| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Pensioenwet (PW)
BESLUIT
FINANCIEEL TOETSINGSKADER PENSIOENFONDSEN
Tekst zoals deze geldt op
21 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 18 december 2006, houdende regels met
betrekking tot het financiële toetsingskader op grond van de
Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit
financieel toetsingskader pensioenfondsen)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24
oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/84673;
Gelet op de artikelen 116, tweede lid, 126,
derde lid, 128, derde lid, 131, tweede lid, 132, derde lid, 135, tweede
lid, 136, tweede lid, 137, tweede lid, 138, zesde lid, 140, vijfde lid,
141, derde lid, 143, tweede lid, 144, vierde lid, 145, tweede lid, 147,
zesde lid, en 203, vierde lid van de Pensioenwet en de artikelen 114,
tweede lid, 121, derde lid, 123, derde lid, 126, tweede lid, 127, derde
lid, 130, tweede lid, 131, tweede lid, 132, tweede lid, 133, zesde lid,
135, vijfde lid, 136, derde lid, 138, tweede lid, 139, vierde lid, 140,
tweede lid, 142, zesde lid, en 197, vierde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
De Raad van State gehoord (advies van 16
november 2006, nr. W1206.0450/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie
Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170A;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Paragraaf 1. Definities
Artikel 1. Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. De Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
b. fonds:
1°. pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet;
2°. beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling.
Paragraaf 2. Technische voorzieningen
Artikel 2. Hoogte technische voorzieningen
1.Het bestuur van een fonds stelt de hoogte van de technische
voorzieningen vast op basis van de contante waarde van de verwachte
uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van
vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen.
2.De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een door De
Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur.
3.Een fonds stelt de omvang van de verwachte uitgaande kasstromen
vast op basis van verwachte marktontwikkelingen en voor het fonds
prudente verzekeringstechnische grondslagen waaronder begrepen de
voorzienbare trend in overlevingskansen.
Artikel 3. Inzenden berekening technische voorzieningen
1.Een fonds dient ieder jaar vóór 1 juli de berekening van de
technische voorzieningen per het einde van het voorafgaande jaar in
bij De Nederlandsche Bank.
2.Onverminderd het eerste lid, dient een fonds desgevraagd een
berekening van de technische voorzieningen in bij De Nederlandsche
Bank indien De Nederlandsche Bank tekenen ontwaart van een
ontwikkeling die het eigen vermogen, de liquiditeit of de
bedrijfsvoering van het fonds in gevaar kunnen brengen.
Paragraaf 3. Kostendekkende premie
Artikel 4. Kostendekkende premie en premiestabilisatie
1. De actuarieel benodigde premie in verband met de
pensioenverplichtingen wordt berekend overeenkomstig artikel 2.
2. In afwijking van artikel 2, tweede lid, kan voor de berekening
van de in het eerste lid genoemde premie worden uitgegaan van het
rendement op de beleggingen.
3. Voor de berekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan een
fonds met het oog op demping van de premie uitgaan van een:
a. voortschrijdend gemiddelde van de rente of de rendementen
met een maximumperiode van tien jaar; of
b. vastgestelde verwachte waarde van het toekomstige rendement.
4. Het gemiddelde en de verwachte waarde, bedoeld in het derde lid,
worden gedurende langere tijd gehanteerd, zijn op een goed onderbouwde
analyse gebaseerd en wijken op de lange termijn niet af van de
gemiddelde realisatie.
Paragraaf 4. Eigen vermogen
Artikel 5. Samenstelling eigen vermogen
1.Het eigen vermogen van een fonds wordt met name gevormd door de
volgende vermogensbestanddelen:
a. het gestorte aandelenkapitaal of waarborgkapitaal
vermeerderd met de ledenrekeningen;
b. de reserves;
c. het onverdeelde positieve of negatieve resultaat;
d. het cumulatief preferent aandelenkapitaal;
e. de achtergestelde leningen;
f. de effecten met onbepaalde looptijd en andere
vermogensinstrumenten; en
g. de helft van het obligo van het geplaatste kapitaal of van
het in aandelen verdeeld waarborgkapitaal.
2.Het eigen vermogen van een fonds wordt verminderd met het bedrag
van de eigen aandelen die rechtstreeks door het fonds worden gehouden
en met het bedrag van de immateriële activa.
Artikel 6. Vorming van eigen vermogen ten behoeve van toekomstige
pensioenaanspraken
De vorming van eigen vermogen ten behoeve van toezeggingen die in de
toekomst leiden tot een wijziging van de pensioenovereenkomst en als
gevolg daarvan tot een toename van de pensioenverplichtingen, is een
activiteit die verband houdt met pensioen en kan overeenkomstig artikel
116 van de Pensioenwet door een pensioenfonds worden verricht.
