| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Pensioenwet (PW)
REGELING
PENSIOENWET EN WET VERPLICHTE
BEROEPSPENSIOENREGELING
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot
vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte
beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele
regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling
Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 2, derde lid, 70, tweede lid,
109, zevende lid, en 158 van de Pensioenwet, artikel 81, tweede lid en
153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 9, vierde
lid, 23, vierde lid, 25, eerste en vijfde lid, en 27, eerste lid, van
het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, artikel 12, derde lid en 22, vierde lid, van
het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, artikel 8, zesde
lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte zelfstandigen, artikel 50, vijfde lid, van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67, zesde lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, vierde lid, en
artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;
Met betrekking tot de artikelen 32, 33 en 34
handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte
beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Aanwijzingen
Artikel 1. Aangewezen werknemers
Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van
de Pensioenwet worden aangewezen de personen die in de Generale regeling
predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt.
Artikel 1a. Stichting Pensioenregister
Als instelling als bedoeld in artikel 51, vijfde lid, van de
Pensioenwet dan wel artikel 62, vijfde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling wordt aangewezen de Stichting Pensioenregister.
Artikel 2. Aangewezen instellingen
Als instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de
Pensioenwet dan wel artikel 81, tweede lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling worden de in bijlage 1 genoemde instellingen en
aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen.
Artikel 3. Aangewezen verenigingen
Als verenigingen, op wie tot 1 januari 2009 het vierde tot en met
zesde lid van artikel 109 van de Pensioenwet niet van toepassing zijn,
zijn aangewezen:
a. de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen (ANBO);
b. de Nederlandse Bond voor Oudere Migranten (NISBO);
c. de Nederlandse Vereniging van Organisaties van Gepensioneerden
(NVOG);
d. de Protestants Christelijke Ouderen Bond (PCOB); en
e. de Unie van Katholieke Bonden van Ouderen (Unie KBO).
Paragraaf 1a. Tijdelijke regeling pensioenknip
3a. Gelijkstelling met pensioen
1. De uitkeringen, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de
Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling worden gelijkgesteld met pensioen in de zin
van artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling indien wordt voldaan aan de artikelen 3b en
3cen de pensioendatum ligt voor 1 januari 2014.
2. Indien het pensioen, bedoeld in het eerste lid,
ouderdomspensioen is, voldoet dit ouderdomspensioen aan artikel 15 van
de Pensioenwet of artikel 31 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
3b. De tijdelijke uitkering
1. De duur van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 2,
negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, bedraagt ten hoogste vijf jaar.
2. De hoogte van de tijdelijke uitkering wordt vastgesteld op de
hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben.
3. Indien bij het vaststellen van de hoogte van de tijdelijke
uitkering artikel 63, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet of
artikel 75, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling in acht is genomen, voldoet het pensioen aan
artikel 63 van de Pensioenwet of artikel 75 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
3c. De levenslange uitkering
1. De levenslange uitkering, bedoeld in artikel 2, negende lid, van
de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, wordt ingekocht tijdens de uitkeringsperiode
van de tijdelijke uitkering, bedoeld inartikel 3b.
2. Indien de pensioengerechtigde in het laatste jaar van de
tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, niet binnen een door de
pensioenuitvoerder gestelde termijn overgaat tot inkoop van een
levenslange uitkering, gaat de pensioenuitvoerder over tot aanwending
van het resterend kapitaal, bedoeld in artikel 3d, voor een
levenslange uitkering.
3. De hoogte van de levenslange uitkering varieert na ingang niet.
3d. Resterend kapitaal
1. Het kapitaal dat na aankoop van de tijdelijke uitkering, bedoeld
in artikel 3b, resteert wordt door de pensioenuitvoerder zodanig
samengesteld dat de risico’s vergelijkbaar of lager zijn dan voor de
aankoop van de tijdelijke uitkering.
2. Indien de pensioengerechtigde de verantwoordelijkheid voor de
beleggingen heeft overgenomen, adviseert de pensioenuitvoerder de
pensioengerechtigde over de spreiding van de beleggingen conform het
eerste lid.
3. In de uitkeringsperiode van de tijdelijke uitkering, bedoeld in
artikel 3b, ontvangt de pensioengerechtigde, naast de informatie die
op grond van artikel 44 van de Pensioenwet of artikel 55 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt, voor zover van
toepassing ten minste een keer per jaar informatie over:
a. de hoogte van het resterende kapitaal; en
b. de hoogte van de met dit kapitaal te kopen uitkering.
3e. Verplichting pensioenuitvoerder
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de
deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde mee te
werken aan een splitsing als bedoeld in artikel 2, negende lid, van de
Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling indien het op de pensioendatum beschikbaar
komende kapitaal tenminste € 10.000 bedraagt en met inachtneming van
de artikelen 3a tot en met 3d.
2. De pensioenuitvoerder informeert de daarvoor in aanmerking
komende deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde
tijdig over hetgeen in deze paragraaf is bepaald.
