| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Postwet 2009
POSTREGELING
2009
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 22 maart
2009, nr. WJZ/9055290, houdende regels betreffende de universele
postdienst (Postregeling 2009)
De Staatssecretaris van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 20, eerste lid, 22,
tweede lid, 23, tweede lid, 25, eerste, tweede, derde en zesde lid, en
27, tweede lid, van de Postwet 2009 en artikelen 4, 7, derde lid, 10,
eerste lid, en 15, derde lid, van het Postbesluit 2009;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. minister: de Minister van Economische Zaken;
b. besluit: het Postbesluit 2009;
c. dienstverleningspunt: een dienstverleningspunt als
bedoeld in artikel 16, zevende lid, van de wet;
d. jaarlijkse rapportage: de jaarlijkse rapportage,
bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 2. Universele postdienst algemeen
Artikel 2
1. Voor de afmeting van de poststukken die voor postvervoer
binnen Nederland onder de universele postdienst vallen, geldt dat de
grootste afmeting ten hoogste honderd centimeter bedraagt en de
overige afmetingen ten hoogste vijftig centimeter bedragen, waarbij
een afwijking van twee millimeter is toegestaan.
2. Voor de afmeting van de poststukken die voor postvervoer
binnen Nederland onder de universele postdienst vallen, geldt dat de
kleinste afmeting ten minste 14 centimeter in de lengte en 9 centimeter
in de breedte bedraagt. In rolvorm mogen de poststukken niet kleiner
zijn dan 10 centimeter in de lengte. De som van de lengte en tweemaal de
middellijn mag niet kleiner zijn dan 17 centimeter.
3. Poststukken met kleinere afmetingen dan genoemd in het tweede
lid, vallen onder de universele postdienst indien zij zijn voorzien van
een adreslabel van minimaal 7 bij 10 centimeter.
4. Voor de afmeting van de poststukken die voor postvervoer van
en naar Nederland onder de universele postdienst vallen, zijn de
afmetingen die voortvloeien uit de akten van de Wereldpostunie van
toepassing.
Artikel 3
1. Poststukken die overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van
het besluit, zijn gedeponeerd of afgegeven voor postvervoer binnen
Nederland, worden in elk geval vervoerd met de standaard overnight
service, bedoeld in artikel 16, zesde lid, van de wet.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de verlener van de
universele postdienst in de algemene voorwaarden bepalen dat gedurende
een aaneengesloten periode van ten hoogste 21 dagen in de maand december
de poststukken zijnde losse brieven enkel worden vervoerd met de
standaard overnight service indien deze brieven tijdig op een
dienstverleningspunt zijn aangeboden en voldoende gefrankeerd zijn.
3. De verlener van de universele postdienst maakt jaarlijks voor
1 november de periode, bedoeld in het tweede lid, aan het college
bekend.
4. De verlener van de universele postdienst kondigt de periode,
bedoeld in het tweede lid, op genoegzame wijze aan het publiek aan.
5. De verlener van de universele postdienst biedt in de periode,
bedoeld in het tweede lid, op de dienstverleningspunten voldoende
gelegenheid aan het publiek voor het aanbieden van losse brieven.
Artikel 4
1. Een volledig assortiment van diensten als bedoeld in artikel
16, zevende lid, van de wet, bevat de diensten en activiteiten die
zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
2. Een nagenoeg volledig assortiment van diensten bevat de
diensten en activiteiten die zijn opgenomen in de bij deze regeling
behorende bijlage 2.
3. De verlener van de universele postdienst kan een
dienstverleningspunt in een woonkern met minder dan 5000 inwoners zonder
winkelgebied sluiten indien:
a. de sluiting het gevolg is van
opzegging of bedrijfsbeëindiging door de ondernemer met wie de
verlener van de universele postdienst een overeenkomst tot exploitatie
van een dienstverleningspunt heeft gesloten of
b. voor de inwoners van de
woonkern binnen een straal van vijf kilometer een ander
dienstverleningspunt is met een volledig of nagenoeg volledig
assortiment van diensten en de omzet in zegelwaarden van het te sluiten
dienstverleningspunt minder is dan € 11.500 per jaar.