Artikel 7. Ledenrekeningen
1.De ledenrekeningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder a,
worden alleen meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen, wanneer
de statuten bepalen dat:
a. vanaf deze rekeningen alleen betalingen aan de leden
plaatsvinden als daardoor het eigen vermogen niet daalt beneden
het vereiste niveau, bedoeld in artikel 11, dan wel bij liquidatie
van het fonds, als alle andere schulden zijn voldaan;
b. elke betaling vanaf deze ledenrekeningen voor andere
doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap niet
eerder plaatsvindt dan nadat dertig dagen zijn verstreken na
melding daarvan aan De Nederlandsche Bank; en
c. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat een voorgenomen
betaling niet mag plaatsvinden.
2.De statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen
worden niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van De
Nederlandsche Bank is verkregen.
Artikel 8. Cumulatief preferent aandelenkapitaal en achtergestelde
leningen
1.Het cumulatief preferent aandelenkapitaal en de achtergestelde
leningen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder d en e, worden
meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het minimaal vereist
eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het
minimaal vereist eigen vermogen, waarbij niet meer dan de helft van
dat maximum in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd,
of het cumulatief preferent aandelenkapitaal met vaste termijn, mits
bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van
liquidatie van het fonds, de achtergestelde leningen of preferente
aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere
crediteuren en pas worden terugbetaald als alle andere schulden zijn
voldaan.
2.Achtergestelde leningen als bedoeld in het eerste lid mogen
meetellen tot een maximum van vijftig procent van het vereist eigen
vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het vereist
eigen vermogen.
3.De achtergestelde leningen worden meegeteld voor zover bedragen
zijn gestort.
4.Achtergestelde leningen met een vaste looptijd worden meegeteld
als de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar bedraagt. De
hoogte tot welke de achtergestelde lening wordt meegeteld als
onderdeel van het eigen vermogen wordt lineair verlaagd gedurende ten
minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de aflossing.
5.Achtergestelde leningen zonder een vaste looptijd worden
meegeteld als deze worden of zullen worden afgelost met een
opzeggingstermijn van ten minste vijf jaar of De Nederlandsche Bank
aflossing heeft toegestaan. Het verzoek om toestemming voor de
aflossing ontvangt De Nederlandsche Bank ten minste zes maanden voor
de beoogde aflossingsdatum.
6.De leningsovereenkomst bevat geen bepaling op grond waarvan de
achtergestelde lening voor het einde van de looptijd, anders dan bij
liquidatie van het fonds, wordt afgelost.
7.In afwijking van het zesde lid kan De Nederlandsche Bank
toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van achtergestelde
leningen met een vaste looptijd, wanneer het initiatief hiertoe
uitgaat van het fonds en het eigen vermogen niet onder het vereiste
niveau daalt.
8.De leningsovereenkomst wordt niet gewijzigd dan nadat daarvoor
toestemming van De Nederlandsche Bank is verkregen.
Artikel 9. Effecten met onbepaalde looptijd en andere
vermogensinstrumenten
1.De effecten met onbepaalde looptijd en andere
vermogensinstrumenten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder f,
worden voor het totaal van deze effecten en van de achtergestelde
leningen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, meegeteld tot een maximum
van vijftig procent van het totaal van het eigen vermogen of het
minimaal vereist eigen vermogen, naar gelang welk bedrag het laagst
is, voor zover:
a. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat het fonds de
rentebetaling uit kan stellen;
b. de vorderingen op het fonds uit hoofde van de genoemde
effecten zijn achtergesteld ten opzichte van overige vorderingen;
c. in de emissieovereenkomst is vastgelegd dat verliezen kunnen
worden gecompenseerd met het bedrag van de lening en nog te
betalen rente; en
d. bedragen zijn gestort.
2.De aflossing van de effecten met onbepaalde looptijd en andere
vermogensinstrumenten vindt niet plaats dan nadat daarvoor toestemming
van De Nederlandsche Bank is verkregen.
Artikel 10. Obligo
Van het obligo van het geplaatste kapitaal of van het in aandelen
verdeelde waarborgkapitaal wordt de helft meegeteld tot een maximum van
vijftig procent van het eigen vermogen of het minimaal vereist eigen
vermogen, naargelang welk bedrag het laagst is, mits van het geplaatste
kapitaal minimaal vijfentwintig procent is gestort.
Artikel 11. Minimaal vereist eigen vermogen
1.Het minimaal vereist eigen vermogen bedraagt het totaal van de in
dit artikel beschreven berekeningen.
