de distributeur
aan haar werknemers beschikbaar gestelde legitimatie.
4. Indien de
persoon die de zending in ontvangst neemt zich desgevraagd niet of
niet voldoende kan legitimeren dan wel onvoldoende zekerheid bestaat
met betrekking tot zijn bevoegdheid om de zending in ontvangst te
nemen, dan wel om enige andere reden door een handelen of nalaten van
de bevoegde autoriteit een veilige aflevering op de uitgiftelocatie
niet mogelijk is, draagt de besteller de zending niet over.
Artikel 43a. In ontvangstneming van geleverde
documenten in de openbare lichamen
1. De
gepersonaliseerde reisdocumenten, bijschrijvingsstickers en
identificatiekaarten die bestemd zijn voor de openbare lichamen,
worden in Nederland bij het ministerie van Buitenlandse Zaken
afgeleverd. De artikelen 57 tot en met 60 van de
Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 zijn van overeenkomstige
toepassing.
2. De in het
eerste lid bedoelde documenten worden door de transporteur afgeleverd
bij de uitgiftelocatie in de openbare lichamen.
3. Op de
uitgiftelocatie worden de in het eerste lid bedoelde documenten in
ontvangst genomen door een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld in
artikel 81a, eerste lid, die zich legitimeert met een geldig
identiteitsdocument.
4. De aflevering
van de zending vindt plaats op het voor de desbetreffende
uitgiftelocatie afgesproken tijdstip.
5. Indien de
persoon die de zending in ontvangst neemt zich desgevraagd niet of
niet voldoende kan legitimeren dan wel onvoldoende zekerheid bestaat
met betrekking tot zijn bevoegdheid om de zending in ontvangst te
nemen, dan wel om enige andere reden door een handelen of nalaten van
de bevoegde autoriteit een veilige aflevering op de uitgiftelocatie
niet mogelijk is, wordt de zending niet overgedragen.
Artikel 44. Controle zending bij in
ontvangstneming
1. De tot
ontvangst bevoegde ambtenaar controleert in het bijzijn van de
besteller of de zending voor hem bestemd is. Indien dit het geval is
en het pakket is onbeschadigd, tekent de tot ontvangst bevoegde
ambtenaar de door de besteller overgelegde distributielijst voor
ontvangst.
2. Indien de
zending niet voor de uitgiftelocatie bestemd is, afwijkingen vertoont,
beschadigd is dan wel documenten ontbreken wordt gehandeld
overeenkomstig bijlage D. Het in kennis stellen van de leverancier
geschiedt met gebruikmaking van modelformulier C9.
3. Bij de
constatering dat het pakket beschadigd is, wordt het pakket in het
bijzijn van de besteller in een voor het publiek afgesloten ruimte
gecontroleerd. Ook in geval van beschadiging wordt het pakket in
ontvangst genomen.
4. Indien de tot
ontvangst bevoegde ambtenaar vaststelt dat er documenten zijn
beschadigd of ontbreken, wordt hiervan door de besteller een
proces-verbaal opgemaakt.
5. Het afschrift
van het proces-verbaal wordt door de autoriteit bewaard.
Artikel 45. Controle zending in het
reisdocumentenstation
1. De daartoe
aangewezen ambtenaar gaat na of de in de zending aanwezige
documenten overeenkomen met de aanvraagnummers in het op de zending
betrekking hebbende elektronische bericht in het
reisdocumentenstation, dat door de leverancier is verzonden.
2. In het
reisdocumentenstation wordt geregistreerd of een reisdocument of
bijschrijvingssticker overeenkomstig de opgave in het elektronisch
bericht, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen, al dan niet is
beschadigd en op de juiste wijze is geproduceerd of gepersonaliseerd.
Deze gegevens kunnen in verband met de raadpleging daarvan tevens op
elektronische wijze worden doorgegeven aan de reisdocumentenmodule.
Artikel 46. Ophalen verkeerd geleverde
reisdocumenten en bijschrijvingsstickers bij gemeenten
1. De
reisdocumenten of bijschrijvingsstickers, die na de controle van de
zending als bedoeld in artikel 44 of 45 in een gemeente voor een
andere burgemeester blijken te zijn bestemd, worden op de
uitgiftelocatie op de in artikel 91 aangegeven wijze opgeslagen tot
ze worden opgehaald door de leverancier.
2. Het overdragen
van de verkeerd geleverde documenten aan de leverancier geschiedt
overeenkomstig bijlage D, met gebruikmaking van standaardformulier B4.
Artikel 46a. Vernietigen van verkeerd geleverde
documenten bij de openbare lichamen
De documenten die na de controle van de zending
als bedoeld in de artikelen 44 of 45 in de openbare lichamen voor een
andere autoriteit blijken te zijn bestemd, worden op de
uitgiftelocatie vernietigd op de in artikel 67, tweede lid, aangegeven
wijze.
Artikel 47. Nabezorgen niet ontvangen
reisdocumenten en bijschrijvingsstickers
1. Indien
reisdocumenten of bijschrijvingsstickers niet op het verwachte
tijdstip worden ontvangen, wordt op een speciaal daarvoor bestemd
telefoonnummer informatie ingewonnen over de te verwachten
levertijd.
2. In het geval de
zending zich nog onder de distributeur bevindt, draagt deze er zorg
voor dat de zending alsnog de volgende dag wordt afgeleverd bij de
uitgiftelocatie in het Europese deel van Nederland, onderscheidenlijk
bij de Minister van Buitenlandse Zaken, indien de zending bestemd is
voor een gezaghebber.
3. In het geval
reisdocumenten of bijschrijvingsstickers op een verkeerde
uitgiftelocatie in het Europese deel van Nederland zijn afgeleverd,
draagt de leverancier er zorg voor dat de desbetreffende documenten,
zo mogelijk nog dezelfde dag, op de juiste uitgiftelocatie in het
Europese deel van Nederland worden aangeboden.
4. Het in
ontvangst nemen van reisdocumenten of bijschrijvingsstickers als
bedoeld in het derde lid geschiedt overeenkomstig bijlage D, met
gebruikmaking van standaardformulier B4.
5. In het geval de
zending zich nog onder de transporteur bevindt, draagt deze er zorg
voor dat de zending alsnog zo spoedig mogelijk wordt afgeleverd.
Artikel 48. Herzending van de aanvraag
Indien een reisdocument of een
bijschrijvingssticker is beschadigd, onjuist is geproduceerd of
gepersonaliseerd, dan wel niet op het verwachte tijdstip is ontvangen
en niet alsnog ingevolge artikel 47, tweede, derde of vijfde lid, zal
worden bezorgd, wordt het op het reisdocument, op de daarin opgenomen
bijschrijving of op de bijschrijvingssticker betrekking hebbende
aanvraagbestand opnieuw verzonden aan de leverancier.
Artikel 49. Terugzending onjuist geproduceerde
of gepersonaliseerde, beschadigde of te laat afgeleverde documenten
Reisdocumenten en bijschrijvingsstickers die:
a. bij de controle van de zending in het
reisdocumentenstation dan wel bij de uitreiking onjuist blijken te
zijn geproduceerd of gepersonaliseerd, dan wel blijken te zijn
beschadigd;
b. na het verwachte tijdstip zijn ontvangen
en waarvan inmiddels het daarop betrekking hebbende
aanvraagbestand ingevolge artikel 48 opnieuw is verzonden, worden
per aangetekende post, met gebruikmaking van modelformulier C10,
teruggestuurd aan de leverancier.
Hoofdstuk V. Uitreiking van het reisdocument en
bijschrijvingssticker
Artikel 50. Algemeen
1. Tot
uitreiking van het reisdocument of plaatsing van een
bijschrijvingssticker wordt slechts overgegaan, nadat de identiteit
van de aanvrager in zijn aanwezigheid is vastgesteld en de aanvrager
de in het document weergegeven persoonsgegevens op juistheid heeft
gecontroleerd, tenzij artikel 28, derde lid, van de wet van
toepassing is.
2. De plaatsing
van een bijschrijvingssticker vindt plaats door dezelfde autoriteit
die de aanvraag daartoe in ontvangst heeft genomen, tenzij artikel 51
van toepassing is.
Artikel 50a. Verificatie vingerafdrukken bij
uitreiking
1. Indien de tot
uitreiking bevoegde ambtenaar twijfelt aan de identiteit van de
aanvrager worden de vingerafdrukken van de aanvrager geverifieerd
tegen de vingerafdrukken die in het uit te reiken reisdocument zijn
opgenomen.
2. Indien de
verificatie niet slaagt, wordt het reisdocument niet uitgereikt.
Artikel 51. Verhuizing binnen het Europese deel
van Nederland
1. Indien de
aanvrager op het moment van de uitreiking in de basisadministratie
van een andere gemeente als ingezetene is ingeschreven, wordt het
document uitgereikt in die gemeente.
2. Indien de
aanvraag tot plaatsing van een bijschrijvingssticker is gedaan in de
gemeente waar de aanvrager als ingezetene in de basisadministratie was
ingeschreven en de aanvrager op het moment van de plaatsing als
ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie van een andere
gemeente, geschiedt de plaatsing van de bijschrijvingssticker in die
andere gemeente.
3. Indien de
aanvraag tot plaatsing van een bijschrijvingssticker is gedaan in de
gemeente waar de bij te schrijven persoon als ingezetene in de
basisadministratie was ingeschreven en deze persoon op het moment van
de plaatsing als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie
van een andere gemeente, geschiedt de plaatsing van de
bijschrijvingssticker in die andere gemeente.
4. Het
reisdocument of de bijschrijvingssticker wordt per aangetekende post
verstuurd naar het hoofd burgerzaken van de gemeente waar de aanvrager
dan wel de bij te schrijven persoon inmiddels in de basisadministratie
is ingeschreven.
5. De burgemeester
van de gemeente, bedoeld in het vierde lid, gaat tot uitreiking van
het reisdocument of plaatsing van de bijschrijvingssticker over met in
achtneming van artikel 50. De op de uitreiking betrekking hebbende
gegevens worden geregistreerd in de basisadministratie van zijn
gemeente.
6. Van de
uitreiking van het reisdocument of de plaatsing van de
bijschrijvingssticker wordt met gebruikmaking van modelformulier C3
kennis gegeven aan de burgemeester van de gemeente waar de aanvraag in
behandeling is genomen.
7. De burgemeester
die een kennisgeving ontvangt zoals bedoeld in het zesde lid
registreert de uitreiking van het reisdocument of de plaatsing van de
bijschrijvingssticker in het reisdocumentenstation en de
reisdocumentenmodule, waarin de gegevens betreffende de aanvraag zijn
vastgelegd.
Artikel 52. Vermist of ingenomen reisdocument
bij de uitreiking
1. Indien het
bij de uitreiking van het aangevraagde reisdocument in te leveren
reisdocument is vermist of op andere gronden dan ingevolge de wet
door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen, wordt dit
gegeven, alsmede het nummer van het desbetreffende reisdocument en
de autoriteit die het heeft verstrekt, alsnog in de aanvraag met
betrekking tot het uit te reiken reisdocument opgenomen. Indien deze
gegevens op het moment van de uitreiking niet voorhanden zijn, wordt
hiernaar een gericht onderzoek ingesteld.
2. Artikel 27,
tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 53. Bijschrijving door middel van een
sticker
De ten behoeve van de bijschrijving in een
bestaand reisdocument vervaardigde bijschrijvingssticker wordt door de
daartoe aangewezen ambtenaar op de daarvoor bestemde pagina in het
reisdocument aangebracht.
Artikel 54
1. Uitsluitend
indien op grond van artikel 7 door een burgemeester als genoemd in
artikel 7 een reisdocument wordt verstrekt en de aanvrager bij de
aanvraag aannemelijk heeft gemaakt dat van hem redelijkerwijs niet
kan worden gevergd dat hij in persoon verschijnt bij de uitreiking,
wordt het reisdocument per aangetekende post aan hem toegezonden.
