| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Uitkeringswet gewezen
militairen
REGELING
INKOMSTEN UITKERINGSWET GEWEZEN MILITAIREN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Staatssecretaris van Defensie;
Gelet op artikel 5, vijfde lid, van de
Uitkeringswet gewezen militairen (Stb. 1966, 451);
Besluit:
Artikel 1
Voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Uitkeringswet
gewezen militairen, wordt onder inkomsten uit of in verband met arbeid
of bedrijf verstaan het onzuiver inkomen in de zin van artikel 4 van de
Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519), voor zover dat inkomen,
naar de normen van artikel 2 van deze regeling, betrekking heeft op
hetzelfde tijdvak als de uitkering waarmee moet worden verrekend en voor
zover het, met inachtneming van de overige artikelen van deze regeling,
bestaat uit:
a. hetgeen ingevolge het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk II,
Afdeling 2, van laatstgenoemde wet, als winst uit onderneming wordt
beschouwd en
b. hetgeen naast de uitkering ingevolge het bepaalde bij of
krachtens Afdeling 3 van dat Hoofdstuk tot de zuivere inkomsten uit
arbeid wordt gerekend.
Artikel 2
1. Het bedrag van de winst uit
onderneming wordt bepaald op de wijze en over het tijdvak als voor de
toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is voorgeschreven en
wordt geacht voor een evenredig deel betrekking te hebben op elke
kalendermaand die geheel of gedeeltelijk binnen dat tijdvak ligt.
Daarbij wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 20, tweede en
derde lid, van die wet, de winst van een niet met het kalenderjaar
samenvallend boekjaar beschouwd als winst van dat boekjaar.
2. De zuivere inkomsten uit arbeid hebben betrekking op de
kalendermaand waarin zij zijn ontvangen of ter beschikking gesteld, dan
wel vorderbaar, inbaar of rentedragend zijn geworden. Worden zij genoten
over een tijdvak dat dagen van meerdere kalendermaanden omvat dan hebben
zij, tenzij het tantièmes, gratificaties of, met uitzondering van het
vakantiegeld, andere beloningen betreft die in de regel slechts
éénmaal of éénmaal per jaar worden toegekend, in afwijking van het
voorgaande voor een evenredig deel betrekking op elk van die drie
maanden.
Artikel 3
Bij de vaststelling van de in artikel 1 omschreven inkomsten wordt:
a. elk inkomensbestanddeel van zowel de binnenlandse
belastingplichtige alsook de buitenlandse belastingplichtige geacht
binnen het Rijk te zijn verworven door een binnenlandse
belastingplichtige;
b. in afwijking van het gestelde in artikel 5 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 een inkomen of inkomensbestanddeel van een
belastingplichtige nimmer toegerekend aan dat van de
belastingplichtige echtgenoot of een andere belastingplichtige;
c. geen rekening gehouden met het bepaalde in artikel 37, lid 1,
sub b, van laatstgenoemde wet;
d. rekening gehouden met het bepaalde in de artikelen 42 en 43
van die wet;
e. een inhouding krachtens of overeenkomstig de Inhoudingswet
overheidspersoneel 1982 (Stb. 1981, 759) geacht niet te hebben
plaatsgevonden;
f. buiten beschouwing gelaten:
1e. de uitkering krachtens of overeenkomstig de Interimregeling
ziektekosten ambtenaren 1982 (Stb. 173);
2e. de door de werkgever op grond van artikel 15, tweede lid,
van de Ziekenfondswet (Stb. 1964, 392) of een overeenkomstige
regeling verschuldigde premie;
3e. op verzoek het overwerk uit dienstbetrekking, voor zover
dat het gevolg is van een extra inspanning die uitgaat boven het
normaal geldende aantal uren per week bij een volledige dagtaak en
voor zover dat in redelijke verhouding staat tot het normale week-
of maandloon;
4e. een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet;
5e. de onderhevelingstoeslag als bedoeld in de Wet
overhevelingstoeslag opslagpremies (Stb. 1989, 128).
Artikel 4
Ingeval sprake is van vermogensrechtelijke constructies en/of
oneigenlijke toerekening van inkomsten aan partners kunnen de inkomsten
op een zodanig niveau worden vastgesteld dat deze in redelijke
verhouding staan tot de feitelijk verrichte werkzaamheden.
Artikel 5
Een noodzakelijke omrekening in de Nederlandse muntsoort geschiedt
naar de door de minister van Financiën voor enige maand voorgeschreven
administratiekoers.
Artikel 6
De in artikel 5, vijfde lid, van de Uitkeringswet gewezen militairen
bedoelde termijn wordt gesteld op één jaar.
Artikel 7
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 1987 en wordt in de Staatscourant
geplaatst.
Artikel 8
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling inkomsten
Uitkeringswet gewezen militairen.
's-Gravenhage, 5 augustus 1987.
De Staatssecretaris voornoemd,
J. van Houwelingen.
|
|
|