2.Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds beleggingsrisico
wordt gelopen, wordt vier procent van het bedrag van de bruto
technische voorzieningen vermenigvuldigd met de verhouding tussen de
bruto technische voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit
hoofde van herverzekering en de bruto technische voorzieningen aan het
eind van het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten minste
vijfentachtig procent.
3.Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen
beleggingsrisico wordt gelopen en de beheerslasten voor een periode
van meer dan vijf jaar zijn vastgelegd, wordt één procent van de
technische voorzieningen aan het einde van het boekjaar gerekend,
overeenkomstig het tweede lid.
4.Voor pensioenregelingen waarbij door het fonds geen
beleggingsrisico wordt gelopen en de beheerslasten voor een periode
van vijf jaar of minder zijn vastgelegd, wordt vijfentwintig procent
van de netto beheerslasten in verband met de bedrijfsuitoefening in
het afgelopen boekjaar gerekend.
5.Voor pensioenregelingen met risicokapitaal bij overlijden, wordt
0,3 procent van het aanwezige risicokapitaal vermenigvuldigd met de
verhouding tussen het risicokapitaal dat ten laste van het fonds
blijft na aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en
het risicokapitaal in het afgelopen boekjaar. Dit verhoudingsgetal is
ten minste vijftig procent.
6.Voor zover het fonds arbeidsongeschiktheidpensioen uitvoert,
wordt de hoogste uitkomst van de volgende berekeningen gerekend:
a. achttien procent van de in het afgelopen boekjaar geboekte
dan wel verdiende premies, naargelang welk bedrag het hoogst is en
van de in rekening gebrachte poliskosten, voor zover deze premies
en kosten niet meer bedragen dan € 50 miljoen, vermeerderd met
zestien procent van deze premies en kosten voor zover deze meer
bedragen dan € 50 miljoen. De uitkomst van deze berekening wordt
vermenigvuldigd met de verhouding tussen de schaden die voor eigen
rekening komen van het fonds na overdracht uit hoofde van
herverzekering en de bruto schaden in de afgelopen drie boekjaren.
Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig procent;
b. zesentwintig procent van de gemiddeld geboekte bruto schaden
in de afgelopen drie boekjaren en van de gemiddelde toevoeging aan
de schadevoorziening in deze jaren, voor zover deze schaden en
toevoeging niet meer bedragen dan € 35 miljoen, vermeerderd met
drieëntwintig procent van deze schaden en toevoeging, voor zover
deze meer bedragen dan € 35 miljoen. De uitkomst van deze
berekening wordt vermenigvuldigd met de verhouding tussen de
schaden die voor eigen rekening komen van het fonds na overdracht
uit hoofde van herverzekering en de bruto schaden in de afgelopen
drie boekjaren. Dit verhoudingsgetal is ten minste vijftig
procent.
7.Indien de hoogste uitkomst van de berekeningen, bedoeld in het
zesde lid, lager is dan in het afgelopen boekjaar, is de uitkomst ten
minste gelijk aan de uitkomst van het afgelopen boekjaar
vermenigvuldigd met de verhouding tussen de technische voorzieningen
voor te betalen schaden onder aftrek van de overdrachten uit
herverzekering aan het einde van het afgelopen boekjaar en de
technische voorzieningen voor te betalen schaden onder aftrek van de
overdrachten uit herverzekering aan het begin van het afgelopen
boekjaar. Dit verhoudingsgetal is ten hoogste honderd procent.
8.De Nederlandsche Bank kan tegen de op herverzekering gebaseerde
verlaging van het minimaal vereist eigen vermogen overeenkomstig het
tweede, vijfde, zesde en zevende lid, bedenkingen naar voren brengen
indien:
a. de aard of de kwaliteit van de overdracht uit hoofde van
herverzekering sinds het afgelopen boekjaar sterk is gewijzigd; of
b. er nauwelijks of geen risico-overdracht plaatsvindt uit
hoofde van herverzekering.
Artikel 12. Vereist eigen vermogen
1. Voor de berekening van het vereist eigen vermogen hanteert het
fonds een standaardmodel waarin door middel van risicofactoren voor de
gehele balans van activa en passiva rekening wordt gehouden met:
a. het renterisico;
b. het aandelen- en vastgoedrisico;
c. het valutarisico;
d. het grondstoffenrisico;
e. het kredietrisico;
f. het verzekeringtechnisch risico;
g. het liquiditeitsrisico;
h. het concentratierisico; en
i. het operationeel risico.
2. In afwijking van het eerste lid kan een fonds, mits voorafgaande
toestemming is verleend door De Nederlandsche Bank, voor de berekening
van het vereist eigen vermogen:
a. een vereenvoudigd model hanteren, of
b. een intern model hanteren.
