|
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot
vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte
beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele
regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling
Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 2, derde lid, 70, tweede lid,
109, zevende lid, en 158 van de Pensioenwet, artikel 81, tweede lid en
153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 9, vierde
lid, 23, vierde lid, 25, eerste en vijfde lid, en 27, eerste lid, van
het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, artikel 12, derde lid en 22, vierde lid, van
het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, artikel 8, zesde
lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte zelfstandigen, artikel 50, vijfde lid, van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67, zesde lid, van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, vierde lid, en
artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;
Met betrekking tot de artikelen 32, 33 en 34
handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Regels op grond van de
Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Aanwijzingen
Artikel 1. Aangewezen werknemers
Als categorie van personen als bedoeld in
artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen:
a. de personen die in de Generale
regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt;
b. de bestuurders van vennootschappen
als bedoeld in artikel 132, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek, met uitsluiting van de directeur-grootaandeelhouder.
Artikel 1a. Stichting Pensioenregister
Als instelling als bedoeld in artikel 51,
vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 62, vijfde lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt aangewezen de Stichting
Pensioenregister.
Artikel 2. Aangewezen instellingen
Als instelling als bedoeld in artikel 70,
tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 81, tweede lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de in bijlage 1 genoemde
instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders,
aangewezen.
Artikel 3. Aangewezen verenigingen
Als verenigingen, op wie tot 1 januari
2009 het vierde tot en met zesde lid van artikel 109 van de Pensioenwet
niet van toepassing zijn, zijn aangewezen:
a. de Algemene Nederlandse Bond voor
Ouderen (ANBO);
b. de Nederlandse Bond voor Oudere
Migranten (NISBO);
c. de Nederlandse Vereniging van
Organisaties van Gepensioneerden (NVOG);
d. de Protestants Christelijke
Ouderen Bond (PCOB); en
e. de Unie van Katholieke Bonden van
Ouderen (Unie KBO).
Paragraaf 1a. Tijdelijke regeling
pensioenknip
3a. Gelijkstelling met pensioen
1. De uitkeringen, bedoeld in artikel
2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling worden gelijkgesteld met
pensioen in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van
de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien wordt voldaan aan de
artikelen 3b en 3cen de pensioendatum ligt voor 1 januari 2014.
2. Indien het pensioen, bedoeld in het
eerste lid, ouderdomspensioen is, voldoet dit ouderdomspensioen aan
artikel 15 van de Pensioenwet of artikel 31 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling.
3b. De tijdelijke uitkering
1. De duur van de tijdelijke uitkering,
bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2,
vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bedraagt
ten hoogste vijf jaar.
2. De hoogte van de tijdelijke
uitkering wordt vastgesteld op de hoogte die een levenslange uitkering
op de pensioendatum zou hebben.
3. Indien bij het vaststellen van de
hoogte van de tijdelijke uitkering artikel 63, eerste lid, onderdeel
a, van de Pensioenwet of artikel 75, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling in acht is genomen, voldoet het
pensioen aan artikel 63 van de Pensioenwet of artikel 75 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling.
3c. De levenslange uitkering
1. De levenslange uitkering, bedoeld in
artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid,
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt ingekocht tijdens
de uitkeringsperiode van de tijdelijke uitkering, bedoeld inartikel
3b.
2. Indien de pensioengerechtigde in het
laatste jaar van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, niet
binnen een door de pensioenuitvoerder gestelde termijn overgaat tot
inkoop van een levenslange uitkering, gaat de pensioenuitvoerder over
tot aanwending van het resterend kapitaal, bedoeld in artikel 3d, voor
een levenslange uitkering.
3. De hoogte van de levenslange
uitkering varieert na ingang niet.
3d. Resterend kapitaal
1. Het kapitaal dat na aankoop van de
tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, resteert wordt door de
pensioenuitvoerder zodanig samengesteld dat de risico’s
vergelijkbaar of lager zijn dan voor de aankoop van de tijdelijke
uitkering.
2. Indien de pensioengerechtigde de
verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, adviseert
de pensioenuitvoerder de pensioengerechtigde over de spreiding van de
beleggingen conform het eerste lid.
