§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. rijkswet: Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid;
b. scheepvaartongeval: een gebeurtenis die heeft geresulteerd in:
1°.
dodelijk of ernstig
letsel aan een persoon overkomen, dat is veroorzaakt door of
samenhangt met het functioneren van een schip,
2°.
de vermissing van een
persoon vanaf een schip, die is veroorzaakt door of samenhangt met
het functioneren van het schip,
3°.
de vermissing,
vermoedelijke vermissing of het verlaten van een schip,
4°.
schade aan een schip,
5°.
het stranden of
onbruikbaar worden van een schip,
6°.
de betrokkenheid van
een schip bij een aanvaring,
7°.
schade die is
veroorzaakt door of samenhangt met het functioneren van een schip
of
8°.
schade aan het milieu
die is veroorzaakt door schade aan een of meer schepen, welke het
gevolg is van of samenhangt met het functioneren van een schip.
c. scheepvaartincident: een gebeurtenis, geen
scheepvaartongeval zijnde, veroorzaakt door of samenhangend met
het functioneren van een schip en waarbij de veiligheid van het
schip of van personen in gevaar is gebracht of waardoor ernstige
schade aan het schip, aan mijnbouwinstallaties of aan het mariene
milieu zou kunnen ontstaan;
d. luchtvaartongeval: een gebeurtenis die samenhangt met het
gebruik van een luchtvaartuig en plaatsvindt tussen het tijdstip
waarop een persoon zich aan boord begeeft met het voornemen een
vlucht uit te voeren en het tijdstip waarop alle personen die zich
met dit voornemen aan boord hebben begeven, zijn uitgestapt, en
waarbij:
1°.
een persoon dodelijk of
ernstig letsel heeft opgelopen als gevolg van het zich in het
luchtvaartuig bevinden, direct contact met een onderdeel van het
luchtvaartuig, inclusief de onderdelen die van het luchtvaartuig
zijn losgeraakt of directe blootstelling aan de uitlaatstroom van
de reactoren, behalve wanneer de letsels een natuurlijke oorzaak
hebben, door de persoon zelf of door anderen zijn toegebracht, of
wanneer de letsels verstekelingen treffen die zich buiten de
normale voor passagiers en het personeel bedoelde ruimten
ophouden,
2°.
het luchtvaartuig
schade of een structureel defect oploopt, waardoor afbreuk wordt
gedaan aan zijn soliditeit, prestaties of vluchtkenmerken en die
normaliter ingrijpende herstelwerkzaamheden of vervanging van het
getroffen onderdeel noodzakelijk zouden maken, behalve wanneer het
gaat om motorstoring of motorschade en de schade beperkt is tot de
motor, de motorkap of motoronderdelen, dan wel om schade die
beperkt is tot de propellers, de vleugelpunten, de antennes, de
banden, de remmen, de stroomlijnkappen of tot deukjes of gaatjes
in de vliegtuighuid, of
3°.
het luchtvaartuig
vermist wordt of volledig onbereikbaar is;
e. luchtvaartincident: een gebeurtenis, geen luchtvaartongeval
zijnde, die samenhangt met het functioneren van een luchtvaartuig
en afbreuk doet of zou kunnen doen aan een veilige
vluchtuitvoering;
f. ernstig luchtvaartincident: luchtvaartincident dat zich
voordoet onder omstandigheden die erop wijzen dat bijna een
luchtvaartongeval heeft plaatsgevonden;
g. dodelijk letsel: letsel, door een persoon bij een ongeval
opgelopen, dat binnen dertig dagen na het tijdstip van het ongeval
de dood tot gevolg heeft;
h. ernstig letsel:
1°.
met betrekking tot een
scheepvaartongeval: letsel, door een persoon bij een ongeval
opgelopen, dat resulteert in een uitschakeling voor meer dan 72
uur, beginnend binnen zeven dagen na de datum waarop het letsel
werd opgelopen;
2°.