3. Voor de berekening van het vereist eigen vermogen kan een fonds
dat zijn risico’s heeft verzekerd bij een verzekeraar, in afwijking
van het eerste lid, onderdeel e, en het tweede lid, voor het
verzekerde deel het kredietrisico buiten beschouwing laten.
4. De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen inzake de
scenariomethode indien innovatieve beleggingsinstrumenten daartoe
aanleiding geven.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking
tot het standaardmodel en de omvang, de inhoud en de samenhang van de
risicofactoren, bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot de in
het tweede lid bedoelde situatie.
Paragraaf 5. Beleggingen en leningen
Artikel 13. Eisen ten aanzien van beleggingen
1. De waarden worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de
kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als
geheel zijn gewaarborgd.
2. Waarden die ter dekking van de technische voorzieningen worden
aangehouden, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de
duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen.
3. De waarden worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten
belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde
financiële markt toegelaten waarden worden tot een prudent niveau
beperkt.
4. Beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze
bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een
doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Het fonds vermijdt
een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij
en tot andere derivatenverrichtingen.
5. De waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een
bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of
een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en
risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.
6. Onder waardering op marktwaarde als bedoeld in artikel 135,
eerste lid, onder c, van de Pensioenwet en artikel 130, eerste lid,
onder b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstaan:
het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief
kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen,
die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn. Bij de
waardering van een vordering van een fonds op een verzekeraar uit
hoofde van een verzekering als bedoeld in artikel 12, derde lid, kan
het kredietrisico op die verzekeraar buiten beschouwing worden
gelaten.
Artikel 14. Leningen
1.Leningen als bedoeld in artikel 136 van de Pensioenwet en artikel
131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn tijdelijk
indien deze worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een
jaar.
2.Van een liquiditeitsdoelstelling, als bedoeld in artikel 136 van
de Pensioenwet en artikel 131 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, is sprake als het fonds tijdelijk niet kan
voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt
aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van het fonds.
Paragraaf 6. Voorwaardelijke toeslagverlening en financiering
Artikel 15. Technische voorzieningen in het kader van voorwaardelijke
toeslagverlening
Indien een fonds een technische voorziening vormt voor de
financiering van de voorwaardelijke toeslagverlening wordt de hoogte van
de technische voorziening vastgesteld overeenkomstig artikel 2.
Paragraaf 7. Herstelplannen
Paragraaf 7.1. Langetermijnherstelplan
Artikel 16. Langetermijnherstelplan
1.Het langetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 138 van de
Pensioenwet of artikel 133 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de oorzaak van het niet meer of niet zullen voldoen aan de
bij of krachtens artikel 132 van de Pensioenwet of artikel 127 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling gestelde vereisten ten
aanzien van het vereist eigen vermogen;
b. de voorziene ontwikkeling van de technische voorzieningen en
de waarden;
c. de concrete maatregelen waardoor het vereist eigen vermogen
binnen maximaal vijftien jaar op het vereiste niveau komt, waarbij
rekening wordt gehouden met de naar verwachting toe te kennen
toeslagverlening en de overige verplichtingen van het fonds;
en is ten aanzien van de onderdelen b en c gebaseerd op een recente
continuïteitsanalyse als bedoeld in artikel 22.
2.De in het eerste lid, onder c, bedoelde maatregelen mogen er niet
toe leiden dat het risico dat niet wordt voldaan aan de in het eerste
lid, onder a, genoemde vereisten ten aanzien van het vereist eigen
vermogen, doelbewust wordt vergroot ten opzichte van de situatie
waarin wel werd voldaan aan de in artikel 132 van de Pensioenwet of
artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling opgenomen
vereisten.
3.Een herstelplan vertoont ex ante een gestaag herstel.
Paragraaf 7.2. Kortetermijnherstelplan
Artikel 17. Kortetermijnherstelplan
Het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140 van de
Pensioenwet of artikel 135 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de oorzaak van het niet meer of niet
zullen voldoen aan de bij of krachtens artikel 131 van de
Pensioenwet of artikel 126 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling gestelde vereisten ten aanzien van het
minimaal vereist eigen vermogen;
b. een beschrijving van de voorziene ontwikkeling van de
technische voorzieningen en de waarden;
c. een beschrijving van de concrete maatregelen waardoor het
minimaal vereist eigen vermogen binnen maximaal drie jaren op het
vereiste niveau komt, waarbij rekening wordt gehouden met de
verplichtingen van het fonds; en
d. uitsluitsel of is voldaan aan de criteria in artikel 140 van
de Pensioenwet of artikel 135 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
Paragraaf 8. Beheerste en integere bedrijfsvoering
Artikel 18. Beheerste bedrijfsvoering
Een fonds beschikt over goede administratieve en boekhoudkundige
procedures en adequate interne controlemechanismen, stelt beleid op ten
aanzien van de beheersing van te lopen risico’s en draagt zorg voor de
uitvoering van dat beleid.
