| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Rijkswet
Onderzoeksraad voor veiligheid
BESLUIT
ONDERZOEKSRAAD VOOR VEILIGHEID
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 10 december 2004, houdende regels ter
uitvoering van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid (Besluit
Onderzoeksraad voor veiligheid)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van 14 juni 2004, nr. PRO 2004/67265,
Directoraat-generaal Veiligheid, project PRO;
Gelet op Richtlijn nr. 94/56/EG van de Raad van
de Europese Unie van 23 november 1994 houdende vaststelling van de
grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de
burgerluchtvaart (PbEG L 319), Richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad
van de Europese Unie van 9 december 1996 betreffende de beheersing van
de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn
betrokken (PbEG L 010), Richtlijn nr. 2002/59/EG inzake de
invoering van een communautair monitorings- en informatiesysteem voor de
zeescheepvaart (PbEG L 208) en Richtlijn nr. 1999/35/EG van de
Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van
verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde
diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen (PbEG
L 138) alsmede de artikelen 5, 28, 54, 56, tweede lid, 59, derde lid,
67, 68, 77, 78 en 96, eerste lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor
veiligheid;
De Raad van State gehoord (advies van 2
september 2004, nr. W04.04.0254/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 december 2004, nr. PRO
2004/78765;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsomschrijving
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. rijkswet: Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid;
b. scheepvaartongeval: een gebeurtenis die heeft geresulteerd
in het volgende:
1°. dodelijk of ernstig letsel aan een persoon overkomen,
dat is veroorzaakt door of samenhangt met het functioneren van
een schip;
2°. de vermissing van een persoon vanaf een schip, die is
veroorzaakt door of samenhangt met het functioneren van het
schip;
3°. de vermissing, vermoedelijke vermissing of het
verlaten van een schip;
4°. schade aan een schip;
5°. het stranden of onbruikbaar worden van een schip;
6°. de betrokkenheid van een schip bij een aanvaring;
7°. schade die is veroorzaakt door of samenhangt met het
functioneren van een schip;
8°. schade aan het milieu die is veroorzaakt door schade
aan een of meerdere schepen, welke het gevolg is van of
samenhangt met het functioneren van een schip;
c. zeer ernstig scheepvaartongeval: een gebeurtenis die heeft
geresulteerd in:
1°. het overlijden van een persoon, dat het gevolg is van
of samenhangt met het functioneren van een schip;
2°. zeer ernstige schade aan het milieu, die is
veroorzaakt door schade aan een of meerdere schepen, welke het
gevolg is van of samenhangt met het functioneren van een
schip; of
3°. een schip dat total loss is;
d. ernstig scheepvaartongeval: een gebeurtenis, zijnde een
brand, een ontploffing, een stranding, een aanvaring, zwaar weer,
ijsgang, het falen van de constructie, of een andere oorzaak, die
heeft geresulteerd in:
1°. schade aan de voortstuwing, of ernstige schade aan
accommodatie of de constructie van een schip, die de
zeewaardigheid daarvan aantast;
2°. het onmanoeuvreerbaar worden van een schip waardoor
hulp van buiten noodzakelijk is, of
3°. verontreiniging van het mariene milieu;.
