| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Postwet 2009
POSTBESLUIT
2009
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 maart 2009, houdende regels betreffende de postale
dienstverlening (Postbesluit 2009)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van
Economische Zaken van 28 november 2007, nr. WJZ 7137300;
Gelet op artikel 2, eerste lid, onderdeel b,
15, zevende lid, 17, eerste lid, 29, vierde lid, en 65, tweede lid, van
de Postwet 2009;
De Raad van State gehoord (advies van 7
december 2007, nr. W10.07.450/III);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Economische Zaken van 24 maart 2009, nr. WJZ/9054333;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: de Postwet 2009;
b. vergoeding: de vergoeding, bedoeld in artikel 64, eerste lid,
van de wet;
c. enkelstukstarief: het overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van
de wet vastgestelde tarief voor het postvervoer ten aanzien van
afzonderlijke poststukken van een bepaalde soort binnen een bepaalde
gewichtsklasse of voor afzonderlijke postvervoerdiensten;
d. relevante omzet: de in een bepaald kalenderjaar door een
postvervoerbedrijf, met het verrichten van postvervoerdiensten
binnen Nederland gerealiseerde omzet;
e. postpakket: een geadresseerd verpakt poststuk, dat zaken, niet
zijnde brieven, bevat.
Artikel 2
Als ander geadresseerd stuk als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdeel b, van de wet, wordt aangewezen:
a. een postpakket met een gewicht tot 20 kilogram indien het
postvervoer binnen Nederland en vanuit Nederland betreft en een
postpakket met een gewicht tot 30 kilogram indien het postvervoer
vanuit het buitenland betreft;
b. een fysieke drager die in hoofdzaak tekst bevat in voor
blinden bestemde tekens;
c. een dagblad of een tijdschrift.
§ 2. Omvang universele postdienstverlening
Artikel 3
1.Met betrekking tot poststukken als bedoeld in artikel 16, eerste
lid, onderdeel a en b, en het derde lid, onderdeel a en b, van de wet
omvat de universele postdienst het postvervoer tegen enkelstukstarief.
2.De universele postdienst omvat het teruggeven van onbestelbare
poststukken aan de afzender.
3.De universele postdienst omvat ten aanzien van het postvervoer
naar een land buiten Nederland, niet de poststukken die vanuit een
land buiten Nederland naar Nederland zijn gebracht om deze ten vervoer
aan te bieden met als bestemming adressen buiten Nederland.
Artikel 4
Poststukken komen voor vervoer binnen de universele postdienst in
aanmerking indien zij afmetingen hebben die kleiner zijn dan de bij
ministeriële regeling vastgestelde maximumafmetingen en groter zijn dan
de bij ministeriële regeling vastgestelde minimumafmetingen.
§ 3. Kwaliteit universele postdienstverlening
Artikel 5
1.Een verlener van de universele postdienst hanteert algemene
voorwaarden bij de uitvoering van de universele postdienst, waarin de
waarborgen voor de uitvoering van de goede postale dienstverlening en
de kwaliteit van die dienstverlening voor een ieder kenbaar zijn
opgenomen.
2.In de algemene voorwaarden worden ten minste opgenomen:
a. een duidelijke omschrijving van de onderscheiden
postvervoerdiensten;
b. de gehanteerde tarieven;
c. de voorwaarden met betrekking tot veiligheid van het
postvervoer;
d. de voorwaarden met betrekking tot de aansprakelijkheid van
de verlener van de universele postdienst.
3.Een verlener van de universele postdienst legt de algemene
voorwaarden ter inzage op zijn dienstverleningspunten.
Artikel 6
1.Een verlener van de universele postdienst draagt er zorg voor dat
de voor het postvervoer binnen de universele postdienst verschuldigde
porten op verschillende manieren kunnen worden voldaan, maar in elk
geval door middel van postzegels of postzegelafdrukken.
2.Postzegels worden door de verlener van de universele postdienst
ten minste op alle dienstverleningspunten als bedoeld in artikel 16,
zevende lid, van de wet verkrijgbaar gesteld.
Artikel 7
1.Poststukken die zijn bestemd voor postvervoer binnen de
universele postdienst worden in voor het publiek bestemde
brievenbussen van de verlener de universele postdienst gedeponeerd of
bij daartoe bestemde dienstverleningspunten van de verlener van de
universele postdienst afgegeven.
2.Een verlener van de universele postdienst stelt in de algemene
voorwaarden de voorwaarden vast waaraan verzenders van poststukken
moeten voldoen om ervoor te zorgen dat de aangeboden poststukken
worden vervoerd met de standaard overnight service, bedoeld in artikel
16, zesde lid, van de wet.