Paragraaf 2. Informatie over toeslagverlening en de
voorwaardelijkheidsverklaring
Artikel 4. Vaststelling toeslagenlabel
1.De kwalitatieve en beeldende maatstaf waarin de informatie over
toeslagverlening wordt uitgedrukt als bedoeld in artikel 48, tweede
lid, van de Pensioenwet of artikel 59, tweede lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling is het toeslagenlabel.
2.In het toeslagenlabel worden de verwachtingen ten aanzien van de
toekomstige toeslagverlening, bedoeld in artikel 48, derde lid, van de
Pensioenwet of artikel 59, derde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling weergegeven als volgt:
a. de verwachte toeslagverlening in de komende 15 jaar; en
b. de toeslagverlening in een pessimistisch scenario in de
komende 15 jaar.
3.De berekening van de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige
toeslagverlening, bedoeld in het tweede lid, wordt door fondsen
uitgevoerd in een continuïteitsanalyse en door verzekeraars met het
rekeninstrument voor verzekeraars, bedoeld in artikel 4b.
4.De verwachte toeslagverlening, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, wordt bepaald als de verwachtingswaarde van de verdeling
van uitkomsten op basis van het pensioenresultaat. De toeslagverlening
in een pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b,
wordt bepaald als het 5%-risicopercentiel van de verdeling van
uitkomsten op basis van het pensioenresultaat.
5.Het pensioenresultaat, bedoeld in het vierde lid, wordt
gedefinieerd als: 1 plus de cumulatieve toeslagverlening in de komende
15 jaar gedeeld door 1 plus de cumulatieve groeivoet van het
prijsindexcijfer in de komende 15 jaar en vermenigvuldigd met 100%.
6.De cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in het
vijfde lid, wordt berekend op basis van de minimale verwachtingswaarde
voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 1,
onderdeel a, van de Regeling parameters pensioenfondsen.
7.De verwachte toeslagverlening en de toeslagverlening in een
pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede lid, worden beiden
afgezet tegen de cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer en
ingedeeld in een categorie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de
volgende categorieën:
a. categorie 1: de toeslagverlening bedraagt ten minste 110%;
b. categorie 2: de toeslagverlening bedraagt minder dan 110%
maar ten minste 97%;
c. categorie 3: de toeslagverlening bedraagt minder dan 97%
maar ten minste 90%;
d. categorie 4: de toeslagverlening bedraagt minder dan 90%
maar ten minste 80%; en
e. categorie 5: de toeslagverlening bedraagt minder dan 80%.
8.Indien toeslagcategorie A of B van de toeslagenmatrix, bedoeld in
artikel 6, van toepassing is kan, in afwijking van het derde lid,
afgezien worden van berekening van de verwachtingen ten aanzien van
toekomstige toeslagverlening, bedoeld in het tweede lid. De verwachte
toeslagverlening en de toeslagverlening in een pessimistisch scenario,
bedoeld in het tweede lid, worden in die situatie ingedeeld in
categorie 5 als bedoeld in het zevende lid.
9.Het toeslagenlabel wordt geactualiseerd:
a. door fondsen:
1°. bij iedere continuïteitsanalyse die plaatsvindt op
grond van artikel 22 van het Besluit financieel toetsingkader
pensioenfondsen en die plaatsvindt bij iedere ingrijpende
wijziging van de pensioenregeling die gevolgen heeft voor het
toeslagbeleid; en
2°. indien de dichtst bij de feitelijke dekkingsgraad op
31 december van enig jaar gelegen fictieve dekkingsgraad een
andere is dan de dichtst bij de feitelijke dekkingsgraad op 31
december van het voorgaande jaar gelegen fictieve
dekkingsgraad; en
b. door verzekeraars:
1°. iedere 3 jaar; en
2°. bij iedere ingrijpende wijziging van de
pensioenregeling die gevolgen heeft voor het toeslagbeleid.
Artikel 4a. Fictieve dekkingsgraden continuïteitsanalyse
1.In de continuïteitsanalyse berekenen fondsen de verwachte
toeslagverlening en de toeslagverlening in een pessimistisch scenario,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, vanuit de actuele dekkingsgraad en
vanuit fictieve dekkingsgraden met stappen van 5 procentpunt vanaf het
minimaal vereist eigen vermogen tot de dekkingsgraad waarbij de
toeslagen volledig afgefinancierd zijn.
2.Indien de laatste stap tot aan de dekkingsgraad waarbij de
toeslagen volledig afgefinancierd zijn geen 5 procentpunt bedraagt,
wordt de omvang van deze stap op de feitelijke afstand vastgesteld.
Artikel 4b. Rekeninstrument verzekeraars
1.Verzekeraars berekenen de verwachte toeslagverlening en de
toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, met het rekeninstrument voor verzekeraars. Dit
rekeninstrument is door verzekeraars op te vragen bij het Verbond van
Verzekeraars.
2.Voor wijziging van het, in het eerste lid bedoelde
rekeninstrument, is instemming van De Nederlandsche Bank en Onze
Minister vereist.