3. In de uitkeringsperiode van de
tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, ontvangt de
pensioengerechtigde, naast de informatie die op grond van artikel 44
van de Pensioenwet of artikel 55 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling wordt verstrekt, voor zover van toepassing ten
minste een keer per jaar informatie over:
a. de hoogte van het resterende
kapitaal; en
b. de hoogte van de met dit
kapitaal te kopen uitkering.
3e. Verplichting pensioenuitvoerder
1. De pensioenuitvoerder is verplicht
om op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde mee te werken aan een splitsing als bedoeld in
artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid,
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het op de
pensioendatum beschikbaar komende kapitaal tenminste € 10.000
bedraagt en met inachtneming van de artikelen 3a tot en met 3d.
2. De pensioenuitvoerder informeert de
daarvoor in aanmerking komende deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde tijdig over hetgeen in deze paragraaf is bepaald.
Paragraaf 2. Informatie over
toeslagverlening en de voorwaardelijkheidsverklaring
Artikel 4. Vaststelling toeslagenlabel
1. De kwalitatieve en beeldende
maatstaf waarin de informatie over toeslagverlening wordt uitgedrukt
als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel
59, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is het
toeslagenlabel.
2. In het toeslagenlabel worden de
verwachtingen ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening, bedoeld
in artikel 48, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 59, derde lid,
van de Wet verplichte beroepspensioenregeling weergegeven als volgt:
a. de verwachte toeslagverlening in
de komende 15 jaar; en
b. de toeslagverlening in een
pessimistisch scenario in de komende 15 jaar.
3. De berekening van de verwachtingen
ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening, bedoeld in het tweede
lid, wordt door fondsen uitgevoerd in een continuïteitsanalyse en
door verzekeraars met het rekeninstrument voor verzekeraars, bedoeld
in artikel 4b.
4. De verwachte toeslagverlening,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt bepaald als de
verwachtingswaarde van de verdeling van uitkomsten op basis van het
pensioenresultaat. De toeslagverlening in een pessimistisch scenario,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald als het 5%-risicopercentiel
van de verdeling van uitkomsten op basis van het pensioenresultaat.
5. Het pensioenresultaat, bedoeld in
het vierde lid, wordt gedefinieerd als: 1 plus de cumulatieve
toeslagverlening in de komende 15 jaar gedeeld door 1 plus de
cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer in de komende 15 jaar
en vermenigvuldigd met 100%.
6. De cumulatieve groeivoet van het
prijsindexcijfer, bedoeld in het vijfde lid, wordt berekend op basis
van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het
prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling
parameters pensioenfondsen.
7. De verwachte toeslagverlening en de
toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede
lid, worden beiden afgezet tegen de cumulatieve groeivoet van het
prijsindexcijfer en ingedeeld in een categorie. Daarbij wordt gebruik
gemaakt van de volgende categorieën:
a. categorie 1: de toeslagverlening
bedraagt ten minste 110%;
b. categorie 2: de toeslagverlening
bedraagt minder dan 110% maar ten minste 97%;
c. categorie 3: de toeslagverlening
bedraagt minder dan 97% maar ten minste 90%;
d. categorie 4: de toeslagverlening
bedraagt minder dan 90% maar ten minste 80%; en
e. categorie 5: de toeslagverlening
bedraagt minder dan 80%.
8. Indien toeslagcategorie A of B van
de toeslagenmatrix, bedoeld in artikel 6, van toepassing is kan, in
afwijking van het derde lid, afgezien worden van berekening van de
verwachtingen ten aanzien van toekomstige toeslagverlening, bedoeld in
het tweede lid. De verwachte toeslagverlening en de toeslagverlening
in een pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede lid, worden in
die situatie ingedeeld in categorie 5 als bedoeld in het zevende lid.
9. Het toeslagenlabel wordt
geactualiseerd:
a. door fondsen:
1°. bij iedere
continuïteitsanalyse die plaatsvindt op grond van artikel 22
van het Besluit financieel toetsingkader pensioenfondsen en
die plaatsvindt bij iedere ingrijpende wijziging van de
pensioenregeling die gevolgen heeft voor het toeslagbeleid; en
2°. indien de dichtst bij de
feitelijke dekkingsgraad op 31 december van enig jaar gelegen
fictieve dekkingsgraad een andere is dan de dichtst bij de
feitelijke dekkingsgraad op 31 december van het voorgaande
jaar gelegen fictieve dekkingsgraad; en
b. door verzekeraars:
1°. iedere 3 jaar; en
2°. bij iedere ingrijpende
wijziging van de pensioenregeling die gevolgen heeft voor het
toeslagbeleid.
