| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Visserijwet 1963
REGLEMENT
VOOR DE BINNENVISSERIJ 1985
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 19 november 1997, houdende vaststelling
van het Reglement voor de binnenvisserij 1985
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 23 juli 1997, nr. J. 977964,
Directie Juridische Zaken;
Gelet op artikel 16 van de Visserijwet 1963;
De Raad van State gehoord (advies van 12
augustus 1997, nr. W11.97.0503);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 11 november 1997, nr. J. 9712264,
Directie Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. «boezemmaas»: nauwste maas bij meerwandige netten;
b. «maaswijdte»: lengte van de zonder bijzondere
krachtsinspanning tussen haar eindknopen gestrekte, doch niet gerekte
maas, nat gemeten, met dien verstande, dat bij meerwandige netten deze
meting wordt toegepast op de boezemmaas;
c. «fuik»: vistuig, bestaande uit om twee of meer hoepels
gespannen netwerk, voorzien van één of meer inkelingen, aan de
voorzijde al dan niet voorzien van één of twee vleugels;
d. «visfuik»: fuik waarvan het netwerk, met uitzondering van de
inkelingen, een maaswijdte heeft van tenminste 45 mm;
e. «aalfuik»: fuik waarvan het netwerk een maaswijdte heeft van
ten hoogste 35 mm;
f. «ankerkuil»: vistuig bestaande uit een trechtervormig net dat
aan de voorzijde wordt opengehouden door een rechthoekig raamwerk of
twee horizontale bomen, voorzien van een inkeling waarbij het gedeelte
achter de inkeling is opgehoepeld aan tenminste drie hoepels, welke
niet meer dan 1 m van elkaar verwijderd zijn, terwijl de zich achter
het opgehoepelde deel bevindende zak korter is dan 50 cm;
g. «aalkistje»: vistuig bestaande uit een langwerpige doos waarin
aan de uiteinden inkelingen zijn aangebracht, waarin tenminste in elke
inkeling één zuiver rond ringetje van metaal of enige andere niet
rekbare stof met een middellijn van een door Onze Minister tenminste
vastgestelde maat binnenwerks is aangebracht en, onderscheidenlijk of,
waarin in de zijwanden tenminste twee gaten met een middellijn van een
door Onze Minister tenminste vastgestelde maat binnenwerks zijn
aangebracht;
h. «aalhoekwant»: vistuig bestaande uit een lange lijn met
daaraan aan zijlijntjes bevestigde enkeltandige haken, waarvan de
kortste afstand tussen de punt en de steel tenminste 7 mm bedraagt;
i. «aaldogger»: vistuig bestaande uit een drijver met een daaraan
bevestigde lijn voorzien van één enkeltandige haak, waarvan de
kortste afstand tussen de punt en de steel tenminste 7 mm bedraagt;
j. «zegen»: vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene
bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen het netwerk met
een, al dan niet van een inkeling voorziene uitstulping of zak en
waarvan de aan de boven- en onderpees bevestigde lijnen een lengte van
ten hoogste 100 m hebben of, in geval de bovenpees langer is, niet
langer dan de lengte van de bovenpees;
k. «aalzegen»: zegen waarvan de bovenpees ten hoogste 40 m lengte
heeft en het netwerk een maaswijdte van ten hoogste 25 mm;
l. «aaskuil»: vistuig bestaande uit een trechtervormig net met in
de laatste 5 m een maaswijdte van ten hoogste 20 mm, aan de voorzijde
of bek voorzien van een van drijvers voorziene bovenpees en een
verzwaarde onderpees, niet voorzien van een inkeling en waarvan de
bovenpees ten hoogste 7 m lengte heeft;
m. «staand net»: vistuig bestaande uit een van drijvers voorziene
bovenpees en een verzwaarde onderpees met daartussen een één- of
meerwandig netwerk, hetwelk noch door de stroom noch door enigerlei
trekkracht wordt voortbewogen;
n. «gebbe»: vistuig bestaande uit een boom van tenminste 3 m
lengte met daaraan bevestigd een vork waartussen netwerk met een
maaswijdte van ten hoogste 25 mm is aangebracht;
o. «kruisnet»: vistuig bestaande uit een netwerk met een
maaswijdte van ten hoogste 25 mm dat op enigerlei wijze wordt
opengehouden en aan één centraal bevestigde lijn wordt opgehaald;
p. «electrovisapparaat»: vistuig bestaande uit één of twee
negatieve polen en één positieve pool waartussen met al of niet
pulserende gelijkstroom een spanningsverschil wordt opgewekt.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder
het IJsselmeer mede verstaan de daaraan gelegen open havens.