Artikel 5
1. Een voor aflevering van poststukken bestemde brievenbus als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet, is zo dicht mogelijk
bij de rijbaan van een voor motorrijtuigen op meer dan twee wielen
berijdbare openbare weg aangebracht. Deze brievenbussen zijn van de
weg af zonder belemmering bereikbaar.
2. Met een openbare weg als bedoeld in het eerste lid, wordt
gelijkgesteld een weg die:
a. gedurende het gehele jaar onbelemmerd kan worden bereden door
een motorvoertuig op meer dan twee wielen met een snelheid van ten
minste 40 kilometer per uur;
b. geen doodlopende weg is en
c. de gelegenheid biedt de bestelroute zonder omwegen te vervolgen.
3. Aan of nabij de brievenbussen behoort door een nummer op
duidelijke wijze te zijn aangegeven, bij welke woning, gebouw of
gedeelte daarvan zij behoren.
4. Brievenbussen in of aan gebouwen of woningen zijn zodanig
aangebracht of geplaatst dat zij te bereiken zijn binnen tien meter van
de grens van een weg, waaronder mede worden verstaan de daartoe
behorende trottoirs, paden, bermen en taluds.
5. De in het eerste lid gestelde voorwaarde is niet van
toepassing op groepsgewijs geplaatste brievenbussen, die:
a. ten dienste van galerijflats
zijn geplaatst op rechtstreeks met een lift bereikbare niveaus van die
flats, mits de brievenbussen ten dienste van alle op één niveau
aanwezige en vanuit één en dezelfde lift bereikbare woningen zich in
de onmiddellijke nabijheid van de lift bevinden, of
b. ten dienste van alle overige collectieve gebouwen zo dicht
mogelijk bij de ingang van dat gebouw zijn aangebracht.
6. Brievenbussen ten dienste van geadresseerden die op
recreatieterreinen verblijven, worden groepsgewijs bij de ingang van een
zodanig terrein geplaatst. Bij gebreke hiervan kunnen poststukken door
of namens de terreinbeheerder in ontvangst worden genomen of door de
geadresseerden op een daartoe door een verlener van de universele
postdienst aan te wijzen postinrichting worden afgehaald.
7. Behoudens gevallen als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a,
is het niveau waarop de brievenbussen worden bediend gelegen op niet
meer dan 2,5 meter boven of beneden het wegdek.
Artikel 6
1. De vorm en de kleur van de brievenbussen is zodanig, dat
verwarring met voor het publiek bestemde brievenbussen van een
verlener van de universele postdienstverlener niet mogelijk is.
2. De brievengleuf is horizontaal in een verticaal vlak of in het
bovenvlak van de brievenbus aangebracht en bevindt zich op 1,1 meter of
in ieder geval niet lager dan 0,6 meter of hoger dan 1,8 meter boven het
niveau, waarop de brievenbus wordt bediend.
3. De afmetingen van de vrije inwerpopening bedragen in de lengte
ten minste 265 mm te en in de breedte 32 mm.
4. De inwerpopening is zo uitgevoerd, dat het bedienen van de
brievenbus zonder gevaar voor verwondingen kan geschieden.
5. Indien zich achter de inwerpgleuf een ruimte bevindt, bestemd
voor de bewaring van poststukken, dan is de inwendig bruikbare breedte
ten minste 270 mm en zijn de twee andere inwendige bruikbare afmetingen
ten minste 150 en 380 mm.