Artikel 4a. Fictieve dekkingsgraden
continuïteitsanalyse
1. In de continuïteitsanalyse
berekenen fondsen de verwachte toeslagverlening en de toeslagverlening
in een pessimistisch scenario, bedoeld in artikel 4, tweede lid,
vanuit de actuele dekkingsgraad en vanuit fictieve dekkingsgraden met
stappen van 5 procentpunt vanaf het minimaal vereist eigen vermogen
tot de dekkingsgraad waarbij de toeslagen volledig afgefinancierd
zijn.
2. Indien de laatste stap tot aan de
dekkingsgraad waarbij de toeslagen volledig afgefinancierd zijn geen 5
procentpunt bedraagt, wordt de omvang van deze stap op de feitelijke
afstand vastgesteld.
Artikel 4b. Rekeninstrument verzekeraars
1. Verzekeraars berekenen de verwachte
toeslagverlening en de toeslagverlening in een pessimistisch scenario,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, met het rekeninstrument voor
verzekeraars. Dit rekeninstrument is door verzekeraars op te vragen
bij het Verbond van Verzekeraars.
2. Voor wijziging van het, in het
eerste lid bedoelde rekeninstrument, is instemming van De
Nederlandsche Bank en Onze Minister vereist.
Artikel 4c. Gebruik toeslagenlabel
1. Indien sprake is van verschillend
toeslagbeleid voor verschillende pensioensoorten wordt in de
informatieverstrekking aan de deelnemer of gewezen deelnemer het
toeslagenlabel opgenomen dat betrekking heeft op het
ouderdomspensioen.
2. Indien een pensioenregeling meerdere
toeslagenregelingen kent wordt in de informatieverstrekking het
toeslagenlabel opgenomen dat betrekking heeft op het basisdeel van de
pensioenregeling. In dat geval wordt in de informatieverstrekking aan
de deelnemer naast het toeslagenlabel de volgende, in te vullen, tekst
opgenomen:
U hebt een loon dat hoger is dan €….
Het pensioen dat u opbouwt over het deel boven €… wordt
<niet/minder/anders> aangepast aan de stijging van de prijzen.
(als minder of anders: Dat deel van het pensioen wordt <wijze van
indexatie>’). Dit ziet u niet terug in het plaatje.
In de informatieverstrekking aan de
gewezen deelnemer en pensioengerechtigde wordt naast het
toeslagenlabel de volgende, in te vullen, tekst opgenomen:
Het pensioen dat u hebt opgebouwd in
aanvulling op het basisdeel van de pensioenregeling wordt
<niet/minder/anders> aangepast aan de stijging van de prijzen.
(als minder of anders: Dat deel van het pensioen wordt <wijze van
indexatie>). Dit ziet u niet terug in het plaatje.
3. Indien een pensioenregeling een
verschillend toeslagbeleid kent voor deelnemers enerzijds en gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden anderzijds wordt in de
informatieverstrekking aan de deelnemer naast het toeslagenlabel de
volgende, in te vullen, tekst opgenomen:
Uw pensioen wordt op een andere manier
aangepast aan de stijging van de prijzen, als u niet meer meedoet aan
deze pensioenregeling of als u al pensioen krijgt. Uw opgebouwde
pensioen wordt dan <wijze van indexatie>. Dit ziet u niet terug
in het plaatje.
4. In de omstandigheden, bedoeld in het
eerste tot en met derde lid, wordt in de informatieverstrekking aan de
deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde vermeld dat deze
op verzoek het niet in deze informatieverstrekking opgenomen
toeslagenlabel kan ontvangen.
5. Indien in de informatieverstrekking
aan de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde geen
toeslagenlabel wordt opgenomen, wordt op de plaats van het
toeslagenlabel een tekst opgenomen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van
de toepasselijke tekst in bijlage 1b.
6. Van de teksten in het tweede en
derde lid en bijlage 1b kan worden afgeweken indien het gebruik van
deze teksten zou leiden tot verstrekking van onjuiste, onbegrijpelijke
of onduidelijke informatie. Bij de formulering van afwijkende teksten
wordt, zoveel mogelijk, aangesloten bij de voorgeschreven teksten.