3. Waar het IJsselmeer in verbinding staat met andere
binnenwateren geldt als grens:
a. waar geen open verbinding is, de dichtst bij het IJsselmeer
gelegen waterkering;
b. waar een open verbinding is, de lijn gaande over de uitmonding,
met dien verstande dat de grensscheiding tussen het Gooi- en Eemmeer
en het IJsselmeer wordt gevormd door de as van de verkeersbrug nabij
Muiderberg en dat de grensscheiding tussen het Ketelmeer en het
IJsselmeer wordt gevormd door de as van de verkeersbrug nabij de
Zwolsche Hoek.
Artikel 2
1. Het is verboden te vissen met andere vistuigen dan de
volgende:
a. de hengel;
b. de peur;
c. het spieringtuig;
d. de visfuik;
e. de aalfuik;
f. de ankerkuil;
g. het aalkistje;
h. het aalhoekwant;
i. de aaldogger;
j. de zegen;
k. de aalzegen;
l. de aaskuil;
m. het staand net;
n. de gebbe;
o. het kruisnet;
p. het electrovisapparaat.
2. Het gebruik van een schepnet is slechts toegestaan om gevangen
vis op te scheppen, over te zetten of te vervoeren.
3. Het is verboden te vissen met een vistuig waarvan het netwerk
van metaal- of niet vervormend kunststofgaas is vervaardigd.
Artikel 3
1. Het is verboden te vissen met gebruikmaking van een
electrovisapparaat zonder vergunning van Onze Minister.
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt na overleg
met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid slechts verleend,
indien redelijkerwijze mag worden verwacht, dat geen bij de visserij in
het water of complex van wateren, waarin de electro-visserij zal worden
uitgeoefend, betrokken belangen van derden in aanmerkelijke mate zullen
worden geschaad en dat de veiligheid zal zijn verzekerd zowel van
degenen die het visapparaat zullen bedienen als van derden.
Artikel 4
1. Het is verboden met de volgende vistuigen te vissen, indien
de maaswijdte kleiner is dan het aantal millimeters, vermeld achter
het desbetreffende vistuig:
a. de aalzegen en het kruisnet: 20 mm
b. de ankerkuil: 25 mm
c. het staand net: 101 mm
2. Het is verboden met de aalfuik te vissen, indien de maaswijdte
kleiner is dan 20 mm tenzij in de buitenwand daarvan een aantal zuiver
ronde ringetjes van metaal of enige andere niet rekbare stof met een
middellijn van tenminste 13 mm binnenwerks zijn geplaatst binnen 20
mazen achter de aanhechting van de laatste inkeling of de laatste hoepel
aan de bovenzijde van de fuik. Dit aantal bedraagt bij 300 of minder
mazen opzet om de eerste hoepel achter de vleugels tenminste twee en bij
meer dan 300 mazen opzet om de eerste hoepel achter de vleugels
tenminste vier.
3. Het is verboden te vissen met een vistuig,, indien met
betrekking tot dat vistuig enige handeling is verricht of enig middel is
aangewend, waardoor het ontsnappen van vis kan worden bemoeilijkt of
belet.