Artikel 4c. Gebruik toeslagenlabel
1. Indien sprake is van verschillend toeslagbeleid voor
verschillende pensioensoorten wordt in de informatieverstrekking aan
de deelnemer of gewezen deelnemer het toeslagenlabel opgenomen dat
betrekking heeft op het ouderdomspensioen.
2. Indien een pensioenregeling meerdere toeslagenregelingen kent
wordt in de informatieverstrekking het toeslagenlabel opgenomen dat
betrekking heeft op het basisdeel van de pensioenregeling. In dat
geval wordt in de informatieverstrekking aan de deelnemer naast het
toeslagenlabel de volgende, in te vullen, tekst opgenomen:
U hebt een loon dat hoger is dan €…. Het pensioen dat u opbouwt
over het deel boven €… wordt <niet/minder/anders> aangepast
aan de stijging van de prijzen. (als minder of anders: Dat deel van
het pensioen wordt <wijze van indexatie>’). Dit ziet u niet
terug in het plaatje.
In de informatieverstrekking aan de gewezen deelnemer en
pensioengerechtigde wordt naast het toeslagenlabel de volgende, in te
vullen, tekst opgenomen:
Het pensioen dat u hebt opgebouwd in aanvulling op het basisdeel
van de pensioenregeling wordt <niet/minder/anders> aangepast aan
de stijging van de prijzen. (als minder of anders: Dat deel van het
pensioen wordt <wijze van indexatie>). Dit ziet u niet terug in
het plaatje.
3. Indien een pensioenregeling een verschillend toeslagbeleid kent
voor deelnemers enerzijds en gewezen deelnemers en
pensioengerechtigden anderzijds wordt in de informatieverstrekking aan
de deelnemer naast het toeslagenlabel de volgende, in te vullen, tekst
opgenomen:
Uw pensioen wordt op een andere manier aangepast aan de stijging
van de prijzen, als u niet meer meedoet aan deze pensioenregeling of
als u al pensioen krijgt. Uw opgebouwde pensioen wordt dan <wijze
van indexatie>. Dit ziet u niet terug in het plaatje.
4. In de omstandigheden, bedoeld in het eerste tot en met derde
lid, wordt in de informatieverstrekking aan de deelnemer, gewezen
deelnemer of pensioengerechtigde vermeld dat deze op verzoek het niet
in deze informatieverstrekking opgenomen toeslagenlabel kan ontvangen.
5. Indien in de informatieverstrekking aan de deelnemer, gewezen
deelnemer of pensioengerechtigde geen toeslagenlabel wordt opgenomen,
wordt op de plaats van het toeslagenlabel een tekst opgenomen. Daarbij
wordt gebruik gemaakt van de toepasselijke tekst in bijlage 1b.
6. Van de teksten in het tweede en derde lid en bijlage 1b kan
worden afgeweken indien het gebruik van deze teksten zou leiden tot
verstrekking van onjuiste, onbegrijpelijke of onduidelijke informatie.
Bij de formulering van afwijkende teksten wordt, zoveel mogelijk,
aangesloten bij de voorgeschreven teksten.
Artikel 4d. Vormvereisten toeslagenlabel
1.Pensioenuitvoerders maken gebruik van de toeslagenlabels die
beschikbaar worden gesteld op www.afm.nl.
2.In het uniform pensioenoverzicht, bedoeld in artikel 38, tweede
lid, van de Pensioenwet en artikel 49, tweede lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, wordt het toeslagenlabel opgenomen
in het cijfermatig deel, in het onderdeel ‘Houdt uw pensioen zijn
waarde?’.
Artikel 5. Consistentie
1.Voor de toepassing van artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet
en artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling wordt verstaan onder:
a. gewekte verwachtingen: de toeslagambitie, bedoeld in de in
bijlage 1a opgenomen toeslagenmatrix;
b. financiering:
1°. bij fondsen: hetgeen op grond van artikel 24,
onderdeel f, g en h, van het Besluit financieel toetsingskader
pensioenfondsen is opgenomen in de actuariële en
bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145 van de
Pensioenwet of artikel 140 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
2°. bij een door een verzekeraar uitgevoerde
pensioenregeling: hetgeen in de uitvoeringsovereenkomst over
de financiering is geregeld;
c. het realiseren van voorwaardelijke toeslagen: de
toeslagverlening over de afgelopen drie jaar.
2.Consistentie als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de
Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bestaat voor een fonds indien:
a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het
vereist eigen vermogen over een periode van 15 jaar een
toeslagverlening wordt verwacht, die in voldoende mate aansluit
bij de toeslagambitie; en
b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het
minimaal vereist eigen vermogen wordt verwacht dat het in de
financiering besloten herstelvermogen van het fonds voldoende is
om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van het
minimaal vereist eigen vermogen op het vereist eigen vermogen te
brengen.
3.Indien uitgaande van het vereist eigen vermogen van het fonds
niet aan de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarde wordt
voldaan, bestaat consistentie als bedoeld in artikel 95, eerste lid,
van de Pensioenwet of artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, indien:
a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van een
hogere dekkingsgraad dan het vereist eigen vermogen, over een
periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in
voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie; en
b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het
minimaal vereist eigen vermogen wordt verwacht dat het in de
financiering besloten herstelvermogen van het fonds voldoende is
om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van het
minimaal vereist eigen vermogen op de, in onderdeel a genoemde,
hogere dekkingsgraad te brengen.