e. scheepvaartincident: een gebeurtenis, geen
scheepvaartongeval zijnde, veroorzaakt door of samenhangend met
het functioneren van een schip en waarbij de veiligheid van het
schip of van personen in gevaar is gebracht of waardoor ernstige
schade aan het schip, aan mijnbouwinstallaties of aan het mariene
milieu zou kunnen ontstaan;
f. luchtvaartongeval: een gebeurtenis die samenhangt met het
gebruik van een luchtvaartuig en plaatsvindt tussen het tijdstip
waarop een persoon zich aan boord begeeft met het voornemen een
vlucht uit te voeren en het tijdstip waarop alle personen die zich
met dit voornemen aan boord hebben begeven, zijn uitgestapt, en
waarbij:
1°. een persoon dodelijk of ernstig letsel heeft opgelopen
als gevolg van het zich in het luchtvaartuig bevinden, direct
contact met een onderdeel van het luchtvaartuig, inclusief de
onderdelen die van het luchtvaartuig zijn losgeraakt of
directe blootstelling aan de uitlaatstroom van de reactoren,
behalve wanneer de letsels een natuurlijke oorzaak hebben,
door de persoon zelf of door anderen zijn toegebracht, of
wanneer de letsels verstekelingen treffen die zich buiten de
normale voor passagiers en het personeel bedoelde ruimten
ophouden, of
2°. het luchtvaartuig schade of een structureel defect
oploopt, waardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn soliditeit,
prestaties of vluchtkenmerken en die normaliter ingrijpende
herstelwerkzaamheden of vervanging van het getroffen onderdeel
noodzakelijk zouden maken, behalve wanneer het gaat om
motorstoring of motorschade en de schade beperkt is tot de
motor, de motorkap of motoronderdelen, dan wel om schade die
beperkt is tot de propellers, de vleugelpunten, de antennes,
de banden, de remmen, de stroomlijnkappen of tot deukjes of
gaatjes in de vliegtuighuid, of
3°. het luchtvaartuig vermist wordt of volledig
onbereikbaar is;
g. luchtvaartincident: een gebeurtenis, geen luchtvaartongeval
zijnde, die samenhangt met het functioneren van een luchtvaartuig
en afbreuk doet of zou kunnen doen aan een veilige
vluchtuitvoering;
h. ernstig luchtvaartincident: luchtvaartincident dat zich
voordoet onder omstandigheden die erop wijzen dat bijna een
luchtvaartongeval heeft plaatsgevonden;
i. dodelijk letsel: letsel door een persoon bij een ongeval
opgelopen, dat binnen dertig dagen na het tijdstip van het ongeval
de dood tot gevolg heeft;
j. ernstig letsel:
1°. met betrekking tot een scheepvaartongeval: letsel door
een persoon bij een ongeval opgelopen, dat resulteert in een
uitschakeling voor meer dan 72 uur, beginnend binnen zeven
dagen na de datum waarop het letsel werd opgelopen;
2°. met betrekking tot een luchtvaartongeval: letsel door
een persoon bij een ongeval opgelopen, dat:
A. opneming in een ziekenhuis gedurende meer dan 48 uur
vereist, welke aanvangt binnen zeven dagen na het oplopen van
het letsel, of
B. de breuk van een bot tot gevolg heeft, uitgezonderd
enkelvoudige breuken van vingers, tenen of de neus, of
C. gepaard gaat met scheurwonden die ernstige bloedingen of
beschadigingen van zenuwen, spieren of pezen veroorzaken, of
D. gepaard gaat met letsel aan een inwendig orgaan, of
E. gepaard gaat met tweedegraads of derdegraads brandwonden
of brandwonden over meer dan 5% van het lichaamsoppervlak, of
F. gepaard gaat met geconstateerde blootstelling aan
besmettelijke stoffen of schadelijke straling;
k. staat van ontwerp: staat die rechtsmacht heeft over de
organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwerp van een
luchtvaartuig;
l. staat van vervaardiging: staat die rechtsmacht heeft over de
organisatie, die verantwoordelijk is voor de vervaardiging van een
luchtvaartuig als zodanig;
m. staat van het voorval: staat op of boven het grondgebied
waarvan, de territoriale wateren daaronder begrepen, een
luchtvaartongeval of luchtvaartincident plaatsvindt;
n. staat van de exploitant: staat waarin de exploitant van een
luchtvaartuig zijn voornaamste plaats van bedrijvigheid heeft of,
bij gebreke daarvan, de exploitant is gevestigd;
o. staat van registratie: staat waar een luchtvaartuig is
geregistreerd;
p. exploitant van een luchtvaartuig: iedere natuurlijk persoon,
iedere rechtspersoon met of zonder winstoogmerk of ieder
overheidslichaam met of zonder rechtspersoonlijkheid dat een of
meer luchtvaartuigen exploiteert of voornemens is te exploiteren;
q. staat met aanmerkelijk belang: in geval van een voorval met
een zeeschip, staat die tot een van de bij ministeriële regeling
aangewezen categorieën behoort;
r. spoorweg: het spoorwegsysteem als bedoeld in richtlijn nr.
2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot
wijziging van richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de
verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van
richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van
spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor
het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake
veiligheidscertificering («Spoorwegveiligheidsrichtlijn») (PbEG
L 220), voor zover dit systeem is aangewezen in het Besluit
aanwijzing hoofdspoorwegen;
s. ernstig ongeval in verband met een spoorweg: een botsing of
ontsporing van treinen, waarbij ten minste één persoon omkomt of
vijf of meer personen ernstig gewond raken of grote schade aan het
rollend materieel, de infrastructuur of het milieu wordt
veroorzaakt, dan wel een soortgelijk ongeval dat duidelijk
consequenties heeft voor de regelgeving op het gebied van de
veiligheid op het spoor of het veiligheidsbeheer, waarbij onder
«grote schade» wordt verstaan schade waarvan de totale kosten
onmiddellijk door de onderzoekende instantie op ten minste € 2
miljoen kunnen worden geraamd.