2. De inlevering
van de Nederlandse reisdocumenten als bedoeld in artikel 32 van de wet
geschiedt in dat geval door deze reisdocumenten per aangetekende post
toe te sturen aan de in het eerste lid bedoelde autoriteit.
3. Tot toezending
van het uit te reiken reisdocument wordt niet overgegaan dan na
ontvangst van de ingevolge het tweede lid toegestuurde reisdocumenten.
Artikel 55. Registratie in de
reisdocumentenmodule en het reisdocumentenstation
1. De daartoe
aangewezen ambtenaar registreert de uitreiking van of de
bijschrijving in een reisdocument, alsmede de inlevering van het
vorige reisdocument, in de reisdocumentenmodule en geeft dit door
aan het reisdocumentenstation.
2. Indien bij de
uitreiking blijkt dat het reisdocument of de bijschrijvingssticker is
beschadigd, onjuist is geproduceerd of gepersonaliseerd dan wel uit de
opslag is verdwenen, wordt dit in de reisdocumentenmodule
geregistreerd en doorgegeven aan het reisdocumentenstation.
3. Indien de
registratie, bedoeld in het eerste lid, niet kan plaatsvinden in de
reisdocumentenmodule, geschiedt deze in eerste instantie in het
reisdocumentenstation en wordt dit later alsnog doorgegeven aan de
reisdocumentenmodule.
4. Indien binnen
drie maanden na de datum van ontvangst bij de uitgiftelocatie geen
uitreiking van een geleverd reisdocument of plaatsing van een
geleverde bijschrijvingssticker heeft plaatsgevonden, wordt dit
geregistreerd in de reisdocumentenmodule en het reisdocumentenstation.
Artikel 56. Registratie in de basisadministratie
1. Bij
uitreiking van een reisdocument, niet zijnde een nooddocument,
worden de daarop betrekking hebbende gegevens geregistreerd in de
basisadministratie waarin de houder als ingezetene is ingeschreven.
2. De
bijschrijving in een reisdocument waarvan de aanvraag is ingediend bij
een burgemeester wordt geregistreerd in de basisadministratie van de
gemeente waarin het bijgeschreven kind als ingezetene is ingeschreven.
3. Van een
bijschrijving in een reisdocument door de burgemeester van een
gemeente waar het bijgeschreven kind niet als ingezetene in de
basisadministratie is ingeschreven, wordt met gebruikmaking van
modelformulier C3 kennis gegeven aan de burgemeester van de gemeente
waar het bijgeschreven kind als ingezetene in de basisadministratie is
of voor het laatst was ingeschreven.
4. In de openbare
lichamen kan uitsluitend de gezaghebber van het openbaar lichaam waar
het kind als ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven het
kind bijschrijven in een reisdocument.
Hoofdstuk VI. Procedures inzake weigering en
vervallenverklaring
Artikel 57. Uitsluiting Nederlandse
identiteitskaart
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op
Nederlandse identiteitskaarten.
Artikel 58. Informatie over de gesignaleerde
persoon
1. De
burgemeester of de gezaghebber die een aanvraag in behandeling neemt
dan wel een ingehouden reisdocument ontvangt betreffende een persoon
die blijkens de in artikel 5 bedoelde administratie in het register
paspoortsignaleringen is opgenomen, verzoekt ingevolge artikel 44,
tweede lid, van de wet bij brief of per faxbericht aan het
agentschap BPR hem mede te delen of zulks nog steeds het geval is.
2. In afwijking
van het eerste lid kan in spoedgevallen het verzoek ook met
gebruikmaking van andere communicatiemiddelen worden gedaan, mits het
daarna bij brief of per faxbericht wordt bevestigd.
3. De burgemeester
of de gezaghebber die ingevolge artikel 44, derde lid, van de wet de
in het register paspoortsignaleringen opgenomen gegevens van een
persoon wenst te ontvangen, doet daartoe op de in het eerste en tweede
lid voorgeschreven wijze een verzoek aan het agentschap BPR. Dit
verzoek kan ook tegelijkertijd met het in het eerste lid bedoelde
verzoek worden gedaan.
Artikel 59. Kennisgeving van de beslissing op
grond van artikel 45, tweede lid, van de wet
De burgemeester of de gezaghebber geeft het
agentschap BPR met gebruikmaking van modelformulier C6 kennis van zijn
beslissing, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de wet.
Hoofdstuk VII. Procedures inzake vermiste,
ingenomen, ingehouden, ingeleverde, van rechtswege vervallen en
gevonden reisdocumenten
§ 1. Vermiste of ingenomen
reisdocumenten
Artikel 60. Vermist of ingenomen reisdocument
anders dan bij aanvraag of uitreiking
1. Indien
de houder van een uitgereikt reisdocument aan de burgemeester van de
gemeente of de gezaghebber van het openbaar lichaam waar hij als
ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven buiten de
gevallen, bedoeld in de artikelen 27 en 52, mededeling doet van de
vermissing of de inname van het desbetreffende reisdocument, wordt
de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de wet af te leggen
schriftelijke verklaring omtrent de vermissing door de houder gedaan
ten overstaan van de daartoe aangewezen ambtenaar, die de mededeling
omtrent de vermissing in ontvangst neemt overeenkomstig
modelformulier C2. De in artikel 31, tweede lid, van de wet genoemde
kopie van het proces-verbaal vormt een integraal onderdeel van de
schriftelijke verklaring omtrent de vermissing en wordt aan deze
verklaring toegevoegd.
2. De
schriftelijke verklaring omtrent de vermissing en de bijgevoegde kopie
van het proces-verbaal van de politie dan wel de overgelegde kopie van
de schriftelijke verklaring die omtrent de inname is overgelegd,
worden bewaard in de reisdocumentenadministratie in de gemeente of het
openbaar lichaam waar de in het eerste lid bedoelde mededeling is
gedaan.
3. Indien een
eerder uitgereikt Nederlands reisdocument, niet zijnde een
nooddocument, is vermist of op andere gronden dan ingevolge de wet
door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen, wordt dit gegeven
terstond opgenomen in de basisadministratie van de gemeente of het
openbaar lichaam waar de houder als ingezetene is ingeschreven.
4. De burgemeester
verwijst de houder die een mededeling van vermissing van het aan hem
uitgereikte reisdocument wil doen en niet in de basisadministratie van
zijn gemeente als ingezetene is ingeschreven, naar de burgemeester van
de gemeente waar de houder in de basisadministratie als ingezetene is
ingeschreven dan wel naar een burgemeester als genoemd in artikel 7
indien de houder niet als ingezetene in de basisadministratie van een
gemeente is ingeschreven.
5. De gezaghebber
neemt ook de verklaring van vermissing op van personen die niet als
ingezetenen zijn ingeschreven in de basisadministratie van zijn
openbaar lichaam.
Artikel 61. Melding van de vermissing of inname
van een reisdocument
Van de vermissing of de inname van een
Nederlands reisdocument als bedoeld in de artikelen 27, 52 en 60
wordt, met het oog op de vermelding daarvan in het basisregister
reisdocumenten, terstond melding gedaan aan het agentschap BPR door
verstrekking van dit gegeven uit de basisadministratie.
§ 2. Doorzending ingehouden
reisdocumenten
Artikel 62. Reisdocumenten van gesignaleerde
personen
1. De
burgemeester of de gezaghebber die een reisdocument heeft ingehouden
dan wel bij wie een reisdocument is ingeleverd van een houder, die
in verband met het bepaalde in de artikelen 18 tot en met 24 van de
wet in het register paspoortsignaleringen is opgenomen en ten
aanzien van wie hij niet bevoegd is tot vervallenverklaring, zendt
dit reisdocument per aangetekende post en met vermelding van de
reden van doorzending terstond door aan:
a. de burgemeester van de gemeente of de
gezaghebber van het openbaar lichaam waar de houder als ingezetene
in de basisadministratie is ingeschreven, dan wel
b. de burgemeester van Den Haag, indien de
houder niet als ingezetene in enige basisadministratie is
ingeschreven.
2. De burgemeester
of de gezaghebber aan wie een reisdocument ten onrechte is
doorgezonden, draagt er zorg voor dat het reisdocument alsnog op de in
het eerste lid bedoelde wijze aan de tot vervallenverklaring bevoegde
burgemeester of gezaghebber wordt toegezonden.
Artikel 63. Definitief aan het verkeer te
onttrekken reisdocumenten
1. De
burgemeester of de gezaghebber die een reisdocument heeft ingehouden
of bij wie een reisdocument is ingeleverd dan wel die een gevonden
reisdocument heeft ontvangen, dat blijkens artikel 67 definitief aan
het verkeer moet worden onttrokken en daartoe niet bevoegd is, zendt
dit reisdocument per aangetekende post en met vermelding van de
reden van doorzending terstond aan de Minister van Buitenlandse
Zaken, indien het een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort of
een door de Minister van Buitenlandse Zaken op grond van artikel 15,
tweede lid, van de wet aan een vreemdeling verstrekt laissez-passer
betreft.
2. Indien het een
op grond van artikel 16, eerste lid, van de wet verstrekt nooddocument
betreft, is de burgemeester of de gezaghebber bevoegd dit namens de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties definitief aan
het verkeer te onttrekken.
Artikel 64. Doorzending reisdocumenten door de
plaatselijke politie
1. Behoudens het
bepaalde in het tweede lid worden ingehouden of ingeleverde
reisdocumenten, die niet strafrechtelijk in beslag zijn genomen,
door de plaatselijke politie met een begeleidende brief per
aangetekende post gezonden aan:
a. de burgemeester van de gemeente of de
gezaghebber van het openbaar lichaam waar de houder van het
reisdocument als ingezetene in de basisadministratie staat
ingeschreven, dan wel
b. de burgemeester of de gezaghebber ter
plaatse, indien niet bekend is in welke gemeente of in welk openbaar
lichaam de houder als ingezetene is ingeschreven in de
basisadministratie, dan wel
c. de Minister van Buitenlandse Zaken, indien
het een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort of een op grond van
artikel 15, tweede lid, van de wet verstrekt laissez-passer betreft.
2. Indien het
reisdocument op grond van een daartoe strekkende vermelding in het
opsporingsregister is ingehouden, wordt terstond contact opgenomen met
het agentschap BPR ten einde te vernemen aan welke autoriteit het
reisdocument moet worden doorgezonden.
3. Bij inhouding
of inlevering wordt aan de betrokken persoon een ontvangstbewijs
verstrekt.
4. De in het
eerste lid bedoelde begeleidende brief vermeldt de volgende gegevens:
a. geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum,
geboorteplaats en woonplaats van de houder;
b. het nummer van het reisdocument;
c. de autoriteit die het reisdocument heeft
verstrekt en het einde van de geldigheidsduur;
d. de datum en de reden van inhouding of
inlevering van het reisdocument.
5. Gevonden
reisdocumenten worden met een opgave van de documentnummers ingeleverd
bij de in het eerste lid genoemde autoriteiten.
§ 3. Melding van rechtswege vervallen
reisdocumenten aan het register paspoortsignaleringen en het
basisregister reisdocumenten
Artikel 65. Mededelingen inzake vermelding en
verwijdering van de vermelding
1. De
burgemeester of de gezaghebber deelt met het oog op een vermelding
in het register paspoortsignaleringen op grond van artikel 47,
vierde lid, van de wet het agentschap BPR de gegevens mede van de
houder van een reisdocument dat van rechtswege is vervallen of
waarin een bijschrijving is opgenomen die van rechtswege is
vervallen, indien de houder weigert het reisdocument in te leveren
dan wel de woon- of verblijfplaats van de houder niet kan worden
achterhaald.