4.De toezichthouder kan op verzoek van een fonds toestaan dat
onderdeel b van het tweede of derde lid niet wordt toegepast, dan wel
dat voor de continuïteitsanalyse, bedoeld in die onderdelen, mag
worden uitgegaan van een hogere dekkingsgraad dan het minimaal vereist
eigen vermogen.
5.Consistentie als bedoeld in artikel 95, eerste lid, van de
Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bestaat voor een door een verzekeraar
uitgevoerde pensioenregeling indien op basis van een berekening met
het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een
toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de
toeslagambitie.
Artikel 6. Toeslagenmatrix
1. Bij de informatie over toeslagverlening, bedoeld in artikel 4
van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling en de voorwaardelijkheidsverklaring, bedoeld
in artikel 95, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 103, derde
lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruik
gemaakt van de in bijlage 1a opgenomen toeslagenmatrix.
2. Van de teksten in de laatste kolom van de toeslagenmatrix kan
worden afgeweken indien het gebruik van deze teksten zou leiden tot
verstrekking van onjuiste, onbegrijpelijke of onduidelijke informatie
over toeslagverlening. Bij de formulering van afwijkende teksten
wordt, zoveel mogelijk, aangesloten bij de voorgeschreven teksten.
Paragraaf 2a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan
Artikel 6a. Vrijstelling termijn kortetermijnherstelplan
1. Een fonds wordt vrijgesteld van de termijn van drie jaar,
bedoeld in artikel 140, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 135,
tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het,
met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, een
kortetermijnherstelplan indient met een looptijd van maximaal vijf
jaar.
2. In het kortetermijnherstelplan wordt opgenomen:
a. hoe het fonds, zonder vermindering van pensioenaanspraken en
pensioenrechten, in uiterlijk vijf jaar zal voldoen aan artikel
131 van de Pensioenwet of artikel 126 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling (hierna te noemen: het minimaal vereist
eigen vermogen); en
b. welke aanvullende maatregelen, waaronder zonodig
vermindering van pensioenaanspraken en/of pensioenrechten, genomen
kunnen worden om opnieuw op een haalbaar herstelpad te komen
indien gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan
alsnog blijkt dat naar verwachting niet zal kunnen worden voldaan
aan het minimaal vereist eigen vermogen.
3. Indien De Nederlandsche Bank gedurende de looptijd van het
kortetermijnherstelplan vaststelt dat de feitelijke ontwikkeling van
de dekkingsgraad afwijkt van de daarin veronderstelde ontwikkeling,
zodanig dat naar verwachting niet aan het einde van de looptijd zal
kunnen worden voldaan aan, het minimaal vereist eigen vermogen, worden
uiterlijk op 1 april van het tweede jaar volgend op 31 december van
enig jaar, op basis van de situatie op 31 december daaraanvoorafgaand
de door het fonds gekozen aanvullende maatregelen, bedoeld in het
tweede lid, onder b, uitgevoerd, tenzij het fonds ten genoegen van De
Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de
dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting opnieuw zal worden
voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt de feitelijke
ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op 31 december van enig
jaar.
5. Indien een fonds geen kortetermijnherstelplan als bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, kan indienen omdat vermindering van
pensioenaanspraken en pensioenrechten nodig is om aan het einde van de
looptijd van het plan te voldoen aan het minimaal vereist eigen
vermogen, wordt deze vermindering van pensioenaanspraken en
pensioenrechten uiterlijk 1 januari 2011 uitgevoerd, tenzij het fonds
tot genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke
ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting
zonder die vermindering aan het eind van de looptijd zal worden
voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen. Gedurende de verdere
looptijd van ieder kortetermijnherstelplan als bedoeld in dit lid zijn
het derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
6. Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de beslissing
met betrekking tot de instemming met het kortetermijnherstelplan,
bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet of artikel 135 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling, wordt genomen na inwerkingtreding
van dit artikel en het kortetermijnherstelplan is ingediend voor 1
januari 2011.
Paragraaf 3. Begroting, jaarverslag, jaarrekening of verantwoording
Artikel 7. Indienen van de begroting
1.De begroting, bedoeld in artikel 154 van de Pensioenwet dan wel
artikel 149 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, is voorzien
van:
a. een exploitatiebegroting en een meerjarenraming;
b. een toelichting;
c. het verslag van het overleg over de begroting dat de
toezichthouder op grond van artikel 161 van de Pensioenwet dan wel
artikel 156 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
organiseert; en
d. de bevindingen van de raad van toezicht of de raad van
commissarissen.
2.De toezichthouder vermeldt de wijze waarop rekening is gehouden
met de inbreng en de bevindingen van Onze Minister en van het overleg
dat de toezichthouder op grond van artikel 161 van de Pensioenwet dan
wel artikel 156 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
organiseert.