2. Onder een luchtvaartongeval wordt mede verstaan een gebeurtenis
die samenhangt met het gebruik van een onbemand luchtvaartuig en
plaatsvindt tijdens de periode vanaf de start tot en met de landing en
waarbij de in het eerste lid onderdeel d onder 1 tot en met 3 genoemde
gevolgen zich hebben voorgedaan.
§ 2. Toepasselijkheid
Artikel 2
1. Op voorvallen niet in verband met een spoorweg, waarbij geen
andere zaak of persoon is betrokken dan een zaak of persoon in gebruik
bij onderscheidenlijk in de uitoefening van een functie ten behoeve
van Onze Minister van Defensie of bij een buitenlandse krijgsmacht,
dan wel ten behoeve van een organisatie waarvan het beheer is
opgedragen aan Onze Minister van Defensie, zijn de artikelen 3 tot en
met 5, 8, 9, eerste lid, onderdelen a tot en met k, en tweede lid, en
10 tot en met 23 niet van toepassing.
2. Indien bij een voorval als in het eerste lid bedoeld tevens een
andere zaak of persoon is betrokken dan in dat lid bedoeld, zijn de
artikelen 3 tot en met 5, 8, 9, eerste lid, onderdelen a tot en met k,
en tweede lid, en 10 tot en met 23 slechts van toepassing voorzover
het die andere zaak of persoon betreft.
3. De artikelen 4, 5, 11a en 11b zijn niet van toepassing op
scheepvaartongevallen, waarbij uitsluitend zijn betrokken:
a. andere dan in het eerste lid bedoelde schepen in eigendom
van of geëxploiteerd door een andere staat voor een
niet-commerciële overheidsdienst;
b. schepen die niet mechanisch worden voortgestuwd, houten
schepen van eenvoudige bouw en niet voor handel gebruikte
plezierjachten en pleziervaartuigen, tenzij deze voor commerciële
doeleinden worden of zullen worden bemand en gebruikt voor het
vervoer van meer dan 12 passagiers;
c. vissersvaartuigen met een lengte van minder dan 15 meter.
4. Het bepaalde bij of krachtens dit besluit ten aanzien van de
staat van de exploitant is slechts van toepassing indien:
a. het betrokken luchtvaartuig is geleasd door, gecharterd door
of de beschikking daarover door uitwisseling is verkregen door een
staat die niet tevens de staat is waar het luchtvaartuig is
ingeschreven, en
b. deze staat, geheel of gedeeltelijk, de functies en
verplichtingen van de laatstbedoelde staat, die voortvloeien uit
annex 13 bij het op 7 december 1994 te Chicago tot stand gekomen
Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, vervult.
§ 3. Onderzoeksverplichtingen
Artikel 3
1. De raad stelt een onderzoek in naar luchtvaartongevallen, niet
zijnde een luchtvaartongeval als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en
ernstige luchtvaartincidenten, betreffende:
a. een luchtvaartuig op of boven het grondgebied van Nederland
met inbegrip van de territoriale zee,
b. een Nederlands luchtvaartuig boven volle zee of
c. een Nederlands luchtvaartuig in het buitenland, indien de
betrokken staat geen onderzoek instelt, indien deze het onderzoek
aan de Nederlandse autoriteiten overlaat of indien niet kan worden
vastgesteld dat de plaats van het voorval binnen het grondgebied
van enige staat ligt en niet met een andere staat wordt
overeengekomen dat deze het onderzoek verricht.
2. De raad kan het onderzoek naar een luchtvaartongeval of een
ernstig luchtvaartincident met een ander dan een Nederlands
luchtvaartuig geheel of gedeeltelijk overlaten aan een andere staat
indien deze naar zijn oordeel op voldoende deskundige wijze het
onderzoek zal verrichten en deze met het instellen van een onderzoek
instemt. Indien het luchtvaartongeval of een ernstig
luchtvaartincident heeft plaatsgevonden op het grondgebied van een
lidstaat van de Europese Unie kan het onderzoek waarbij een Nederlands
luchtvaartuig is betrokken worden overgedragen aan een andere
lidstaat.