Artikel 4d. Vormvereisten toeslagenlabel
1. Pensioenuitvoerders maken gebruik
van de toeslagenlabels die beschikbaar worden gesteld op www.afm.nl.
2. In het uniform pensioenoverzicht,
bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 49,
tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt het
toeslagenlabel opgenomen in het cijfermatig deel, in het onderdeel ‘Houdt
uw pensioen zijn waarde?’.
Artikel 5. Consistentie
1. Voor de toepassing van artikel 95,
eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling wordt verstaan onder:
a. gewekte verwachtingen: de
toeslagambitie, bedoeld in de in bijlage 1a opgenomen
toeslagenmatrix;
b. financiering:
1°. bij fondsen: hetgeen op
grond van artikel 24, onderdeel f, g en h, van het Besluit
financieel toetsingskader pensioenfondsen is opgenomen in de
actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145
van de Pensioenwet of artikel 140 van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling;
2°. bij een door een
verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling: hetgeen in de
uitvoeringsovereenkomst over de financiering is geregeld;
c. het realiseren van
voorwaardelijke toeslagen: de toeslagverlening over de afgelopen
drie jaar.
2. Consistentie als bedoeld in artikel
95, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, bestaat voor een fonds indien:
a. op basis van een
continuïteitsanalyse uitgaande van het vereist eigen vermogen
over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht,
die in voldoende mate aansluit bij de toeslagambitie; en
b. op basis van een
continuïteitsanalyse uitgaande van het minimaal vereist eigen
vermogen wordt verwacht dat het in de financiering besloten
herstelvermogen van het fonds voldoende is om de dekkingsgraad
binnen een periode van 15 jaar van het minimaal vereist eigen
vermogen op het vereist eigen vermogen te brengen.
3. Indien uitgaande van het vereist
eigen vermogen van het fonds niet aan de in het tweede lid, onderdeel
a, bedoelde voorwaarde wordt voldaan, bestaat consistentie als bedoeld
in artikel 95, eerste lid, van de Pensioenwet of artikel 103, eerste
lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, indien:
a. op basis van een
continuïteitsanalyse uitgaande van een hogere dekkingsgraad dan
het vereist eigen vermogen, over een periode van 15 jaar een
toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij
de toeslagambitie; en
b. op basis van een
continuïteitsanalyse uitgaande van het minimaal vereist eigen
vermogen wordt verwacht dat het in de financiering besloten
herstelvermogen van het fonds voldoende is om de dekkingsgraad
binnen een periode van 15 jaar van het minimaal vereist eigen
vermogen op de, in onderdeel a genoemde, hogere dekkingsgraad te
brengen.
4. De toezichthouder kan op verzoek van
een fonds toestaan dat onderdeel b van het tweede of derde lid niet
wordt toegepast, dan wel dat voor de continuïteitsanalyse, bedoeld in
die onderdelen, mag worden uitgegaan van een hogere dekkingsgraad dan
het minimaal vereist eigen vermogen.
5. Consistentie als bedoeld in artikel
95, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 103, eerste lid, van de
Wet verplichte beroepspensioenregeling, bestaat voor een door een
verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling indien op basis van een
berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode
van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate
aansluit bij de toeslagambitie.
Artikel 6. Toeslagenmatrix
1. Bij de informatie over
toeslagverlening, bedoeld in artikel 4 van het Besluit uitvoering
Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en de
voorwaardelijkheidsverklaring, bedoeld in artikel 95, derde lid, van
de Pensioenwet en artikel 103, derde lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling, wordt gebruik gemaakt van de in bijlage 1a
opgenomen toeslagenmatrix.
2. Van de teksten in de laatste kolom
van de toeslagenmatrix kan worden afgeweken indien het gebruik van
deze teksten zou leiden tot verstrekking van onjuiste, onbegrijpelijke
of onduidelijke informatie over toeslagverlening. Bij de formulering
van afwijkende teksten wordt, zoveel mogelijk, aangesloten bij de
voorgeschreven teksten.
Paragraaf 2a. Vrijstelling termijn
kortetermijnherstelplan
Artikel 6a. Vrijstelling termijn
kortetermijnherstelplan
1. Een fonds wordt vrijgesteld van de
termijn van drie jaar, bedoeld in artikel 140, tweede lid, van de
Pensioenwet of artikel 135, tweede lid, van de Wet verplichte
beroepspensioenregeling indien het, met inachtneming van het bepaalde
in dit artikel, een kortetermijnherstelplan indient met een looptijd
van maximaal vijf jaar.