met betrekking tot een
luchtvaartongeval: letsel, door een persoon bij een ongeval
opgelopen, dat:
- opneming in een ziekenhuis
gedurende meer dan 48 uur vereist, welke aanvangt binnen zeven
dagen na het oplopen van het letsel,
- de breuk van een bot tot gevolg
heeft, uitgezonderd enkelvoudige breuken van vingers, tenen of de
neus,
- gepaard gaat met scheurwonden die
ernstige bloedingen of beschadigingen van zenuwen, spieren of
pezen veroorzaken,
- gepaard gaat met letsel aan een
inwendig orgaan,
- gepaard gaat met tweedegraads of
derdegraads brandwonden of brandwonden over meer dan 5% van het
lichaamsoppervlak of
- gepaard gaat met geconstateerde
blootstelling aan besmettelijke stoffen of schadelijke straling;
i. staat van ontwerp: staat die rechtsmacht heeft over de
organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwerp van een
luchtvaartuig;
j. staat van vervaardiging: staat die rechtsmacht heeft over de
organisatie, die verantwoordelijk is voor de vervaardiging van een
luchtvaartuig als zodanig;
k. staat van het voorval: staat, op of boven het grondgebied,
de territoriale wateren daaronder begrepen, waarvan een
luchtvaartongeval of luchtvaartincident plaatsvindt;
l. staat van de exploitant: staat waarin de exploitant van een
luchtvaartuig zijn voornaamste plaats van bedrijvigheid heeft of,
bij gebreke daarvan, de exploitant is gevestigd;
m. staat van registratie: staat waar een luchtvaartuig is
geregistreerd;
n. exploitant van een luchtvaartuig: iedere natuurlijk persoon,
iedere rechtspersoon met of zonder winstoogmerk of ieder
overheidslichaam met of zonder rechtspersoonlijkheid dat een of
meer luchtvaartuigen exploiteert of voornemens is te exploiteren;
o. richtlijn 2004/49/EG: richtlijn nr.
2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot
wijziging van richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de
verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van
richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van
spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor
het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake
veiligheidscertificering ("Spoorwegveiligheidsrichtlijn")
(PbEG L 220);
p. richtlijn 2009/18/EG: richtlijn nr. 2009/18/EG van het
Europees Parlement en van de Raad van Europese Unie van 23 april
2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van
ongevallen in de scheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn
1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees
Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 131);
q. spoorweg: het spoorwegsysteem als bedoeld in richtlijn nr.
2004/49/EG voor zover dit systeem is aangewezen in het Besluit
aanwijzing hoofdspoorwegen.
§ 2. Toepasselijkheid
Artikel 2
1. De artikelen 5 tot en met 13 en 15 tot en met 17 zijn niet
van toepassing op voorvallen waarbij geen andere zaak of persoon is
betrokken dan een zaak of persoon in gebruik bij onderscheidenlijk in
de uitoefening van een functie ten behoeve van:
a. de Minister van Defensie,
b. een buitenlandse krijgsmacht of
c. een organisatie waarvan het beheer is opgedragen aan de Minister
van Defensie.
2. Indien bij een voorval als bedoeld in het eerste lid tevens
een andere zaak of persoon is betrokken dan in dat lid bedoeld, zijn de
artikelen 5 tot en met 13 en 15 tot en met 17 slechts van toepassing
voor zover het die andere zaak of persoon betreft.
§ 3. Staten met een aanmerkelijk belang
Artikel 3
In geval van een voorval met een zeeschip wordt onder staat met
aanmerkelijk belang, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel o,
van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid, verstaan:
a. een staat waarvan een zeeschip dat voorwerp is van het
betrokken onderzoek door de raad, de vlag voert;
b. een staat in de binnenlandse of territoriale wateren waarvan
het betrokken scheepvaartongeval heeft plaatsgevonden;
c. een staat waarin het betrokken scheepvaartongeval of
scheepvaartincident ernstige schade aan het milieu heeft veroorzaakt
of heeft gedreigd te veroorzaken, of een staat onder de jurisdictie
waarvan gebieden staan waarin het ongeval of incident een dergelijke
schade heeft veroorzaakt of heeft gedreigd te veroorzaken;
d. een staat waaraan de gevolgen van het betrokken
scheepvaartongeval of scheepvaartincident ernstige schade hebben
veroorzaakt of hebben gedreigd te veroorzaken, of een staat onder de
jurisdictie waarvan kunstmatige eilanden, installaties of bouwwerken
staan waaraan bedoelde gevolgen ernstige schade hebben veroorzaakt
of hebben gedreigd te veroorzaken;
e. een staat waarvan personen die ten gevolge van het betrokken
scheepvaartongeval hun leven hebben verloren of ernstig letsel
hebben opgelopen, de nationaliteit bezitten;
f. een staat die beschikt over belangrijke informatie die van nut
kan zijn voor het onderzoek van het betrokken scheepvaartongeval of
scheepvaartincident;
g. een staat die in verband met het onderzoek van het betrokken
scheepvaartongeval of scheepvaartincident om een andere reden een
belang kenbaar maakt dat van betekenis wordt geacht door Nederland.