Artikel 4
1. De raad stelt een onderzoek in naar een zeer ernstig
scheepvaartongeval waarbij een zeeschip is betrokken, indien:
a. een Nederlands zeeschip bij het ongeval is betrokken;
b. het ongeval plaatsvindt in de Nederlandse binnenwateren of
territoriale zee, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet
grenzen Nederlandse territoriale zee;
c. Nederland een aanmerkelijk belang heeft bij dat ongeval.
2. Bij een ernstig scheepvaartongeval doet de raad een voorafgaande
beoordeling om te besluiten of er een onderzoek wordt verricht.
Wanneer de raad op basis van het voorafgaand onderzoek besluit geen
onderzoek te doen, dan zendt de raad dit besluit aan de Europese
Commissie.
Artikel 5
1. Wanneer de raad onderzoek doet naar een scheepvaartongeval of
-incident, waarbij een zeeschip is betrokken, en waarbij een andere
staat een aanmerkelijk belang heeft, dan voert de raad het onderzoek
uit in samenwerking met die staat, tenzij die staat daaraan geen
medewerking verleent.
2. Wanneer de raad onderzoek doet naar een scheepvaartongeval of
-incident, waarbij een zeeschip is betrokken, en dat plaats heeft
gevonden in wateren onder andere dan Nederlandse jurisdictie, wordt
het onderzoek uitgevoerd in samenwerking met de tot die wateren
bevoegde staat of, indien Aruba, Curaçao of Sint Maarten ten aanzien
van die wateren bevoegd zijn, met Aruba, Curaçao onderscheidenlijk
Sint Maarten, tenzij die andere staat, Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten daaraan geen medewerking verlenen.
3. In geval van samenwerking met een andere staat overlegt de raad
met de daartoe bevoegde instantie van de staat of staten met een
aanmerkelijk belang wie de leiding van een onderzoek op zich neemt.
Totdat een andere staat de leiding overneemt, is de raad
verantwoordelijk voor het onderzoek en de coördinatie met andere
staten die een aanmerkelijk belang hebben.
4. Het onderzoek naar een scheepvaartongeval, waarbij een
ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersvaartuig is betrokken en
waarvoor de raad een onderzoeksverplichting heeft, wordt in ieder
geval door de raad geleid, totdat de raad met het daartoe bevoegde
onderzoeksorgaan van de staat of staten met een aanmerkelijk belang
overeenstemming bereikt welke staat de leiding van het onderzoek
overneemt.
5. Indien de raad de leiding heeft over een onderzoek naar een
scheepvaartongeval, is samenwerking met een onderzoeksinstantie van
een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie uitsluitend
mogelijk onder de voorwaarden, gesteld in Richtlijn nr. 2009/18/EG van
het Europees parlement en van de Raad van Europese Unie van 23 april
2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van
ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de
Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het
Europees Parlement en de Raad (PbEU L 131).
6. Indien een onderzoeksinstantie van een andere staat dan een
lidstaat van de Europese Unie de leiding heeft over het onderzoek naar
een scheepvaartongeval, is samenwerking door de raad met die
onderzoeksinstantie uitsluitend mogelijk wanneer het onderzoek wordt
uitgevoerd overeenkomstig de regels, gesteld in de Code of the
International Standards and Recommended Practices for a Safety
Investigation into a Marine Casualty or Marine Incident zoals
vastgesteld bij resolutie MSC.255(84) van de International Maritime
Organisation van 16 mei 2008.
Artikel 6
1. De raad stelt een onderzoek in naar luchtvaartongevallen en
ernstige luchtvaartincidenten waarbij luchtvaartuigen zijn betrokken
die in gebruik zijn bij een krijgsmacht van twee of meer staten,
aangesloten bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, op of boven
het grondgebied van Nederland, met inbegrip van de territoriale zee,
en schepen die in gebruik zijn bij Onze Minister van Defensie.
2. De raad laat het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, over aan
de staat waarbij het luchtvaartuig in gebruik is, indien deze dit
wenst, tenzij er overwegende redenen zijn om dit niet te doen.
3. Indien een luchtvaartuig is betrokken dat in gebruik is bij een
andere staat dan de staat die daarvan eigenaar is, kan deze laatste
verlangen voor de toepassing van het tweede lid te worden aangemerkt
als staat waarbij het luchtvaartuig in gebruik is.
Artikel 7
1. In geval de raad een onderzoek instelt naar een voorval waarbij
materieel, personeel of voorzieningen van een krijgsmacht van één
van de andere staten, aangesloten bij de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie, zijn betrokken, treedt de raad in overleg met de
buitenlandse onderzoeksinstantie. De raad bepaalt in overleg met die
instantie op welke wijze het onderzoek van het voorval wordt
ingericht. Bij dit onderzoek neemt de raad binnen het kader van de
rijkswet de op dit onderzoek van toepassing zijnde, in het kader van
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie tot stand gebrachte
voorschriften in acht, voorzover deze door Nederland zijn aanvaard.