2. In het kortetermijnherstelplan wordt
opgenomen:
a. hoe het fonds, zonder
vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, in
uiterlijk vijf jaar zal voldoen aan artikel 131 van de Pensioenwet
of artikel 126 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
(hierna te noemen: het minimaal vereist eigen vermogen); en
b. welke aanvullende maatregelen,
waaronder zonodig vermindering van pensioenaanspraken en/of
pensioenrechten, genomen kunnen worden om opnieuw op een haalbaar
herstelpad te komen indien gedurende de looptijd van het
kortetermijnherstelplan alsnog blijkt dat naar verwachting niet
zal kunnen worden voldaan aan het minimaal vereist eigen vermogen.
3. Indien De Nederlandsche Bank
gedurende de looptijd van het kortetermijnherstelplan vaststelt dat de
feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad afwijkt van de daarin
veronderstelde ontwikkeling, zodanig dat naar verwachting niet aan het
einde van de looptijd zal kunnen worden voldaan aan, het minimaal
vereist eigen vermogen, worden uiterlijk op 1 april van het tweede
jaar volgend op 31 december van enig jaar, op basis van de situatie op
31 december daaraanvoorafgaand de door het fonds gekozen aanvullende
maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onder b, uitgevoerd, tenzij
het fonds ten genoegen van De Nederlandsche Bank aantoont dat de
feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad zodanig is dat naar
verwachting opnieuw zal worden voldaan aan het minimaal vereist eigen
vermogen.
4. Voor de toepassing van het derde lid
wordt de feitelijke ontwikkeling van de dekkingsgraad vastgesteld op
31 december van enig jaar.
5. Indien een fonds geen
kortetermijnherstelplan als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
kan indienen omdat vermindering van pensioenaanspraken en
pensioenrechten nodig is om aan het einde van de looptijd van het plan
te voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen, wordt deze
vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten uiterlijk 1
januari 2011 uitgevoerd, tenzij het fonds tot genoegen van De
Nederlandsche Bank aantoont dat de feitelijke ontwikkeling van de
dekkingsgraad zodanig is dat naar verwachting zonder die vermindering
aan het eind van de looptijd zal worden voldaan aan het minimaal
vereist eigen vermogen. Gedurende de verdere looptijd van ieder
kortetermijnherstelplan als bedoeld in dit lid zijn het derde en
vierde lid van overeenkomstige toepassing.
6. Zo nodig in afwijking van het derde
en vierde lid, wordt een vermindering van pensioenaanspraken en
pensioenrechten die op grond van de feitelijke ontwikkeling van de
dekkingsgraad, vastgesteld op de laatste dag van de looptijd van het
kortetermijnherstelplan, noodzakelijk is, uiterlijk 3 maanden na
afloop van het kortetermijnherstelplan onvoorwaardelijk ingeboekt en
geëffectueerd.
7. Een fonds kan de vermindering van
pensioenaanspraken en pensioenrechten spreiden indien de
pensioenregeling per 1 januari 2013 de volgende kenmerken heeft:
a. de in de pensioenregeling
opgenomen richtleeftijd voor nieuwe pensioenopbouw is tenminste 67
jaar of, indien dit laatste niet tijdig gerealiseerd kan worden,
de pensioenopbouw is verlaagd op een wijze die materieel hetzelfde
effect heeft;
b. stijgingen van de
levensverwachting worden ten laste gebracht van de
toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten; en
c. bij een dekkingsgraad van minder
dan 110% wordt geen toeslag verleend.
8. Een fonds met een
kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt voor 1 april 2014,
kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld
in het zevende lid, als volgt spreiden:
a. in 2013 kan de vermindering
worden beperkt tot hetgeen wordt geëffectueerd per 1 april 2013;
b. in 2014 kan de effectuering van
de vermindering worden beperkt tot 7%;
c. de resterende vermindering wordt
geëffectueerd per 1 april 2015.
