St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Pensioenwet (PW)

 

REGELING  PENSIOENWET  EN  WET  VERPLICHTE  BEROEPSPENSIOENREGELING

Tekst zoals deze geldt op 28 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013

 

 

 

 
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 2, derde lid, 70, tweede lid, 109, zevende lid, en 158 van de Pensioenwet, artikel 81, tweede lid en 153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 9, vierde lid, 23, vierde lid, 25, eerste en vijfde lid, en 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12, derde lid en 22, vierde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, artikel 50, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, vierde lid, en artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;
     Met betrekking tot de artikelen 32, 33 en 34 handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling

 

Paragraaf 1. Aanwijzingen

 

Artikel 1. Aangewezen werknemers

Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen:

a. de personen die in de Generale regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt;

b. de bestuurders van vennootschappen als bedoeld in artikel 132, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van de directeur-grootaandeelhouder.

 

Artikel 1a. Stichting Pensioenregister

Als instelling als bedoeld in artikel 51, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 62, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt aangewezen de Stichting Pensioenregister.

 

Artikel 2. Aangewezen instellingen

Als instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 81, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de in bijlage 1 genoemde instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen.

 

Artikel 3. Aangewezen verenigingen

Als verenigingen, op wie tot 1 januari 2009 het vierde tot en met zesde lid van artikel 109 van de Pensioenwet niet van toepassing zijn, zijn aangewezen:

a. de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen (ANBO);

b. de Nederlandse Bond voor Oudere Migranten (NISBO);

c. de Nederlandse Vereniging van Organisaties van Gepensioneerden (NVOG);

d. de Protestants Christelijke Ouderen Bond (PCOB); en

e. de Unie van Katholieke Bonden van Ouderen (Unie KBO).

 

Paragraaf 1a. Tijdelijke regeling pensioenknip

 

3a. Gelijkstelling met pensioen

1. De uitkeringen, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden gelijkgesteld met pensioen in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien wordt voldaan aan de artikelen 3b en 3cen de pensioendatum ligt voor 1 januari 2014.

2. Indien het pensioen, bedoeld in het eerste lid, ouderdomspensioen is, voldoet dit ouderdomspensioen aan artikel 15 van de Pensioenwet of artikel 31 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

 

3b. De tijdelijke uitkering

1. De duur van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bedraagt ten hoogste vijf jaar.

2. De hoogte van de tijdelijke uitkering wordt vastgesteld op de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben.

3. Indien bij het vaststellen van de hoogte van de tijdelijke uitkering artikel 63, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet of artikel 75, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling in acht is genomen, voldoet het pensioen aan artikel 63 van de Pensioenwet of artikel 75 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

 

3c. De levenslange uitkering

1. De levenslange uitkering, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt ingekocht tijdens de uitkeringsperiode van de tijdelijke uitkering, bedoeld inartikel 3b.

2. Indien de pensioengerechtigde in het laatste jaar van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, niet binnen een door de pensioenuitvoerder gestelde termijn overgaat tot inkoop van een levenslange uitkering, gaat de pensioenuitvoerder over tot aanwending van het resterend kapitaal, bedoeld in artikel 3d, voor een levenslange uitkering.

3. De hoogte van de levenslange uitkering varieert na ingang niet.

 

3d. Resterend kapitaal

1. Het kapitaal dat na aankoop van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, resteert wordt door de pensioenuitvoerder zodanig samengesteld dat de risico’s vergelijkbaar of lager zijn dan voor de aankoop van de tijdelijke uitkering.

2. Indien de pensioengerechtigde de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, adviseert de pensioenuitvoerder de pensioengerechtigde over de spreiding van de beleggingen conform het eerste lid.

3. In de uitkeringsperiode van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, ontvangt de pensioengerechtigde, naast de informatie die op grond van artikel 44 van de Pensioenwet of artikel 55 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt, voor zover van toepassing ten minste een keer per jaar informatie over:

a. de hoogte van het resterende kapitaal; en

b. de hoogte van de met dit kapitaal te kopen uitkering.

 

3e. Verplichting pensioenuitvoerder

1. De pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde mee te werken aan een splitsing als bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal tenminste € 10.000 bedraagt en met inachtneming van de artikelen 3a tot en met 3d.

2. De pensioenuitvoerder informeert de daarvoor in aanmerking komende deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde tijdig over hetgeen in deze paragraaf is bepaald.