§ 4. Beheer
Artikel 4
1. De begroting van de raad omvat, naast een algemeen deel een
begrotingsoverzicht, een overzicht van de ontwikkeling van het eigen
vermogen, een kasstroomoverzicht en een toelichting.
2. In het begrotingsoverzicht worden onder baten ten minste de
volgende posten gespecificeerd:
a. de bijdragen, bedoeld in artikel 19 van de rijkswet;
b. de bijzondere rijksbijdragen;
c. de rente-baten;
d. de buitengewone baten.
3. In het begrotingsoverzicht worden onder lasten ten minste de
volgende posten gespecificeerd:
a. de kosten van het bureau onderverdeeld naar
personele en materiële kosten;
b. de rentelasten;
c. de kosten van onderzoek onderverdeeld naar interne en externe
kosten en gespecificeerd naar de verschillende onderzoeksgebieden;
d. de afschrijvingskosten, onderverdeeld naar
materiële en immateriële kosten;
e. de dotaties voor voorzieningen;
f. de buitengewone lasten.
4. Bij het overzicht van het eigen vermogen wordt de
egalisatiereserve opgenomen. De maximale omvang van het vermogen en de
maximale omvang van de egalisatiereserve worden vastgesteld op 5 procent
respectievelijk 10 procent van de over de voorgaande 3 jaar toegekende
gemiddelde structurele bijdrage, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van
de rijkswet.
5. In het kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven- en
ontvangsten weergegeven.
6. De overzichten, genoemd in het eerste lid, hebben betrekking
op de realisatie van het laatst afgesloten boekjaar, het lopende
boekjaar, het betreffende begrotingsjaar en de eerstvolgende vier
boekjaren.
7. De toelichting, bedoeld in het eerste lid, omvat een
toelichting op de in het eerste lid genoemde overzichten en een
toelichting op de posten van die overzichten die inzicht geeft in de
opbouw van de desbetreffende posten. De toelichting bevat voorts ten
minste:
a. de financiële gevolgen van de activiteiten en
verwachte activiteiten van de raad onder meer als gevolg van het
vastgestelde naar de verschillende onderzoeksgebieden gespecificeerde
onderzoeksprogramma, alsmede de relevante interne en externe
ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende financiële gevolgen voor
deze activiteiten;
b. informatie over de mate waarin de meerjarig beschikbare bedragen
voor het verrichten van uitgaven juridisch verplicht of anderszins
gebonden zijn.
8. De inrichting van de begroting moet in overeenstemming zijn
met de jaarrekening.
§ 5. Melding voorval en verstrekken informatie aan derden
Artikel 5
1. In geval van een luchtvaartongeval of ernstig
luchtvaartincident op of boven het Nederlandse grondgebied, met
inbegrip van de territoriale zee, doet de raad terzake zo spoedig
mogelijk een melding toekomen aan:
a. de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven,
b. de staat van de exploitant,
c. de staat van ontwerp,
d. de staat van vervaardiging,
e. de staat waarvan onderdanen bij het ongeval of incident zijn
omgekomen of zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, en
f. de internationale burgerluchtvaartorganisatie, indien het gaat
om een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 2250 kg.
2. In geval van een ander ernstig luchtvaartincident dan bedoeld
in het eerste lid, doet de raad terzake een melding toekomen aan de
onder in het eerste lid, onderdeel c en d, bedoelde staten alsmede aan
de staat van het voorval.