Artikel 19. Integriteitrisico
Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van
integriteitrisico’s en stelt aan de hand van deze analyse een
integriteitbeleid vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid.
Artikel 20. Belangenverstrengeling
1.Een fonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking
tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen met de
belangen van het fonds van personen die het beleid van het fonds
bepalen, leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het
beleid en de algemene gang van zaken van het fonds en andere
werknemers of andere personen die in opdracht van het fonds op
structurele basis werkzaamheden voor het fonds verrichten.
2.Een fonds beschikt over een gedragscode die voor bestuurders en
medewerkers van het fonds voorschriften geeft ter voorkoming van
belangenconflicten en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bij
het fonds aanwezige informatie of zaken.
3.De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot de
inhoud van de gedragscode, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 21. Soliditeit van het fonds
Een fonds voert een beleid gericht op het duurzaam beheersen van te
lopen financiële risico’s en andere dan financiële risico’s.
Artikel 22. Continuïteitsanalyse
1.Een fonds voert ten minste eens in de drie jaar een
continuïteitsanalyse uit waarbij met een stochastische
benaderingswijze wordt bezien of het fonds aan haar verplichtingen op
de lange termijn kan voldoen. De continuïteitsanalyse biedt tevens
inzicht in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening naar
verwachting kan worden toegekend.
2.Indien naar de mening van De Nederlandsche Bank sprake is van
aanzienlijke wijzigingen in de huidige of verwachte financiële
positie van het fonds, voert het fonds tussentijds een extra
continuïteitsanalyse uit.
3.De continuïteitsanalyse omvat 15 prognosejaren, gerekend vanaf
de rapportagedatum. Het fonds heeft voorbij deze tijdhorizon van 15
prognosejaren een kwalitatief beeld van de verwachtingen, risico’s
en het beleid.
4.Bij of krachtens ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot de continuïteitsanalyse.
Paragraaf 8a. Parameters
Artikel 23. Commissie parameters
1.Er is een Commissie Parameters, hierna te noemen de commissie.
2.De commissie heeft tot taak Onze Minister over iedere voorgenomen
wijziging van de regels, die bij algemene maatregel van bestuur worden
gesteld op grond van artikel 144 van de Pensioenwet of artikel 139 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling, haar oordeel te geven
voordat daartoe een voordracht als bedoeld in genoemde artikelen wordt
gedaan.
3.Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de benoeming
en het ontslag van de leden en de werkwijze van de commissie.
Artikel 23a [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 23b. Parameters vanaf 2012
1. Vanaf 1 januari 2012 gaat een fonds voor de berekeningen,
bedoeld in de artikelen 126, 128, 138, 140 en 143 van de Pensioenwet
dan wel de artikelen 121, 123, 133, 135 en 138 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, uit van:
a. minimale verwachtingswaarden voor de groeivoeten van het
loon- en prijsindexcijfer van 3% respectievelijk 2% per jaar;
b. een maximaal verwacht rendement op vastrentende waarden van
4,5% per jaar;
c. een verwacht rendement op beursgenoteerde aandelen en
indirect onroerend goed met een rekenkundig gemiddelde van
maximaal 8,5% per jaar en een meetkundig gemiddelde van maximaal
7% per jaar;
d. een verwacht rendement op overige zakelijke waarden met een
rekenkundig gemiddelde van maximaal 9% per jaar en een meetkundig
gemiddelde van maximaal 7,5% per jaar;
e. een verwacht rendement op direct onroerend goed en
grondstoffen met een rekenkundig gemiddelde van maximaal 7,5% per
jaar en een meetkundig gemiddelde van maximaal 6% per jaar; en
f. de toekomstige rentetermijnstructuur voor de
disconteringsvoet in de continuïteitsanalyse.
2. Een fonds kan na instemming van De Nederlandsche Bank afwijken
van de minimale verwachtingswaarden, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, indien de specifieke omstandigheden van het fonds dat
noodzakelijk maken.
3. De toekomstige rentetermijnstructuur, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel f, kan worden afgeleid uit de rentetermijnstructuur, bedoeld
in artikel 2, tweede lid, waarbij het fonds vanaf jaar t+5 van die
toekomstige rentetermijnstructuur gemotiveerd en na toestemming van De
Nederlandsche Bank kan afwijken.
4. De rendementscijfers, bedoeld in het eerste lid, betreffen bruto
cijfers, voor aftrek van beleggingskosten.