2. De autoriteit
die het in het eerste lid bedoelde reisdocument heeft ingehouden, dan
wel bij wie het desbetreffende reisdocument is ingeleverd deelt met
het oog op de verwijdering van de in het eerste lid bedoelde
vermelding uit het register paspoortsignaleringen het agentschap BPR
zulks terstond mede.
3. De in het
eerste en tweede lid bedoelde mededeling geschiedt met gebruikmaking
van modelformulier C7.
4. Van het van
rechtswege vervallen van een reisdocument ingevolge artikel 47, eerste
lid, onder a, b, c, e, f of h van de wet wordt, met het oog op de
vermelding daarvan in het basisregister reisdocumenten, terstond
melding gedaan aan het agentschap BPR door verstrekking van dit
gegeven uit de basisadministratie, dan wel met gebruikmaking van
modelformulier C7 indien verstrekking van dit gegeven uit de
basisadministratie niet mogelijk is.
§ 4. Melding inzake gevonden
reisdocumenten
Artikel 66
De burgemeester of de gezaghebber geeft van een
gevonden reisdocument, niet zijnde een nooddocument, met gebruikmaking
van modelformulier C4 terstond kennis aan het Expertise Centrum
Identiteitsfraude en Documenten van de Koninklijke Marechaussee.
Hoofdstuk VIII. Definitieve onttrekking van
reisdocumenten en ongedaan maken van bijschrijvingen
§ 1. Definitieve onttrekking van een
reisdocument aan het verkeer
Artikel 67. Redenen en wijze van onttrekking
1. De
burgemeester of de gezaghebber onttrekt een nationaal paspoort, een
Nederlandse identiteitskaart, een faciliteitenpaspoort, een tweede
paspoort, een reisdocument voor vluchtelingen, een reisdocument voor
vreemdelingen of een op grond van artikel 16, eerste lid, van de wet
verstrekt nooddocument dat hij onder zich heeft terstond definitief
aan het verkeer, indien:
a. het niet binnen drie maanden, nadat het
voor uitreiking beschikbaar is gesteld, door de aanvrager in
ontvangst is genomen;
b. het daartoe, al dan niet bij de uitreiking
van een nieuw reisdocument, is ingeleverd;
c. het vervallen is verklaard dan wel
ingevolge artikel 54, eerste lid, van de wet is ingehouden, tenzij
nog een beroepstermijn open staat, een beroepsprocedure aanhangig is
of het reisdocument anderszins in een gerechtelijke procedure nodig
is;
d. het na uitreiking als onbruikbaar is
beschouwd ten gevolge van misdruk, verkeerde personalisatie of de
onjuiste plaatsing van de bijschrijvingssticker en dientengevolge is
ingehouden of ingeleverd;
e. het als gevonden reisdocument is ontvangen,
tenzij hij in de gelegenheid is het terug te geven aan de in de
basisadministratie van zijn gemeente of openbaar lichaam als
ingezetene ingeschreven houder die nog geen verklaring als bedoeld
in artikel 31 van de wet heeft afgelegd.
2. Het
reisdocument wordt definitief aan het verkeer onttrokken door het
deugdelijk te vernietigen, dan wel het geheel of gedeeltelijk
onbruikbaar gemaakt aan de houder terug te geven ingevolge het derde
lid. De vernietiging geschiedt door het reisdocument op gecontroleerde
wijze te verbranden of te versnipperen, zodat reconstructie van het
reisdocument niet meer mogelijk is.
3. Op verzoek van
de houder wordt diens nationaal paspoort, Nederlandse
identiteitskaart, faciliteitenpaspoort, tweede paspoort, reisdocument
voor vluchtelingen of reisdocument voor vreemdelingen, na inlevering,
onbruikbaar gemaakt aan hem teruggegeven.
4. Het onbruikbaar
maken geschiedt door het aanbrengen van drie ponsgaten (elk van
tenminste 12 mm) door het gehele reisdocument op zodanige wijze dat
het in het reisdocument aangebrachte kinegram gedeeltelijk en de
aangebrachte chip geheel onbruikbaar worden gemaakt. Voordat het
reisdocument wordt teruggegeven aan de houder, wordt gecontroleerd of
de chip onbruikbaar is.
5. Indien het
ingeleverde reisdocument bladzijden met een nog geldig visum of een
geldige verblijfstitel bevat en in verband daarmee het verzoek is
gedaan, bedoeld in artikel 26, derde lid, worden de desbetreffende
bladzijden en het documentnummer intact gelaten.
6. In afwijking
van het tweede lid wordt een reisdocument, dat ingevolge het eerste
lid, onder d, tengevolge van misdruk of verkeerde personalisatie is
ingehouden of ingeleverd, definitief aan het verkeer onttrokken door
het per aangetekende post, met gebruikmaking van modelformulier C10,
terug te sturen aan de leverancier.
7. De in het
eerste lid, onder e, en in het derde lid bedoelde teruggave van een
reisdocument vindt niet plaats, indien het reisdocument op grond van
artikel 47, eerste lid, onder a, b, c, g of h, van de wet van
rechtswege is vervallen, op grond van 54, eerste lid, onder b, c en e,
van de wet is ingehouden, dan wel artikel 97, tweede lid, of artikel
98, tweede lid, van toepassing is.
8. Een
bijschrijvingssticker die niet binnen drie maanden na ontvangst bij de
uitgiftelocatie in het daartoe bestemde reisdocument is aangebracht,
wordt op de in het tweede lid aangegeven wijze deugdelijk vernietigd.
Artikel 68. Registratie van de onttrekking in de
basisadministratie
De definitieve onttrekking van een reisdocument,
niet zijnde een nooddocument of een gevonden reisdocument, wordt
geregistreerd in de basisadministratie van de gemeente of het openbaar
lichaam waarin de houder als ingezetene is ingeschreven.
§ 2. Ongedaan maken van een
bijschrijving
Artikel 69. Wijze van ongedaan maken
bijschrijving
Het ongedaan maken van een bijschrijving vindt
plaats:
a. door het plaatsen van het in artikel 88,
tweede lid, bedoelde stempel, voorzien van de paraaf van de
burgemeester, de gezaghebber of de daartoe aangewezen ambtenaar
over de tekst en de foto van de bijschrijving in het reisdocument,
dan wel
b. als gevolg van de definitieve onttrekking
aan het verkeer van het reisdocument waarin de bijschrijving is
opgenomen.
Artikel 70. Registratie van ongedaan maken
bijschrijving in de basisadministratie
Het ongedaan maken van een bijschrijving in een
reisdocument, bedoeld in artikel 69, wordt geregistreerd in de
basisadministratie van de gemeente of het openbaar lichaam waarin de
bijgeschrevene als ingezetene is ingeschreven.
§ 3. Kennisgevingen
Artikel 71
1. Van
de definitieve onttrekking aan het verkeer van een reisdocument,
niet zijnde een nooddocument of een gevonden reisdocument, alsmede
van de uitreiking van een vervangend reisdocument, wordt met
gebruikmaking van modelformulier C3 kennis gegeven aan:
a. het hoofd van de Nederlandse consulaire
post in het buitenland, indien deze het reisdocument heeft
verstrekt, dan wel
b. een burgemeester als genoemd in artikel 7,
indien deze autoriteit het reisdocument heeft verstrekt aan een
houder die ten tijde van de verstrekking niet als ingezetene in een
basisadministratie was ingeschreven, dan wel
c. de autoriteit in Aruba, Curaçao of
Sint Maarten, die het reisdocument heeft verstrekt, dan wel
d. de burgemeester van de gemeente of de
gezaghebber van het openbaar lichaam waar de houder als ingezetene in
de basisadministratie is, of voor het laatst was ingeschreven, indien
het definitief aan het verkeer onttrokken reisdocument niet door een
in a, b of c genoemde autoriteit is verstrekt.
2. Van de
ongedaanmaking van een bijschrijving als bedoeld in artikel 69 wordt
met gebruikmaking van modelformulier C3 kennis gegeven aan de
autoriteit bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, die de
bijschrijving heeft geplaatst, dan wel aan de burgemeester van de
gemeente of de gezaghebber van het openbaar lichaam waar het
bijgeschreven kind als ingezetene in de basisadministratie is, of voor
het laatst was, ingeschreven, indien de bijschrijving niet door een in
het eerste lid onder a, b of c genoemde autoriteit is geplaatst.
Hoofdstuk IX. Reisdocumentenadministratie
Artikel 72. Opgenomen gegevens,
raadpleegbaarheid, bewaartermijn
1. Van elk
verstrekt reisdocument respectievelijk van elke daarin opgenomen
bijschrijving wordt een administratie bijgehouden.
2. De in het
eerste lid bedoelde reisdocumentenadministratie wordt bijgehouden in
het reisdocumentenstation, voor zover het de daarin overeenkomstig de
artikelen 40 en 55 opgenomen gegevens betreft.
3. De overige
gegevens met betrekking tot de aanvraag, verstrekking en uitreiking
worden als afzonderlijke documenten in de reisdocumentenadministratie
opgenomen op een wijze die raadpleging in samenhang met de in het
tweede lid bedoelde gegevens mogelijk maakt.
4. De in de
reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens worden gedurende elf
jaren na de datum van verstrekking van het betreffende reisdocument
dan wel de opneming van de bijschrijving in een reisdocument bewaard.
5. In afwijking
van het vierde lid worden de in de reisdocumentenadministratie
opgenomen vingerafdrukken, bedoeld in artikel 28a, bewaard tot het
moment dat de uitreiking van het aangevraagde reisdocument dan wel de
reden voor het niet uitreiken daarvan, in het reisdocumentenstation is
geregistreerd.
Artikel 73. Verstrekking van gegevens
Onverminderd het bepaalde in artikel 65, tweede
lid, van de wet, wordt de verstrekking van gegevens uit de in artikel
72 bedoelde reisdocumentenadministratie uitsluitend toegestaan aan:
a. degenen die bij of krachtens de wet
belast zijn met de uitvoering daarvan, voor zover die gegevens
noodzakelijk zijn voor het verrichten van werkzaamheden met
betrekking tot reisdocumenten;
b. de ambtenaren, werkzaam bij het
ministerie van Buitenlandse Zaken, een Nederlandse consulaire
vertegenwoordiging in het buitenland onderscheidenlijk het Kabinet
van de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten, voor zover
die gegevens noodzakelijk zijn voor consulaire handelingen waarbij
de identiteit van de betrokken persoon moet worden vastgesteld;
c. de opsporingsambtenaren bedoeld in artikel
141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 184 en 185
van het Wetboek van Strafvordering BES, voor zover die gegevens
noodzakelijk zijn voor de opsporing van strafbare feiten in het
kader van het onderzoek waarbij zij zijn betrokken of voor zover die
noodzakelijk zijn voor de identificatie van slachtoffers;
d. de ambtenaren van het openbaar ministerie
van het Europese deel van Nederland en het openbaar ministerie van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover die gegevens
noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de hun opgedragen
werkzaamheden;
e. de ambtenaren werkzaam bij de autoriteiten,
bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24 van de wet, voor zover die
gegevens noodzakelijk zijn voor het verzoek tot weigering of
vervallenverklaring en de daarmee verband houdende vermelding van
deze gegevens in het register paspoortsignaleringen als bedoeld in
artikel 25, derde lid, van de wet;
f. de ambtenaren werkzaam bij het Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor zover die
gegevens noodzakelijk zijn voor de hun opgedragen werkzaamheden in
verband met de verwerking van gegevens in het basisregister
reisdocumenten, in verband met de uitoefening van hun taak als
bedoeld in artikel 58 van de wet, alsmede in verband met onderzoek
naar onregelmatigheden met reisdocumenten;
g. degene die in opdracht van het college van
burgemeester en wethouders of het bestuurscollege belast is met de
controle op de uitvoering van de bij of krachtens de wet gestelde
regels, de toepassing van de beveiligingsmaatregelen, de werking van
het aanvraagsysteem reisdocumenten of de opneming van
reisdocumentengegevens in de basisadministratie, voor zover die
gegevens noodzakelijk zijn voor de hun opgedragen werkzaamheden;
h. de houder, beheerder, bewerker en degene
die belast is met de invoer, wijziging, of verwijdering van
gegevens, voor zover die gegevens, de rechtstreekse toegang
daaronder begrepen, noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de hun
in verband daarmee opgedragen werkzaamheden;
i. de ambtenaren werkzaam bij de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en
Veiligheidsdienst, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van hun taken als bedoeld in artikel 6, tweede lid, en
artikel 7, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 74. Administratie van reisdocumenten die
op grond van artikel 7 zijn verstrekt
1. Een
burgemeester als genoemd in artikel 7 voert een aparte administratie
van de door hem ingevolge artikel 7 verstrekte reisdocumenten en
daarin opgenomen bijschrijvingen.