 

Paragraaf 2. Informatie over toeslagverlening en de voorwaardelijkheidsverklaring

 

Artikel 4. Vaststelling toeslagenlabel

1. De kwalitatieve en beeldende maatstaf waarin de informatie over toeslagverlening wordt uitgedrukt als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 59, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is het toeslagenlabel.

2. In het toeslagenlabel worden de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening, bedoeld in artikel 48, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 59, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling weergegeven als volgt:

a. de verwachte toeslagverlening in de komende 15 jaar; en

b. de toeslagverlening in een pessimistisch scenario in de komende 15 jaar.

3. De berekening van de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening, bedoeld in het tweede lid, wordt door fondsen uitgevoerd in een continuïteitsanalyse en door verzekeraars met het rekeninstrument voor verzekeraars, bedoeld in artikel 4b.

4. De verwachte toeslagverlening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt bepaald als de verwachtingswaarde van de verdeling van uitkomsten op basis van het pensioenresultaat. De toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald als het 5%-risicopercentiel van de verdeling van uitkomsten op basis van het pensioenresultaat.

5. Het pensioenresultaat, bedoeld in het vierde lid, wordt gedefinieerd als: 1 plus de cumulatieve toeslagverlening in de komende 15 jaar gedeeld door 1 plus de cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer in de komende 15 jaar en vermenigvuldigd met 100%.

6. De cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in het vijfde lid, wordt berekend op basis van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling parameters pensioenfondsen.

7. De verwachte toeslagverlening en de toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede lid, worden beiden afgezet tegen de cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer en ingedeeld in een categorie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de volgende categorieën:

a. categorie 1: de toeslagverlening bedraagt ten minste 110%;

b. categorie 2: de toeslagverlening bedraagt minder dan 110% maar ten minste 97%;

c. categorie 3: de toeslagverlening bedraagt minder dan 97% maar ten minste 90%;

d. categorie 4: de toeslagverlening bedraagt minder dan 90% maar ten minste 80%; en

e. categorie 5: de toeslagverlening bedraagt minder dan 80%.

8. Indien toeslagcategorie A of B van de toeslagenmatrix, bedoeld in artikel 6, van toepassing is kan, in afwijking van het derde lid, afgezien worden van berekening van de verwachtingen ten aanzien van toekomstige toeslagverlening, bedoeld in het tweede lid. De verwachte toeslagverlening en de toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede lid, worden in die situatie ingedeeld in categorie 5 als bedoeld in het zevende lid.

9. Het toeslagenlabel wordt geactualiseerd:

a. door fondsen:

1°. bij iedere continuïteitsanalyse die plaatsvindt op grond van artikel 22 van het Besluit financieel toetsingkader pensioenfondsen en die plaatsvindt bij iedere ingrijpende wijziging van de pensioenregeling die gevolgen heeft voor het toeslagbeleid; en

2°. indien de dichtst bij de feitelijke dekkingsgraad op 31 december van enig jaar gelegen fictieve dekkingsgraad een andere is dan de dichtst bij de feitelijke dekkingsgraad op 31 december van het voorgaande jaar gelegen fictieve dekkingsgraad; en

b. door verzekeraars:

1°. iedere 3 jaar; en

2°. bij iedere ingrijpende wijziging van de pensioenregeling die gevolgen heeft voor het toeslagbeleid.

 

Artikel 4a. Fictieve dekkingsgraden continuïteitsanalyse

1. In de continuïteitsanalyse berekenen fondsen de verwachte toeslagverlening en de toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in artikel 4, tweede lid, vanuit de actuele dekkingsgraad en vanuit fictieve dekkingsgraden met stappen van 5 procentpunt vanaf het minimaal vereist eigen vermogen tot de dekkingsgraad waarbij de toeslagen volledig afgefinancierd zijn.

2. Indien de laatste stap tot aan de dekkingsgraad waarbij de toeslagen volledig afgefinancierd zijn geen 5 procentpunt bedraagt, wordt de omvang van deze stap op de feitelijke afstand vastgesteld.

 

Artikel 4b. Rekeninstrument verzekeraars

1. Verzekeraars berekenen de verwachte toeslagverlening en de toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met het rekeninstrument voor verzekeraars. Dit rekeninstrument is door verzekeraars op te vragen bij het Verbond van Verzekeraars.

2. Voor wijziging van het, in het eerste lid bedoelde rekeninstrument, is instemming van De Nederlandsche Bank en Onze Minister vereist.