Artikel 23c. Overgangsbepaling wijziging parameters en herstelplannen
1. Bij een herstelplan als bedoeld in artikel 138 en 140 van de
Pensioenwet of artikel 133 en 135 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling waarmee De Nederlandsche Bank heeft ingestemd,
is het feit dat de uitkomst van berekeningen in het kader van dat
herstelplan en het daarin opgenomen beleid wijzigt omdat gebruik wordt
gemaakt van na de vaststelling van het herstelplan gewijzigde regels
als bedoeld in artikel 144, eerste lid, van de Pensioenwet of artikel
139, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, als
zodanig geen aanleiding voor herziening van het herstelplan.
2. In afwijking van het eerste lid kan bij berekeningen ten aanzien
van de consistentie, bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de
Pensioenwet of artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, het feit dat de uitkomst van berekeningen
wijzigt als bedoeld in het eerste lid, als zodanig wel aanleiding zijn
tot herziening van het in het herstelplan, bedoeld in het eerste lid,
opgenomen beleid omtrent voorwaardelijke toeslagverlening, nadat de
maximale looptijd die geldt voor het kortetermijnherstelplan is
verstreken.
Paragraaf 9. Actuariële en bedrijfstechnische nota
Artikel 24. Inhoud actuariële en bedrijfstechnische nota
De actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145 van
de Pensioenwet of artikel 140 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de hoofdlijnen van het interne beheersingssysteem, zoals
voorgeschreven bij of krachtens artikel 143 van de Pensioenwet of de
artikelen 42 en 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling,
en van de opzet van de administratieve organisatie en interne
controle, bedoeld in artikel 18;
b. voor zover van toepassing procedures en criteria voor de
aansluiting van werkgevers bij het betreffende fonds en voor het
verkrijgen van het deelnemerschap van hun werknemers;
c. de hoofdlijnen van de uitvoeringsovereenkomst dan wel het
uitvoeringsreglement;
d. de hoofdlijnen van de reeds verworven en nog te verwerven
pensioenaanspraken en -rechten die voor de deelnemers, gewezen
deelnemers, gepensioneerden of andere aanspraakgerechtigden
voortvloeien uit het pensioenreglement;
e. de uit het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst dan
wel het uitvoeringsreglement voortvloeiende risico’s die in eigen
beheer zijn gehouden dan wel zijn herverzekerd of overgedragen;
f. de financiële opzet;
g. de financiële sturingsmiddelen; en
h. de systematiek van de vaststelling van de parameters, zoals
die op grond van artikel 144 van de Pensioenwet en artikel 139 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden vastgesteld.
Artikel 25. De financiële opzet
1.De beschrijving van de financiële opzet, bedoeld in artikel 24,
onder f, bevat in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop
wordt voldaan aan de vereisten ten aanzien van:
a. de technische voorzieningen, het minimaal vereist eigen
vermogen en het vereist eigen vermogen, bedoeld in de artikelen
126, 131 en 132 van de Pensioenwet of de artikelen 121, 126 en 127
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
b. het premiebeleid, bedoeld in de artikelen 128 en 129 van de
Pensioenwet of de artikelen 123 en 124 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
c. het beleggingsbeleid en het aangaan van leningen, bedoeld in
de artikelen 135 en 136 van de Pensioenwet of de artikelen 130 en
131 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
d. de financiering van voorwaardelijke toeslagverlening,
bedoeld in de artikelen 95 en 137 van de Pensioenwet of de
artikelen 103 en 132 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
2.Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening
gehouden met de overige verplichtingen van het fonds.
Artikel 26. De financiële sturingsmiddelen
De beschrijving van de financiële sturingsmiddelen, bedoeld in
artikel 24, onder g, bevat in ieder geval een beschrijving van de
inzetbaarheid van de sturingsmogelijkheden van het fonds ten aanzien van
het premiebeleid, het beleggingsbeleid en het beleid met betrekking tot
de aanpassingen van de aanspraken en inzake voorwaardelijke
toeslagverlening. Daarbij wordt aangegeven welke effecten met de
genoemde sturingsmiddelen worden bereikt.
Artikel 27. Het beleggingsbeleid
De beschrijving van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 25,
onder c, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. het strategisch beleggingsbeleid, waarin opgenomen een
beschrijving van de beleggingsdoelstelling, de samenstelling van de
beoogde beleggingsportefeuille alsmede de mate waarin van de beoogde
beleggingsportefeuille mag worden afgeweken;
b. de opzet van de uitvoering van de vermogensbeheeractiviteiten;
c. de wijze van risicometing en -beheersing, met name van
marktrisico’s en kredietrisico’s; en
d. de opzet van de resultaatsevaluatie met betrekking tot de
onderwerpen genoemd onder a, b en c.