3.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de
voorwaarden, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 8
1.Een verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat voor
het publiek bestemde brievenbussen als bedoeld in artikel 16, achtste
lid, van de wet, zodanig worden geplaatst en uitgevoerd, dat deze goed
herkenbaar en bereikbaar zijn en dat deze in goede staat worden
gehouden.
2.Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de
toegankelijkheid van brievenbussen van een verlener van de universele
postdienst.
Artikel 9
1.Een verlener van de universele postdienst voldoet in het kader
van het postvervoer ten aanzien van brieven en andere poststukken van
en naar een andere lidstaat van de Europese Unie of van en naar andere
staten die partij zijn bij de overeenkomst inzake de Europese
Economische Ruimte aan de kwaliteitsnormen die in de bijlage bij de
richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke
regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in
de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG
1998 L 15).
2.Een verlener van de universele postdienst voldoet aan de in het
Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen geplaatste technische
normen, bedoeld in artikel 20 van de richtlijn, genoemd in het eerste
lid, voor zover de normen betrekking hebben op postvervoerdiensten.
3.Wanneer dat noodzakelijk is voor de belangen van de gebruikers
van postvervoerdiensten, geeft een verlener van de universele
postdienst aan de toe te passen normen bekendheid door middel van een
verwijzing in de algemene voorwaarden naar die normen en naar de
vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Artikel 10
1.Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke diensten en
activiteiten zijn opgenomen in een volledig assortiment van diensten
als bedoeld in artikel 16, zevende lid, van de wet.
2.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de kwaliteit van de universele postdienst.
§ 4. Bedragen aansprakelijkheid
Artikel 11
De bedragen, bedoeld in artikel 29, vierde lid, van de wet, zijn:
a. € 50,– bij registratie van een poststuk als aangetekend
stuk;
b. € 5500,– bij registratie van een poststuk als poststuk met
aangegeven waarde.
§ 5. Vergoeding kosten college binnen de universele postdienst
Artikel 12
1.Het college stelt jaarlijks een raming op van de kosten die
verband houden met de werkzaamheden van het college in het volgende
kalenderjaar ter uitvoering van de wet in verband met de universele
postdienst en stelt Onze Minister in kennis van de raming.
2.De verlener van de universele postdienst is ter dekking van de
kosten die verband houden met de werkzaamheden van het college ter
uitvoering van de wet in verband met de universele postdienst,
jaarlijks een vergoeding verschuldigd ter hoogte van die kosten minus
de kosten verbonden aan de behandeling van bezwaar- en
beroepschriften.
3.De artikelen 13, tweede tot en met het vierde lid, en 15, tweede
en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 6. Vergoeding kosten college buiten universele postdienst
Artikel 13
1.Het college stelt jaarlijks een raming op van de kosten die
verband houden met de werkzaamheden van het college in het volgende
kalenderjaar ter uitvoering van de wet, met uitzondering van de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en stelt Onze
Minister in kennis van de raming.
2.Ter zake van de kosten, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de
wet gelden als uitgangspunten dat:
a. de kosten worden geraamd voor het kalenderjaar waarvoor de
vergoeding geldt;
b. de directe kosten rechtstreeks worden toegerekend aan
categorieën van gelijksoortige werkzaamheden;
c. de indirecte kosten worden toegerekend aan categorieën van
gelijksoortige werkzaamheden naar rato van hun beslag op de
onderscheiden werkzaamheden of diensten;
d. voor zover de kosten bestaan uit afschrijvingskosten, deze
kosten worden toegerekend door middel van een evenredige
afschrijving op de aanschafwaarden van de investeringsgoederen per
kalenderjaar op basis van de economische levensduur;
e. de kosten op bedrijfseconomische wijze worden berekend door
middel van een door het college toe te passen
kostencalculatiemodel dat zodanig is ingericht dat daaruit op elk
moment op eenduidige en inzichtelijke wijze de kosten van de
desbetreffende categorieën van gelijksoortige werkzaamheden of
diensten kunnen worden afgeleid.
3.Het college legt het kostencalculatiemodel ter inzage.
4.Het college neemt, ter compensatie van een door het college
vastgesteld verschil tussen de werkelijke kosten voor een kalenderjaar
en de in dat kalenderjaar ontvangen vergoedingen als bedoeld in
artikel 64 van de wet, een bedrag op in de ramingen van de kosten in
de jaren, volgend op een verschil.