 

Artikel 4c. Gebruik toeslagenlabel

1. Indien sprake is van verschillend toeslagbeleid voor verschillende pensioensoorten wordt in de informatieverstrekking aan de deelnemer of gewezen deelnemer het toeslagenlabel opgenomen dat betrekking heeft op het ouderdomspensioen.

2. Indien een pensioenregeling meerdere toeslagenregelingen kent wordt in de informatieverstrekking het toeslagenlabel opgenomen dat betrekking heeft op het basisdeel van de pensioenregeling. In dat geval wordt in de informatieverstrekking aan de deelnemer naast het toeslagenlabel de volgende, in te vullen, tekst opgenomen:

U hebt een loon dat hoger is dan €…. Het pensioen dat u opbouwt over het deel boven €… wordt <niet/minder/anders> aangepast aan de stijging van de prijzen. (als minder of anders: Dat deel van het pensioen wordt <wijze van indexatie>’). Dit ziet u niet terug in het plaatje.

In de informatieverstrekking aan de gewezen deelnemer en pensioengerechtigde wordt naast het toeslagenlabel de volgende, in te vullen, tekst opgenomen:

Het pensioen dat u hebt opgebouwd in aanvulling op het basisdeel van de pensioenregeling wordt <niet/minder/anders> aangepast aan de stijging van de prijzen. (als minder of anders: Dat deel van het pensioen wordt <wijze van indexatie>). Dit ziet u niet terug in het plaatje.

3. Indien een pensioenregeling een verschillend toeslagbeleid kent voor deelnemers enerzijds en gewezen deelnemers en pensioengerechtigden anderzijds wordt in de informatieverstrekking aan de deelnemer naast het toeslagenlabel de volgende, in te vullen, tekst opgenomen:

Uw pensioen wordt op een andere manier aangepast aan de stijging van de prijzen, als u niet meer meedoet aan deze pensioenregeling of als u al pensioen krijgt. Uw opgebouwde pensioen wordt dan <wijze van indexatie>. Dit ziet u niet terug in het plaatje.

4. In de omstandigheden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, wordt in de informatieverstrekking aan de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde vermeld dat deze op verzoek het niet in deze informatieverstrekking opgenomen toeslagenlabel kan ontvangen.

5. Indien in de informatieverstrekking aan de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde geen toeslagenlabel wordt opgenomen, wordt op de plaats van het toeslagenlabel een tekst opgenomen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de toepasselijke tekst in bijlage 1b.

6. Van de teksten in het tweede en derde lid en bijlage 1b kan worden afgeweken indien het gebruik van deze teksten zou leiden tot verstrekking van onjuiste, onbegrijpelijke of onduidelijke informatie. Bij de formulering van afwijkende teksten wordt, zoveel mogelijk, aangesloten bij de voorgeschreven teksten.

 

Artikel 4d. Vormvereisten toeslagenlabel

1. Pensioenuitvoerders maken gebruik van de toeslagenlabels die beschikbaar worden gesteld op www.afm.nl.

2. In het uniform pensioenoverzicht, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 49, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt het toeslagenlabel opgenomen in het cijfermatig deel, in het onderdeel ‘Houdt uw pensioen zijn waarde?’.

 

Artikel 5. Consistentie

1. Voor de toepassing van artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstaan onder:

a. gewekte verwachtingen: de toeslagambitie, bedoeld in de in bijlage 1a opgenomen toeslagenmatrix;

b. financiering:

1°. bij fondsen: hetgeen op grond van artikel 24, onderdeel f, g en h, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is opgenomen in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145 van de Pensioenwet of artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

2°. bij een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling: hetgeen in de uitvoeringsovereenkomst over de financiering is geregeld;

c. het realiseren van voorwaardelijke toeslagen: de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar.

2. Consistentie als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bestaat voor een fonds indien:

a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het vereist eigen vermogen over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht, die in voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie; en

b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het minimaal vereist eigen vermogen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het fonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van het minimaal vereist eigen vermogen op het vereist eigen vermogen te brengen.

3. Indien uitgaande van het vereist eigen vermogen van het fonds niet aan de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarde wordt voldaan, bestaat consistentie als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet of artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, indien:

a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van een hogere dekkingsgraad dan het vereist eigen vermogen, over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie; en

b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het minimaal vereist eigen vermogen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het fonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van het minimaal vereist eigen vermogen op de, in onderdeel a genoemde, hogere dekkingsgraad te brengen.

4. De toezichthouder kan op verzoek van een fonds toestaan dat onderdeel b van het tweede of derde lid niet wordt toegepast, dan wel dat voor de continuïteitsanalyse, bedoeld in die onderdelen, mag worden uitgegaan van een hogere dekkingsgraad dan het minimaal vereist eigen vermogen.

