BESLUIT van 21 april 1970, houdende uitvoering van
artikel 1, vierde lid, onderdeel b en c, van de
Visserijwet 1963
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 20 maart 1970,
nr. J 654, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken;
Gehoord het Produktschap voor Vis en
Visprodukten, het Visserijschap, het Bedrijfschap voor de Groothandel in
Vis en Aanverwante Bedrijven en de Algemeene Hengelaarsbond;
Gelet op artikel 1, vierde lid, onderdeel b
en c, van de Visserijwet 1963;
De Raad van State gehoord (advies van 8 april
1970, nr. 23);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Minister van 15 april 1970, nr. J 907, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Als zeegebied, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel b,
van de Visserijwet 1963 worden aangewezen:
1. de havens van IJmuiden en de toeleidingskanalen naar het
Noordzeekanaal tot de meest zeewaarts gelegen waterkeringen;
2. het Uitwateringskanaal te Katwijk tot de meest zeewaarts
gelegen waterkering;
3. de havens van Scheveningen tot de meest zeewaarts gelegen
waterkeringen.
Artikel 2
Als kustwater, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder c, van
de Visserijwet 1963, worden aangewezen:
1. de Waddenzee en het Nederlands gedeelte van de Dollard en de
Eems binnen de volgende grenzen:
a. voor de Westereems: de lijn gaande van de lichttoren van
Borkum naar de Emder- of Grote Kaap op Rottumeroog, voor zover die
lijn over Nederlands gebied loopt;
b. voor het Schild, de Lauwers, het Friesche Gat, het Pinkegat,
het Amelandergat, het Vlie, het Eierlandsche Gat en het Texelsche
Gat: de basislijn van de territoriale zee van Nederland.
2.
a. de Maasmond;
b. de Nieuwe Waterweg tot de lijn gaande van het oostelijk
havenhoofd van Maassluis naar het groene scheepvaartgeleidelicht
no. 14;
c. het Calandkanaal, met de daaraan gelegen open havens, tot
aan de meest zeewaarts gelegen waterkering;
d. het Beerkanaal met de daaraan gelegen open havens.
3. Het zeegat van Goeree, landwaarts van een lijn getrokken
tussen punt A (51°55'20"NB 03°59'23"OL) en punt B
(51°50'00"NB 03°50'01"OL) tot de meest zeewaarts gelegen
waterkeringen in het zuidwesten begrensd door de lijn getrokken
vanaf de vuurtoren Westhoofd op Goeree (51°48'50"NB
03°51'55"OL) in noordwestelijke richting (315° r.w.) tot punt
B.
4. Het Brouwershavense Gat, landwaarts van een lijn getrokken van
punt B tot punt C (51°44'48"NB 03°40'23"OL) tot de meest
zeewaarts gelegen waterkering, in het noordoosten begrensd door het
Zeegat van Goeree en in het zuidwesten door de lijn getrokken vanaf
de lichtopstand "De Verklikker" op Schouwen-Duiveland
(51°43'34"NB 03°42'23"OL) in noordwestelijke richting
(315° r.w.) tot punt C.
5. De Oosterschelde, landwaarts van een lijn getrokken van punt C
via punt D (51°42'36"NB 03°36'40"OL) naar de kerktoren
van de Nederlandse Hervormde kerk te Oostkapelle (51°33'59"NB
03°33'07"OL) tot de Grevelingendam, Philipsdam en Oesterdam.
6. De Westerschelde voor zover gelegen ten oosten van de
basislijn van de territoriale zee van Nederland.
7. De aan de onder 1 tot en met 6 bedoelde wateren gelegen open
havens en de met die wateren in open gemeenschap staande inhammen,
kreken, spranken, gaten en killen.
Artikel 3
Waar kustwateren in verbinding staan met wateren, bedoeld in artikel
1, vierde lid, onder d, van de Visserijwet 1963, geldt als grens:
a. waar geen open verbinding is, de waterkering, welke het
dichtst gelegen is bij het kustwater;
b. waar een open verbinding is, de lijn gaande over de
uitmonding, met dien verstande dat in de Nieuwe Waterweg als grens
geldt de lijn gaande van het oostelijk havenhoofd van Maassluis naar
het groene scheepvaartgeleidelicht No. 14.
Artikel 4
Ons besluit van 21 mei 1964 (Stb. 1964, 163) wordt
ingetrokken.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking op 1 mei 1970. Het kan worden
aangehaald als "Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren",
met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin het is
geplaatst.
Onze Minister van Landbouw en Visserij is
belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 21 april 1970
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
P.J. Lardinois
Uitgegeven de achtentwintigste april 1970
De Minister van Justitie,
C.H.F. Polak