Hoofdstuk 3. Boekhouding van de verlener van de universele postdienst
en rapportage van de universele dienst
Artikel 7
1. Bij de toerekening van de kosten aan de universele
postdienst hanteert de verlener van de universele postdienst een
kostentoerekeningssysteem dat:
a. voldoet aan de beginselen van marktconformiteit,
proportionaliteit en integraliteit;
b. gebruik maakt van de berekeningsmethode activity based costing;
c. inzichtelijk maakt hoe de hoogte van de toe te rekenen kosten is
bepaald;
d. kosten zoveel mogelijk rechtstreeks toerekent;
e. het oorzakelijk verband aangeeft tussen de kosten en daaraan ten
grondslag liggende kostenveroorzakers;
f. de kosten slechts eenmaal toerekent.
2. De rechtstreeks aan de universele postdienst toerekenbare
kosten worden rechtstreeks toegerekend.
3. De gemeenschappelijke kosten die niet rechtstreeks aan de
universele postdienst of de overige diensten van de verlener van de
universele postdienst toe te rekenen zijn worden slechts aan de
universele postdienst toegerekend:
a. indien dat gerechtvaardigd kan worden op grond van een
rechtstreekse analyse van de aard van de kosten zelf;
b. indien een rechtstreekse
analyse niet mogelijk is, de toerekening gerechtvaardigd kan worden op
grond van een indirect verband met een categorie van kosten of met een
andere groep van kostencategorieën waarvoor een rechtstreekse
toerekening mogelijk is, waarbij het indirecte verband steunt op
vergelijkbare kostenstructuren;
c. indien geen rechtstreekse of indirecte toerekening als bedoeld
onder a en b mogelijk is, de toerekening gerechtvaardigd kan worden op
grond van een algemene verdeelsleutel waarbij de verhouding wordt
weergegeven tussen enerzijds alle uitgaven die rechtstreeks of indirect
worden toegerekend aan de universele postdienst, en anderzijds, alle
uitgaven die rechtstreeks of indirect worden toegerekend aan andere
activiteiten van de verlener van de universele postdienst, met dien
verstande dat voor de universele postdienst en voor de overige diensten
dezelfde kostendrijvers worden gehanteerd.
4. De aan de universele
postdienst toerekenbare kosten worden toegerekend aan het postvervoer
van de volgende categorieën poststukken:
a. brieven als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdelen a en c,
tweede lid, onderdelen a en d, derde en vierde lid, van de wet;
b. poststukken niet zijnde brieven als bedoeld in artikel 16, eerste
lid, onderdeel b, tweede lid, onderdelen b en c, derde lid, onderdelen a
en b, en vierde lid, van de wet.
5. Bij de toerekening, bedoeld in het vierde lid, zijn het tweede
en derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8
1. De boekhouding van de verlener van de universele postdienst,
bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de wet, wordt ingericht
overeenkomstig consequent toegepaste, objectief gerechtvaardigde en
algemeen aanvaardbare normen voor bedrijfsadministratie.
2. De boekhouding van de verlener van universele postdienst geeft
de kosten, zoals toegerekend op grond van het kostentoerekeningssysteem
bedoeld in artikel 7, en de opbrengsten van de universele postdienst
weer.
Artikel 9
De verlener van de universele postdienst verstrekt de jaarlijkse
rapportage voor 1 juni aan het college. De rapportage heeft betrekking
op het kalenderjaar voorafgaand aan de indiening ervan en bevat ten
minste:
a. het aantal dienstverleningspunten, uitgesplitst naar soort,
aan het einde van elk kwartaal;
b. de verspreiding van de dienstverleningspunten over Nederland;
c. de verantwoording van de meetmethodiek voor de bepaling van de
straal van vijf kilometer, bedoeld in artikel 16, zevende lid,
onderdeel a en b, van de wet;
d. de verantwoording van de bepaling van het inwoneraantal van
een woonkern als bedoeld in artikel 16, zevende lid, onderdeel b, en
achtste lid, van de wet;
e. een verantwoording van de systematiek ter vaststelling of is
voldaan aan de spreidingsnormen van artikel 16, zevende lid, van de
wet;
f. de datering van de gehanteerde bronnen;
g. een definitie van gehanteerde begrippen, voor zover die
afwijken van de begrippen van de wet, het besluit of deze regeling.