2. De artikelen 72
en 73 zijn van overeenkomstige toepassing op de inrichting van deze
administratie en op de verstrekking van gegevens daaruit.
Artikel 75. Registratie van ontvangen
kennisgevingen in de basisadministratie
1. De
burgemeester of de gezaghebber die door toezending van
modelformulier C3 een kennisgeving ontvangt van:
a. de definitieve onttrekking aan het verkeer
van een reisdocument en de uitreiking van een vervangend
reisdocument, waarbij is vermeld of het oude reisdocument is
ingehouden, ingeleverd of vermist, dan wel
b. de uitreiking van een reisdocument, waarbij
definitieve onttrekking aan het verkeer van een eerder verstrekt
reisdocument niet aan de orde is, dan wel
c. de definitieve onttrekking van een
reisdocument, waarbij geen nieuw reisdocument is uitgereikt, dan wel
d. het ongedaan maken van een bijschrijving in
een reisdocument, draagt zorg dat deze feiten worden geregistreerd
in de basisadministratie, waarin de betrokken persoon als ingezetene
is ingeschreven.
2. De burgemeester
of de gezaghebber die een in het eerste lid bedoelde kennisgeving
ontvangt betreffende een persoon die laatstelijk in de
basisadministratie van zijn gemeente of openbaar lichaam als
ingezetene was ingeschreven, bewaart deze kennisgeving als onderdeel
van de basisadministratie tot het moment dat de betrokken persoon weer
als ingezetene in een basisadministratie wordt ingeschreven, dan wel
elf jaren zijn verstreken.
3. De in het
eerste en tweede lid bedoelde registratie vindt niet plaats, indien de
feiten betrekking hebben op een nooddocument of een gevonden
reisdocument.
4. De autoriteit
die ten onrechte een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid heeft
ontvangen, zendt deze door aan de burgemeester van de gemeente of de
gezaghebber van het openbaar lichaam waar de betrokken persoon als
ingezetene in de basisadministratie is, of voor het laatst was,
ingeschreven.
5. Indien een
persoon wederom als ingezetene in een basisadministratie wordt
ingeschreven, wordt een in de tussentijd gezonden kennisgeving als
bedoeld in het eerste lid opgevraagd bij de burgemeester van de
gemeente of de gezaghebber van het openbaar lichaam waar de betrokken
persoon laatstelijk als ingezetene in de basisadministratie was
ingeschreven.
Hoofdstuk X. Personen die niet als ingezetene in
de basisadministratie zijn ingeschreven
Artikel 76. Vaststelling identiteit aanvrager
1. Een
burgemeester als genoemd in artikel 7 verschaft zich, zoveel
mogelijk overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde
hoofdstuk, de nodige zekerheid over de identiteit en de
nationaliteit van een aanvrager, die stelt niet als ingezetene in de
basisadministratie te zijn ingeschreven, aan de hand van het door de
aanvrager overgelegde reisdocument en eventuele andere
bewijsstukken.
2. Indien
onvoldoende zekerheid bestaat over de juistheid van de door de
aanvrager gedane mededeling dat hij niet als ingezetene in de
basisadministratie is ingeschreven, dan wel over de identiteit of de
nationaliteit van de aanvrager, wordt de betrokken persoon, indien
deze op korte termijn over een reisdocument moet beschikken,
doorverwezen naar een autoriteit die bevoegd is tot de verstrekking
van nooddocumenten.
3. De vaststelling
van de identiteit en de nationaliteit van de echtgenoot, echtgenote of
geregistreerd partner dan wel de gewezen echtgenoot, echtgenote of
geregistreerd partner van de aanvrager, respectievelijk van een
wettelijke vertegenwoordiger die een verklaring van toestemming moet
overleggen, geschiedt op de in het eerste en tweede lid vermelde
wijze, voor zover de betrokken persoon niet als ingezetene in een
basisadministratie is ingeschreven.
Artikel 77. Kennisgevingen en meldingen
1. Een
burgemeester als genoemd in artikel 7 geeft van de definitieve
onttrekking aan het verkeer van een reisdocument, niet zijnde een
nooddocument of een gevonden reisdocument, alsmede van de uitreiking
van een vervangend reisdocument aan een persoon die niet als
ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven met
gebruikmaking van modelformulier C3 kennis aan:
a. de burgemeester of de gezaghebber, indien
de houder laatstelijk in de basisadministratie van diens gemeente of
openbaar lichaam als ingezetene was ingeschreven en het bepaalde
onder b of c niet van toepassing is, dan wel
b. de autoriteit in Aruba, Curaçao of
Sint Maarten, indien deze het definitief aan het verkeer onttrokken
reisdocument heeft verstrekt, dan wel
c. het hoofd van de Nederlandse consulaire post
in het buitenland, indien deze het definitief aan het verkeer
onttrokken reisdocument heeft verstrekt en de houder ten tijde van die
verstrekking niet in de basisadministratie als ingezetene was
ingeschreven.
2. Indien een
burgemeester als genoemd in artikel 7 door toezending van
modelformulier C3 op de hoogte wordt gesteld van de definitieve
onttrekking aan het verkeer van een door hem verstrekt reisdocument en
de uitreiking van een vervangend reisdocument, neemt hij deze feiten
op in zijn administratie als bedoeld in artikel 74.
3. Van de
ongedaanmaking van een bijschrijving als bedoeld in artikel 69 wordt
met gebruikmaking van modelformulier C3 kennis gegeven aan de
autoriteit bedoeld in het eerste lid onder a, b of c, die de
bijschrijving heeft geplaatst, dan wel aan de burgemeester van de
gemeente of de gezaghebber van het openbaar lichaam waar het
bijgeschreven kind als ingezetene in de basisadministratie is, of voor
het laatst was, ingeschreven, indien de bijschrijving niet door een in
het eerste lid onder a, b of c genoemde autoriteit is geplaatst.
4. Van de
vermissing van een Nederlands reisdocument als bedoeld in de artikelen
27, 52 en 60 wordt met gebruikmaking van modelformulier C7 melding
gemaakt aan het agentschap BPR.
Hoofdstuk XI. Organisatie en beheer van het
aanvraagsysteem reisdocumenten
§ 1. Aanwijzing en registratie
bevoegde personen
Artikel 78. Aanwijzing en registratie algemeen
1. De
burgemeester dan wel de gezaghebber, of de door hem daartoe
aangewezen ambtenaar wijst de personen aan die bevoegd zijn tot het
verrichten van de handelingen die bij of krachtens de wet zijn
voorgeschreven.
2. De in het
eerste lid bedoelde aanwijzing van personen, alsmede de registratie
van hun bevoegdheden geschiedt met inachtneming van de functionele
beschrijvingen met betrekking tot het aanvraagsysteem reisdocumenten
en overeenkomstig de beveiligingsprocedure, bedoeld in artikel 93.
3. De burgemeester
of de gezaghebber draagt er zorg voor dat de handelingen, bedoeld in
het eerste lid, die plaatsvinden in een niet tot de gemeentelijke
organisatie, onderscheidenlijk de organisatie van het openbaar
lichaam, behorende uitgiftelocatie uitsluitend worden verricht door
bezoldigde ambtenaren van de gemeente onderscheidenlijk het openbaar
lichaam.
Artikel 79. De autorisatiebevoegden
reisdocumenten
1. De
burgemeester of de gezaghebber wijst per uitgiftelocatie tenminste
twee ambtenaren aan die binnen het aanvraagsysteem reisdocumenten
zullen functioneren als autorisatiebevoegde reisdocumentenstation
overeenkomstig de gebruikershandleiding bij het
reisdocumentenstation, bedoeld in artikel 87. Tevens wijst de
burgemeester of de gezaghebber per aanvraagstationlocatie tenminste
twee ambtenaren aan die zullen functioneren als autorisatiebevoegde
aanvraagstation overeenkomstig de gebruikershandleiding bij het
aanvraagstation, bedoeld in artikel 87.
2. Van de
aanwijzing of de vervanging van een autorisatiebevoegde wordt terstond
met gebruikmaking van standaardformulier B3 melding gedaan aan het
agentschap BPR, die een registratie bijhoudt van de
autorisatiebevoegden en deze gegevens doorgeeft aan de leverancier.
3. De burgemeester
of de gezaghebber draagt er zorg voor, dat een autorisatiebevoegde in
staat wordt gesteld alle handelingen te verrichten die uit zijn taak
voortvloeien.
4. De
autorisatiebevoegden zijn rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan
de burgemeester of de gezaghebber.
Artikel 80. De identificatiekaart
1. Een
autorisatiebevoegde reisdocumentenstation krijgt van de leverancier
de beschikking over een identificatiekaart, waarmee op elektronische
wijze toegang kan worden verkregen tot het reisdocumentenstation en
de daarin opgeslagen programmatuur en gegevens.
2. De
autorisatiebevoegde reisdocumentenstation is, met inachtneming van de
gebruikershandleiding bij het reisdocumentenstation, bedoeld in
artikel 87, verantwoordelijk voor het aanvragen, de bewaring, de
uitgifte, de intrekking en het (autorisatie)beheer van de
identificatiekaarten van andere personen die bevoegd zijn tot het
verrichten van handelingen waarvoor toegang tot het
reisdocumentenstation is vereist. Hij geeft wijzigingen terstond door
aan de leverancier.
3. Met
inachtneming van het bepaalde in bijlage I kunnen extra
identificatiekaarten bij de leverancier worden nabesteld.
4. De
identificatiekaarten worden op naam uitgegeven.
5. De leverancier
houdt een registratie bij van de uitgegeven en ingetrokken
identificatiekaarten.
Artikel 80a. De opstartkaart
1. Per
aanvraagstationlocatie worden door de leverancier twee
opstartkaarten verstrekt, waarmee het aanvraagstation in werking kan
worden gesteld.
2. De
autorisatiebevoegde aanvraagstation is, met inachtneming van de
gebruikershandleiding bij het aanvraagstation, bedoeld in artikel 87,
verantwoordelijk voor de bewaring en het gebruik van de opstartkaart.
3. Bij defect of
verlies van een opstartkaart wordt terstond contact opgenomen met de
leverancier.
4. Een defecte
opstartkaart wordt terstond aan de leverancier toegestuurd.
5. De leverancier
houdt een registratie bij van de uitgegeven opstartkaarten. Tevens
registreert hij welke opstartkaarten vermist zijn.
Artikel 80b. Het mobiel
vingerafdrukopname-apparaat
1. De
burgemeester dan wel de gezaghebber, of de door hem daartoe
aangewezen ambtenaar wijst per uitgiftelocatie ten hoogste drie
ambtenaren aan die aanvragen in behandeling mogen nemen met behulp
van het mobiel vingerafdrukopname-apparaat overeenkomstig de
gebruikershandleiding bij het mobiel vingerafdrukopname-apparaat,
bedoeld in artikel 87.
2. De leverancier
verstrekt aan de autorisatiebevoegde aanvraagstation het wachtwoord
waarmee toegang tot het mobiel vingerafdrukopname-apparaat kan worden
verkregen en een authenticatiekaart waarmee het mobiel
vingerafdrukopname-apparaat in het locale netwerk van de
uitgiftelocatie kan worden aangesloten.