9. Een fonds met een
kortetermijnherstelplan waarvan de looptijd eindigt na 1 april 2014,
kan de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld
in het zevende lid, als volgt spreiden:
a. in 2014 kan de vermindering
worden beperkt tot hetgeen op grond van het derde lid wordt
geëffectueerd per 1 april 2014, met dien verstande dat indien
deze vermindering meer bedraagt dan 7%, de vermindering in 2014
kan worden beperkt tot 7%;
b. in 2015 kan de effectuering van
de vermindering worden beperkt tot 7%;
c. de resterende vermindering wordt
geëffectueerd per 1 april 2016.
10. Dit artikel is uitsluitend van
toepassing indien de beslissing met betrekking tot de instemming met
het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140 van de Pensioenwet
of artikel 135 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt
genomen na inwerkingtreding van dit artikel en het
kortetermijnherstelplan is ingediend voor 1 januari 2011.
Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 2. Regels op grond van het
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Paragraaf 1. Prijsinflatie
Artikel 15. Prijsinflatie
De prijsinflatie, bedoeld in artikel 9,
vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling is de minimale verwachtingswaarde voor de
groeivoet van het prijsindexcijfer, genoemd in artikel 1, onderdeel a,
van de Regeling parameters pensioenfondsen.
Paragraaf 2. Waardeoverdracht
Artikel 16. Bepaling rente
1. De rente, bedoeld in artikel 23,
vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, wordt berekend aan de hand van het
u-rendement, waarbij de periode wordt vastgesteld in volle maanden.
Het aantal volle maanden wordt bepaald op het verschil in maanden en
dagen tussen de overdrachtsdatum en de datum van betaling van de
overdrachtswaarde, waarbij alle kalendermaanden op 30 dagen worden
gesteld.
2. Het in het eerste lid genoemde
u-rendement is het op 1 januari van het jaar waarin de
overdrachtsdatum valt geldende u-rendement, zoals gepubliceerd door
het Centrum voor Verzekeringsstatistiek van het Verbond van
Verzekeraars.
Artikel 17. Verschuldigde rente
Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van
een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het
Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte
beroepspensioenregeling, rekent de ontvangende uitvoerder, met
toepassing van artikel 16, terug welk deel van de overdrachtswaarde als
verschuldigde rente moet worden aangemerkt over de periode tussen de
betaaldatum en de overdrachtsdatum.
Artikel 18. Het standaardtarief
1. Bij de vaststelling van het
standaardtarief, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van het Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling,
wordt uitgegaan van de afgeronde overlevingstafels Gehele Bevolking
Mannen en Gehele Bevolking Vrouwen 2000–2005 met de volgende
leeftijdterugstellingen:
a. 5 jaar voor mannelijke
deelnemers;
b. 3 jaar voor vrouwelijke
deelnemers;
c. 1 jaar voor de vrouwelijke
partner van mannelijke deelnemers; en
d. 3 jaar voor de mannelijke
partner van vrouwelijke deelnemers.
2. De berekening van het
standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke
actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en
een marktconforme disconteringsvoet.
3. De in het tweede lid bedoelde
disconteringsvoet is de op 1 oktober geldende rente uit de door De
Nederlandsche Bank gepubliceerde rentetermijnstructuur voor
verplichtingen met een looptijd van 25 jaar. De vastgestelde rente
geldt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig
jaar.
4. Bij de bepaling van koopsommen voor
lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente
gebruikt.
5. Voor koopsommen van uitkeringen bij
overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.
6. Voor de berekening van het
partnerpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de
datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling
aanvangt.
7. Voor het ouderdomspensioen en het
partnerpensioen dat is opgebouwd vóór 1 januari 2002, dan wel 1
januari 2006, indien sprake is van perioden van opbouw op grond van
een beroepspensioenregeling, wordt uitgegaan van de
gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in artikel 1 van bijlage 2. Mannen
worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner,
vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner.
8. De contantewaardefactoren worden
gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de
pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de
overdragende uitvoerder hanteert.
Artikel 19. Berekening pensioenaanspraken
1. De berekening van de
pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling,
wordt gemaakt volgens de formules en symbolen, opgenomen in artikel 2
van bijlage 2.
2. De contantewaardefactoren worden
gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de
pensioenleeftijd en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die de
ontvangende uitvoerder hanteert.
3. Indien de overdrachtswaarde lager is
dan het bedrag benodigd voor de financiering van de toe te kennen
pensioenaanspraken komt het verschil ten laste van de nieuwe werkgever
of het ontvangende fonds.