Artikel 5
1. Het is verboden een vistuig door het water voort te trekken,
anders dan om in het water te brengen, te lichten, op te halen of
binnen te halen.
2. Het verbod geldt niet voor het vissen met:
a. de hengel;
b. de peur;
c. het spieringtuig;
d. de aaskuil in het IJsselmeer;
e. de zegen, mits deze is voorzien van een bovenpees van een lengte
van meer dan 100 m en wordt voortgetrokken met een snelheid van minder
dan 2 km/uur, gemeten ten opzichte van het water.
Artikel 6
1. Het is verboden te vissen van 1 april tot en met 31 mei met:
a. de hengel, voor zover geaasd met slachtproducten, worm, een dood
visje, een stukje vis of enig kunstaas met uitzondering van
kunstvliegen met een afmeting van ten hoogste 2,5 cm;
b. de visfuik;
c. de ankerkuil;
d. de zegen;
e. het staand net.
2. Het verbod geldt niet voor het vissen in de wateren van
Walcheren, Schouwen-Duiveland, Tholen en Noord-Beveland, in het kanaal
van Zuid-Beveland, in de Haven van Goes, in het Veerse Meer en het
Grevelingenmeer en in de met die meren in open gemeenschap staande
inhammen, kreken, spranken, killen en gaten.
3. Onze Minister kan het vissen verbieden in een of meer door hem
aan te wijzen wateren met één of meer door hem aan te wijzen vistuigen
gedurende het gehele jaar dan wel gedurende een nader te bepalen
gedeelte van het jaar. Daarbij kan worden afgeweken van het eerste lid.
Artikel 7
1. Het is verboden tussen twee uur na zonsondergang en één
uur voor zonsopgang te vissen.
2. Het verbod geldt niet:
a. voor het vissen met de hengel in de periode van 1 juni tot en
met 31 augustus in andere dan door Onze Minister aangewezen wateren;
b. voor het vissen met de peur, de ankerkuil, het aalkistje, het
aalhoekwant, de aaldogger en het kruisnet;
c. voor zover het betreft het te water hebben van de in artikel 2,
onderdelen d tot en met i en m genoemde vistuigen;
d. voor het vissen met de aalzegen in andere wateren dan het
IJsselmeer.
3. Voorts geldt het verbod niet voor het vissen in de wateren:
1°. de Rijn, de Maas en alle andere stromende wateren, welke met
de twee eerstgenoemde in open gemeenschap staan en daarvan water
afvoeren;
2°. de wateren gelegen in de Dordtsche en Brabantsche Biesbosch,
voor zover zij in open gemeenschap staan met enig in het eerste
onderdeel bedoeld water;
3°. de Hollandsche IJssel beneden de afdamming bij Gouda;
4°. de Donge, beneden de lijn, gaande van het punt van
samenvloeiing met de 's-Gravenmoersche Vaart, haaks over de stroom;
5°. het Oude Maasje en het Zuiderkanaal tot de Schutsluis in de
haven van Waalwijk en de daaraan gelegen open havens en de daarmee in
open gemeenschap staande inhammen, kreken, stranken, hanken, killen en
gaten beneden de volgende grenzen:
1°. in de Lek: de lijn gaande van de Waag te Ammerstol naar de
mond van Sluiskil, gelegen op de grens tussen de gemeenten
Groot-Ammers en Streefkerk;
2°. in de Merwede: de lijn gaande van de Waterpoort te
Woudrichem naar het zuidelijke uiteinde van de Kraaiweg onder Dalem;
3°. in de Bergsche Maas: de as van de brug westelijk van Heusden.
Artikel 8
1. Het is verboden te vissen in het IJsselmeer zonder voorzien
te zijn van een vergunning van Onze Minister geldende voor de
visserij, welke wordt uitgeoefend.