Artikel 8. Eisen aan de begroting
1.De begroting legt een koppeling tussen:
a. de doelstellingen van het beleid, uitgedrukt in te bereiken
effecten;
b. de daartoe te leveren prestaties of activiteiten; en
c. de daarvoor in te zetten financiële middelen en capaciteit.
2.De begroting dient zodanig te zijn ingericht dat:
a. duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen verzekeraars die
een pensioenregeling uitvoeren en pensioenfondsen of
beroepspensioenfondsen en, voor zover toepasselijk, tussen
materieel en prudentieel toezicht; en
b. de investeringen en de toerekening daarvan aan de bij of
krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte
beroepspensioenregeling aan de toezichthouder opgedragen taken
inzichtelijk is.
Artikel 9. Eisen aan de toelichting bij de begroting
1.De toelichting bij de begroting bevat een financieel en een
beleidsmatig deel en een toelichting per begrotingsartikel.
2.De toelichting bij het financiële deel van de begroting gaat in
op:
a. de inzet van financiële middelen en capaciteit;
b. het effect van investeringen van de toezichthouder en hoe
deze tot uitdrukking komen in de toezichtkosten;
c. de gehanteerde bedrijfseconomische grondslagen; en
d. de ontwikkelingen van de loon- en prijsmutaties voor de
totale toezichtkosten.
3.De toelichting bij het beleidsmatige deel van de begroting gaat
in op:
a. de relevante (beleids)wijzigingen in de taakuitoefening, die
in het begrotingsjaar ten opzichte van het lopende jaar zijn te
verwachten, en de daarmee samenhangende kosten;
b. de wijze waarop de toezichthouder voldoet aan de eisen die
in artikel 40 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet
verplichte beroepspensioenregeling zijn gesteld; en
c. de verwachte effecten van doelmatigheidsbevordering.
Artikel 10. Eisen aan de gewijzigde of aanvullende begroting
Voor de gewijzigde of aanvullende begroting, bedoeld in artikel 154,
vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 149, vierde lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn artikel 7 tot en met 9 van
overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 7, eerste lid,
onderdeel c, en het tweede lid.
Artikel 11. Indienen van jaarverslag en jaarrekening of
verantwoording
1.De toezichthouder zendt het jaarverslag, bedoeld in artikel 156,
eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 151, eerste lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling en de jaarrekening of
verantwoording, bedoeld in artikel 157, eerste lid, dan wel artikel
152, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
gelijktijdig aan Onze Minister.
2.De jaarrekening of verantwoording gaat vergezeld van de
bevindingen van de raad van toezicht of de raad van commissarissen.
Artikel 12. Eisen aan jaarrekening of verantwoording
1.De jaarrekening of verantwoording legt een koppeling met de
begroting en volgt de systematiek van de begroting. Artikel 8 is van
overeenkomstige toepassing. Afwijkingen van de begroting worden
toegelicht.
2.De jaarrekening of verantwoording bevat een vergelijking met de
realisatie, opgenomen in de jaarrekening of verantwoording van het
voorafgaande jaar, en de begroting van het jaar waarop de jaarrekening
of verantwoording betrekking heeft.
Artikel 13. Eisen aan het jaarverslag
1.In het jaarverslag doet de toezichthouder verslag van:
a. de activiteiten in het afgelopen kalenderjaar;
b. de knelpunten bij de uitvoering van het toezicht en de wijze
waarop met deze knelpunten is omgegaan;
c. de wijze waarop wordt voldaan aan de eisen die in artikel 40
van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling zijn gesteld; en
d. het op grond van artikel 209 van de Pensioenwet dan wel
artikel 203 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling gevoerde
overleg met belanghebbenden.
2.Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op het
jaarverslag.
Artikel 14. Bevindingen
De raad van toezicht of raad van commissarissen vermeldt in zijn
bevindingen of:
a. de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening of
verantwoording is opgesteld conform de bij of krachtens de
Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling daaraan
gestelde eisen;
b. is afgeweken van de afspraken die met Onze Minister zijn
gemaakt; en
c. conform de overeengekomen procedures overleg is gepleegd met
belanghebbenden en de wijze waarop is ingegaan op hun bevindingen.
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het Besluit uitvoering Pensioenwet
en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Prijsinflatie
Artikel 15. Prijsinflatie
De prijsinflatie, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling is de
minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer,
genoemd in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling parameters
pensioenfondsen.
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Artikel 16. Bepaling rente
1.De rente, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling,
wordt berekend aan de hand van het u-rendement, waarbij de periode
wordt vastgesteld in volle maanden. Het aantal volle maanden wordt
bepaald op het verschil in maanden en dagen tussen de overdrachtsdatum
en de datum van betaling van de overdrachtswaarde, waarbij alle
kalendermaanden op 30 dagen worden gesteld.
2.Het in het eerste lid genoemde u-rendement is het op 1 januari
van het jaar waarin de overdrachtsdatum valt geldende u-rendement,
zoals gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van
het Verbond van Verzekeraars.
Artikel 17. Verschuldigde rente
Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van een pensioenaanspraak als
bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluit uitvoering
Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, rekent de
ontvangende uitvoerder, met toepassing van artikel 16, terug welk deel
van de overdrachtswaarde als verschuldigde rente moet worden aangemerkt
over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.