Artikel 20. Afwijking standaardtarief
1. Bij pensioenaanspraken als bedoeld
in artikel 25, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en
Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt de overdrachtswaarde
berekend op basis van de actuariële grondslagen van de overdragende
pensioenuitvoerder.
2. In dit artikel wordt onder
actuariële grondslagen verstaan: de grondslagen die de uitvoerder
hanteert voor de vaststelling van de technische voorzieningen.
Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 3. Regels op grond van het
Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
Paragraaf 1. Vaststelling vereist eigen
vermogen
Artikel 24. Standaardmodel
1. Voor de berekening van het vereist
eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel als bedoeld
in artikel 12, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader
pensioenfondsen gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis
van de volgende risicofactoren:
a. het renterisico wordt bepaald
aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies
meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op
basis van de in artikel 1 van bijlage 3 opgenomen rentefactoren;
b. het aandelen- en vastgoedrisico
wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de
beleggingen in:
1°. aandelen ontwikkelde
markten en indirect vastgoed met 25%;
2°. aandelen opkomende markten
met 35%;
3°. niet beursgenoteerde
aandelen met 30%; en
4°. direct vastgoed met 15%;
c. het valutarisico wordt bepaald
aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in
andere valuta dan de euro met 20%;
d. het grondstoffenrisico wordt
bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen
in grondstoffen met 30%;
e. het kredietrisico wordt bepaald
aan de hand van een daling van de gewogen gemiddelde rentemarge
voor het kredietrisico van het fonds met 40%;
f. het verzekeringstechnische
risico;
g. het liquiditeitsrisico bedraagt
0%;
h. het concentratierisico bedraagt
0%; en
i. het operationeel risico bedraagt
0%.
2. Het vereist vermogen per
risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute
getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het
scenario voor de betreffende risicofactor.
Artikel 25. Correlaties
1. Bij de samenvoeging van het vereist
eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 tot het
totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende
correlaties:
a. tussen het aandelen- en
vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een
correlatie (ρ) van 0,50;
b. tussen de risico’s die zijn
onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie
(ρ') van 0,75;
c. tussen de overige risico’s:
een correlatie (ρ'') van 0.
2. Voor de berekeningen, bedoeld in het
eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3 opgenomen formules en
de in dat onderdeel beschreven procedure gebruikt.
Artikel 26. Risicoprofiel
Indien het standaardmodel leidt tot
uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het
fonds, dan treedt het fonds in overleg met De Nederlandsche Bank over de
te nemen maatregelen.
Artikel 27. Vereenvoudigd model
1. De Nederlandsche Bank kan
toestemming verlenen voor de vaststelling van het vereist eigen
vermogen volgens een vereenvoudigd model als bedoeld in artikel 12,
tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
indien het fonds beschikt over:
a. een eigen vermogen dat ten
minste 30% van de technische voorzieningen bedraagt, waarbij geen
sprake is van financiering met achtergestelde leningen;
b. een eenvoudige pensioenregeling;
c. een eenvoudig en risicomijdend
beleggingsbeleid; en
d. een eenvoudige bedrijfsvoering.
2. Een fonds dat een vereenvoudigd
model toepast, stelt het vereist eigen vermogen vast op 30% van de
technische voorzieningen.
3. Indien een fonds in een eerdere
periode het standaardmodel of een intern model heeft toegepast, kan
toestemming om het vereenvoudigd model toe te passen alleen worden
verleend indien sprake is van een substantiële inkrimping, een sterke
vereenvoudiging van de bedrijfsprocessen, een eenvoudiger
risicoprofiel, een sterk verbeterde financiële positie of een
eenvoudigere pensioenregeling.
4. De Nederlandsche Bank kan aan de
toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.
Artikel 28. Intern model
1. De Nederlandsche Bank kan
toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen
volgens een intern model als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van
het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen indien het fonds
voldoet aan door De Nederlandsche Bank gestelde regels ten aanzien
van:
a. de organisatorische inbedding
van het intern model; en
b. de te hanteren data en de
technische aspecten van het interne model.
2. Het intern model vormt een integraal
onderdeel van het risicomanagement van het fonds.
3. Voor het vaststellen van het vereist
eigen vermogen volgens een intern model gaat het fonds uit van een
stochastische benaderingswijze waarbij het fonds de risicofactoren
bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa
en passiva in hun onderlinge samenhang.