2. Het verbod geldt niet voor zover wordt gevist met ten hoogste
twee hengels en:
a. baars, onmiddellijk nadat deze is opgehaald weer in het water
wordt teruggezet met dien verstande, dat het elke visser is toegestaan
een hoeveelheid baars van ten hoogste 30 stuks voor eigen gebruik te
behouden;
b. snoekbaars, onmiddellijk nadat deze is opgehaald weer in het
water wordt teruggezet met dien verstande, dat het elke visser is
toegestaan een hoeveelheid snoekbaars van ten hoogste vijf stuks voor
eigen gebruik te behouden.
3. Het is verboden op of in de onmiddellijke nabijheid van het
IJsselmeer een hoeveelheid van meer dan 30 stuks baars dan wel vijf
stuks snoekbaars voorhanden of in voorraad te hebben dan wel te
vervoeren, indien niet kan worden aangetoond dat deze overeenkomstig het
bepaalde bij dit artikel is gevangen.
Artikel 9
1. Het is verboden met enig vistuig te vissen in de rivieren de
Neder-Rijn, de Maas, de Lek en de Overijsselsche Vecht:
a. binnen een afstand van 75 m stroomafwaarts van een stuw;
b. in een bij een stuw aangebrachte vispassage;
c. binnen een straal van 25 m voor de bovenmond van een bij een
stuw aangebrachte vispassage.
2. Het verbod geldt niet gedurende de tijden dat de stuw buiten
werking is gesteld.
Artikel 10
1. Het is verboden op of in de nabijheid van enig binnenwater
een of meer vistuigen voorhanden te hebben indien:
a. het gebruik daarvan in het betrokken water ingevolge het
bepaalde in de artikelen 2 tot en met 9 verboden is;
b. men niet bevoegd is daarmee te vissen;
c. men niet gerechtigd is in het betrokken water daarmee te vissen.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet, indien het
vistuig zodanig verpakt of in zodanige toestand is, dat dadelijk gebruik
daarvan niet mogelijk is.
3. Het is verboden op het IJsselmeer, anders dan in een haven,
vistuig aan boord van een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 te
hebben, indien het gebruik daarvan, ingevolge het bij of krachtens dit
besluit bepaalde, verboden is.
Artikel 10a
1. Een ieder die vis van de door Onze Minister aangewezen
soorten aanvoert, aan- of verkoopt of onder zich houdt, of die
bemiddeling verleent bij het veilen van die vis, is verplicht een
administratie te voeren en aan de Directeur Visserij van het
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij periodiek opgave te
doen van de hoeveelheden vis door hem aangevoerd, aan- of verkocht,
onder zich gehouden, dan wel aan hem ter veiling aangeboden.
2. Onze Minister stelt nadere regels ten aanzien van de eisen
waaraan de in het eerste lid bedoelde administratie dient te voldoen en
de wijze waarop de in dat lid bedoelde opgave dient te geschieden, en
kan voorschriften geven in het belang van de naleving van deze regels.
Artikel 10b
In het belang van de visserij is Onze Minister bevoegd regelen te
stellen ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of
van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde
verplichtingen of verleende bevoegdheden.
Artikel 11
Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van de
bepalingen bij of krachtens dit besluit.
Artikel 12
Aan vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen als bedoeld in de
vorige artikelen kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder
beperkingen worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden
ingetrokken.
Artikel 13
Na inwerkingtreding van dit besluit berusten de krachtens het
Reglement voor de binnenvisserij 1985 vastgestelde regels en andere
besluiten op dit besluit.
Artikel 14
Het Reglement voor de binnenvisserij 1985 wordt ingetrokken.
Artikel 15
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 16
Dit besluit wordt aangehaald als: Reglement voor de binnenvisserij
1985.
Artikel 17 [Vervallen per 17-12-1997]
Artikel 18 [Vervallen per 17-12-1997]
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 19 november 1997
BEATRIX
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
J.J. van Aartsen
Uitgegeven de zestiende december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|
|
|