| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Visserijwet 1963
REGELING
UITZET GRASKARPERS
Tekst zoals deze geldt op
28 april 2008
Vervallen
m.i.v. 1 januari 2009
|
|
|
De Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 17, eerste en derde lid, van
de Visserijwet 1963 (Stb. 1963, 312);
Gezien de adviezen van de
Natuurbeschermingsraad en de Raad voor de Binnenvisserij;
Besluit:
Artikel 1
De toestemming als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de
Visserijwet 1963 wordt verleend voor het uitzetten van de graskarper (Ctenopharyngodon
idella) onder de navolgende voorschriften en beperkingen.
Artikel 2
1. Het uitzetten van de graskarper is
slechts toegestaan:
a. met instemming van de eigenaar van het water waarin de
graskarper wordt uitgezet en
b. in een water voor zover dat:
1. niet in enige open verbinding staat met andere wateren dan wel
2. van andere wateren is gescheiden door een hekwerk, bestaande
uit een spijlenhek met een onderlinge afstand tussen de spijlen van
ten hoogste 3 cm of een gaashek, gegalvaniseerd en gelast met
vierkante mazen van ten hoogste 2.5 cm.
2. Het hekwerk bedoeld in het eerste lid, dient:
a. in bodem en talud te zijn ingegraven;
b. voorzien te zijn van een springflap van circa 50 cm schuin
omhoog geplaatst onder een hoek van ca. 45° in de richting van het
water waarin de graskarper wordt uitgezet en
c. met inbegrip van de onder b, bedoelde springflap bij de hoogste
waterstand ten minste 50 cm boven water uit te steken.
3. Het hekwerk dient aanwezig te blijven en in deugdelijke staat
te worden gehouden zolang de graskarper in het water dat met het hekwerk
wordt afgesloten, aanwezig is.
Artikel 3
De toestemming als bedoeld in artikel 1 geldt niet voor het uitzetten
van graskarpers in:
a. beken en rivieren;
b. wateren die geheel dan wel ten dele zijn gelegen in gebieden
als bedoeld in artikel 10, 10a en 12 van de Natuurbeschermingswet
1998;
c. wateren die geheel dan wel ten dele zijn gelegen op percelen
die als natuurgebied zijn aangewezen in een bestemmingsplan als
bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet op de
ruimtelijke ordening (Stb. 1985, 626), dat is goedgekeurd op
grond van artikel 28 van die wet.
Artikel 4
1. Van het voornemen graskarpers uit te
zetten, dient tevoren mededeling te worden gedaan aan de directie
Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
2. Deze mededeling wordt gedaan op een bij de Dienst Regelingen
verkrijgbaar formulier.
Artikel 5
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van haar
bekendmaking in de Staatscourant.
's-Gravenhage, 28 mei 1990.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
voor deze,
de secretaris-generaal,
T.H.J. Joustra.
|
|
|