2. De raad kan in overleg met de betrokken staat de in het eerste
lid bedoelde procedure en voorschriften eveneens toepassen ten aanzien
van het onderzoek van een voorval waarbij een krijgsmacht is betrokken
van een staat die niet is aangesloten bij de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie.
Artikel 8
1. De raad stelt onverwijld een onderzoek in naar een zwaar ongeval
als bedoeld in richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie
van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware
ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L 010).
2. De raad is niet gehouden een in het eerste lid bedoeld onderzoek
in te stellen indien één van de uitsluitingen, genoemd in artikel 4
van de in het eerste lid genoemde richtlijn, van toepassing zijn.
Artikel 8a
1.De raad stelt onverwijld een onderzoek in naar een ernstig
ongeval in verband met een spoorweg.
2.Indien niet kan worden vastgesteld of een ongeval als bedoeld in
het eerste lid in Nederland of een ander land heeft plaatsgevonden, of
indien het heeft plaatsgevonden op of vlakbij een grensinstallatie van
Nederland en een ander land, worden tussen de raad en het bevoegde
onderzoeksorgaan in het andere land afspraken gemaakt wie het
onderzoek gaat verrichten of wordt afgesproken dat gezamenlijk
onderzoek wordt verricht. Ingeval het onderzoek wordt verricht door de
raad, wordt het orgaan in het andere land uitgenodigd aan het
onderzoek deel te nemen en volledig over de uitkomsten van het
onderzoek ingelicht.
§ 4. Meldingsplichten
Artikel 9
1. Tot het melden aan de raad van voorvallen, bedoeld in artikel
28, eerste lid, van de rijkswet, zijn gehouden:
a. in geval van een luchtvaartongeval of een ernstig
luchtvaartincident op of boven Nederlands grondgebied met inbegrip
van de territoriale zee: de gezagvoerder en de exploitant van een
luchtvaartuig dat betrokken is bij het ongeval of het ernstige
luchtvaartincident, en de betrokken luchtverkeersdienst;
b. in geval van een luchtvaartongeval of een ernstig
luchtvaartincident op of in de nabijheid van een in Nederland
gelegen luchtvaartterrein: naast de personen, genoemd onder a, de
betrokken havenmeester;
c. in geval van een luchtvaartongeval of een ernstig
luchtvaartincident met een Nederlands luchtvaartuig boven volle
zee of in het buitenland: de gezagvoerder en de exploitant van het
luchtvaartuig;
d. in geval van een scheepvaartongeval of een
scheepvaartincident dat voldoet aan de criteria, genoemd in
artikel 4, eerste lid, de onderdelen a tot en met c: de kapitein
en de exploitant van een schip dat betrokken is bij het ongeval,
en daartoe door het bevoegde gezag, bedoeld in de
Scheepvaartverkeerswet, aangewezen personen werkzaam bij de
desbetreffende scheepvaartbegeleidingsdienst indien dat ongeval
heeft plaatsgevonden in de Europese wateren;
e. in geval van een scheepvaartongeval met andere schepen dan
zeeschepen varende in de Europese wateren onder Nederlandse
jurisdictie: de kapitein en de exploitant van het schip;
f. in geval van een voorval in verband met een spoorweg of een
andere railweg in Nederland: de exploitant van een railvoertuig
dat betrokken is bij het ongeval, de betrokken verkeersleiding en
de betrokken beheerder van de betrokken railweg of daarmee
vergelijkbare geleider;
g. in geval van een voorval in verband met een buisleiding in
Nederland: de exploitant van een buisleiding die betrokken is bij
het ongeval;
h. in geval van een voorval als bedoeld in artikel 47 van de
Wet vervoer gevaarlijke stoffen: Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat voorzover de voorvallen aan hem zijn gemeld;
i. in geval van een voorval als bedoeld in artikel 6.60 van de
Wet luchtvaart: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat voorzover
de voorvallen aan hem zijn gemeld;
j. in geval van een zwaar ongeval als bedoeld als bedoeld in
richtlijn nr. 96/82/EG van de Raad van de Europese Unie van 9
december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware
ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L
010): de exploitant van de inrichting als in de richtlijn bedoeld;
k. in geval van een luchtvaartongeval of een ernstig
luchtvaartincident als bedoeld in artikel 6, eerste lid: Onze
Minister van Defensie.