3. De
autorisatiebevoegde aanvraagstation brengt dit wachtwoord uitsluitend
ter kennis aan de aangewezen ambtenaren bedoeld in het eerste lid en
ziet er op toe dat het wachtwoord te allen tijde gescheiden van het
mobiel vingerafdrukopname-apparaat wordt bewaard. Alle betrokkenen
nemen alle daartoe noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het
wachtwoord bekend wordt. Indien het wachtwoord is zoekgeraakt of ter
kennis is gekomen van een onbevoegde wordt terstond contact opgenomen
met de leverancier.
4. Artikel 80a,
tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de
verstrekte authenticatiekaart.
Artikel 81. De tot ontvangst van zendingen
bevoegde ambtenaren bij de gemeenten
1. De
burgemeester of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar wijst per
uitgiftelocatie ten minste drie ambtenaren aan om zendingen van
reisdocumenten, bijschrijvingsstickers, identificatiekaarten en
foto- en handtekeningformulieren in ontvangst te nemen.
2. De aanmelding,
registratie en vervanging van de tot ontvangst bevoegde ambtenaren,
bedoeld in het eerste lid, vindt plaats bij de distributeur, met
gebruikmaking van de door de distributeur daartoe kosteloos
beschikbaar gestelde postmachtiging.
3. De
postmachtiging wordt gewaarmerkt met een afdruk van een dienststempel
als bedoeld in artikel 88, eerste lid, en de handtekening van de
burgemeester of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar.
4. De gemeente
bewaart een kopie van het in het derde lid genoemde formulier.
Artikel 82. De tot ontvangst van zendingen
bevoegde ambtenaren bij de openbare lichamen
1. De
gezaghebber of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar wijst ten
minste drie ambtenaren aan om zendingen van gepersonaliseerde
documenten in ontvangst te nemen.
2. De aanmelding,
registratie en vervanging van de tot ontvangst bevoegde ambtenaren,
bedoeld in het eerste lid, vindt plaats bij de transporteur.
§ 2. Aflevering van zendingen
Artikel 83. Aanmelding en registratie van
aanvraagstationlocaties en uitgiftelocaties
1. De
burgemeester dan wel de gezaghebber, of de door hem daartoe
aangewezen ambtenaar meldt met gebruikmaking van standaardformulier
B2 aan het agentschap BPR de aanvraagstationlocatie in zijn gemeente
of openbare lichaam waar één of meerdere aanvraagstations zijn
geplaatst alsmede de uitgiftelocatie waar de verzending van de
aanvragen naar de leverancier en de aflevering van de zendingen door
de distributeur of de transporteur plaatsvindt.
2. Indien
in de gemeente of het openbaar lichaam gebruik wordt gemaakt van
meerdere aanvraagstationlocaties en uitgiftelocaties als bedoeld in
het eerste lid, worden deze locaties, mits de beveiliging daarvan
voldoet aan de beveiligingseisen als bedoeld in hoofdstuk XII, op de
in het eerste lid aangegeven wijze, eveneens aangemeld.
3. Wijzigingen met
betrekking tot aanvraagstationlocaties en uitgiftelocaties worden, met
gebruikmaking van standaardformulier B2, uiterlijk drie maanden voor
het tijdstip waarop de wijziging ingaat, gemeld aan het agentschap BPR.
4. Het agentschap
BPR houdt een registratie bij van de ingevolge het eerste, tweede en
derde lid aangemelde aanvraagstationlocaties en uitgiftelocaties en
geeft deze gegevens door aan de leverancier.
5. De leverancier
wijst aan elke uitgiftelocatie een unieke locatiecode toe en meldt
deze terug aan het agentschap BPR en aan de burgemeester dan wel de
gezaghebber.
Artikel 84. Vastlegging tijdstip van aflevering
1. De
burgemeester of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar spreekt met
het bestelkantoor het tijdstip af waarop de zending wordt
afgeleverd.
2. De vastlegging
van de tijdstippen waarop een zending in een openbaar lichaam wordt
afgeleverd, geschiedt in overleg met de transporteur.
§ 3. Beheer van ontvangen
reisdocumenten en bijschrijvingsstickers
Artikel 85. Bewaring reisdocumenten en
bijschrijvingsstickers
1. De
reisdocumenten en bijschrijvingsstickers worden bewaard op de in
artikel 91 voorgeschreven wijze tot het tijdstip dat zij worden
uitgereikt, dan wel:
a. indien het een gemeente betreft, worden
opgehaald door de leverancier ingevolge artikel 46 of per
aangetekende post worden verstuurd ingevolge artikel 49 of 51;
b. indien het een openbaar lichaam betreft,
per aangetekende post, met gebruikmaking van modelformulier C10,
worden teruggestuurd aan de leverancier.
2. Aan de hand van
de gegevens in het reisdocumentenstation wordt nagegaan welke
reisdocumenten en bijschrijvingsstickers langer dan drie maanden na de
datum van verstrekking nog niet zijn uitgereikt, teneinde deze
ingevolge artikel 67 definitief aan het verkeer te onttrekken.
Artikel 86. Ontbrekende reisdocumenten en
bijschrijvingsstickers
1. Indien op
enig moment een reisdocument of bijschrijvingssticker na aflevering
en registratie daarvan in het reisdocumentenstation blijkt te
ontbreken, wordt terstond een inventarisatie opgemaakt van de nog
aanwezige reisdocumenten of bijschrijvingsstickers aan de hand van
de gegevens in het reisdocumentenstation.
2. De ontbrekende
reisdocumenten en bijschrijvingsstickers worden geregistreerd in het
reisdocumentenstation.
3. Artikel 48 is
van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Te gebruiken apparatuur,
programmatuur en overige materialen
Artikel 87. Reisdocumentenstation,
aanvraagstation, mobiel vingerafdrukopname-apparaat en
reisdocumentenmodule.
1. De
burgemeester of de gezaghebber maakt binnen het aanvraagsysteem
reisdocumenten gebruik van het reisdocumentenstation, het
aanvraagstation het mobiel vingerafdrukopname-apparaat en de overige
materialen, overeenkomstig het bepaalde in deze regeling en met
inachtneming van de bijgeleverde gebruikershandleidingen.
2. De burgemeester
of de gezaghebber draagt zorg voor de technische inrichting, de
werking en de beveiliging van de reisdocumentenmodule en de correcte
uitwisseling van de daarin opgenomen gegevens met het
reisdocumentenstation en de basisadministratie, overeenkomstig het
bepaalde in deze regeling en met inachtneming van de terzake door de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nader gegeven
voorschriften.
Artikel 88. Dienststempel en clausulestempel
1. Het
dienststempel is een inktstempel van een rond formaat met een
diameter van 15 mm, dat voorzien is van het gemeentewapen of het
wapen van het openbaar lichaam.
2. Voor
het ongedaan maken van een bijschrijving wordt een door de leverancier
beschikbaar gesteld clausulestempel gebruikt, dat in drie talen de
tekst “vervallen†bevat.
Artikel 89. Foto- en handtekeningformulieren en
andere standaardformulieren
1.
De
in artikel 38 bedoelde foto- en handtekeningformulieren worden vier
maal per jaar door de leverancier beschikbaar gesteld.
2. Het aantal
foto- en handtekeningformulieren dat jaarlijks beschikbaar wordt
gesteld, is gebaseerd op het jaarlijkse aantal aanvraagbestanden, dat
ingevolge artikel 42 vanuit de desbetreffende uitgiftelocatie aan de
leverancier is gezonden, in de periode tussen 1 oktober en 30
september, vermeerderd met vijf procent. De leverancier maakt
jaarlijks voor 1 november het aantal beschikbaar te stellen foto- en
handtekeningformulieren voor het volgende kalenderjaar en de
tijdstippen waarop deze worden afgeleverd, bekend aan de
uitgiftelocatie.
3. Indien tussen
twee aflevertijdstippen blijkt dat de voorraad foto- en
handtekeningformulieren ontoereikend zal zijn, kan met gebruikmaking
van modelformulier C8 een spoedbestelling worden gedaan. De omvang van
de spoedbestelling is niet groter dan noodzakelijk om de periode tot
het eerstvolgende aflevertijdstip te overbruggen.
4. De foto- en
handtekeningformulieren worden door de leverancier binnen tien
werkdagen na de spoedbestelling geleverd op de uitgiftelocatie
waarvoor de bestelling is gedaan.
5. De overige
standaardformulieren worden eenmalig door de leverancier ter
beschikking gesteld en kunnen desgewenst worden nabesteld.
6. De foto- en
handtekeningformulieren en andere standaardformulieren worden
kosteloos verstrekt.
Hoofdstuk XII. Beveiliging
Artikel 90. Algemeen
De met de uitvoering van de wet belaste
autoriteiten treffen maatregelen om de onder hen berustende
reisdocumenten, bijschrijvingsstickers, apparatuur, programmatuur,
opslagmedia, documentatie en overige materialen te beveiligen tegen
ontvreemding dan wel vernietiging ten gevolge van inbraak, diefstal,
verduistering, overvallen, brand of anderszins.
Artikel 91. Fysieke beveiliging
1.
Buiten
de werkuren worden de van de leverancier ontvangen reisdocumenten,
de ingehouden reisdocumenten, de bijschrijvingsstickers, de
opslagmedia, de documentatie en de overige materialen opgeslagen in
een inbraakvertragende en brandwerende voorziening, zoals een
gesloten inbraakwerende waardekast of kluis, met een
waardebergingsindicatie van € 1.000,-. Deze voorziening is in een
af te sluiten ruimte geplaatst.
2. De
plaatsen waar de reisdocumenten, de bijschrijvingsstickers, de
documentatie en de overige materialen zijn opgeslagen, alsmede de
ruimte waarin de apparatuur en de programmatuur zich bevinden, zijn
uitgerust met een electronisch inbraakalarmeringssysteem dat voorziet
in een zogenoemde permanente vaste-lijn-verbinding met een door de
rijksoverheid toegelaten alarmcentrale. Voor zover een openbaar
lichaam niet beschikt over een inbraakalarmeringssysteem, bedoeld in
de eerste zin van dit lid, dienen deze plaatsen en deze ruimte onder
permanente fysieke (24-uurs) bewaking te staan.
3. De apparatuur
en programmatuur, alsmede de tijdens de werkuren uit te reiken of
ingehouden reisdocumenten, de bijschrijvingsstickers en de te
gebruiken documentatie en overige materialen bevinden zich, onder
voortdurend toezicht, op een voor onbevoegden onbereikbare en
afsluitbare plaats.
4. In afwijking
van het eerste lid blijft de authenticatiekaart ook tijdens de
werkuren opgeslagen in de voorziening, bedoeld in het eerste lid. De
authenticatiekaart mag zich uitsluitend buiten de desbetreffende
voorziening bevinden op het moment dat deze nodig is om het mobiel
vingerafdrukopname-apparaat in het locale netwerk van de
uitgiftelocatie aan te sluiten.
5. In afwijking
van het tweede en derde lid, staat een aanvraagstation of een mobiel
vingerafdrukopname-apparaat gedurende de werkuren onder voortdurend
toezicht van degene die bevoegd is tot het gebruik ervan en bevindt
het zich buiten de werkuren in een voor onbevoegden onbereikbare,
afsluitbare en bij voorkeur beveiligde ruimte.
Artikel 92. Back-up en herstel van gegevens in
het aanvraagsysteem reisdocumenten
1. Van de in de
reisdocumentenmodule en de in het reisdocumentenstation opgeslagen
gegevens wordt dagelijks een back-up gemaakt. Na het maken van de
back-up wordt gecontroleerd of deze is geslaagd.