Artikel 10
1. De jaarlijkse rapportage gaat vergezeld van het resultaat
van een meting van de verlener van de universele postdienst over het
voorafgaande kalenderjaar van de kwaliteit van het postvervoer binnen
Nederland van brieven met de standard overnight service, bedoeld in
artikel 16, zesde lid, van de wet.
2. De verlener van de universele postdienst laat de meting,
bedoeld in het eerste lid, maandelijks uitvoeren door een onafhankelijke
en deskundige instelling.
3. De verlener van de universele postdienst legt aan het college
voor 1 juni van het kalenderjaar na de meting over:
a. de algehele uitkomsten van de meting;
b. een toelichting bij de uitkomsten;
c. een nauwkeurige omschrijving van de door de instelling
toegepaste meetsystematiek.
Artikel 11
1. De jaarlijkse rapportage
gaat vergezeld van een financiële verantwoording van de verlener van de
universele postdienst over de activiteiten ter uitvoering van de
universele postdienst die is gebaseerd op de boekhouding van de verlener
van de universele postdienst, bedoeld in artikel 8.
2. De financiële
verantwoording bevat:
a. een overzicht van de daadwerkelijke kosten van het postvervoer per
categorie poststukken, genoemd in artikel 7, vierde lid;
b. een overzicht van de gerealiseerde volumes;
c. de gegevens over de behaalde
financiële resultaten en het behaalde rendement uit de activiteiten ter
uitvoering van de universele postdienst zoals deze zijn opgenomen in een
overzicht van de opbrengsten en de kosten aan de hand waarvan het netto
bedrijfsresultaat van de activiteiten ter uitvoering van de universele
postdienst kan worden vastgesteld.
3. De verlener van de
universele postdienst legt bij de financiële verantwoording de
vastgestelde jaarrekening en het vastgestelde jaarverslag over van het
jaar waarop de financiële verantwoording betrekking heeft.
Artikel 12
1. De jaarlijkse rapportage gaat
vergezeld van een verklaring van een, door het college aan te wijzen,
openbaar accountant.
2. De verklaring heeft betrekking op de controle van de
accountant op:
a. de wijze van inrichting en toepassing van het
kostentoerekeningssysteem, bedoeld in artikel 7;
b. de vaststelling van de kosten en opbrengsten van de universele
postdienst op grond van het kostentoerekeningssysteem, bedoeld in
artikel 7;
c. de inrichting van de boekhouding, bedoeld in artikel 8;
d. het beleid ten aanzien van de dienstverleningspunten, bedoeld in
artikel 9;
e. de kwaliteit van de overnight service, bedoeld in artikel 10;
f. de financiële
verantwoording, bedoeld in artikel 11.
3. De verklaring gaat vergezeld van het controleplan, het
controleverslag van de accountant en het oordeel van de accountant over
zijn controle.
4. Indien de in het eerste lid bedoelde accountant tevens de
onafhankelijke accountant is die de in Titel 9 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek voorgeschreven accountantscontrole verricht met
betrekking tot de jaarrekening en het jaarverslag van de vennootschap
die de verlener van de universele postdienst is, kan het college een
andere openbaar accountant aanwijzen voor het verrichten van een
vakgenootschappelijke toetsing van de uitvoering van de controletaken,
bedoeld in het tweede lid.
5. De accountant die de vakgenootschappelijke toetsing, bedoeld
in het derde lid, uitvoert deelt als resultaat van zijn toetsing aan het
college mede of de verklaring, bedoeld in het tweede lid, op voldoende
deugdelijke grondslag berust.
6. Het college zendt een afschrift van het resultaat van de
vakgenootschappelijke toetsing aan de minister.