Artikel 18. Het standaardtarief
1.Bij de vaststelling van het standaardtarief, bedoeld in artikel
25, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet
verplichte beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de afgeronde
overlevingstafels Gehele Bevolking Mannen en Gehele Bevolking Vrouwen
2000–2005 met de volgende leeftijdterugstellingen:
a. 5 jaar voor mannelijke deelnemers;
b. 3 jaar voor vrouwelijke deelnemers;
c. 1 jaar voor de vrouwelijke partner van mannelijke
deelnemers; en
d. 3 jaar voor de mannelijke partner van vrouwelijke
deelnemers.
2.De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van
algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij
van netto tarieven en een marktconforme disconteringsvoet.
3.De in het tweede lid bedoelde disconteringsvoet is de op 1
oktober geldende rente uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde
rentetermijnstructuur voor verplichtingen met een looptijd van 25
jaar. De vastgestelde rente geldt voor de periode van 1 januari tot en
met 31 december van enig jaar.
4.Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten
en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.
5.Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan
van overlijden halverwege het jaar.
6.Voor de berekening van het partnerpensioen wordt de
gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het
ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt.
7.Voor het ouderdomspensioen en het partnerpensioen dat is
opgebouwd vóór 1 januari 2002, dan wel 1 januari 2006, indien sprake
is van perioden van opbouw op grond van een beroepspensioenregeling,
wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in artikel 1
van bijlage 2. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar
jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie
jaar oudere partner.
8.De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd
en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in
jaren en maanden die de overdragende uitvoerder hanteert.
Artikel 19. Berekening pensioenaanspraken
1.De berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 27,
eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, wordt gemaakt volgens de formules en
symbolen, opgenomen in artikel 2 van bijlage 2.
2.De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd
en het verschil tussen de pensioenleeftijd en de overdrachtsdatum in
jaren en maanden die de ontvangende uitvoerder hanteert.
3.Indien de overdrachtswaarde lager is dan het bedrag benodigd voor
de financiering van de toe te kennen pensioenaanspraken komt het
verschil ten laste van de nieuwe werkgever of het ontvangende fonds.
Artikel 20. Afwijking standaardtarief
1.Bij pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van
het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, wordt de overdrachtswaarde berekend op basis
van de actuariële grondslagen van de overdragende pensioenuitvoerder.
2.In dit artikel wordt onder actuariële grondslagen verstaan: de
grondslagen die de uitvoerder hanteert voor de vaststelling van de
technische voorzieningen.
Paragraaf 3. Kosten
Artikel 21
[Gereserveerd]
Artikel 22
[Gereserveerd]
Artikel 23. Vaststelling verschuldigd bedrag kosten
1. De minimumbedragen, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel
a, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling bedragen voor het:
a. prudentieel toezicht voor fondsen: € 400;
b. materieel toezicht:
1°. voor fondsen en verzekeraars:€ 281,–;
2°. voor premiepensioeninstellingen:€ 681,–;
c. gedragstoezicht:
1°. voor het heffingsjaar 2009
a. voor fondsen met minder dan 450 deelnemers:€ 1.000,–
b. voor fondsen met minstens 450 deelnemers: € 3.200,–;en
c. voor verzekeraars:€ 1.000,–
2°. voor het heffingsjaar 2010:
a. voor fondsen met minder dan 450 deelnemers:€ 1150–-;
b. voor fondsen met minstens 450 deelnemers: € 6800,–;en
c. voor verzekeraars:€ 1000,–.
3°. voor het heffingsjaar 2011:
a. voor fondsen met niet meer dan 165 deelnemers:€ 440,–;
b. voor fondsen met minstens 166 en niet meer dan 450
deelnemers:€ 880,–;
c. voor fondsen met minstens 451 en niet meer dan 1150
deelnemers:€ 1760,–:
d. voor fondsen met minstens 1151 en niet meer dan 4200
deelnemers:€ 3520,–;
e. voor fondsen met minstens 4201 deelnemers:€ 7040,–,
en tevens:
f. voor fondsen met een vermogen van minder dan €
34.000.000,–:€ 440,–;
g. voor fondsen met een vermogen van € 34.000.000,– of
meer maar minder dan € 90.000.000,–:€ 880,–;
h. voor fondsen met een vermogen van € 90.000.000,– of
meer maar minder dan € 215.000.000,–:€ 1760,–;
i. voor fondsen met een vermogen van € 215.000.000,– of
meer maar minder dan € 605.000.000,–:€ 3520,–;
j. voor fondsen met een vermogen van € 605.000.000,– of
meer: 7040,–; en
k. voor verzekeraars:€ 1500,–.
2. Onder vermogen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, 3°,
wordt verstaan: de som van het eigen vermogen en de technische
voorzieningen.