2. De bewaring van
de back-ups geschiedt zodanig, dat afwisselend een exemplaar op de
uitgiftelocatie wordt bewaard in de voorziening, bedoeld in artikel
91, eerste lid, terwijl een ander exemplaar elders wordt bewaard, in
een vergelijkbare voorziening als bedoeld in artikel 91, eerste lid,
zodat tegelijkertijd twee opeenvolgende back-ups op verschillende
plaatsen voorhanden zijn.
3. De
verstrekkende autoriteit beschikt over een op schrift gestelde
procedure inzake back-up en herstel, die er in voorziet dat
reconstructie van de gegevens mogelijk is.
Artikel 93. Beveiligingsprocedure en
beveiligingsfunctionaris
1. De
verstrekkende autoriteit beschikt over een op schrift gestelde
beveiligingsprocedure. In deze beveiligingsprocedure worden in ieder
geval maatregelen vastgelegd inzake:
a. de ontvangst, het transport, de bewaring en
het beheer van de van de leverancier ontvangen reisdocumenten, de
ingehouden reisdocumenten, de bijschrijvingsstickers, de apparatuur,
de programmatuur, de documentatie en de overige materialen;
b. de verantwoordelijkheden van de
beveiligingsfunctionaris als bedoeld in het tiende lid;
c. de functiescheiding tussen de bij de
verstrekking, het beheer en de uitreiking van de reisdocumenten en
bijschrijvingsstickers betrokken functionarissen;
d. de beveiliging van het aanvraagsysteem
reisdocumenten, onder meer gericht op het voorkomen van onbevoegde
toegang of gebruik van gegevens die in het systeem of tot het
systeem behorende opslagmedia zijn opgenomen.
2. Indien het als
gevolg van de omvang van het ambtelijk apparaat niet mogelijk is om te
allen tijde te voldoen aan de in het eerste lid, onder c, gestelde eis
van functiescheiding, kan daarvan met inachtneming van het derde en
vierde lid, worden afgeweken.
3. In de situatie,
bedoeld in het tweede lid, wordt schriftelijk vastgelegd:
a. de reden waarom tijdelijk niet aan de eis
van functiescheiding kan worden voldaan;
b. de periode waarin niet aan de eis van
functiescheiding wordt voldaan;
c. de namen van de ambtenaren die in de onder
b bedoelde periode zijn belast met de verstrekking, het beheer en de
uitreiking van de reisdocumenten en bijschrijvingsstickers.
4. Na afloop van
de periode, bedoeld in het derde lid, controleert de daartoe
aangewezen ambtenaar, die in de desbetreffende periode niet betrokken
is geweest bij de verstrekking, het beheer en de uitreiking van de
reisdocumenten en bijschrijvingsstickers, of de schriftelijke
vastlegging, bedoeld in het derde lid, aanwezig is en de verstrekking,
het beheer en de uitreiking op de voorgeschreven wijze hebben
plaatsgevonden. In het geval er sprake is van onregelmatigheden wordt
gehandeld overeenkomstig artikel 95.
5. De
burgemeester of de gezaghebber draagt zorg, dat de bij de uitvoering
van de wet betrokken ambtenaren regelmatig worden geïnformeerd over
ontvreemdingsrisico's en ten minste één maal per jaar worden
geïnstrueerd met betrekking tot risicobeperkende afspraken en
maatregelen terzake.
6. De
beveiligingsprocedure wordt jaarlijks geëvalueerd en zo nodig
aangepast.
7. Ten
behoeve van het opstellen en evalueren van de beveiligingsprocedure
wordt gebruik gemaakt van de door het Agentschap BPR daarvoor
beschikbaar gestelde hulpmiddelen. Afwijkingen van de
beveiligingsvoorschriften worden schriftelijk vastgelegd en ten minste
vijf jaren naast de beveiligingsprocedure bewaard.
8. De burgemeester
of de gezaghebber wijst een beveiligingsfunctionaris aan die belast is
met het beheer van en het toezicht op de naleving van de
beveiligingsprocedure.
9. Van de
aanwijzing of de vervanging van de beveiligingsfunctionaris wordt
terstond melding gedaan aan het agentschap BPR met gebruikmaking van
standaardformulier B5.
10. De functie van
beveiligingsfunctionaris is niet verenigbaar met het verrichten van
andere handelingen ter uitvoering van de wet.
11. De taken en
verantwoordelijkheden van de beveiligingsfunctionaris worden
vastgelegd in een functieomschrijving.
12. De
burgemeester of de gezaghebber draagt er zorg voor dat de
beveiligingsfunctionaris in staat wordt gesteld alle handelingen te
verrichten die uit zijn taak voortvloeien.
13. De
beveiligingsfunctionaris is rechtstreeks verantwoording verschuldigd
aan de burgemeester of de gezaghebber.
14. Indien bij de
aanvraag geen gebruik wordt gemaakt van het aanvraagstation wordt in
afwijking van het vierde lid als volgt gehandeld:
a. In de periode, bedoeld in het derde lid,
worden met betrekking tot de aangevraagde en uitgereikte
reisdocumenten en bijschrijvingen de aanvraagformulieren bewaard en
afschriften gemaakt van de gegevens die over deze documenten in het
reisdocumentenstation zijn opgenomen.
b. Na afloop van de periode, bedoeld in het
derde lid, controleert de daartoe aangewezen ambtenaar, die in de
desbetreffende periode niet betrokken is geweest bij de
verstrekking, het beheer en de uitreiking van de reisdocumenten en
bijschrijvingsstickers, of de schriftelijke vastlegging, bedoeld in
het derde lid, alsmede de aanvraagformulieren en afschriften,
bedoeld in onderdeel a, aanwezig zijn, en de verstrekking, het
beheer en de uitreiking op de voorgeschreven wijze hebben
plaatsgevonden. In het geval er sprake is van onregelmatigheden
wordt gehandeld overeenkomstig artikel 95.
Artikel 94. Controle op de toepassing van de
beveiligingsmaatregelen
1. De
burgemeester of de gezaghebber voert een keer per jaar een controle
uit op de toepassing van de beveiligingsmaatregelen, genoemd in de
artikelen 90 tot en met 93.
2. Bij de controle
en de verslaglegging wordt gebruik gemaakt van de daarvoor door het
agentschap BPR beschikbaar gestelde hulpmiddelen.
3. De burgemeester
of de gezaghebber laat een keer per drie jaar een onderzoek uitvoeren
door een deskundige met kennis van zaken op het terrein van auditing,
die niet betrokken is of is geweest bij de beleidsvoorbereiding,
planvorming of feitelijke uitvoering van de reisdocumentuitgifte of
daarmee verband houdende beveiligingsmaatregelen in de gemeente of in
het openbaar lichaam. Het onderzoek heeft betrekking op de wijze
waarop uitvoering is gegeven aan het eerste en tweede lid, alsmede op
de werking van beveiligingsmaatregelen in de praktijk.
4. De deskundige
voert het onderzoek uit aan de hand van het onderzoeksprotocol en de
toepasselijke vragenlijst zoals die zijn opgenomen in bijlage K. Voor
het invullen van de vragenlijst wordt gebruik gemaakt van de daartoe
door het agentschap BPR beschikbaar gestelde internetfaciliteiten. Met
behulp van deze internetfaciliteiten wordt tevens de definitieve
versie van de ingevulde vragenlijst op elektronische wijze aan het
agentschap BPR toegezonden.
5. De burgemeester
of de gezaghebber biedt de elektronische versie van de ingevulde
vragenlijst, bedoeld in het vierde lid, door middel van een
aanbiedingsbrief volgens modelformulier C13 aan het agentschap BPR
aan, vergezeld van een door de deskundige ondertekende schriftelijke
verklaring volgens modelformulier C14, waarin wordt vermeld dat deze
instaat voor de juistheid van de in het kader van het onderzoek
verstrekte gegevens.
6. Het agentschap
BPR kan in aanvulling op het in het derde lid bedoelde onderzoek
steekproefsgewijze een nader onderzoek uitvoeren.
Artikel 95. Ontvreemding of vernietiging
1. In het geval
van ontvreemding dan wel vernietiging van reisdocumenten,
bijschrijvingsstickers, apparatuur, programmatuur, opslagmedia,
documentatie en overige materialen ten gevolge van inbraak,
diefstal, verduistering, overvallen, brand of anderszins dient de
met de uitvoering van de wet belaste autoriteit daarvan terstond
aangifte te doen bij de plaatselijke politie en tevens terstond het
agentschap BPR daarvan in kennis te stellen.
2. De
in het eerste lid bedoelde autoriteit zendt het agentschap BPR
vervolgens binnen één werkdag, eventueel per fax, een schriftelijke
kennisgeving waarin de navolgende gegevens zijn opgenomen:
a. het tijdstip en de exacte toedracht van de
ontvreemding of vernietiging;
b. de nummers van de ontvreemde of vernietigde
reisdocumenten en bijschrijvingsstickers, alsmede de daarin vermelde
persoonsgegevens;
c. de ontvreemde of vernietigde apparatuur,
programmatuur, opslagmedia, documentatie en overige materialen met
de eventueel daarop vermelde nummers.
3. Zodra het
door de plaatselijke politie opgemaakte proces-verbaal beschikbaar
is, wordt daarvan een afschrift gezonden aan het agentschap BPR.
Hoofdstuk XIII. Voorkoming en bestrijding van
misbruik met reisdocumenten
Artikel 96. Aanschrijving tot inlevering van
reisdocumenten
Onverminderd de eigen verantwoordelijkheid van
de houder van een reisdocument ingevolge de wet, draagt de
burgemeester of de gezaghebber er bij wijze van faciliteit zorg voor
dat de persoon, die blijkens de basisadministratie van zijn gemeente
of openbare lichaam als ingezetene is ingeschreven en houder is van
een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur binnenkort zal verlopen,
schriftelijk wordt gewezen op het verstrijken van de
geldigheidstermijn, de verplichting het reisdocument in te leveren en
de mogelijkheid om een nieuw reisdocument aan te vragen.
Artikel 97. Onderzoek op onregelmatigheden en
melding
1. De
burgemeester of de gezaghebber die in verband met een handeling op
grond van deze regeling enig Nederlands reis- of identiteitsdocument
krijgt overgelegd, gaat aan de hand van de door de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekte lijst van
toetsingspunten na of met het desbetreffende reisdocument enige
onregelmatigheid is gepleegd.
2. Indien het
vermoeden bestaat dat met een overgelegd reisdocument enige
onregelmatigheid is gepleegd, wordt daarvan met gebruikmaking van
modelformulier C5 melding gemaakt aan het Expertise Centrum
Identiteitsfraude en Documenten van de Koninklijke Marechaussee.
Artikel 98. Aangifte bij de politie en
definitieve onttrekking aan het verkeer
1. Indien het
vermoeden bestaat dat de met het reisdocument gepleegde
onregelmatigheden strafbare feiten opleveren en de vermoedelijke
dader bekend is, wordt daarvan onder gelijktijdige overlegging van
het desbetreffende reisdocument aangifte gedaan bij de plaatselijke
politie. In het geval de vermoedelijke dader niet bekend is, wordt
het desbetreffende reisdocument per aangetekende post met
gebruikmaking van modelformulier C5 aan het Expertise Centrum
Identiteitsfraude en Documenten van de Koninklijke Marechaussee
gezonden.
2. De burgemeester
of de gezaghebber die van mening is dat met het reisdocument
onregelmatigheden zijn gepleegd die geen strafbare feiten opleveren,
onttrekt dit document op de in artikel 67 bedoelde wijze definitief
aan het verkeer.
Hoofdstuk XIV. Verantwoording
Artikel 99
1. De aan het
Rijk verschuldigde kosten worden vastgesteld aan de hand van de
aanvraagbestanden die met gebruikmaking van het
reisdocumentenstation aan de leverancier zijn verzonden.
