| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Metrologiewet
REGELING
GEBRUIK EN INSTALLATIE EU-MEETINSTRUMENTEN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Economische Zaken van 23
november 2006, nr. WJZ 6098739, houdende regels omtrent de eisen bij het
gebruik van in Europese richtlijnen opgenomen en in het
Meetinstrumentenbesluit I en Meetinstrumentenbesluit II geregelde
meetinstrumenten en houdende enkele voorschriften inzake de installatie
van die instrumenten (Regeling gebruik en installatie
EU-meetinstrumenten)
De Minister van Economische
Zaken;
Gelet op de artikelen 9 en 14 van het
Meetinstrumentenbesluit I en artikel 8 van het Meetinstrumentenbesluit
II;
Besluit:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. gasmeter: in artikel 4, onderdeel a, van het
Meetinstrumentenbesluit I bedoelde gasmeter;
b. volumeherleidingsinstrument: in artikel 4, onderdeel a, van
het Meetinstrumentenbesluit I bedoelde volumeherleidingsinstrument;
c. kilowattuurmeter: in artikel 4, onderdeel b, van het
Meetinstrumentenbesluit I bedoelde kilowattuurmeter;
d. vloeistofmeetinstallatie: in artikel 4, onderdeel c, van het
Meetinstrumentenbesluit I bedoelde vloeistofmeetinstallatie;
e. automatisch weeginstrument: in artikel 4, onderdeel d, van het
Meetinstrumentenbesluit I bedoelde automatisch weeginstrument;
f. taxameter: in artikel 4, onderdeel e, van het
Meetinstrumentenbesluit I bedoelde taxameter;
g. multidimensionaal meetinstrument: in artikel 4, onderdeel f,
van het Meetinstrumentenbesluit I bedoeld multidimensionaal
meetinstrument.
§ 2. Algemene bepalingen
Artikel 2
Meetinstrumenten als bedoeld in artikel 4 van het
Meetinstrumentenbesluit I, niet-automatische weegwerktuigen als bedoeld
in artikel 5 van het Meetinstrumentenbesluit I en meetinstrumenten als
bedoeld in artikel 4 van het Meetinstrumentenbesluit II voldoen na
ingebruikneming aan de volgende voorschriften:
a. zij verkeren in een goede staat van onderhoud;
b. zij zijn overeenkomstig de instructies van de fabrikant
geïnstalleerd en worden dienovereenkomstig gebruikt;
c. zij worden uitsluitend gebruikt voor metingen overeenkomstig
hun bestemming;
d. zij worden zodanig gejusteerd en gecorrigeerd dat de
aanwijzingsfouten zo dicht mogelijk bij nul liggen.
Artikel 3
Meetinstrumenten als bedoeld in artikel 4 van het
Meetinstrumentenbesluit I voldoen na ingebruikneming aan de in bijlage I
van de richtlijn meetinstrumenten opgenomen essentiële eisen.
Artikel 4
1.Niet-automatische weegwerktuigen als bedoeld in artikel 5 van het
Meetinstrumentenbesluit I voldoen na ingebruikneming aan de
fundamentele voorschriften van bijlage I van de richtlijn
niet-automatische weegwerktuigen.
2.Artikel 5, tweede lid, van het Meetinstrumentenbesluit I is van
toepassing.
Artikel 5
Indien ten aanzien van het gebruik een specifieke
nauwkeurigheidsklasse voor een meetinstrument is voorgeschreven, mag ook
een meetinstrument worden gebruikt dat in een hogere
nauwkeurigheidsklasse valt.
§ 3. Specifieke bepalingen inzake meetinstrumenten van de richtlijn
meetinstrumenten
Artikel 6
1.Gasmeters en volumeherleidingsinstrumenten voldoen na
ingebruikneming aan de toepasselijke essentiële eisen van bijlage
MI-002 van de richtlijn meetinstrumenten met dien verstande dat:
a. de maximaal toelaatbare fout in de tabel van onderdeel 2.1
voor gasmeters telkens met een factor 2 en voor
volumeherleidingsinstrumenten telkens met een factor 1,5 wordt
vermenigvuldigd;
b. voor metingen ten behoeve van huishoudelijk gebruik de meter
voldoet aan de eisen van klasse 1,5 of een meter van klasse 1,0,
mits die een Qmax/Qmin-ratio heeft gelijk aan of groter dan 150.
