| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Visserijwet 1963
REGLEMENT
VOOR DE KAMER VOOR DE BINNENVISSERIJ 1964
Tekst zoals deze geldt op
6 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 21 mei 1964, houdende uitvoering van
artikel 52, tweede lid, van de Visserijwet 1963
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers van Landbouw en Visserij a.i. van 10 maart
1964, nr. J. 642, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken
en van Justitie van 20 mei 1964, Stafafdeling Wetgeving, Privaatrecht,
nr. 163/664;
Gelet op artikel 52, tweede lid, van de
Visserijwet 1963;
De Raad van State gehoord (advies van 8 april
1964, nr. 68);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Ministers van 6 mei 1964, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken; nr. J. 1050;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1 [Vervallen per 25-01-1995]
Artikel 2
De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de leden, de
secretaris en de plaatsvervangende secretarissen van de Kamer voor de
Binnenvisserij zullen, alvorens in bediening te treden, de eed (belofte)
afleggen:
"Dat zij getrouw zullen zijn aan de Koning, en de Grondwet
zullen onderhouden en nakomen.
Dat zij, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of
voorwendsel, tot het verkrijgen hunner aanstelling aan iemand, wie hij
ook zij, iets hebben gegeven of beloofd, noch zullen geven of beloven.
Dat zij nimmer enige giften of geschenken zullen aannemen of
ontvangen van enig persoon, welke zij weten of vermoeden enige zaak te
hebben of te zullen krijgen, in welke hun ambtsverrichtingen zouden
kunnen te pas komen.
Dat zij zich noch directelijk of indirectelijk over enige door hen
behandelde aangelegenheid, of die zij weten of vermoeden, dat door hen
behandeld zal worden, in enig bijzonder onderhoud of gesprek zullen
inlaten met partijen of derzelver advocaten of gemachtigden, noch
daarover enige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen zullen
aannemen.
Dat zij voorts hun posten met eerlijkheid, nauwgezetheid en
onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zullen waarnemen en zich in
de uitoefening van hun bediening gedragen zoals brave en eerlijke
ambtenaren betaamt".
Artikel 3
1. De eed (belofte), voorgeschreven bij het voorgaande artikel, zal
door de voorzitter van de Kamer worden afgelegd ten overstaan van de
rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van de rechtbank te
's-Gravenhage.
2. Artikel 9a, tweede lid, van het Besluit rechtspositie
rechterlijke ambtenaren is van overeenkomstige toepassing.
3. Van het afleggen van de eed (belofte) wordt een akte opgemaakt.
4. De griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage houdt een register
bij, waarin hij inschrijft het Koninklijke besluit, bevattende de
benoeming van de voorzitter, voornoemd, benevens de akte van de door
hem afgelegde eed (belofte).
5. De voorzitter, voornoemd, ontvangt kosteloos een uittreksel uit
het register, de akte van de door hem afgelegde eed (belofte)
bevattende.
Artikel 4
1. De plaatsvervangend voorzitter, de leden, de secretaris en de
plaatsvervangende secretarissen van de Kamer leggen de eed (belofte),
voorgeschreven bij artikel 2, af in handen van de voorzitter, in een
zitting van de Kamer.
2. Van het afleggen van de eed (belofte) wordt een akte opgemaakt.
3. De secretaris van de Kamer houdt een register bij, waarin hij
inschrijft de Koninklijke besluiten, bevattende de benoeming van de in
lid 1 bedoelde ambtenaren benevens de akten van de door hen afgelegde
eden (beloften).
Artikel 5
1. De secretaris is verplicht de voorzitter, de plaatsvervangend
voorzitter en de leden bij te staan in de gevallen, waarin zulks is
vereist.
2. De secretaris is belast met het beheer der secretarie en met het
bewaren der registers, stukken, wetten, besluiten en boekwerken, bij
de Kamer in gebruik.
Artikel 6
De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de leden ontvangen
van de secretaris de nodige kennisgeving van de zittingen en andere
bijeenkomsten, waarbij zij tegenwoordig moeten zijn.
Artikel 7
1. De secretaris houdt nauwkeurig boek van hetgeen door hem is
ontvangen en uitgegeven.
2. Onze Minister is bevoegd de zorg voor deze boekhouding en het
geldelijk beheer over te dragen aan een ter secretarie werkzame
ambtenaar, die in dat geval tot comptabele wordt benoemd.
Artikel 8
Betreffende zaken aan de behandeling waarvan zij deelnemen, kunnen de
voorzitter, de secretaris en hun plaatsvervangers, alsmede de leden, de
stukken ter secretarie berustende, te hunnen huize ontvangen, tegen
ontvangstbewijs.
Artikel 9
Uitgezonderd de zaterdag en de zondag en de dagen, genoemd in artikel
10, tweede lid, is de secretarie geopend gedurende ten minste zes uren
per dag.
Artikel 10
1. De Kamer houdt zitting in haar enkelvoudige afdeling en in haar
meervoudige afdelingen, zo dikwijls daaraan behoefte bestaat.
2. De Kamer houdt geen zitting op Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, de
Christelijke tweede Paas- en Pinksterdagen, de beide Kerstdagen,
Hemelvaartsdag en op de verjaardag van de Koning.