2. In geval internationale verdragen of regelingen Onze Minister
wie het aangaat verplichten tot het melden van een voorval aan een
andere staat, de Commissie van de Europese Gemeenschappen of een
internationale organisatie, geeft de raad de ontvangen melding
terstond door aan Onze Minister wie het aangaat.
§ 5. Onderzoek
Artikel 9a
1. Bij een besluit van de raad als bedoeld in artikel 41, eerste
lid, van de rijkswet, om onderzoek te doen naar een scheepvaartongeval
of incident, houdt de raad rekening met:
a. de ernst van het ongeval of incident;
b. het type vaartuig of lading dat betrokken is bij het ongeval
of incident, en
c. de mogelijkheid dat het onderzoek ertoe bijdraagt dat
toekomstige scheepvaartongevallen en -incidenten kunnen worden
voorkomen.
2. De raad start het onderzoek naar een scheepvaartongeval of
-incident zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen twee maanden,
nadat het ongeval of incident plaatsvond.
Artikel 10
1. De gegevens die zijn verzameld of verkregen tijdens het
onderzoek worden effectief gebruikt en naar behoren geanalyseerd.
2. In geval van een onderzoek naar een scheepvaartongeval worden de
bevindingen van het onderzoek zo spoedig mogelijk na afsluiting van
het onderzoek bekendgemaakt.
Artikel 11
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het toezenden
van het rapport in concept aan andere staten, Aruba, Curaçao en Sint
Maarten voor commentaar en over de voor het geven van commentaar te
stellen termijn.
Artikel 11a
De raad voert het onderzoek naar een scheepvaartongeval, waarbij een
zeeschip is betrokken, uit overeenkomstig de methodologie, bedoeld in
artikel 2, onder e, van de Verordening nr. 1406/2002 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2002 tot
oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PbEG L
208). Afwijking van deze methodologie is mogelijk, voor zover de
onderzoeker dit noodzakelijk acht voor het bereiken van de
onderzoeksdoelstellingen.
Artikel 11b
Bij een onderzoek naar een scheepvaartongeval, waarbij een zeeschip
is betrokken, wordt voor aangelegenheden die niet reeds in de rijkswet
en de daarop berustende bepalingen expliciet geregeld zijn, de Code of
the International Standards and Recommended Practices for a Safety
Investigation into a Marine Casualty or Marine Incident zoals
vastgesteld bij resolutie MSC.255(84) van de International Maritime
Organisation van 16 mei 2008 in acht genomen.
§ 6. Informatiemateriaal
Artikel 12
Indien, in geval van een luchtvaartongeval, door de staat van
registratie, de staat van de exploitant, de staat van ontwerp of de
staat van vervaardiging een verzoek wordt gedaan om het luchtvaartuig,
zijn inhoud of enig ander bewijsmateriaal ongestoord te laten, hangende
het onderzoek door een vertegenwoordiger van de verzoekende staat, neemt
de raad alle benodigde maatregelen om aan dit verzoek tegemoet te komen,
voorzover dit redelijk uitvoerbaar en verenigbaar met de juiste
uitvoering van het onderzoek is en met dien verstande dat het
luchtvaartuig mag worden verplaatst om er personen, dieren, post en
kostbaarheden uit te halen, om vernietiging door vuur of andere oorzaken
te voorkomen of om gevaar of hinder voor de luchtvaart, ander transport
of mensen te voorkomen en het niet een overmatige vertraging van het
weer in dienst nemen van het luchtvaartuig tot gevolg heeft.
§ 7. Toezenden rapport aan derden
Artikel 13
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het in daarbij
aangewezen gevallen toezenden van het rapport, aan een buitenlandse
staat, de Commissie van de Europese Gemeenschappen, het Europees
Spoorwegbureau, genoemd in artikel 1 van verordening nr. 881/2004 van
het Europees Parlement en de Raad van Europa van 29 april 2004 tot
oprichting van een Europees Spoorwegbureau («Spoorwegbureauverordening»)
dan wel een internationale organisatie.