2.Voordat een gasmeter op de bestemde plaats in gebruik wordt
genomen, stelt degene die zorg draagt voor de installatie van de meter
vast of de meter geschikt is voor de omstandigheden met het oog op een
correcte meting van het te verwachten gebruik.
Artikel 7
1.Kilowattuurmeters voldoen na ingebruikneming aan de toepasselijke
essentiële eisen van bijlage MI-003 van de richtlijn
meetinstrumenten, met dien verstande dat:
a. de maximaal toelaatbare fout in onderdeel 3, tabel 2,
telkens met een factor 1,5 wordt vermenigvuldigd;
b. voor metingen bij huishoudelijk gebruik van elektriciteit de
meter voldoet aan de eisen van klasse A;
c. voor metingen bij handelsgebruik of lichtindustrieel gebruik
van elektriciteit de meter voldoet aan de eisen van klasse B.
2.Voordat een kilowattuurmeter op de bestemde plaats voor de eerste
maal wordt gebruikt, wordt door degene die krachtens artikel 27 van de
Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden elektriciteit
verantwoordelijk is voor de aanleg van de meter bij de installatie van
de meter overeenkomstig onderdeel 7, onder c, van bijlage MI-003 van
de richtlijn meetinstrumenten het stroombereik vastgesteld met het oog
op de geschiktheid van de meter voor een correcte meting van het te
verwachten gebruik.
Artikel 8
1.Indien meerdere kilowattuurmeters ingevolge artikel 7 van de wet
opnieuw een overeenstemmingsbeoordeling moet ondergaan, kan de
overeenstemmingsbeoordeling op verzoek van de aanvrager worden
uitgevoerd door middel van een beoordeling van een aantal meters dat
is geselecteerd door middel van een representatieve steekproef, indien
de kilowattuurmeters de volgende eigenschappen hebben:
a. zij zijn in het zelfde jaar vervaardigd naar een zelfde
model en uitvoering;
b. zij behoren tot een zelfde nauwkeurigheidsklasse;
c. zij zijn vervaardigd door een zelfde fabrikant;
d. zij zijn gedurende een periode van ten hoogste een jaar
volgens een zelfde procedure hersteld.
2.Bijlage F, onderdelen 5.2, 5.3 en 5.4, eerste volzin, van de
richtlijn meetinstrumenten is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1.Vloeistofmeetinstallaties voldoen na ingebruikneming aan de
toepasselijke essentiële eisen van bijlage MI-005 van de richtlijn
meetinstrumenten.
2.Vloeistofmeetinstallaties die voor 1 januari 2009 ingevolge
artikel 45 van de Metrologiewet rechtmatig in gebruik zijn genomen,
voldoen aan het ingevolge artikel 11a van de IJkwet toegelaten model
van de installaties, zoals aangepast volgens een aanhangsel bij de
verklaring van toelating van het model, mits
a. de aanpassing noodzakelijk is als gevolg van ontwikkelingen
in andere regelgeving dan bij of krachtens de Metrologiewet is
vastgesteld of van ontwikkelingen in het betalingsverkeer,
b. het model nog steeds voldoet aan de eisen zoals die op grond
van de IJkwet waren gesteld en
c. het model met goed gevolg een onderzoek heeft ondergaan
overeenkomstig beoordelingsprocedurebijlage B of
beoordelingsprocedurebijlage G en de daarbij van toepassing zijnde
voorschriften van de bijlage bedoeld in artikel 10 van het
Meetinstrumentenbesluit II.
3.Indien een vloeistofmeetinstallatie wordt aangesloten op onder de
werking van de IJkwet toegelaten andere apparatuur en deze apparatuur
eveneens het meetresultaat vastlegt en weergeeft, voldoet deze
apparatuur wat betreft het vastleggen en weergeven van het
meetresultaat aan de eisen van de richtlijn meetinstrumenten en mag de
weergave van het meetresultaat op die andere apparatuur niet afwijken
van het door de vloeistofmeetinstallatie vastgestelde meetresultaat.