3. De melding bevat zoveel van de hierna bedoelde gegevens als
gemakkelijk beschikbaar zijn, met dien verstande dat de verzending niet
mag worden vertraagd als gevolg van het ontbreken van gegevens:
a. in geval van een luchtvaartongeval de identificerende
ACCID-afkorting en in geval van een ernstig luchtvaartincident de
INCID-afkorting;
b. de fabrikant, het model, de nationaliteit en het
registratieteken, alsmede het serienummer van het betrokken
luchtvaartuig;
c. de naam van de eigenaar, de exploitant en, indien van
toepassing, de huurder van het betrokken luchtvaartuig;
d. de naam van de gezagvoerder van het betrokken luchtvaartuig,
alsmede de nationaliteit van de bemanning en de passagiers;
e. de datum en de tijd van het luchtvaartongeval of het ernstige
luchtvaartincident;
f. het laatste vertrekpunt en het beoogde landingspunt van het
betrokken luchtvaartuig;
g. de positie van het betrokken luchtvaartuig met aanduiding van
een gemakkelijk te herkennen geografisch punt en de geografische
lengtegraad en breedtegraad;
h. het aantal bemanningsleden en passagiers dat aan boord is, dat
is omgekomen en dat ernstig is gewond en het aantal overige personen
dat is omgekomen of ernstig is gewond;
i. een beschrijving van het luchtvaartongeval of het ernstige
luchtvaartincident en de omvang van de schade aan het luchtvaartuig,
voor zover deze bekend is;
j. een aanduiding in welke mate het onderzoek zal worden gehouden
of wordt voorgesteld het onderzoek over te laten aan de staat van het
voorval;
k. de fysische karakteristieken van het gebied waar het
luchtvaartongeval of het ernstige luchtvaartincident heeft
plaatsgevonden, alsmede een aanduiding van de moeilijkheden of
specifieke vereisten om de plaats van het voorval te bereiken;
l. de aanduiding van de instantie die de melding geeft, en van
middelen om contact op te nemen met de onderzoeker die leiding heeft
over het onderzoek en de onderzoeksinstantie van de staat van het
voorval;
m. de aanwezigheid van en een beschrijving van gevaarlijke stoffen
aan boord van het vliegtuig.
4. De melding geschiedt in duidelijke bewoordingen. Zij wordt
gesteld in een van de werktalen van de internationale
burgerluchtvaartorganisatie, waarbij rekening wordt gehouden met de taal
van de ontvanger of ontvangers voor zover dit mogelijk is zonder
overmatige vertraging op te lopen.
5. De melding geschiedt met behulp van de meest geschikte en
snelste middelen die beschikbaar zijn.
6. Indien bij het verzenden van de melding noodzakelijkerwijs
bijzonderheden zijn weggelaten omdat deze nog niet bekend waren ten
tijde van het verzenden van de melding, worden deze bijzonderheden
tezamen met eventuele andere relevante informatie zo spoedig mogelijk
nagezonden.
Artikel 6
1. In geval van een scheepvaartongeval of een
ernstig scheepvaartincident met een zeeschip in de Europese wateren
onder Nederlandse jurisdictie, doet de raad terzake zo spoedig
mogelijk een melding toekomen aan de staat waarvan het zeeschip, dat
niet is een Nederlands zeeschip, de vlag voert, dan wel aan Aruba,
Curaçao of Sint Maarten indien het een zeeschip uit Aruba, Curaçao
onderscheidenlijk Sint Maarten betreft. Hij vermeldt daarbij tevens
welke actie door Nederland wordt voorgesteld.
2. Een melding als bedoeld in het eerste lid doet de raad tevens
toekomen aan de Europese Commissie, met inachtneming van bijlage II van
richtlijn 2009/18/EG.
3. Indien de raad preventieve maatregelen door de Europese
Commissie noodzakelijk acht, meldt hij dit onverwijld aan de Commissie.
§ 6. Melding onderzoek en informatie betreffende een onderzoek
Artikel 7
1. Indien de raad een onderzoek instelt naar een
luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident met een Nederlands
luchtvaartuig zendt de raad zo spoedig mogelijk een melding terzake
aan:
a. de staat van de exploitant,
b. de staat van ontwerp,
c. de staat van vervaardiging en
d. de internationale burgerluchtvaartorganisatie indien het om een
luchtvaartuig gaat met een startmassa van meer dan 2250 kg.
2. Artikel 5, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 8
1. Indien de raad een onderzoek instelt naar een
scheepvaartongeval met een zeeschip zendt de raad zo spoedig mogelijk
een melding terzake aan de staten met aanmerkelijk belang.
2. Voor de wijze waarop de melding plaatsvindt, worden de terzake
internationaal gemaakte afspraken nageleefd.