2. Het college van
burgemeester en wethouders stelt het agentschap BPR op de hoogte van:
a. het verlenen van gehele of gedeeltelijke
kwijtschelding van rechten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van
het Besluit paspoortgelden, door het zenden van een afschrift van de
beschikking waarbij de kwijtschelding is verleend;
b. een situatie waarin een spoedlevering niet
binnen de gestelde periode heeft plaatsgevonden, dan wel de met
spoed geleverde reisdocumenten of bijschrijvingsstickers niet op de
juiste wijze blijken te zijn vervaardigd, door het zenden van een
daarop betrekking hebbende en door de leverancier geverifieerde
mededeling.
3. Het
bestuurscollege stelt het agentschap BPR op de hoogte van het verlenen
van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van rechten als bedoeld in
in artikel 2a, tweede lid, van het Besluit paspoortgelden, door het
zenden van een afschrift van de beschikking waarbij de kwijtschelding
is verleend.
Artikel 100. Reviewrecht accountant
Ten behoeve van de controle op de
juistheid en volledigheid van de bedragen die terzake van de
verschuldigde kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a,
van de wet aan het Rijk zijn afgedragen, is het college van
burgemeester en wethouders of het bestuurscollege verplicht
desgevraagd aan de door de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties krachtens artikel 66 van de Comptabiliteitswet
2001 daartoe aangewezen ambtenaren de voor deze controle benodigde
informatie te verschaffen. Deze ambtenaren kunnen tevens informatie
inwinnen bij de in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet en
artikel 38, derde lid, van de Wet financiën openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba bedoelde registeraccountants.
Hoofdstuk XIVa. De verstrekking van
nooddocumenten in de openbare lichamen
§ 1. Aanspraak en geldigheid
nooddocumenten
Artikel 100a. Aanspraak
1. Het
verstrekken van een nooddocument kan uitsluitend geschieden ten
behoeve van een aanvrager ten aanzien van wie, vanwege aantoonbare
medische of humanitaire redenen, voldoende aannemelijk is dat zijn
reis geen uitstel gedoogt, en die niet in staat moet worden geacht
op tijd een ander geldig reisdocument te verkrijgen.
2. In
verband met het eerste lid wordt van de aanvrager overlegging van
bescheiden verlangd waaruit de medische of humanitaire redenen en de
spoedeisendheid van de reis kunnen worden afgeleid, zoals bewijzen van
de noodzakelijkheid van een ziekenhuisopname van betrokkene, dan wel
van ziekenhuisopname of overlijden van familieleden van betrokkene,
uitnodigingen van officiële instanties, alsmede vervoersbewijzen of
hotelreserveringen die met het voorgaande verband houden.
Artikel 100b. Geldigheid
1.
Een
nooddocument is maximaal een jaar geldig.
2. Bij het
vaststellen van de geldigheidsduur wordt rekening gehouden met de duur
van de reis, alsmede de door het land van bestemming en de landen van
doorreis vereiste minimale geldigheid van het reisdocument na
binnenkomst, dan wel vertrek van de houder.
3. De territoriale
geldigheid van een noodpaspoort omvat alle landen.
4. De territoriale
geldigheid van een laissez-passer omvat het land van bestemming en de
landen waarvan de houder op zijn doorreis de grens passeert, behoudens
het bepaalde in het vijfde lid.
5. Indien de
verstrekking van een laissez-passer geschiedt ten behoeve van een
vreemdeling, omvat de territoriale geldigheid nimmer het land waarvan
de houder de nationaliteit bezit.
§ 2. Aanvraagprocedure
Artikel 100c. Verificatie identiteit,
nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie
1. Op
het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit, de
nationaliteit en, voor zover het een vreemdeling betreft, tevens de
verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager, zijn de artikelen 9,
11 en 12, eerste en tweede lid, met uitzondering van onderdeel II,
derde lid en artikel 22, met uitzondering van het derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
2. Indien
de aanvrager als ingezetene is ingeschreven in een basisadministratie
van een ander openbaar lichaam, in de basisadministratie van Aruba,
Curaçao of Sint Maarten, dan wel in de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens vindt zover mogelijk verificatie
van diens identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie in
die basisadministratie plaats.
Artikel 100d. Het opmaken van de aanvraag
1.
Op
het opmaken van de aanvraag voor een nooddocument zijn de artikelen
21, met uitzondering van het vierde lid, 23, met uitzondering van
het achtste lid, 26, met uitzondering van het tweede lid, 27, met
uitzondering van het zesde lid, 28, 29, 30, 31 en 32 van
overeenkomstige toepassing.
2. Op het opnemen
van de foto en de handtekening van de aanvrager is artikel 38, met
uitzondering van het vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 100e. Beslissing op de aanvraag en
machtiging tot verstrekking
1. Indien de
aanvraag voor een nooddocument betrekking heeft op een Nederlander
dan wel op een als ingezetene in de basisadministratie van een
openbaar lichaam ingeschreven vreemdeling die recht heeft op
verstrekking van een reisdocument als bedoeld in artikel 11 of 13
van de wet, beslist de gezaghebber of het aangevraagde nooddocument
kan worden uitgereikt, onverminderd het bepaalde in het derde lid.
2. In alle andere
dan de in het eerste lid bedoelde gevallen vindt verstrekking van een
nooddocument door de gezaghebber slechts plaats na machtiging van de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan wie
daartoe per fax of op een andere beveiligde wijze een kopie van de
aanvraaggegevens, waaronder het formulier C1, ter beschikking wordt
gesteld.
3. De gezaghebber
die een aanvraag in behandeling neemt betreffende een persoon die
blijkens de in artikel 5 bedoelde administratie in het register
paspoortsignaleringen is vermeld, legt deze aanvraag onverwijld voor
aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die
beslist of hij de gezaghebber machtigt om tot verstrekking van een
nooddocument over te gaan.
Artikel 100f. Afhandeling van de aanvraag na de
beslissing
1. De daartoe
aangewezen ambtenaar vermeldt na de beslissing dat het nooddocument
kan worden verstrekt, in de aanvraag:
a. het gegeven dat de verstrekking heeft
plaatsgevonden;
b. de datum van de verstrekking;
c. de datum waarop de geldigheidsduur van het
uit te reiken nooddocument eindigt;
d. de verstrekkende autoriteit.
2. Indien sprake
is van een aanvraag als bedoeld in artikel 100e, derde lid, of een
aanvraag voor een laissez-passer, wordt in de aanvraag vermeld voor
welke landen het nooddocument geldig is.
Artikel 100g. Vastlegging aanvraaggegevens, foto
en handtekening
1. De daartoe
aangewezen ambtenaar draagt zorg dat de aanvraaggegevens in het
reisdocumentenstation en de foto en handtekening in het
aanvraagstation worden vastgelegd.
2. De in het
aanvraagstation vastgelegde gegevens worden verwerkt en doorgezonden
naar het reisdocumentenstation.
3. Indien de
beslissing op de aanvraag ingevolge artikel 100e, tweede of derde lid,
is aangehouden, worden de in de artikel 100f genoemde gegevens in het
reisdocumentenstation vastgelegd, nadat de verstrekking heeft
plaatsgevonden.
Artikel 100h. Vastlegging tijdstip en autoriteit
van inlevering nooddocument
1. Na de
verstrekking worden de datum waarop het nooddocument uiterlijk moet
worden ingeleverd en de autoriteit bij wie de inlevering dient
plaats te vinden, in het reisdocumentenstation vastgelegd.
2. De in het
eerste lid bedoelde datum is de datum waarop de geldigheidsduur van
het nooddocument eindigt.
3. De ingevolge
het eerste lid te vermelden autoriteit is:
a. de burgemeester of de gezaghebber van de
woon- of verblijfplaats van de houder, dan wel
b. de door de Gouverneur van Aruba,
Curaçao of Sint Maarten aangewezen autoriteit, bevoegd tot het in
ontvangst nemen van aanvragen voor nationale paspoorten, indien de
houder in Aruba, Curaçao of Sint Maarten woonachtig is, dan wel
c. de Gouverneur van Aruba, Curaçao of
Sint Maarten, indien de houder het nieuwe reisdocument bij de
Gouverneur zal aanvragen, dan wel
d. het hoofd van de Nederlandse consulaire post
in het buitenland, waar de houder het nieuwe reisdocument zal
aanvragen.
§ 3. Personaliseren en uitreiking
Artikel 100i. Personaliseren
1. De
daartoe aangewezen ambtenaar controleert het aanvraagbestand in het
reisdocumentenstation op volledigheid en autoriseert het gebruik van
dit bestand voor het personaliseren van het nooddocument.
2. Het
personaliseren van een noodpaspoort geschiedt met behulp van het in
het reisdocumentenstation opgenomen aanvraagbestand en met
gebruikmaking van de daartoe bestemde reisdocumentenprinter,
overeenkomstig de gebruikershandleiding bij het reisdocumentenstation.
3. Het
personaliseren van een laissez-passer geschiedt door de gegevens met
de pen op onuitwisbare wijze in de daartoe bestemde rubrieken van het
reisdocument in te vullen, overeenkomstig de in bijlage J opgenomen
invulinstructie laissez-passer. Vervolgens wordt op de in de
invulinstructie aangegeven wijze de autoriteit vermeld, die het
document heeft verstrekt en het laissez-passer gewaarmerkt met het in
artikel 88 bedoelde dienststempel.
4. Na het
personaliseren van het nooddocument wordt het bijbehorende laminaat
over de houderpagina aangebracht.
Artikel 100j. Uitreiking en registratie in het
reisdocumentenstation
1. Tot
uitreiking van het aangevraagde nooddocument wordt slechts
overgegaan, nadat de identiteit van de aanvrager in zijn
aanwezigheid is vastgesteld en de aanvrager de in het document
weergegeven persoonsgegevens op juistheid heeft gecontroleerd,
tenzij artikel 28, derde lid, van de wet van toepassing is.
2. De daartoe
aangewezen ambtenaar registreert de uitreiking van het nooddocument in
het reisdocumentenstation.
3. Indien bij de
uitreiking blijkt dat het nooddocument is beschadigd, onjuist is
geproduceerd of gepersonaliseerd dan wel uit de opslag is verdwenen,
wordt dit in het reisdocumentenstation geregistreerd.
4. Indien het
nooddocument niet binnen drie maanden, nadat het voor uitreiking
beschikbaar is gesteld, door de aanvrager in ontvangst is genomen,
wordt dit geregistreerd in het reisdocumentenstation.
§ 4. Administratie nooddocumenten en
verstrekking van gegevens daaruit
Artikel 100k. Administratie van nooddocumenten
1. De
gezaghebber voert een administratie van de door hem verstrekte
nooddocumenten.
2. De in het
eerste lid bedoelde administratie wordt bijgehouden in het
reisdocumentenstation, voor zover het de daarin overeenkomstig de
artikelen 100g en 100j opgenomen gegevens betreft.
3. De overige
gegevens met betrekking tot de aanvraag, verstrekking en uitreiking
worden als afzonderlijke documenten in de administratie opgenomen op
een wijze die raadpleging in samenhang met de in het tweede lid
bedoelde gegevens mogelijk maakt.
4. De in de
administratie opgenomen gegevens worden gedurende elf jaren na de
datum van verstrekking van het betreffende nooddocument bewaard.
Artikel 100l. Verstrekking van gegevens
Artikel 73 is van overeenkomstige toepassing op
de verstrekking van gegevens uit de administratie van nooddocumenten.
§ 5. Bestelling, aflevering en beheer
van nooddocumenten
Artikel 100m. De tot bestelling en ontvangst van
blanco documenten bevoegde ambtenaren
1. De
gezaghebber of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar wijst ten
minste drie ambtenaren aan om namens hem bestellingen te doen van
blanco noodpaspoorten en laissez-passer's bij de leverancier en
tevens drie ambtenaren om leveringen daarvan in ontvangst te nemen.