Artikel 14
1.De minister stelt jaarlijks een verdeelsleutel voor het komende
kalenderjaar vast voor de verdeling van de kosten, bedoeld in artikel
13, eerste lid, in de vorm van een uniform percentage van de relevante
omzet van elk postvervoerbedrijf.
2.De verdeelsleutel, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op
grond van:
a. de totale kosten van het college in het komende kalender
jaar, geraamd met inachtneming van artikel 13, minus
1°. de kosten van het college voor de registratie, bedoeld
in artikel 42, derde lid, van de wet, en
2°. de kosten van de behandeling van bezwaar- en
beroepschriften,
en
b. de totale omzet van het voorafgaande jaar van de
postvervoerbedrijven die ingevolge artikel 64 van de wet een
vergoeding verschuldigd zijn.
Artikel 15
1. Het college berekent de vergoeding voor een kalenderjaar per
postvervoerbedrijf door de relevante omzet van het postvervoerbedrijf
in het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar
waarin de vergoeding wordt vastgesteld te vermenigvuldigen met de op
basis van artikel 14 vastgestelde verdeelsleutel.
2. De vergoeding wordt aan het college betaald binnen een termijn
van 30 dagen na dagtekening van het verzoek tot betaling.
3. Tenzij bij ministeriële regeling anders wordt bepaald, wordt de
vergoeding door degene die de vergoeding is verschuldigd, bij
vooruitbetaling voldaan.
4. De relevante omzet, bedoeld in artikel 64, derde lid, van de wet
bedraagt € 2.000.000.
Artikel 16
1.De berekening van de omzet van het vervoer van poststukken
geschiedt op de voet van artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet.
2.Indien een postvervoerbedrijf behoort tot een groep van
ondernemingen als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek worden voor de berekening van de omzet van het vervoer van
poststukken van die postvervoerbedrijf de omzetten van het vervoer van
poststukken van alle tot die groep behorende ondernemingen opgeteld.
Bij deze berekening worden transacties tussen de tot die groep
behorende ondernemingen buiten beschouwing gelaten.
3.Indien een postvervoerbedrijf door het college is geregistreerd
op grond van artikel 41 van de wet in verband met het verrichten van
activiteiten die voorheen werden verricht door één of meer andere
postvervoerbedrijven waarvan de registratie is beëindigd, vindt de
berekening van de omzet plaats met inachtneming van de omzet van dat
postvervoerbedrijf of postvervoerbedrijven overeenkomstig bij
ministeriële regeling te stellen regels.
4.Indien een postvervoerbedrijf verlener van de universele
postdienst is, wordt uitsluitend de omzet van vervoer van poststukken
buiten de universele postdienst als omzet voor de vaststelling van de
verdeelsleutel, bedoeld in artikel 14, gebruikt.
5.Voor gevallen waarin berekening van de omzet van het vervoer van
poststukken niet mogelijk is omdat de desbetreffende activiteiten zijn
verweven met andere activiteiten, kan bij ministeriële regeling
worden bepaald dat bij de berekening nader genoemde opbrengsten geheel
of gedeeltelijk buiten beschouwing blijven.
Artikel 17
1.Een postvervoerbedrijf dat ingevolge artikel 64 van de wet een
vergoeding verschuldigd is, verstrekt jaarlijks voor 1 september aan
het college:
a. een opgave van de relevante omzet die is gerealiseerd in het
voorafgaande kalenderjaar, onder bijvoeging van een verklaring van
een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2
van het Burgerlijk Wetboek, dat de opgave voldoet aan artikel 16,
of
b. een opgave van de netto-omzet die op grond van artikel 377,
derde lid, onder a, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is
vermeld in de jaarrekening, onder bijvoeging van een kopie van de
jaarrekening en van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel
393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Een postvervoerbedrijf kan elk jaar een beroep doen op de
omstandigheid dat de relevante omzet, die is gerealiseerd in het
voorafgaande kalenderjaar, lager is dan het criterium met betrekking
tot de relevante omzet, bedoeld in artikel 64, derde lid, van de wet.
3.In elk jaar dat een postvervoerbedrijf een beroep doet op de
omstandigheid, bedoeld in het tweede lid, doet het postvervoerbedrijf
voor 1 september aan het college een onderbouwde opgave over zijn
omzet op grond waarvan naar het oordeel van het college aannemelijk is
dat de omzet minder bedraagt dan het in het tweede lid bedoelde
criterium.