Artikel 10
Automatische weeginstrumenten met een in artikel 2, onderdeel d,
onder 1°, van het Meetinstrumentenbesluit I bedoelde taak voldoen na
ingebruikneming aan de toepasselijke essentiële eisen van bijlage
MI-006 van de richtlijn meetinstrumenten, met dien verstande dat:
a. de in hoofdstuk II, onderdeel 4.1, opgenomen gemiddelde fout
voor categorie X weeginstrumenten telkens met een factor 2 wordt
vermenigvuldigd;
b. automatische weeginstrumenten voor metingen ter controle van
voorverpakkingen die zijn samengesteld volgens de eisen van
richtlijn 75/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
19 december 1974 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken naar volume van
bepaalde vloeistoffen in voorverpakkingen met bepaalde inhoud (PbEG
L 42) en richtlijn 76/211/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 20 januari 1976 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het voorverpakken
naar gewicht of volume van bepaalde producten in voorverpakkingen (PbEG
L 46) voldoen aan de eisen voor weeginstrumenten van categorie X,
zoals bedoeld in Hoofdstuk II, onderdeel 2.1, met inachtneming van
de hiervoor onder a vermelde wijziging van de maximaal toelaatbare
gemiddelde fout;
c. in plaats van de in onderdeel 4.1 opgenomen maximaal
toelaatbare fout van ± 1 e, ± 1,5 e en ± 2 e voor categorie Y een
maximaal toelaatbare fout geldt van respectievelijk ± 1,5 e, ± 2,5
e en ± 3,5 e;
d. in plaats van de in onderdeel 4.2
opgenomen tabel inzake standaarddeviatie, de volgende tabel van
toepassing is:
|
Nettolast m |
Maximaal toelaatbare
standaarddeviatie voor klasse X |
|
m ≤ 50g |
0,6 % |
|
50 g < m ≤ 100g |
0,3 g |
|
100 g < m ≤ 200g |
0,3 % |
|
200 g < m ≤ 300g |
0,6 g |
|
300 g < m ≤ 500g |
0,2 % |
|
500 g < m ≤ 1000g |
1,0 g |
|
1000 g < m ≤ 10.000g |
0,1 % |
|
10.000 g < m ≤ 15.000g |
10 g |
|
15.000 g < m |
0,067 % |
Artikel 11
Automatische weeginstrumenten met een in artikel 2, onderdeel d,
onder 2°, van het Meetinstrumentenbesluit I bedoelde taak voldoen na
ingebruikneming aan de toepasselijke essentiële eisen van bijlage
MI-006 van de richtlijn meetinstrumenten, met dien verstande dat:
a. de in hoofdstuk III, onderdeel 2.2, tabel 5, opgenomen
maximaal toelaatbare afwijking van elke vulling van het gemiddelde
voor klasse X (1) telkens met een factor 1,25 wordt vermenigvuldigd;
b. bij de berekening van de instelfout, bedoeld in hoofdstuk III,
onderdeel 2.3, uitgegaan wordt van het in hoofdstuk III, onderdeel
2.2, in tabel 5 vermelde percentage, zonder toepassing van de
hiervoor in onderdeel a vermelde vermenigvuldigingsfactor.
Artikel 12
Automatische weeginstrumenten met een in artikel 2, onderdeel d,
onder 3°, van het Meetinstrumentenbesluit I bedoelde taak voldoen na
ingebruikneming aan de toepasselijke essentiële eisen van bijlage
MI-006 van de richtlijn meetinstrumenten, met dien verstande dat de in
hoofdstuk IV, onderdeel 2, tabel 6, opgenomen maximaal toelaatbare fout
van de getotaliseerde last telkens met een factor 2 wordt
vermenigvuldigd.