2. De aanmelding
van de tot bestelling en van de tot ontvangst bevoegde ambtenaren,
bedoeld in het eerste lid, alsmede wijzigingen in deze gegevens, vindt
plaats bij het agentschap BPR, met gebruikmaking van de
standaardformulieren B6 en B7.
3. Het ingevulde
registratieformulier wordt gewaarmerkt met een afdruk van het in
artikel 88 bedoelde dienststempel.
4. Het agentschap
BPR houdt een registratie bij van de ingevolge het eerste lid
aangemelde personen en geeft deze gegevens door aan de leverancier.
Artikel 100n. Bestelling en aflevering
nooddocumenten
1. De
nooddocumenten worden met gebruikmaking van modelformulier C11 door
de daartoe aangewezen ambtenaar maximaal vier maal binnen een jaar
bij de leverancier besteld. De bestelopdracht wordt gesteld op
briefpapier van het openbaar lichaam en, na ondertekening van de
daartoe aangewezen ambtenaar, gewaarmerkt met een afdruk van het in
artikel 88 bedoelde dienststempel.
2. Het aantal
blanco noodpaspoorten en laissez-passer's dat binnen een jaar kan
worden besteld, wordt bepaald door de leverancier en is gebaseerd op
het jaarlijkse aantal verstrekte documenten, in de periode tussen 1
oktober en 30 september, vermeerderd met vijf procent. De leverancier
maakt jaarlijks voor 1 november het aantal te bestellen nooddocumenten
voor het daaropvolgende jaar bekend aan de gezaghebber.
3. Indien tussen
twee bestellingen blijkt dat de voorraad noodpaspoorten dan wel
laissez-passer's ontoereikend zal zijn, kan een opdracht voor een
spoedbestelling worden geplaatst. De opdracht voor een spoedbestelling
kan slechts worden gedaan, nadat in overleg met de leverancier is
vastgesteld dat het aflevertijdstip van de eerstvolgende
bestelopdracht niet kan worden vervroegd. De omvang van de
spoedbestelling is niet groter dan noodzakelijk om de periode tot de
levering van de eerstvolgende bestelling te overbruggen.
4. Alvorens een
bestelopdracht te plaatsen, wordt nagegaan of de in artikel 100m
bedoelde gegevens nog juist zijn.
5. Indien gegevens
zijn gewijzigd, dient het nieuwe registratieformulier minstens vijf
werkdagen voor het plaatsen van een nieuwe bestelopdracht in het bezit
van het agentschap BPR te zijn.
6. De bestelling
wordt door de leverancier bevestigd door toezending van een
leveringsbevestiging aan de gezaghebber.
7. De
daadwerkelijke aflevering vindt gemiddeld maximaal tien werkdagen na
de op de leveringsbevestigingen vermelde dagtekening plaats door de
transporteur.
8. Bij aflevering
ondertekent de tot ontvangst bevoegde persoon, bedoeld in artikel
100m, eerste lid, de strook die aan de leveringsbevestiging is
gehecht.
9. De tot
ontvangst bevoegde persoon legitimeert zich, op verzoek van de
transporteur, met een binnen het koninkrijk uitgegeven reisdocument of
rijbewijs.
10. De aflevering
van de zending vindt plaats in de kluisruimte. Indien aflevering in de
kluisruimte niet mogelijk of niet doelmatig is, vindt aflevering
plaats in een voor het publiek afgesloten ruimte zo dicht mogelijk bij
de kluis.
11. De tot
ontvangst bevoegde persoon controleert in het bijzijn van de
transporteur aan de hand van de leveringsbevestiging het aantal
pakketten alsmede de verzegeling. Indien de zending niet voor de
gezaghebber bestemd is, afwijkingen vertoont, beschadigd is dan wel
documenten ontbreken, wordt hiervan aantekening gemaakt op de aan de
leveringsbevestiging gehechte strook en het agentschap BPR hiervan
terstond in kennis gesteld.
12. De ingevulde
en ondertekende strook wordt aan de transporteur overhandigd.
13. Indien de
persoon die de zending in ontvangst neemt zich desgevraagd niet of
niet voldoende kan legitimeren dan wel onvoldoende zekerheid bestaat
met betrekking tot zijn bevoegdheid om de zending in ontvangst te
nemen, dan wel om enige andere reden door een handelen of nalaten van
de gezaghebber een veilige aflevering niet mogelijk is, draagt de
transporteur de zending niet over.
Artikel 100o. Ontvangst, veiligstellen en
controle ontvangen nooddocumenten
1. Na ontvangst
van de zending wordt deze terstond veilig gesteld. Indien de
aflevering niet aan de kluis geschiedt, ziet de ambtenaar die de
zending in ontvangst heeft genomen erop toe, dat de zending terstond
in de kluis wordt opgeslagen.
2. De bij de
zending gevoegde ontvangstbevestiging wordt na vergelijking van de
verpakkingseenheden van de zending met de opgave in de
leveringsbevestiging binnen vijf werkdagen na aflevering van de
zending, aan de leverancier geretourneerd.
3. De
controle van de inhoud van de verpakkingseenheden als bedoeld in het
tweede lid geschiedt door de tot ontvangst bevoegde persoon, en
tenminste één andere persoon. Van de controle wordt een
proces-verbaal opgemaakt, dat bij de in artikel 100p bedoelde
voorraadadministratie wordt gearchiveerd.
4. Bij
constatering van afwijkingen tussen de inhoud van de zending en de
opgave in de leveringsbevestiging wordt terstond contact opgenomen met
de leverancier. De geconstateerde afwijkingen worden schriftelijk
medegedeeld aan het agentschap BPR.
Artikel 100p. Voorraadadministratie
nooddocumenten
1. De
gezaghebber houdt een voorraadadministratie bij van de aan hem
beschikbaar gestelde nooddocumenten.
2. Uit de
voorraadadministratie dient, uitgesplitst naar soort, aan de hand van
de documentnummers te allen tijde te blijken hoeveel nooddocumenten:
a. in de voorraad aanwezig zijn;
b. aan de voorraad zijn toegevoegd;
c. aan de voorraad zijn onttrokken in verband
met uitreiking;
d. zijn verschreven, gestolen, vermist of
anderszins als onbruikbaar moeten worden beschouwd.
3. Met betrekking
tot de uitgereikte nooddocumenten wordt per opeenvolgend
documentnummer apart geregistreerd aan wie uitreiking van het
desbetreffende nooddocument heeft plaatsgevonden.
4. De gezaghebber
houdt de voorraadadministratie bij in het reisdocumentenstation.
Artikel 100q. Inventarisatie van de voorraad
1.
Eén
maal per jaar wordt het aantal in voorraad zijnde blanco
nooddocumenten met vermelding van soort en documentnummer
vastgesteld.
2. Indien
op enig moment een omissie in de voorraad of in de administratie wordt
geconstateerd, maakt de gezaghebber terstond een inventarisatie op van
de aanwezige nooddocumenten.
3. De
inventarisatie wordt opgesteld door tenminste twee personen.
4. Van de
inventarisatie wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat naar het
agentschap BPR wordt gezonden.
Artikel 100r. Verbruik van nooddocumenten
1. De blanco
nooddocumenten worden in volgorde van de nummers verbruikt.
2. Het is een tot
verstrekking bevoegde autoriteit niet toegestaan nooddocumenten te
verbruiken die aan een andere autoriteit daartoe ter beschikking zijn
gesteld.
Artikel 100s. Verantwoording nooddocumenten
1. De
gezaghebber verstrekt, met gebruikmaking van modelformulier C12, een
keer per kwartaal een schriftelijke verantwoording van het totale
voorraadverloop met betrekking tot nooddocumenten over het
voorgaande jaar aan het agentschap BPR.
2. Deze
verantwoording bevat, uitgesplitst naar noodpaspoorten en
laissez-passer's:
a. de totale voorraad blanco nooddocumenten
aan het begin van het kwartaal;
b. de in de loop van het kwartaal aan de
voorraad toegevoegde blanco nooddocumenten;
c. de in de loop van het kwartaal aan de
voorraad onttrokken nooddocumenten die zijn uitgereikt;
d. de in de loop van het kwartaal aan de
voorraad onttrokken nooddocumenten die niet zijn uitgereikt, omdat
zij zijn verschreven, gestolen, vermist of anderszins als
onbruikbaar moeten worden beschouwd;
e. de totale voorraad blanco nooddocumenten
aan het einde van het kwartaal.
3. Nooddocumenten
die onjuist blijken te zijn geproduceerd of beschadigd worden met het
in het eerste lid bedoelde verantwoordingsformulier meegezonden aan de
leverancier.
4. Nooddocumenten
die als gevolg van verschrijvingen of anderszins onbruikbaar zijn
geworden, worden definitief aan het verkeer onttrokken door ze
deugdelijk te vernietigen op de in artikel 67, tweede lid, aangegeven
wijze.
5. Het in het
eerste lid bedoelde verantwoordingsformulier wordt ondertekend door of
namens de gezaghebber.
Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 101. Geldigheid van reisdocumenten
verstrekt voor de inwerkingtreding van deze regeling
De reisdocumenten die voor de inwerkingtreding
van deze regeling zijn verstrekt, behouden de geldigheid die daarin is
vermeld.
Artikel 102. Raadpleging originele
aanvraagformulieren
1. Indien
ingevolge artikel 9 of 22 raadpleging moet plaatsvinden van
gegevens, behorende bij een reisdocument dat is uitgereikt voor de
inwerkingtreding van deze regeling, verstrekt de autoriteit bij wie
de gegevens in de reisdocumentenadministratie berusten op verzoek
van de autoriteit die de aanvraag in ontvangst neemt kosteloos het
originele aanvraagformulier, behorende bij het desbetreffende
reisdocument. Alvorens tot verstrekking van het originele
aanvraagformulier wordt overgegaan, maakt de desbetreffende
autoriteit daarvan een kopie die in zijn reisdocumentenadministratie
wordt bewaard, waarop wordt aangetekend aan welke autoriteit het
originele aanvraagformulier is verstrekt.
2. Na vergelijking
wordt het originele aanvraagformulier bewaard als onderdeel van de
reisdocumentenadministratie, behorende bij het uitgereikte nieuwe
reisdocument. Indien geen nieuw reisdocument wordt uitgereikt, zendt
de autoriteit die de aanvraag in behandeling heeft genomen het
originele aanvraagformulier terug naar de autoriteit die het heeft
verstrekt.
Artikel 103. Ongedaan maken bijschrijving in
reisdocumenten verstrekt voor de inwerkingtreding van deze regeling
In afwijking van artikel 69, onder a, vindt het
ongedaan maken van een bijschrijving in een reisdocument dat voor de
inwerkingtreding van deze regeling is verstrekt, plaats door deze
bijschrijving met de pen op onuitwisbare wijze door te halen, het
plaatsen van de clausule "Wijziging/doorhaling goedgekeurd d.d.
<datum> en waarmerking van de doorhaling met het in artikel 88,
eerste lid, bedoelde dienststempel, voorzien van de paraaf van de
burgemeester of de daartoe aangewezen ambtenaar".
Artikel 104 [Vervallen per 10-10-2010]
Artikel 105. Ingebruikneming
aanvraagsysteem reisdocumenten
De burgemeester of de gezaghebber is slechts
bevoegd van een aanvraagsysteem reisdocumenten in zijn gemeente of
openbaar lichaam gebruik te maken nadat uit een daartoe door de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingesteld
onderzoek is gebleken, dat aan het bepaalde in artikel 87, tweede lid,
wordt voldaan.
Artikel 106 [Vervallen per 21-09-2009]
Artikel 107. Intrekking
Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 1995
De Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 1995
wordt ingetrokken.
Artikel 108. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1
oktober 2001.
Artikel 109. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als:
Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001.
Deze regeling zal in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister voor Grotesteden- en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel.
Voor de bijlagen klik hier