§ 8. Onderzoek door een ander land
Artikel 14
1. Indien een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident
buiten Nederland, de territoriale wateren daaronder begrepen, een
Nederlands luchtvaartuig betreft of een luchtvaartuig waarvan de
exploitant in Nederland is gevestigd of waarvan Nederland de staat van
ontwerp of vervaardiging is, geeft Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat zo spoedig mogelijk aan de staat van het voorval alle
relevante informatie over het betrokken luchtvaartuig en zijn
bemanning.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, deelt Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat de staat van het voorval ook mede of Nederland
een vertegenwoordiger aanwijst. Indien Nederland dit doet, geeft
bedoelde minister ook de naam van de vertegenwoordiger, bijzonderheden
hoe met deze in contact kan worden getreden, alsmede de verwachte
datum van aankomst van de vertegenwoordiger door.
Artikel 15
Indien een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident buiten
Nederland, de territoriale wateren daaronder begrepen, een luchtvaartuig
betreft waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, stelt Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat zo spoedig mogelijk, met behulp van
de meest geschikte en snelste middelen die beschikbaar zijn, de staat
van het voorval en de staat van registratie op de hoogte van
bijzonderheden inzake gevaarlijke stoffen aan boord van het
luchtvaartuig.
Artikel 16
1. Indien een onderzoek terzake van een luchtvaartongeval of
ernstig luchtvaartincident met een ander dan een Nederlands
luchtvaartuig waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd of
waarvan Nederland de staat van ontwerp of vervaardiging is, wordt
ingesteld door de staat van registratie, geeft Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat desverzocht aan deze staat alle relevante
informatie betreffende het betrokken luchtvaartuig en zijn bemanning.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, deelt Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat de staat van registratie, ook mee of Nederland
een vertegenwoordiger aanwijst. Indien Nederland dit doet, geeft
bedoelde minister ook de naam van de vertegenwoordiger, bijzonderheden
hoe met deze in contact kan worden getreden, alsmede de verwachte
datum van aankomst van de vertegenwoordiger door.
Artikel 17
Indien de staat die een onderzoek verricht terzake van een
luchtvaartongeval met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan
2250 kg dat in Nederland is ingeschreven, waarvan de exploitant in
Nederland woont of waarvan Nederland de staat van ontwerp of
vervaardiging is, verzoekt om deelneming door Nederland, wijst Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat een vertegenwoordiger terzake van het
onderzoek aan.
Artikel 18
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven
omtrent de aanwijzing door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van
vertegenwoordigers als bedoeld in de artikelen 14, tweede lid, 16,
tweede lid, en 17.
Artikel 19
1. De raad kan aan een onderzoek buiten Nederland, dat door een
andere staat wordt ingesteld, deelnemen, voorzover die staat daarvoor
toestemming geeft.
2. In geval de raad overeenkomstig het eerste lid aan een onderzoek
deelneemt, meldt hij dit vooraf aan Onze Minister wie het aangaat.
3. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan de raad opdracht
geven deel te nemen aan een onderzoek naar een luchtvaartongeval of
ernstig luchtvaartincident in een andere staat.
4. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan aan de raad opdracht
geven deel te nemen aan een onderzoek dat door een andere staat wordt
ingesteld naar een voorval met een Nederlands zeeschip.
Artikel 20
Op verzoek van de staat die een onderzoek terzake van een
luchtvaartongeval of luchtvaartincident verricht, verschaft Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat alle relevante informatie die hij
beschikbaar heeft.
Artikel 21
1. Indien voorafgaand aan een luchtvaartongeval of
luchtvaartincident gebruik is gemaakt of normalerwijze gebruik zou
moeten zijn gemaakt van faciliteiten of diensten in Nederland en Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat informatie heeft die wezenlijk is
voor het onderzoek, verschaft hij deze aan de staat die het onderzoek
verricht.
2. Indien een onderzoek een luchtvaartongeval of luchtvaartincident
betreft met een luchtvaartuig dat in Nederland is ingeschreven of
waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, verschaft Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat op verzoek van de staat die het
onderzoek verricht, de wezenlijke informatie waarover hij beschikt,
over elke organisatie waarvan de activiteiten direct of indirect de
vlucht van het vliegtuig kunnen hebben beïnvloed.
Artikel 22
1. Ingeval sprake is van een luchtvaartongeval of ernstig
luchtvaartincident met een Nederlands luchtvaartuig of een
luchtvaartuig waarvan de exploitant in Nederland is gevestigd, en het
luchtvaartuig in een andere staat landt dan die waarin het ongeval of
het incident zich heeft voorgedaan, verschaft Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, op verzoek van de staat die het onderzoek
verricht, aan deze staat de opnamen van de vluchtrecorder en, indien
nodig, van de verbonden vluchtrecorders.