Artikel 11 [Vervallen per 25-01-1995]
Artikel 12
1. Door de enkelvoudige afdeling van de Kamer worden behandeld:
a. alle aanvragen tot het verkrijgen van toestemming van de
Kamer als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Visserijwet
1963;
b. alle verzoeken om goedkeuring van een overeenkomst van huur
en verhuur van visrecht door de Kamer als bedoeld in artikel 26,
eerste lid, van de Visserijwet 1963, behoudens voor zover het
betreft overeenkomsten ten aanzien van wateren waarvoor in de
direct voorafgaande periode geen zodanige overeenkomst is gesloten
en de huurder van het visrecht niet reeds visrechten heeft in
aangrenzende wateren;
c. alle verzoeken tot het verlengen van overeenkomsten als
bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de Visserijwet 1963,
behoudens voor zover de verhuurder, daartoe uitgenodigd door de
voorzitter, kenbaar heeft gemaakt de overeenkomst niet te willen
voortzetten.
2. De enkelvoudige afdeling van de Kamer is te allen tijde bevoegd,
indien het belang der zaak dit naar haar oordeel vordert, deze naar
een meervoudige afdeling, bedoeld in artikel 13, te verwijzen.
Artikel 13
Een meervoudige afdeling van de Kamer, samengesteld door de
voorzitter van de Kamer en bestaande uit de voorzitter en vier leden,
behandelt aanvragen en verzoeken als bedoeld in artikel 12, die door de
enkelvoudige afdeling van de Kamer naar haar zijn verwezen, zomede alle
andere verzoeken tot afhandeling waarvan de enkelvoudige afdeling van de
Kamer niet bevoegd is.
Artikel 14
1. De voorzitter stelt vast welke zaken op de zitting zullen worden
behandeld, alsmede haar volgorde.
Hij doet de oproep ter zitting ten minste vijf dagen tevoren
uitgaan.
2. De secretaris brengt de zaken op een rol.
Artikel 15
De voorzitter handhaaft de orde op de zitting; hij verleent het
woord, geeft partijen gelegenheid haar standpunt toe te lichten en
vraagt haar en andere belanghebbenden de nodige inlichtingen.
Artikel 16
Voor zover de Kamer partijen en andere belanghebbenden heeft
opgeroepen ter zitting, is die zitting openbaar.
Artikel 17
1. De Kamer kan getuigen en deskundigen oproepen; zij worden door
de voorzitter verhoord.
2. Niet door de Kamer opgeroepen aanwezige getuigen en deskundigen
worden op verzoek van partijen verhoord, voor zover de Kamer hun
verhoor dienstig oordeelt.
3. De leden van de Kamer en de secretaris hebben het recht, met
verlof van de voorzitter, aan getuigen en deskundigen vragen te
stellen.
4. Partijen kunnen de voorzitter verzoeken de door hen opgegeven
vragen te stellen.
Artikel 18
Getuigen en deskundigen ontvangen desverlangd ten laste van het Rijk,
onderscheidenlijk - zo zij niet door de Kamer zijn opgeroepen - ten
laste van degene, die hen heeft voorgebracht, schadevergoeding, waarvan
het bedrag door de voorzitter wordt begroot overeenkomstig het bij en
krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde.
Artikel 19
De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de leden, de
secretaris en de plaatsvervangende secretarissen van de Kamer zullen
zich in tegenwoordigheid van partij en belanghebbenden onthouden van
uitingen, waarin zij van hun persoonlijke gevoelens ten opzichte van de
aanhangige zaak of het standpunt van één der partijen doen blijken.
Artikel 20
De Kamer beraadslaagt en beslist buiten tegenwoordigheid van partijen
en belanghebbenden.
Artikel 21
De voorzitter is te allen tijde bevoegd de zitting te schorsen,
wanneer zulks ter beraadslaging of om enige andere reden wenselijk is.
Artikel 22
Van de beslissingen van de enkelvoudige afdeling en de meervoudige
afdelingen van de Kamer worden ter secretarie lijsten bijgehouden ter
inzage voor de voorzitter en leden.
Artikel 23
1. De voorzitter en de leden van de Kamer kunnen worden gewraakt in
de gevallen, omschreven in de Vierde Afdeling van de Eerste Titel van
het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Indien niet in de wraking wordt berust, beslist de Kamer, na onderzoek
van de redenen van wraking, of deze al dan niet wordt toegestaan.
2. Ieder lid van de Kamer, die weet, dat er enige reden van wraking
tegen hem bestaat, is gehouden deze aan de Kamer op te geven.
Artikel 24
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip, waarop de Visserijwet
1963 in werking treedt.
Het kan worden aangehaald als "Reglement voor de Kamer voor de
Binnenvisserij" met vermelding van het jaartal van het Staatsblad
waarin het is geplaatst.
Onze Ministers van Landbouw en Visserij en
van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 21 mei 1964
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
B.W. Biesheuvel
De Minister van Justitie,
Y. Scholten
Uitgegeven de achtentwintigste mei 1964
De Minister van Justitie a.i.,
E.H. Toxopeus
|
|
|