Artikel 28. Afwijking in geval van overdracht of herverzekering van
risico’s
Voor zover risico’s zijn overgedragen of herverzekerd kunnen de
beschrijvingen, bedoeld in de artikelen 25 en 27, beperkt blijven tot
een verwijzing naar hetgeen in de ten behoeve van de overdracht of
herverzekering afgesloten overeenkomsten is opgenomen.
Artikel 29. Uitgangspunten oordeelsvorming De Nederlandsche Bank
De beschrijvingen die de actuariële en bedrijfstechnische nota bevat
op grond van deartikelen 24 tot en met 28 zijn zodanig dat De
Nederlandsche Bank op basis van die beschrijvingen tot een oordeel kan
komen over de wijze waarop voldaan wordt aan de artikelen 25, 95, 126
tot en met 137 en 143 van de Pensioenwet of de artikelen 35, 103, 121
tot en met 132 en 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Paragraaf 10. Informatieuitwisseling met De Nederlandsche Bank
Artikel 30. Informatieverstrekking door fondsen aan De Nederlandsche
Bank
1.De door een fonds op grond van de artikelen 147, derde lid, en
artikel 203, derde en vierde lid, van de Pensioenwet en op grond van
de artikelen 142, derde lid en artikel 197, derde en vierde lid, van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling te verstrekken gegevens
hebben uitsluitend betrekking op:
a. het fonds en zijn organisatie met betrekking tot:
1°. het aantal medewerkers;
2°. uitbesteding;
3°. de medebeleidsbepalers;
4°. deskundigheidsbevordering van het bestuur;
5°. de persoongegevens van de accountant, bedoeld in
artikel 147, vijfde lid, van de Pensioenwet en artikel 142,
vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de
actuaris bedoeld in artikel 147, vierde lid, van de
Pensioenwet en artikel 142, vierde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling en de adviserende actuaris;
6°. de accountantsverklaring;
7°. het verantwoordingsorgaan;
8°. het interne toezicht; en
9°. de deelnemersraad;
b. een bestuursverslag;
c. de balans, bestaande uit een enkelvoudige balans en, indien
van toepassing, een geconsolideerde balans, een toelichting op de
balans alsmede:
1°. een specificatie van de activa met betrekking tot
immateriële activa, onroerende zaken, niet geconsolideerde en
geconsolideerde deelnemingen, indien van toepassing,
herverzekeringsdeel technische voorzieningen, overige activa
en beleggingen voor risico deelnemers;
2°. een specificatie van de passiva met betrekking tot
gespecificeerde reserves, het aandeel van derden in geval van
een geconsolideerde balans, andere voorzieningen en overige
verplichtingen;
3°. informatie over ontvangen en gestelde zekerheden en
garanties;
4°. informatie over grote posten binnen de beleggingen; en
5°. specificatie van de beleggingen met betrekking tot de
valuta, de risicoklassen, derivatenposities,
beleggingsrendementen en indien sprake is van een
verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, de z-score;
d. de financiële relaties en transacties van het fonds met:
1°. bijdragende ondernemingen;
2°. ondernemingen uit dezelfde groep als de bijdragende
onderneming;
3°. personen die een relatie hebben of hebben gehad met
het fonds wanneer sprake is van een bijzondere lening; en
4°. anderen dan de onder 1° en 2° genoemden inzake
achtergestelde leningen aan het fonds;
e. een rekening van baten en lasten met specificatie van de
posten;
f. de dekkingsgraad;
g. toetsing van het eigen vermogen:
1°. aanwezig eigen vermogen;
2°. de dekkingspositie;
3°. bij gebruik van het standaard model; en
4°. bij gebruik van een intern model;
h. actuariële staten:
1°. technische voorzieningen voor risico fonds;
2°. premiespecificatie garantiecontract;
3°. indexatiegegevens;
4°. actuarieel verslag; en
5°. een analyse van het saldo van baten en lasten;
i. het deelnemersbestand inzake:
1°. de leeftijdsopbouw en de technische voorzieningen; en
2°. de geografische spreiding van deelnemers en premies;
j. de door het fonds uitgevoerde pensioenregeling met
betrekking tot:
1°. de kenmerken van de pensioenregeling; en
2°. het aantal deelnemers;
k. premiegegevens over het nieuwe jaar, tenzij sprake is van
een gesloten fonds;
l. herverzekering, met betrekking tot:
1°. garantiecontracten;
2°. risicoherverzekering; en
3°. kapitaalcontracten.
m. verplichtingen van het fonds voor risico van de deelnemers;
n. uitvoering van een VUT-regeling;
o. uitvoering van een inkoopregeling als bedoeld in het
Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004;
p. toepassing van een herstelplan, met betrekking tot de
situatie per 31 december van het verslagjaar;
q. een besluit tot wijziging van een pensioenregeling in de
verslagperiode met betrekking tot de kenmerken van de
pensioenregeling.