7. Indien het resultaat van de vakgenootschappelijke toetsing
inhoudt dat naar het oordeel van de accountant die de
vakgenootschappelijke toetsing heeft verricht, de verklaring, bedoeld in
het tweede lid, niet of niet geheel op een voldoende deugdelijke
grondslag berust, geeft deze in zijn mededeling aan het college de
zakelijke gronden aan waarop zijn beoordeling berust, zonder dat hij
daarbij melding maakt van of in bijzonderheden treedt over de inhoud van
de controledossiers waarin hij ter uitvoering van zijn
vakgenootschappelijke toetsing inzage heeft gehad.
8. De mededeling, bedoeld in het vierde lid, wordt gedaan binnen
zes maanden na de datum waarop de verklaring, bedoeld in het tweede lid,
aan het college is overgelegd.
Hoofdstuk 4. Tarieven universele postdienst
§ 1. Starttarieven universele postdienst
Artikel 13
1. De daadwerkelijke kosten, bedoeld in
artikel 25, derde lid, van de wet, zijn de aan de universele postdienst
toe te rekenen kosten, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid.
2. De verlener van de universele postdienst berekent de
daadwerkelijke kosten van het postvervoer per categorie poststukken,
genoemd in artikel 7, vierde lid, op grond van de kosten die zijn
gemaakt in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de tarieven
door het college worden aangepast.
Artikel 14
Het redelijk rendement per categorie poststukken, genoemd in artikel
7, vierde lid, van de verlener van de universele postdienst, bedoeld in
artikel 25, derde lid, van de wet, is 11,11 procent van de
daadwerkelijke kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de
betreffende categorie in het jaar voorafgaand aan de aanpassing van de
tarieven door het college.
Artikel 15
1. Het college past in 2011 en vervolgens vierjaarlijks
uiterlijk 1 oktober de tarieven, bedoeld in artikel 25, derde lid, van
de wet, aan.
2. In het jaar waarin de tarieven door het college worden
aangepast, legt de verlener van de universele postdienst uiterlijk 1
juni aan het college over:
a. een overzicht van de daadwerkelijke kosten van het postvervoer
per categorie poststukken, genoemd in artikel 7, vierde lid, in het
jaar voorafgaand aan de aanpassing van de tarieven door het college,
berekend op grond van artikel 13;
b. een overzicht van de gerealiseerde volumes in het kalenderjaar
voorafgaand aan de aanpassing van de tarieven door het college;
c. een voorstel voor de door het college aan te passen tarieven,
waarbij de vermenigvuldiging van de tarieven met de gerealiseerde
volumes, bedoeld in onderdeel b, niet groter is dan de daadwerkelijke
kosten, bedoeld in artikel 13, vermeerderd met het redelijk rendement,
bedoeld in artikel 14.
3. Het tweede lid, onderdeel
a, is niet van toepassing indien de financiële verantwoording bij de
jaarlijkse rapportage, bedoeld in artikel 11, over het jaar voorafgaand
aan de aanpassing van de tarieven door het college, reeds is overgelegd.
4. Het college kan na ontvangst van het
voorstel, de verlener van de universele postdienst verzoeken om een
nadere onderbouwing hiervan of een nadere toelichting hierbij of
verzoeken om het overleggen van nadere gegevens.
5. De verlener van de universele postdienst voldoet binnen vier
weken aan het verzoek.
6. Uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar na afloop van het
jaar waarin de tarieven door het college zijn aangepast, verricht de
verlener van de universele postdienst de postvervoerdiensten binnen de
universele postdienst tegen deze tarieven.
Artikel 16
1. De verlener van de universele postdienst legt op het
tijdstip, bedoeld in artikel 15, tweede lid, tevens aan het college
een verklaring van een onafhankelijke, door het college aan te wijzen,
accountant over, die betrekking heeft op de controle van de accountant
op:
a. de wijze van de berekening en de vaststelling van de
daadwerkelijke kosten, bedoeld in artikel 13;
b. de vaststelling van de gerealiseerde volumes, bedoeld in artikel
15, tweede lid, onderdeel b;
c. de wijze van inrichting en toepassing van het
kostentoerekeningssysteem, bedoeld in artikel 7.