5. Consistentie als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bestaat voor een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie.

 

Artikel 6. Toeslagenmatrix

1. Bij de informatie over toeslagverlening, bedoeld in artikel 4 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en de voorwaardelijkheidsverklaring, bedoeld in artikel 95, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 103, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruik gemaakt van de in bijlage 1a opgenomen toeslagenmatrix.

2. Van de teksten in de laatste kolom van de toeslagenmatrix kan worden afgeweken indien het gebruik van deze teksten zou leiden tot verstrekking van onjuiste, onbegrijpelijke of onduidelijke informatie over toeslagverlening. Bij de formulering van afwijkende teksten wordt, zoveel mogelijk, aangesloten bij de voorgeschreven teksten.

 

Paragraaf 2a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan

 

Artikel 6a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan

1. Een fonds wordt vrijgesteld van de termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 140, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 135, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, een kortetermijnherstelplan indient met een looptijd van maximaal vijf jaar.

2. In het kortetermijnherstelplan wordt opgenomen:

a. hoe het fonds, zonder vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, in uiterlijk vijf jaar zal voldoen aan artikel 131 van de Pensioenwet of artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna te noemen: het minimaal vereist eigen vermogen); en

b. welke aanvullende maatregelen, waaronder zonodig vermindering van pensioenaanspraken en/of pensioenrechten, genomen kunnen worden om opnieuw op een haalbaar herstelpad te komen indien gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan alsnog blijkt dat naar verwachting niet zal kunnen worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

3. Indien De Nederlandsche Bank gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan vaststelt dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad afwijkt van de daarin veronderstelde ontwikkeling, zodanig dat naar verwachting niet aan het einde van de looptijd zal kunnen worden voldaan aan, het minimaal vereist eigen vermogen, worden uiterlijk op 1 april van het tweede jaar volgend op 31 december van enig jaar, op basis van de situatie op 31 december daaraanvoorafgaand de door het fonds gekozen aanvullende maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onder b, uitgevoerd, tenzij het fonds ten genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting opnieuw zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.

4. Voor de toepassing van het derde lid wordt de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op 31 december van enig jaar.

5. Indien een fonds geen kortetermijnherstelplan als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan indienen omdat vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten nodig is om aan het einde van de looptijd van het plan te voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen, wordt deze vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten uiterlijk 1 januari 2011 uitgevoerd, tenzij het fonds tot genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting zonder die vermindering aan het eind van de looptijd zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen. Gedurende de verdere looptijd van ieder kortetermijnherstelplan als bedoeld in dit lid zijn het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

6. Zo nodig in afwijking van het derde en vierde lid, wordt een vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad, vastgesteld op de laatste dag van de looptijd van het kortetermijnherstelplan, noodzakelijk is, uiterlijk 3 maanden na afloop van het kortetermijnherstelplan onvoorwaardelijk ingeboekt en geëffectueerd.

7. Een fonds kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten spreiden indien de pensioenregeling per 1 januari 2013 de volgende kenmerken heeft:

a. de in de pensioenregeling opgenomen richtleeftijd voor nieuwe pensioenopbouw is tenminste 67 jaar of, indien dit laatste niet tijdig gerealiseerd kan worden, de pensioenopbouw is verlaagd op een wijze die materieel hetzelfde effect heeft;

b. stijgingen van de levensverwachting worden ten laste gebracht van de toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten; en

c. bij een dekkingsgraad van minder dan 110% wordt geen toeslag verleend.

8. Een fonds met een kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt voor 1 april 2014, kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zevende lid, als volgt spreiden:

a. in 2013 kan de vermindering worden beperkt tot hetgeen wordt geëffectueerd per 1 april 2013;

b. in 2014 kan de effectuering van de vermindering worden beperkt tot 7%;

c. de resterende vermindering wordt geëffectueerd per 1 april 2015.

9. Een fonds met een kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt na 1 april 2014, kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in het zevende lid, als volgt spreiden:

a. in 2014 kan de vermindering worden beperkt tot hetgeen op grond van het derde lid wordt geëffectueerd per 1 april 2014, met dien verstande dat indien deze vermindering meer bedraagt dan 7%, de vermindering in 2014 kan worden beperkt tot 7%;

b. in 2015 kan de effectuering van de vermindering worden beperkt tot 7%;

c. de resterende vermindering wordt geëffectueerd per 1 april 2016.

10. Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de beslissing met betrekking tot de instemming met het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet of artikel 135 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt genomen na inwerkingtreding van dit artikel en het kortetermijnherstelplan is ingediend voor 1 januari 2011.

 

Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

 

Paragraaf 1. Prijsinflatie

 

Artikel 15. Prijsinflatie

De prijsinflatie, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling is de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, genoemd in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling parameters pensioenfondsen.

 

Paragraaf 2. Waardeoverdracht

 

Artikel 16. Bepaling rente

1. De rente, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt berekend aan de hand van het u-rendement, waarbij de periode wordt vastgesteld in volle maanden. Het aantal volle maanden wordt bepaald op het verschil in maanden en dagen tussen de overdrachtsdatum en de datum van betaling van de overdrachtswaarde, waarbij alle kalendermaanden op 30 dagen worden gesteld.

2. Het in het eerste lid genoemde u-rendement is het op 1 januari van het jaar waarin de overdrachtsdatum valt geldende u-rendement, zoals gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van Verzekeraars.

 

Artikel 17. Verschuldigde rente

Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, rekent de ontvangende uitvoerder, met toepassing van artikel 16, terug welk deel van de overdrachtswaarde als verschuldigde rente moet worden aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.

 

Artikel 18. Het standaardtarief

1. Bij de vaststelling van het standaardtarief, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de afgeronde overlevingstafels Gehele Bevolking Mannen en Gehele Bevolking Vrouwen 2000–2005 met de volgende leeftijdterugstellingen:

a. 5 jaar voor mannelijke deelnemers;

b. 3 jaar voor vrouwelijke deelnemers;

c. 1 jaar voor de vrouwelijke partner van mannelijke deelnemers; en

d. 3 jaar voor de mannelijke partner van vrouwelijke deelnemers.

2. De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet.

3. De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

4. Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.

5. Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.

6. Voor de berekening van het partnerpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt.

7. Voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen dat is opgebouwd vóór 1 januari 2002, dan wel 1 januari 2006, indien sprake is van perioden van opbouw op grond van een beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in artikel 1 van bijlage 2. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner.

8. De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de overdragende uitvoerder hanteert.

 

Artikel 19. Berekening pensioenaanspraken

1. De berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gemaakt volgens de formules en symbolen, opgenomen in artikel 2 van bijlage 2.

2. De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioenleeftijd en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de ontvangende uitvoerder hanteert.

3. Indien de overdrachtswaarde lager is dan het bedrag benodigd voor de financiering van de toe te kennen pensioenaanspraken komt het verschil ten laste van de nieuwe werkgever of het ontvangende fonds.

 

Artikel 20. Afwijking standaardtarief

1. Bij pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt de overdrachtswaarde berekend op basis van de actuariële grondslagen van de overdragende pensioenuitvoerder.

2. In dit artikel wordt onder actuariële grondslagen verstaan: de grondslagen die de uitvoerder hanteert voor de vaststelling van de technische voorzieningen.

 

Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2013]

 

Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen

 

Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen

 

Artikel 24. Standaardmodel

1. Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende risicofactoren:

a. het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 van bijlage 3 opgenomen rentefactoren;

b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in:

1°. aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed met 25%;

2°. aandelen opkomende markten met 35%;

3°. niet beursgenoteerde aandelen met 30%; en

4°. direct vastgoed met 15%;

c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de euro met 20%;

d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 30%;

e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de gewogen gemiddelde rentemarge voor het kredietrisico van het fonds met 40%;

f. het verzekeringstechnische risico;

g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%;

h. het concentratierisico bedraagt 0%; en

i. het operationeel risico bedraagt 0%.

2. Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor.

 

Artikel 25. Correlaties

1. Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 tot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties:

a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie (ρ) van 0,50;

b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie (ρ') van 0,75;

c. tussen de overige risico’s: een correlatie (ρ'') van 0.

2. Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3 opgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedure gebruikt.

 

Artikel 26. Risicoprofiel

Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met De Nederlandsche Bank over de te nemen maatregelen.

 

Artikel 27. Vereenvoudigd model

1. De Nederlandsche Bank kan toestemming verlenen voor de vaststelling van het vereist eigen vermogen volgens een vereenvoudigd model als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen indien het fonds beschikt over:

a. een eigen vermogen dat ten minste 30% van de technische voorzieningen bedraagt, waarbij geen sprake is van financiering met achtergestelde leningen;

b. een eenvoudige pensioenregeling;

c. een eenvoudig en risicomijdend beleggingsbeleid; en

d. een eenvoudige bedrijfsvoering.