Artikel 13
Automatische weeginstrumenten met een in artikel 2, onderdeel d,
onder 4°, van het Meetinstrumentenbesluit I bedoelde taak voldoen na
ingebruikneming aan de toepasselijke essentiële eisen van bijlage
MI-006 van de richtlijn meetinstrumenten, met dien verstande dat de in
hoofdstuk V, onderdeel 3, tabel 8, opgenomen maximaal toelaatbare fout
voor de totale last telkens met een factor 2 wordt vermenigvuldigd.
Artikel 14
Automatische weeginstrumenten met een in artikel 2, onderdeel d,
onder 5°, van het Meetinstrumentenbesluit I bedoelde taak voldoen na
ingebruikneming aan de toepasselijke essentiële eisen van bijlage
MI-006 van de richtlijn meetinstrumenten, met dien verstande dat:
a. de in hoofdstuk VI, onderdeel 2.1, tabel 9, opgenomen maximaal
toelaatbare fout telkens met een factor 2 wordt vermenigvuldigd;
b. bij de berekeningen bedoeld in hoofdstuk VI, onderdeel 2.2,
2.3 en 2.4, uitgegaan wordt van de maximaal toelaatbare fout, zoals
vastgesteld na de hiervoor in onderdeel a aangegeven
vermenigvuldiging.
Artikel 15
Een automatisch weegwerktuig dat niet in een hogere
nauwkeurigheidsklasse valt dan, wat betreft:
a. automatische vangwegers, nauwkeurigheidsklasse XIV of Y (b),
bedoeld in hoofdstuk II, onderdeel 1.2, van bijlage MI-006 van de
richtlijn meetinstrumenten,
b. automatische weegmachines voor afwegen: nauwkeurigheidsklasse
X(2), bepaald overeenkomstig hoofdstuk III, onderdeel 1.2, van
bijlage MI-006 van de richtlijn meetinstrumenten,
c. discontinue totalisators: nauwkeurigheidsklasse 1 of 2,
bedoeld in hoofdstuk IV, onderdeel 1, van bijlage MI-006 van de
richtlijn meetinstrumenten,
d. continue totalisators: nauwkeurigheidsklasse 1 of 2, bedoeld
in hoofdstuk V, onderdeel 1, van bijlage MI-006 van de richtlijn
meetinstrumenten,
e. mag slechts worden gebruikt voor:
1°. het bepalen van de vervoerskosten van postpakketten;
2°. het bepalen, op terreinen van ondernemingen tot
exploitatie van middelen van openbaar vervoer, van de
vervoerskosten van goederen;
3°. voor het wegen in mortelfabrieken van asfaltbeton,
betonmortel, metselspecie en soortgelijke producten, alsmede
voor het in die fabrieken bij de vervaardiging van die producten
wegen van materialen, waaruit die producten worden samengesteld;
4°. het wegen van afvalstoffen en van zand, grind en aarde.
Artikel 16
1. Nadat een taxameter in combinatie met een
afstandssignaalgenerator is ingebouwd, wordt zij in een taxi niet
eerder gebruikt dan nadat door een aangewezen instantie of een
natuurlijke persoon of een rechtspersoon die beschikt over een
erkenning als bedoeld in artikel 11 van de Metrologiewet is
onderzocht, dat de meting op correcte wijze geschiedt en dat de
taxameter onder deze omstandigheden aan de in deze regeling gestelde
eisen voldoet.
2. Taxameters voldoen na installatie bij gebruik aan de
toepasselijke essentiële eisen van bijlage MI-007 van de richtlijn
meetinstrumenten, met dien verstande dat:
a. de in onderdeel 2 bedoelde resolutie € 0,10 bedraagt;
b. in plaats van onderdeel 7 een maximaal toelaatbare fout voor
de gemeten tijd van ± 0,2% en een maximaal toelaatbare fout voor
de gemeten afstand van ± 2% geldt, onder de volgende normomstandigheden:
1°. een gesimuleerde snelheid van 20 km/h;
2°. de taxi is voorzien van voor het type voertuig normale
banden op een door de fabrikant van het voertuig
voorgeschreven druk en met een gemiddelde profielhoogte;
3°. de taxi is ingericht overeenkomstig zijn bestemming en
is belast overeenkomstig een voor de helft gevulde
brandstoftank en het vervoer van twee personen, waaronder de
bestuurder.