Artikel 8a
1. Indien de raad een onderzoek instelt naar een
voorval in verband met een spoorweg zendt de raad zo spoedig mogelijk
een melding ter zake aan het Europees Spoorwegbureau, genoemd in
artikel 1, van verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 tot
oprichting van een Europees Spoorwegbureau (‘Spoorwegbureauverordening’)
(PbEG L 164).
2. De melding bevat de datum, de tijd, en de
plaats van het voorval, alsmede het type voorval en de gevolgen ervan in
termen van doden, gewonden en materiële schade.
Artikel 9
1. Binnen dertig dagen na de datum van een luchtvaartongeval
met een luchtvaartuig waarnaar de raad een onderzoek instelt, zendt de
raad een voorlopig bericht toe aan:
a. de staat van registratie,
b. de staat van het voorval,
c. de staat van de exploitant,
d. de staat van ontwerp,
e. de staat van vervaardiging,
f. de staat die relevante informatie of faciliteiten van betekenis
heeft verstrekt of deskundigen heeft afgevaardigd,
g. de Minister van Verkeer en Waterstaat en
h. de internationale burgerluchtvaartorganisatie indien het om een
luchtvaartuig gaat met een startmassa van meer dan 2250 kg.
2. Het voorlopig bericht wordt gesteld in een van de werktalen
van de internationale burgerluchtvaartorganisatie.
3. De verzending van het voorlopig bericht geschiedt per fax,
e-mail of luchtpost.
4. Indien er sprake is van zaken die direct verband houden met de
veiligheid, wordt het voorlopig bericht verzonden zodra de informatie
beschikbaar is en met behulp van de meest geschikte en de snelste
middelen die beschikbaar zijn.
Artikel 10
Zo spoedig mogelijk na het onderzoek zendt de raad in geval van een
onderzoek naar een luchtvaartongeval met een luchtvaartuig met een
startmassa van meer dan 2250 kg of een ernstig luchtvaartincident met
een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 5700 kg een bericht
met uit het onderzoek naar voren gekomen gegevens naar de internationale
burgerluchtvaartorganisatie.
§ 7. Vertegenwoordiger ander land
Artikel 11
De raad is, in geval van een luchtvaartongeval of een
luchtvaartincident, verplicht een vertegenwoordiger als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, van de rijkswet, en een deskundige als bedoeld
in artikel 45, vierde lid, van de rijkswet, aan het onderzoek te laten
deelnemen, indien daartoe een verzoek wordt gedaan door:
a. de staat waar het luchtvaartuig is ingeschreven,
b. de staat van de exploitant,
c. de staat van ontwerp,
d. de staat van vervaardiging of
e. een staat die op verzoek van de raad informatie, voorzieningen
of deskundigen verschaft.
Artikel 12
De raad is, in geval van een scheepvaartongeval of een
scheepvaartincident met een zeeschip, verplicht staten met aanmerkelijk
belang uit te nodigen een verzoek te doen een vertegenwoordiger te laten
deelnemen aan het onderzoek.
§ 8. Rechten andere staat
Artikel 13
De raad is, ingeval een staat waarvan burgers dodelijk of ernstig
letsel hebben opgelopen bij een gebeurtenis met een luchtvaartuig,
verplicht een deskundige aan het onderzoek te laten deelnemen, nadat de
betreffende staat daaromtrent een met redenen omkleed verzoek heeft
gedaan. De deskundige is bevoegd:
a. vergezeld van een onderzoeker de plaats van het voorval te
bezoeken;
b. toegang tot relevante feitelijke informatie te hebben;
c. aan de identificatie van de slachtoffers deel te nemen;
d. aan de ondervraging van overlevenden die onderdaan van de
staat van de deskundige zijn, deel te nemen;
e. een afschrift van het eindrapport te ontvangen.
§ 9. Rapport
Artikel 14
De raad stelt het rapport, bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de
rijkswet, op in een bij de aard en de ernst van het voorval passende
vorm en hanteert zoveel mogelijk een uniform model.
Artikel 15
Het rapport betreffende een scheepvaartongeval of een
scheepvaartincident met een zeeschip wordt opgesteld met inachtneming
van bijlage I bij richtlijn nr. 2009/18/EG.
Artikel 16
1. In geval van een onderzoek betreffende een luchtvaartongeval
of een ernstig luchtvaartincident zendt de raad zijn rapport in
concept, met de uitnodiging zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval
binnen 60 dagen hun commentaar van betekenis te geven, aan de volgende
staten:
a. de staat die het onderzoek heeft ingesteld;
b. de staten die hebben deelgenomen aan het onderzoek,
c. de staat van registratie,
d. de staat van de exploitant,
e. de staat van ontwerp en
f. de staat van vervaardiging.