4.Indien het postvervoerbedrijf aan de in het eerste of derde lid
bedoelde verplichting niet tijdig heeft voldaan of een kennelijk
onjuiste of onvolledige opgave heeft gedaan en dit verzuim niet heeft
hersteld na daartoe door het college in de gelegenheid te zijn
gesteld, kan het college een schatting doen van zijn omzet en op basis
daarvan de vergoeding voor het postvervoerbedrijf vaststellen.
5.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld
over de opgave van de relevante omzet door het postvervoerbedrijf en
over de verklaring van de accountant.
§ 7. Aanwijzingsprocedure verlener universele postdienst
Artikel 18
1.In de mededeling, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet,
wordt opgenomen dat belangstellende postvervoerbedrijven een aanvraag
om te worden aangewezen als verlener van de universele postdienst
binnen drie maanden na de datum van de mededeling moeten hebben
ingediend.
2.Bij de aanvraag overlegt een postvervoerbedrijf:
a. een plan voor de uitvoering van de universele postdienst,
voor zover die blijkens de mededeling, bedoeld in artikel 15,
derde lid, van de wet, wordt ingetrokken;
b. een bij de beoogde uitvoering behorend financieel plan,
waaruit blijkt hoe de kosten worden gedekt en of er in de eerste
vijf jaar van de aanwijzing sprake is van nettokosten.
3.Onze Minister neemt bij zijn besluit tot aanwijzing in elk geval
in aanmerking de geboden kwaliteit en duurzaamheid van de
dienstverlening en aannemelijkheid van de verwachte opbrengsten of
kosten ervan.
4.In de mededeling, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet,
worden zo nodig over te leggen onderdelen voor de gegevens, genoemd in
het tweede lid, opgenomen.
5.Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
op de aanwijzing van een postvervoerbedrijf dat is belast met de
universele postdienst of een gedeelte hiervan.
6.Van het besluit tot aanwijzing en de voorwaarden die daarbij
gelden wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
§ 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
De vergoeding, bedoeld in artikel 15, eerste lid, voor het
kalenderjaar waarin de wet in werking treedt en, indien nodig, voor de
twee daaropvolgende kalenderjaren, wordt in rekening gebracht na
vaststelling van het criterium met betrekking tot de relevante omzet van
een postvervoerbedrijf in Nederland als bedoeld in artikel 64, derde
lid, van de wet.
Artikel 20
1.In het kalenderjaar van de inwerkingtreding van de wet:
a. worden de ramingen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, en
13, eerste lid, in afwijking van artikel 13, tweede lid, binnen
zes weken na de datum van inwerkingtreding van dit besluit voor de
werkzaamheden van het college ter uitvoering van de wet in dat
kalenderjaar of het resterende gedeelte van dat kalenderjaar
vastgesteld;
b. wordt de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
in afwijking van artikel 14, tweede lid, onderdeel a, voor het
eerste kalenderjaar waarin de wet van kracht is, berekend op grond
van de in onderdeel a bedoelde ramingen.
2.Postvervoerbedrijven delen binnen zes weken na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit aan het college de relevante omzet
mee, die gerealiseerd is in het kalenderjaar dat twee jaar voorafgaat
aan het kalenderjaar van inwerkingtreding.
Artikel 21
1.Het tegen vergoeding aan natuurlijke of rechtspersonen ter
beschikking stellen van het gebruik van postbussen voor het ontvangen
van voor hun bestemde poststukken maakt, indien de overeenkomst tussen
een verlener van de universele postdienst en de gebruiker van een
postbus is gesloten voor de inwerkingtreding van dit besluit, deel uit
van de universele postdienst voor de looptijd van de overeenkomst,
maar niet langer dan een jaar na inwerkingtreding van dit besluit.
2.Het tegen vergoeding mogelijk maken, dat de verzender van
poststukken de kosten voor zijn rekening neemt van het postvervoer van
de poststukken die de ontvangers aan hem terugsturen met gebruikmaking
van een antwoordnummer, maakt, indien de overeenkomst tussen een
verlener van de universele postdienst en de gebruiker van het
antwoordnummer, gesloten voor de inwerkingtreding van dit besluit,
deel uit van de universele postdienst voor de looptijd van de
overeenkomst, maar niet langer dan een jaar na inwerkingtreding van
dit besluit.
Artikel 22
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Postwet 2009
in werking treedt.
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Postbesluit, met vermelding van het
jaartal van het Staatsblad waarin het zal worden geplaatst.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 maart 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
F. Heemskerk
Uitgegeven de dertigste maart 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|