3. De maatstaven, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel b,
van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bedragen voor het:
a. prudentieel en materieel toezicht voor fondsen: de som van
de premiebaten en de directe beleggingsopbrengsten, beide als
bedoeld in het model van staten J401 en J402, genoemd in artikel
3:1, eerste lid, onderdeel k, van de Regeling
informatieverstrekking pensioenfondsen en de toelichting op die
staten in de Aanwijzingen rapportagekader pensioenfondsen, met
dien verstande dat de directe beleggingsopbrengsten worden bepaald
op het bedrag voor aftrek van de afschrijving van de geactiveerde
overrente;
b. materieel toezicht voor verzekeraars: het bruto premie
inkomen;
c. gedragstoezicht voor verzekeraars: het bruto premie inkomen
in Nederland.
4. De maximummaatstaven, bedoeld in artikel 43, tweede lid,
onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bedragen voor het:
a. prudentieel en materieel toezicht voor fondsen: €
544.535.000;
b. gedrags- en materieel toezicht voor verzekeraars: geen
maximummaatstaf.
5. De tarieven, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel d, van
het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bedragen voor het heffingsjaar 2009 voor:
a. prudentieel en materieel toezicht tezamen voor fondsen:
0,0417%;
b. materieel toezicht voor verzekeraars: 0,000871%;
c. gedragstoezicht voor verzekeraars:
1°. voor het bruto premie inkomen tot en met €
500.000.000,–: € 106,– per € 1.000.000,– of gedeelte
daarvan;
2°. voor het bruto premie inkomen boven€ 500.000.000,–:€
15,– per € 1.000.000,– of gedeelte daarvan.
6. De tarieven, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel d, van
het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bedragen voor het heffingsjaar 2010 voor:
a. prudentieel en materieel toezicht tezamen voor fondsen:
0,1257%;
b. materieel toezicht voor verzekeraars: 0,001125%;
c. gedragstoezicht voor verzekeraars:
1°. voor het bruto premie inkomen tot en met €
500.000.000,–:€ 113,– per € 1.000.000,– of gedeelte
daarvan;
2°. voor het bruto premie inkomen boven € 500.000.000,–:€
16,– per € 1.000.000,– of gedeelte daarvan.
7. De tarieven, bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel d, van
het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, bedragen voor het heffingsjaar 2011 voor:
a. prudentieel en materieel toezicht tezamen voor fondsen:
0,0998%;
b. materieel toezicht voor verzekeraars: 0,001400%;
c. gedragstoezicht voor verzekeraars:
1°. voor het bruto premie inkomen tot en met €
500.000.000,–:€ 233,– per € 1.000.000,– of gedeelte
daarvan;
2°. voor het bruto premie inkomen boven € 500.000.000,–:€
33,– per € 1.000.000,– of gedeelte daarvan.
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het Besluit financieel
toetsingskader pensioenfondsen
Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen vermogen
Artikel 24. Standaardmodel
1.Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per
risicofactor volgens het standaardmodel als bedoeld in artikel 12,
eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende
risicofactoren:
a. het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het
fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een
rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 van
bijlage 3 opgenomen rentefactoren;
b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand
van een daling van de waarde van de beleggingen in:
1°. aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed met
25%;
2°. aandelen opkomende markten met 35%;
3°. niet beursgenoteerde aandelen met 30%; en
4°. direct vastgoed met 15%;
c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling
van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de euro met
20%;
d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een
daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 30%;
e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een daling
van de gewogen gemiddelde rentemarge voor het kredietrisico van
het fonds met 40%;
f. het verzekeringstechnische risico;
g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%;
h. het concentratierisico bedraagt 0%; en
i. het operationeel risico bedraagt 0%.
2.Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid,
is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen
vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor.
Artikel 25. Correlaties
1.Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per
risicofactor als bedoeld in artikel 24 tot het totale vereist eigen
vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties:
a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het
renterisico anderzijds: een correlatie (ρ) van 0,50;
b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het
aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie (ρ') van 0,75;
c. tussen de overige risico’s: een correlatie (ρ'') van
0.
2.Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in
artikel 2 van bijlage 3 opgenomen formules en de in dat onderdeel
beschreven procedure gebruikt.
Artikel 26. Risicoprofiel
Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende
overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds
in overleg met De Nederlandsche Bank over de te nemen maatregelen.
Artikel 27. Vereenvoudigd model
1.De Nederlandsche Bank kan toestemming verlenen voor de
vaststelling van het vereist eigen vermogen volgens een vereenvoudigd
model als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het Besluit
financieel toetsingskader pensioenfondsen indien het fonds beschikt
over:
a. een eigen vermogen dat ten minste 30% van de technische
voorzieningen bedraagt, waarbij geen sprake is van financiering
met achtergestelde leningen;
b. een eenvoudige pensioenregeling;
c. een eenvoudig en risicomijdend beleggingsbeleid; en
d. een eenvoudige bedrijfsvoering.
2.Een fonds dat een vereenvoudigd model toepast, stelt het vereist
eigen vermogen vast op 30% van de technische voorzieningen.
3.Indien een fonds in een eerdere periode het standaardmodel of een
intern model heeft toegepast, kan toestemming om het vereenvoudigd
model toe te passen alleen worden verleend indien sprake is van een
substantiële inkrimping, een sterke vereenvoudiging van de
bedrijfsprocessen, een eenvoudiger risicoprofiel, een sterk verbeterde
financiële positie of een eenvoudigere pensioenregeling.