2. In geval van een onderzoek betreffende een scheepvaartongeval
of een scheepvaartincident met een zeeschip zendt de raad zijn rapport
in concept aan alle staten met aanmerkelijk belang met de uitnodiging zo
spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vijf weken of een andere
overeengekomen termijn, hun commentaar van betekenis te geven.
Artikel 17
1. In geval van een onderzoek betreffende een luchtvaartongeval
of een luchtvaartincident, zendt de raad een afschrift van zijn
rapport aan de de Europese Commissie. Indien het onderzoek een
luchtvaartongeval betreft, zendt de raad een afschrift van zijn
rapport tevens aan:
a. de staat die het onderzoek heeft ingesteld,
b. de staat van registratie,
c. de staat van de exploitant,
d. de staat van ontwerp,
e. de staat van vervaardiging,
f. de staat waarvan onderdanen bij het ongeval zijn omgekomen of
ernstig zijn verwond, en
g. de staat die overeenkomstig artikel 45 van de rijkswet betrokken
is bij het onderzoek of relevante informatie of faciliteiten heeft
verstrekt.
2. In geval van een onderzoek betreffende een luchtvaartongeval
of luchtvaartincident met een luchtvaartuig met een startmassa van meer
dan 5700 kg, zendt de raad tevenseen afschrift van zijn rapport aan de
internationale burgerluchtvaartorganisatie.
3. In geval van een onderzoek betreffende een scheepvaartongeval
of een scheepvaartincident met een zeeschip, zendt de raad een afschrift
van zijn rapport aan de Internationale Maritieme Organisatie.
4. In geval van een onderzoek betreffende een scheepvaartongeval,
met inbegrip van een ongeval met een ro-ro-veerboot of een
hogesnelheidspassagiervaartuig, of een zeevaartincident met een
zeeschip, zendt de raad tevens een afschrift van zijn rapport aan de
Europese Commissie.
5. In geval van een onderzoek betreffende een zwaar ongeval
waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken als bedoeld in artikel 8,
eerste lid, van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid, zendt de
raad een afschrift van zijn rapport aan de de Europese Commissie.
Artikel 17a
1. In geval van een onderzoek naar een voorval in verband met
een spoorweg wordt het rapport zo veel mogelijk vastgesteld conform
het model in bijlage V bij richtlijn 2004/49/EG.
2. Een rapport als bedoeld in het eerste lid,
wordt toegezonden aan het aan het Europees Spoorwegbureau, genoemd in
artikel 1, van verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 tot oprichting van een
Europees Spoorwegbureau ("Spoorwegbureauverordening")(PbEG L
164).
3. Het voor de veiligheid op het spoor aangewezen orgaan van de
Europese Unie, bedoeld in het tweede lid, wordt jaarlijks tevens een
exemplaar van het jaarverslag toegezonden.
Artikel 17b
Een wijziging van bijlage V bij richtlijn 2004/49/EG gaat voor de
toepassing van artikel 17a, eerste lid, gelden met ingang van de waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven
§ 10. Vergoedingen
Artikel 18
1. Het deeltijdpercentage, bedoeld in artikel 4, derde lid, van
het Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid, bedraagt voor de
voorzitter 100 procent en voor de overige leden 60 procent.
2. Het percentage, bedoeld in artikel 4, vierde lid, van het
Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid, bedraagt een half procent
van het jaarsalaris van het in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van
genoemd besluit genoemde vergoeding, vermenigvuldigd met het aantal door
betrokkene bijgewoonde vergaderingen van de raad of van een commissie.
3. De schadeloosstelling aan getuigen, deskundigen en tolken als
bedoeld in artikel 53 van de rijkswet wordt vastgesteld overeenkomstig
de Wet tarieven in strafzaken.
§ 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
[Wijzigt de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen]
Artikel 20
[Wijzigt de Regeling risico's zware ongevallen 1999]
Artikel 21
Deze regeling treedt in werking op het krachtens artikel 97, eerste
lid, eerste volzin, van de rijkswet vastgestelde tijdstip.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Onderzoeksraad voor
veiligheid.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J.W. Remkes.