2.Het fonds verstrekt in geval van wijzigingen tevens informatie
over:
a. de door het fonds uitgevoerde pensioenregeling of
pensioenregelingen;
b. de gevolgen van deze wijziging voor de toeslagverlening; en
c. de kenmerken van de pensioenregeling.
Artikel 31. Informatieverstrekking door verzekeraars en
premiepensioeninstellingen aan De Nederlandsche Bank
De door een verzekeraar of een premiepensioeninstelling op grond van
artikel 203, derde en vierde lid, van de Pensioenwet of artikel 197,
derde en vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling te
verstrekken gegevens hebben uitsluitend betrekking op artikel 30, eerste
lid, onderdeel i en j en tweede lid, onderdeel b en c.
Artikel 32. Uitwerking informatieverstrekking door fondsen
De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van hoofdstuk 7 van de
Pensioenwet en hoofdstuk 6 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek en de internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard
overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) Nr. 1606/2002 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG
L 243), regels met betrekking tot de te verstrekken gegevens, bedoeld in
artikel 30. Deze omvatten uitsluitend:
a. de modellen waarin de gegevens worden verstrekt;
b. de reikwijdte en de mate van detaillering van de te
verstrekken gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere
rubricering van de in artikel 30 geduide gegevens;
c. de waardering van de posten;
d. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
e. de afronding;
f. de termijn waarbinnen de gegevens worden verstrekt; deze is
niet korter dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op
de naleving van de Pensioenwet en de Wet verplichte
beroepspensioenregeling; en
g. de frequentie waarmee de gegevens worden verstrekt; deze
bedraagt minimaal één maal en maximaal vier maal per jaar.
Artikel 33. Verstrekking langs elektronische weg
1. Het fonds, de verzekeraar en de premiepensioeninstelling
verstrekken de gegevens, bedoeld in de artikelen 30 en31, langs
elektronische weg aan De Nederlandsche Bank.
2. De accountant zendt een schriftelijke controleverklaring aan De
Nederlandsche Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg
verstrekte gegevens gelijk zijn aan de gegevens waaromtrent de
accountant een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in
artikel 147, vijfde lid, van de Pensioenwet of artikel 142, vijfde
lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling heeft afgegeven en
ten bewijze waarvan de staten door hem zijn gewaarmerkt.
3. De actuaris zendt een schriftelijke controleverklaring aan De
Nederlandsche Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg
verstrekte gegevens gelijk zijn aan de door hem gewaarmerkte
actuariële staten, waaronder een actuarieel verslag voorzien van een
verklaring van de actuaris als bedoeld in artikel 147, derde lid,
onderdeel h, en vierde lid, van de Pensioenwet of artikel 142, derde
lid, onderdeel h, en vierde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
4. Het bestuur van het fonds zendt een schriftelijke
controleverklaring aan De Nederlandsche Bank, inhoudende dat de langs
elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de staten,
bedoeld in artikel 147 van de Pensioenwet of artikel 142 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling.
5. De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot de
inhoud van de schriftelijke controleverklaring, bedoeld in het tweede,
derde en vierde lid.
6. De Nederlandsche Bank kan, in afwijking van het eerste lid, op
verzoek besluiten dat de verstrekking niet langs elektronische weg
behoeft te geschieden, mits de verstrekking van de gevraagde gegevens
wat betreft indeling en inhoud niet afwijkt van hetgeen langs
elektronische weg zou worden verstrekt.
Artikel 34. Verstrekking gegevens aan derden
1.De Nederlandsche Bank verstrekt de in artikel 203 van de
Pensioenwet of artikel 197 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling bedoelde gegevens op verzoek aan:
a. de Sociaal Economische Raad;
b. de Stichting van de Arbeid; en
c. het Centraal Planbureau.
2.De Nederlandsche Bank kan de in artikel 203 van de Pensioenwet of
artikel 197 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bedoelde
gegevens verstrekken aan:
a. de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen;
b. de Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen;
c. het Verbond van Verzekeraars; en
d. de Unie van Beroepspensioenfondsen;
voor zover het gegevens betreft van de bij de betreffende
organisatie aangesloten pensioenuitvoerders en die pensioenuitvoerders
daarmee hebben ingestemd.
3.De Nederlandsche Bank kan de in het eerste lid bedoelde gegevens
verstrekken aan derden.
4.Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van de
gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid.
Paragraaf 11. Overgangs-en slotbepalingen
Artikel 35 [Vervallen per 01-02-2011]
Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 36a [Vervallen per 01-01-2010]
Artikel 37. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Artikel 38. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financieel toetsingskader
pensioenfondsen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december 2006
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de achtentwintigste december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|