4. In een intern model kan gebruik
worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het
standaardmodel, mits deze aan het karakter van het intern model geen
afbreuk doen.
5. Een fonds dat een intern model
hanteert:
a. geeft, als de uitkomsten van het
intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan De
Nederlandsche Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en
b. dient bij De Nederlandsche Bank
eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel als
bedoeld in artikel 24.
6. De Nederlandsche Bank kan aan de
toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.
Artikel 29. Overgangsregeling
1. In afwijking van artikel 28, eerste
lid, kan De Nederlandsche Bank een fonds dat niet voldoet aan de in
artikel 28, eerste lid, genoemde regels toestemming verlenen voor het
toepassen van een intern model, indien:
a. naar het oordeel van De
Nederlandsche Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het
gebruik van een intern model niet belemmeren; en
b. de verwachting is dat het fonds
binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen.
2. Voor zover tijdens de
overgangsperiode het model incompleet is, kan voor de ontbrekende
onderdelen gebruik worden gemaakt van een prudente bijschatting.
3. Het fonds kan tot 1 januari 2010:
a. voor het bepalen van het
renterisico, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, de
benaderingswijze hanteren die is aangegeven in artikel 3 van
bijlage 3;
b. voor het bepalen van het
kredietrisico, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel e, de
benaderingswijze hanteren die is aangegeven in artikel 4 van
bijlage 3.
Paragraaf 2. Continuïteitsanalyse
Artikel 30. Continuïteitsanalyse
1. Het inzicht dat de
continuïteitsanalyse biedt in de mate waarin de voorwaardelijke
toeslagverlening kan worden toegekend, wordt aangegeven door de
cumulatieve toekenning over de 15 prognosejaren op jaarbasis uit te
drukken.
2. Bij de continuiteitsanalyse worden
kalenderjaren gehanteerd, tenzij sprake is van een
continuïteitsanalyse op grond van artikel 22, tweede lid, van het
Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. In dat geval worden
actuele data gebruikt.
3. Het fonds geeft aan waarin een
continuïteitsanalyse afwijkt van een eerder uitgevoerde
continuïteitsanalyse.
Artikel 30a. Commissie Parameters
1. De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid benoemt de leden van de Commissie Parameters, bedoeld
in artikel 23, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader
pensioenfondsen.
2. Het secretariaat van de commissie
wordt gevoerd door het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
3. Het beheer van de bescheiden van de
commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het, in het
tweede lid genoemd, ministerie. De bescheiden worden na beëindiging
van de werkzaamheden van de werkgroep bij het archief van dit
ministerie opgeborgen.
4. De leden van de commissie kunnen een
vergoeding ontvangen op grond van het Vacatiegeldenbesluit 1988.
5. De leden van de commissie kunnen een
vergoeding van reis- en verblijfkosten ontvangen overeenkomstig het
Reisbesluit binnenland.
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Artikel 31. Overgangsrecht
waardeoverdracht
Tot 1 januari 2008 wordt artikel 18,
tweede lid, als volgt gelezen:
2. De berekening van het
standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke
actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en
een rekenrente van 4%.
Artikel 31a. Tijdelijk rekeninstrument
fondsen
Indien artikel 36 van het Besluit
financieel toetsingskader pensioenfondsen van toepassing is gebruikt het
fonds jaarlijks, in afwijking van artikel 4, derde lid, een tijdelijk
rekeninstrument voor de berekening van de verwachtingen ten aanzien van
de toekomstige toeslagverlening, bedoeld in artikel 4, tweede lid. Dit
tijdelijk rekeninstrument wordt beschikbaar gesteld via
www.toezicht.dnb.nl.
Hoofdstuk 5. Wijziging overige
Ministeriele regelingen
Artikel 32
[Wijzigt de Regeling voor berekening in
geval van waarde-overdracht]
Artikel 33
[Wijzigt de Regeling vaststelling regels
pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981]
Artikel 34
[Wijzigt de Regeling vaststelling regels
pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995]
Artikel 35
[Wijzigt de Betaalbaarstelling
uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen
dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen]
Artikel 36
[Wijzigt de Regeling vermogenswaardering
Ioaz]
Artikel 37. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 2007.
Artikel 38. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als
Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Deze regeling zal met
toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Den
Haag, 19 december 2006.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
Bijlagen niet opgenomen
|