2. Een fonds dat een vereenvoudigd model toepast, stelt het vereist eigen vermogen vast op 30% van de technische voorzieningen.

3. Indien een fonds in een eerdere periode het standaardmodel of een intern model heeft toegepast, kan toestemming om het vereenvoudigd model toe te passen alleen worden verleend indien sprake is van een substantiële inkrimping, een sterke vereenvoudiging van de bedrijfsprocessen, een eenvoudiger risicoprofiel, een sterk verbeterde financiële positie of een eenvoudigere pensioenregeling.

4. De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.

 

Artikel 28. Intern model

1. De Nederlandsche Bank kan toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen indien het fonds voldoet aan door De Nederlandsche Bank gestelde regels ten aanzien van:

a. de organisatorische inbedding van het intern model; en

b. de te hanteren data en de technische aspecten van het interne model.

2. Het intern model vormt een integraal onderdeel van het risicomanagement van het fonds.

3. Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een intern model gaat het fonds uit van een stochastische benaderingswijze waarbij het fonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge samenhang.

4. In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter van het intern model geen afbreuk doen.

5. Een fonds dat een intern model hanteert:

a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan De Nederlandsche Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en

b. dient bij De Nederlandsche Bank eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel als bedoeld in artikel 24.

6. De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.

 

Artikel 29. Overgangsregeling

1. In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan De Nederlandsche Bank een fonds dat niet voldoet aan de in artikel 28, eerste lid, genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern model, indien:

a. naar het oordeel van De Nederlandsche Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet belemmeren; en

b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen.

2. Voor zover tijdens de overgangsperiode het model incompleet is, kan voor de ontbrekende onderdelen gebruik worden gemaakt van een prudente bijschatting.

3. Het fonds kan tot 1 januari 2010:

a. voor het bepalen van het renterisico, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, de benaderingswijze hanteren die is aangegeven in artikel 3 van bijlage 3;

b. voor het bepalen van het kredietrisico, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, de benaderingswijze hanteren die is aangegeven in artikel 4 van bijlage 3.

 

Paragraaf 2. Continuïteitsanalyse

 

Artikel 30. Continuïteitsanalyse

1. Het inzicht dat de continuïteitsanalyse biedt in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening kan worden toegekend, wordt aangegeven door de cumulatieve toekenning over de 15 prognosejaren op jaarbasis uit te drukken.

2. Bij de continuiteitsanalyse worden kalenderjaren gehanteerd, tenzij sprake is van een continuïteitsanalyse op grond van artikel 22, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. In dat geval worden actuele data gebruikt.

3. Het fonds geeft aan waarin een continuïteitsanalyse afwijkt van een eerder uitgevoerde continuïteitsanalyse.

 

Artikel 30a. Commissie Parameters

1. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benoemt de leden van de Commissie Parameters, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

2. Het secretariaat van de commissie wordt gevoerd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

3. Het beheer van de bescheiden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het, in het tweede lid genoemd, ministerie. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de werkgroep bij het archief van dit ministerie opgeborgen.

4. De leden van de commissie kunnen een vergoeding ontvangen op grond van het Vacatiegeldenbesluit 1988.

5. De leden van de commissie kunnen een vergoeding van reis- en verblijfkosten ontvangen overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.

 

Hoofdstuk 4. Overgangsrecht

 

Artikel 31. Overgangsrecht waardeoverdracht

Tot 1 januari 2008 wordt artikel 18, tweede lid, als volgt gelezen:

2. De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een rekenrente van 4%.

 

Artikel 31a. Tijdelijk rekeninstrument fondsen

Indien artikel 36 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen van toepassing is gebruikt het fonds jaarlijks, in afwijking van artikel 4, derde lid, een tijdelijk rekeninstrument voor de berekening van de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening, bedoeld in artikel 4, tweede lid. Dit tijdelijk rekeninstrument wordt beschikbaar gesteld via www.toezicht.dnb.nl.

 

Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen

 

Artikel 32

[Wijzigt de Regeling voor berekening in geval van waarde-overdracht]

 

Artikel 33

[Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981]

 

Artikel 34

[Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995]

 

Artikel 35

[Wijzigt de Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen]

 

Artikel 36

[Wijzigt de Regeling vermogenswaardering Ioaz]

 

Artikel 37. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

 

Artikel 38. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

 

     Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 19 december 2006.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
.

 

 

Bijlagen niet opgenomen

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Pensioenwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x