2. De verklaring gaat vergezeld van het controleplan, het
controleverslag van de accountant en het oordeel van de accountant over
zijn controle.
3. Artikel 12, vierde tot en met achtste lid, zijn van
overeenkomstige toepassing, tenzij de vakgenootschappelijke toetsing,
bedoeld in artikel 12, vierde lid, reeds is verricht.
4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
accountantsverklaring bij de jaarlijkse rapportage, bedoeld in artikel
12, over het jaar voorafgaand aan de aanpassing van de tarieven door het
college, reeds is overgelegd.
§ 2. Aanpassing tarieven universele postdienst
Artikel 17
1. Het college gaat bij de toetsing of
tariefwijzigingen voldoen aan artikel 25, eerste lid, onderdeel a, van
de wet, uit van de gewogen gemiddelde tarieven van enerzijds:
a. de enkelstukstarieven voor het verlenen van de universele
postdienst met betrekking tot het postvervoer van brieven als bedoeld
in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, onderdeel a, derde
lid, onderdeel a en b, en vierde lid, van de wet, en anderzijds;
b. de enkelstukstarieven voor het verlenen van de universele
postdienst met betrekking tot het postvervoer van poststukken niet
zijnde brieven als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b,
tweede lid, onderdeel b en c, derde lid, onderdeel a en b, en vierde
lid, van de wet.
2. Het percentage bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel a,
van de wet, waarmee de gewogen gemiddelde tarieven, bedoeld in het
eerste lid, voor de universele postdienst in de periode vanaf de meest
recente aanpassing van de tarieven op basis van artikel 15, eerste lid,
tot aan de voorgestelde ingangsdatum van de tariefswijziging jaarlijks
mogen worden gewijzigd, is voor alle tariefswijzigingen over voornoemde
periode tezamen ten hoogste gelijk aan de gecumuleerde ontwikkeling van
de door het Centraal Planbureau gepubliceerde consumentenprijsindex in
de periode vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin de meest
recente vaststelling van de tarieven op basis van artikel 25, derde lid,
van de wet heeft plaatsgevonden tot en met de laatste dag van het
kalenderjaar waarin de voorgestelde tariefswijziging ingaat.
3. Het college toetst of een tariefswijziging van de verlener van
de universele dienst voldoet aan het tweede lid.
4. De weging, bedoeld in het eerste lid, wordt gebaseerd op de
omzetaandelen van de binnen het postvervoer, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel b, te onderscheiden postdiensten
van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin door het college de
tarieven worden aangepast op grond van artikel 15, eerste lid.
5. In afwijking van het vierde lid, kan de weging, bedoeld in het
eerste lid, gebaseerd worden op de omzetaandelen van een later
kalenderjaar:
a. op verzoek van de verlener van de universele dienst;
b. indien de indeling van de diensten binnen een in het eerste lid
genoemde categorie is of wordt gewijzigd.
6. De verlener van de universele dienst dient een verzoek, als
bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, voor 1 juni in bij het college.
Bij het verzoek legt hij een verklaring over van de openbaar accountant,
bedoeld in artikel 12, aangaande de juistheid en de volledigheid van de
verstrekte omzetaandelen.
§ 3. Tariefwijzigingen
Artikel 18
1. De verlener van de universele
postdienst legt bij de toezending aan het college, bedoeld in artikel
27, eerste lid, van de wet, gegevens over waaruit blijkt dat de tarieven
en de wijziging van de tarieven in overeenstemming zijn met de vereisten
van artikel 24, tweede en derde lid, en artikel 25, van de wet.
Indien de indeling van de diensten binnen een in artikel 17, eerste
lid, genoemde categorie is of wordt gewijzigd overlegt de verlener van
de universele postdienst gegevens over waaruit blijkt wat de effecten
van de nieuwe indeling zijn op de gewogen gemiddelde tarieven.