4.De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het
eerste lid, voorwaarden verbinden.
Artikel 28. Intern model
1.De Nederlandsche Bank kan toestemming verlenen voor de berekening
van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld in
artikel 12, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader
pensioenfondsen indien het fonds voldoet aan door De Nederlandsche
Bank gestelde regels ten aanzien van:
a. de organisatorische inbedding van het intern model; en
b. de te hanteren data en de technische aspecten van het
interne model.
2.Het intern model vormt een integraal onderdeel van het
risicomanagement van het fonds.
3.Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een
intern model gaat het fonds uit van een stochastische benaderingswijze
waarbij het fonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de
waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge
samenhang.
4.In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of
benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter
van het intern model geen afbreuk doen.
5.Een fonds dat een intern model hanteert:
a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen
met die van het voorgaande jaar, aan De Nederlandsche Bank aan
waaruit die verschillen bestaan; en
b. dient bij De Nederlandsche Bank eens in de 3 jaar een
analyse in volgens het standaardmodel als bedoeld in artikel 24.
6.De Nederlandsche Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het
eerste lid, voorwaarden verbinden.
Artikel 29. Overgangsregeling
1.In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan De Nederlandsche
Bank een fonds dat niet voldoet aan de in artikel 28, eerste lid,
genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern
model, indien:
a. naar het oordeel van De Nederlandsche Bank de regels waaraan
het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet
belemmeren; en
b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de
regels zal voldoen.
2.Voor zover tijdens de overgangsperiode het model incompleet is,
kan voor de ontbrekende onderdelen gebruik worden gemaakt van een
prudente bijschatting.
3.Het fonds kan tot 1 januari 2010:
a. voor het bepalen van het renterisico, bedoeld in artikel 24,
eerste lid, onderdeel a, de benaderingswijze hanteren die is
aangegeven in artikel 3 van bijlage 3;
b. voor het bepalen van het kredietrisico, bedoeld in artikel
24, eerste lid, onderdeel e, de benaderingswijze hanteren die is
aangegeven in artikel 4 van bijlage 3.
Paragraaf 2. Continuïteitsanalyse
Artikel 30. Continuïteitsanalyse
1.Het inzicht dat de continuïteitsanalyse biedt in de mate waarin
de voorwaardelijke toeslagverlening kan worden toegekend, wordt
aangegeven door de cumulatieve toekenning over de 15 prognosejaren op
jaarbasis uit te drukken.
2.Bij de continuiteitsanalyse worden kalenderjaren gehanteerd,
tenzij sprake is van een continuïteitsanalyse op grond van artikel
22, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader
pensioenfondsen. In dat geval worden actuele data gebruikt.
3.Het fonds geeft aan waarin een continuïteitsanalyse afwijkt van
een eerder uitgevoerde continuïteitsanalyse.
Artikel 30a. Commissie Parameters
1.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid benoemt de leden
van de Commissie Parameters, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van
het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
2.Het secretariaat van de commissie wordt gevoerd door het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3.Het beheer van de bescheiden van de commissie geschiedt op
overeenkomstige wijze als bij het, in het tweede lid genoemd,
ministerie. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden
van de werkgroep bij het archief van dit ministerie opgeborgen.
4.De leden van de commissie kunnen een vergoeding ontvangen op
grond van het Vacatiegeldenbesluit 1988.
5.De leden van de commissie kunnen een vergoeding van reis- en
verblijfkosten ontvangen overeenkomstig het Reisbesluit binnenland.
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Artikel 31. Overgangsrecht waardeoverdracht
Tot 1 januari 2008 wordt artikel 18, tweede lid, als volgt gelezen:
2.De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van
algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij
van netto tarieven en een rekenrente van 4%.
Artikel 31a. Tijdelijk rekeninstrument fondsen
Indien artikel 36 van het Besluit financieel toetsingskader
pensioenfondsen van toepassing is gebruikt het fonds jaarlijks, in
afwijking van artikel 4, derde lid, een tijdelijk rekeninstrument voor
de berekening van de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige
toeslagverlening, bedoeld in artikel 4, tweede lid. Dit tijdelijk
rekeninstrument wordt beschikbaar gesteld via www.toezicht.dnb.nl.
Hoofdstuk 5. Wijziging overige Ministeriele regelingen
Artikel 32
[Wijzigt de Regeling voor berekening in geval van waarde-overdracht]
Artikel 33
[Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening bij
scheiding voor 27 november 1981]
Artikel 34
[Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening over
deelnemingsjaren voor 1 mei 1995]
Artikel 35
[Wijzigt de Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale
verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank
en bedrijfsverenigingen]
Artikel 36
[Wijzigt de Regeling vermogenswaardering Ioaz]
Artikel 37. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Artikel 38. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet en Wet
verplichte beroepspensioenregeling.
Deze regeling zal met
toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Den
Haag, 19 december 2006.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|