3. Taxameters die voor 15 oktober 2011 ingevolge artikel 45 van de
Metrologiewet rechtmatig in gebruik zijn genomen, voldoen aan het
ingevolge artikel 11a van de IJkwet toegelaten model van de meters,
zoals aangepast volgens een aanhangsel bij de verklaring van toelating
van het model, mits:
a. de aanpassing noodzakelijk is als gevolg van ontwikkelingen
in andere regelgeving dan bij of krachtens de Metrologiewet is
vastgesteld;
b. het model nog steeds voldoet aan de eisen zoals die op grond
van de IJkwet waren gesteld en
c. het model met goed gevolg een onderzoek heeft ondergaan
overeenkomstig beoordelingsprocedurebijlage B.
4. Bij gebruik van de taxameter is in de taxi een voorziening
aanwezig waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
a. de maat van de banden welke op het moment van de
overeenstemmingsbeoordeling aan de betrokken taxi zijn bevestigd;
b. het kenteken van de betrokken taxi;
c. de datum waarop de overeenstemmingsbeoordeling heeft plaats
gevonden en het kenmerk van de instantie die deze heeft verricht;
d. de constante van de afstandssignaalgenerator;
e. de stand van de teller waarmee de wijziging van de constante
van de afstandssignaalgenerator wordt geregistreerd, op het moment
van een overeenstemmingsbeoordeling;
f. de type-aanduiding en fabrieksnummer van de betrokken
taxameter.
Artikel 17
Multidimensionale meetinstrumenten voldoen na ingebruikneming aan de
toepasselijke essentiële eisen van bijlage MI-009, hoofdstukken I en
IV, van de richtlijn meetinstrumenten.
§ 4. Specifieke bepalingen inzake niet-automatische weegwerktuigen
Artikel 18
Een niet-automatisch weegwerktuig dat wordt gebruikt voor weging van
edele metalen, parels, edelgesteenten of munten voldoet aan de eisen
voor weegwerktuigen met een nauwkeurigheidsklasse I of II als bedoeld in
onderdeel 2.1 van bijlage I van de richtlijn niet-automatische
weegwerktuigen.
Artikel 19
Een niet-automatisch weegwerktuig dat niet voldoet aan een hogere
nauwkeurigheidsklasse dan klasse IIII, bedoeld in onderdeel 2.1 van
bijlage I van de richtlijn niet-automatische weegwerktuigen, mag slechts
worden gebruikt voor:
a. het bepalen van de vervoerskosten van postpakketten;
b. het bepalen, op terreinen van ondernemingen tot exploitatie
van middelen van openbaar vervoer, van de vervoerskosten van
goederen;
c. voor het wegen in mortelfabrieken van asfaltbeton,
betonmortel, metselspecie en soortgelijke producten, alsmede voor
het in die fabrieken bij de vervaardiging van die producten wegen
van materialen, waaruit die producten worden samengesteld;
d. het wegen van afvalstoffen en van zand, grind en aarde.
§ 5. Specifieke bepalingen inzake korenschalen, alcoholmeters en
areometers voor alcohol
Artikel 20
Een korenschaal als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het
Meetinstrumentenbesluit II voldoet na ingebruikneming aan de
voorschriften van de richtlijn inzake de meting van het natuurgewicht
van granen.
Artikel 21
1.Een alcoholmeter of een areometer voor alcohol als bedoeld in
artikel 4, tweede lid, van het Meetinstrumentenbesluit II voldoet na
ingebruikneming aan de toepasselijke voorschriften van de richtlijn
inzake alcoholmeters en areometers.
2.Ten behoeve van het vaststellen van het alcoholvolumegehalte of
het alcoholmassagehalte in een mengsel van water en alcohol, geldt dat
een alcoholmeter of een areometer voor alcohol wordt gebruikt
overeenkomstig de voorschriften van richtlijn 76/766/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake
alcoholtabellen (PbEG L 262).
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 22
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 23
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gebruik en installatie
EU-meetinstrumenten.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 23 november 2006.
De Minister van Economische Zaken,
J.G. Wijn.
|
|
|