2. De verlener van de universele postdienst legt bij de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, een verklaring over van een onafhankelijke,
door het college aan te wijzen, accountant. De verklaring heeft
betrekking op de controle van de accountant van de gegevens, bedoeld in
het eerste lid, aan de vereisten van artikel 24, tweede en derde lid, en
artikel 25, van de wet.
Artikel 19
1. Binnen twee weken na de ontvangst van de tarieven of de
wijziging van de tarieven, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de
wet, kan het college de verlener van de universele postdienst
verzoeken om een nadere onderbouwing hiervan of een nadere toelichting
hierbij, en verzoeken om het overleggen van nadere gegevens.
2. De verlener van de universele postdienst voldoet binnen een
week aan het verzoek.
3. Indien naar het oordeel van het college de voorgestelde
tarieven niet in overeenstemming zijn met het bepaalde bij of krachtens
paragraaf 4.5 van de wet, deelt het college dit binnen drie weken na de
ontvangst van de tarieven of de wijziging van de tarieven, bedoeld in
artikel 27, eerste lid, van de wet mee aan de verlener van de universele
postdienst.
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt opgeschort met de
periode vanaf de dag na de datum waarop het college de verlener van de
universele dienst schriftelijk heeft verzocht om de informatie, bedoeld
in het eerste lid, tot en met de dag waarop de gevraagde informatie door
het college is ontvangen.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 20
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Postwet
2009 in werking treedt.
Artikel 21
Deze regeling wordt aangehaald als: Postregeling 2009.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 22 maart 2009.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
F. Heemskerk.
Bijlage 1
Op dienstverleningspunten met een volledig assortiment worden de
volgende diensten aangeboden:
a. postzegelverkoop en postzegelafdrukken;
b. de collectie van:
1°. brieven die elk afzonderlijk ten hoogste twee kilogram
wegen en die worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland
en voor postvervoer van en naar gebieden buiten Nederland;
2°. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste tien kilogram
wegen en worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland;
3°. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste twintig
kilogram wegen en die worden aangeboden voor postvervoer van en
naar gebieden buiten Nederland;
4°. aangetekende poststukken voor postvervoer binnen
Nederland en voor postvervoer van en naar gebieden buiten
Nederland;
5°. poststukken die in hoofdzaak tekst bevatten in voor
blinden bestemde tekens en die elk afzonderlijk ten hoogste
zeven kilogram wegen;
6°. poststukken met aangegeven waarde;
c. de distributie van:
1°. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste tien kilogram
wegen afkomstig uit Nederland;
2°. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste twintig
kilogram wegen afkomstig uit gebieden buiten Nederland;
3°. aangetekende poststukken voor postvervoer binnen
Nederland en voor postvervoer van en naar gebieden buiten
Nederland;
4°. poststukken met aangegeven waarde;
d. de uitreiking van het gerechtelijk schrijven, bedoeld in de
artikelen 585, tweede lid, en 587, eerste lid, van het Wetboek van
Strafvordering.
Bijlage 2
Op dienstverleningspunten met een nagenoeg volledig assortiment
worden ten minste de volgende diensten aangeboden:
a. postzegelverkoop en postzegelafdrukken;
b. de collectie van:
1°. brieven die elk afzonderlijk ten hoogste twee kilogram
wegen en die worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland
en voor postvervoer van en naar gebieden buiten Nederland;
2°. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste tien kilogram
wegen en worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland;
3°. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste twintig
kilogram wegen en die worden aangeboden voor postvervoer van en
naar gebieden buiten Nederland;
4°. aangetekende poststukken voor postvervoer binnen
Nederland;
5°. poststukken die in hoofdzaak tekst bevatten in voor
blinden bestemde tekens en die elk afzonderlijk zeven kilogram
wegen;
c. de distributie van:
1°. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste tien kilogram
wegen afkomstig uit Nederland;
2°. pakketten die elk afzonderlijk ten hoogste twintig
kilogram wegen afkomstig uit gebieden buiten Nederland.
|
|
|