2. In geval sprake is van een ongeval met een Nederlands zeeschip
op zee in onder jurisdictie van een andere lidstaat van de Europese
Unie vallende wateren en die andere lidstaat naar het ongeval een
onderzoek instelt, stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de
gegevens die zijn verzameld met de reisgegevensrecorder ter
beschikking van die andere lidstaat.
Artikel 23
1. Op verzoek van een andere lidstaat van de Europese Unie of een
van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte die een onderzoek naar een
luchtvaartongeval, naar een ernstig luchtvaartincident of naar een
luchtvaartincident leidt, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
de raad opdragen, binnen de grenzen van zijn mogelijkheden, kosteloos
bijstand te verlenen.
2. Ingeval een luchtvaartongeval heeft plaatsgevonden in volle zee
in de nabijheid van Nederland, geeft Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat aan de staat die het onderzoek verricht alle mogelijke
bijstand.
3. Op verzoek van Aruba, Curaçao of Sint Maarten kan Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat de raad opdragen, binnen de grenzen van zijn
mogelijkheden, bijstand te verlenen aan een vanwege de autoriteiten
van een van die landen verricht onderzoek betreffende een
scheepvaartongeval.
§ 9. Verhouding tot onderzoek met het oog op het opleggen van
sancties
Artikel 24
1. Ter bevordering van de coördinatie en het overleg maken de raad
en het openbaar ministerie in Nederland, binnen een half jaar na
inwerkingtreding van de rijkswet, afspraken over de samenwerking en
informatie-uitwisseling in de gevallen waarin zowel de raad een
onderzoek instelt naar een voorval als ook ten aanzien van hetzelfde
voorval een opsporingsonderzoek wordt ingesteld met het oog op het
opleggen van een strafrechtelijke sanctie. De afspraken behoeven de
goedkeuring van Onze Minister en Onze Minister van Justitie.
2. De afspraken over samenwerking en informatie-uitwisseling worden
neergelegd in een samenwerkingsprotocol en omvatten in ieder geval:
a. de wijze waarop informatie wordt uitgewisseld over
gelijktijdig lopende onderzoeken;
b. hoe wordt omgegaan met voorwerpen en documenten die van
belang zijn voor de onderzoeken, het horen van personen en
noodzakelijk geachte secties op lijken;
c. het wederzijds ter beschikking stellen van zaken die voor de
onderzoeken van belang zijn en de teruggave van die zaken;
d. de gevallen waarin en de wijze waarop ten aanzien van
onderzoeken aan voorwerpen wordt samengewerkt;
e. de standaardprocedure die gehanteerd wordt wanneer zich een
voorval daadwerkelijk voordoet en de wijze waarop geschillen
worden geregeld.
3. Indien in een concreet geval zowel de raad een onderzoek instelt
naar een voorval als een onderzoek wordt ingesteld met het oog op het
opleggen van een strafrechtelijke sanctie, plegen de raad en het
openbaar ministerie in Nederland, met inachtneming van het
samenwerkingsprotocol, overleg over de inrichting van beide
onderzoeken. In het overleg worden in ieder geval afspraken gemaakt
over de inhoud van de te verrichten onderzoekshandelingen, de planning
van deze onderzoekshandelingen in de tijd, de inbeslagneming van zaken
en de instelling van een periodiek afstemmingsoverleg gedurende beide
onderzoeken. De raad en het openbaar ministerie in Nederland kunnen
zich bij het overleg laten vertegenwoordigen door personen
onderscheidenlijk opsporingsdiensten die de feitelijke leiding hebben
bij de onderzoeken.
Artikel 25
Ter bevordering van de coördinatie en het overleg maken de raad en
Onze Minister wie het aangaat, binnen een half jaar na inwerkingtreding
van de rijkswet, afspraken over de samenwerking en
informatie-uitwisseling in de gevallen waarin zowel de raad een
onderzoek instelt naar een voorval als ook ten aanzien van hetzelfde
voorval het opleggen van een bestuurlijke sanctie wordt overwogen.
Artikel 24, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 10. Slotbepalingen
Artikel 26
[Wijzigt het Besluit Politieregisters]
Artikel 27
1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid, treedt dit besluit in
werking op het krachtens artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van de
rijkswet vastgestelde tijdstip.
2. Wat betreft het onderzoek naar ongevallen en incidenten met een
zeeschip, niet zijnde een oorlogsschip, marinehulpschip of ander schip
dat in gebruik is voor de uitvoering van de militaire taak, treedt dit
besluit in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 28
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Onderzoeksraad voor
veiligheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 december 2004
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes
Uitgegeven de drieëntwintigste december 2004
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|
|