| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Visserijwet 1963
REGLEMENT
ZEE- EN KUSTVISSERIJ 1977
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 25 november 1977, houdende bepalingen
omtrent de uitoefening van de zee- en kustvisserij
WIJ JULIANA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Landbouw en Visserij van 28 juli 1977,
nr. J2139, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, na
overleg met het Produktschap voor Vis en Visprodukten, het
Visserijschap, het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en
Aanverwante Bedrijven en de Nederlandse Vereniging van
Sportvissersfederaties;
Gelet op de artikelen 2, 3a, 4 en 9 van
de Visserijwet 1963 (Stb. 1963, 312);
De Raad van State gehoord (advies van 14
september 1977, nr. 19);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Minister van 22 november 1977, nr. J3192, Directie Juridische en
Bedrijfsorganisatorische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
vissersvaartuig: vaartuig als bedoeld in artikel 3, onderdeel c,
van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van de Europese Unie
van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame
exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk
visserijbeleid (PbEG L 358) dat:
a. overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringswet
Visserijverdrag 1967 als Nederlands geldt en
b. overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens het Besluit
registratie vissersvaartuigen 1998 staat geregistreerd;
wet: Visserijwet 1963
ondernemer: degene te wiens naam het vissersvaartuig in het
visserijregister, bedoeld in het Besluit registratie vissersvaartuigen
1998 is geregistreerd;
motorvermogen: maximaal continue-vermogen zonder aftrek van door de
motor aangedreven hulpmachines, uitgedrukt in kW, dat de hoofdmotor of
hoofdmotoren zonder overbelasting kan respectievelijk, kunnen leveren,
en dat mechanisch, elektrisch, hydraulisch of anderszins kan worden
aangewend voor de voortstuwing van het vaartuig, zoals is vastgesteld
door de Inspectie Verkeer en Waterstaat ingevolge het
Vissersvaartuigenbesluit of het Vissersvaartuigenbesluit 2002, of in
voorkomend geval blijkt uit een verklaring inzake het maximaal
continue-vermogen, opgesteld door de fabrikant of de leverancier;
boomkor: vistuig dat bestaat uit één net dat is bevestigd aan en
in horizontale richting wordt opengehouden door een constructie
bestaande uit een boom die ten minste aan elk der uiteinden voorzien
is van een slede of een slof, dan wel een soortgelijke constructie
waarmee een net in horizontale richting wordt opengehouden;
maaswijdte: wijdte van de maas gemeten overeenkomstig het bepaalde
in verordening (EG) nr. 517/2008 van de Commissie van 10 juni 2008
houdende uitvoeringsbepalingen inzake de bepaling van de maaswijdte en
de twijndikte van visnetten (PbEG L 151).
tonnage: tonnage gemeten overeenkomstig het bepaalde bij en
krachtens de Meetbrievenwet 1981 (Stb. 122);
investeringsverplichting: rechtens afdwingbare verplichting die is
aangegaan voor de bouw van een vaartuig bestemd voor de bedrijfsmatige
uitoefening van de visserij en die is vastgelegd in een schriftelijke
overeenkomst.
2.Voor de toepassing van het bepaalde in dit besluit heeft het
aanlanden plaats op het tijdstip waarop het vissersvaartuig vaste
verbinding met de wal heeft gekregen.
Artikel 2
Tenzij anders is bepaald is dit besluit van toepassing op de visserij
in de wateren bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel b en c, van de
wet.
Artikel 3
1.In het belang van de visserij is Onze Minister bevoegd regelen te
stellen:
a. ter uitvoering van op grond van internationale
overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties
opgelegde verplichtingen of verleende bevoegdheden;
b. ter verzekering van de instandhouding dan wel uitbreiding
van de visvoorraden.
2.Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b,
a. kan, voor zover de regelen betrekking hebben op de visserij
in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel b, van
de wet, mede rekening worden gehouden met de belangen van de
natuurbescherming;
b. wordt, voor zover de regelen betrekking hebben op de
visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid,
onderdeel c, van de wet, mede rekening gehouden met de belangen
van de natuurbescherming.
3.De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op
de visserij op alle dan wel bepaalde door Onze Minister aan te wijzen
vissoorten.
4.Onze Minister kan voorschriften geven ter naleving van de in het
eerste lid bedoelde regelen.
Artikel 4
1.De in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde regelen
kunnen betrekking hebben op:
a. het instellen van gesloten gebieden;
b. het vissen in bepaalde tijdvakken;
c. de omvang van de door de gezamenlijke Nederlandse vissers te
vangen hoeveelheden vis en de verdeling daarvan onder de
Nederlandse vissers;
d. de lengtemaat van vis;
e. het vissen met bepaalde vistuigen;
f. het voorhanden hebben van bepaalde vistuigen in bepaalde
wateren;
g. de maaswijdte van visnetten en de wijze van vaststelling
daarvan;
h. het motorvermogen, de lengte en het tonnage van
vissersvaartuigen;
i. het uitzaaien of uitzetten van schelpdieren van de krachtens
artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de wet aangewezen soorten.
2.Indien de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde
regelen een verbod tot het verrichten van bepaalde handelingen
inhouden, kan worden bepaald, dat het verbod niet geldt voor degene,
die voorzien is van een vergunning van Onze Minister.
3.Aan een vergunning, als bedoeld in het vorige lid, kunnen
voorschriften worden verbonden. Zij kan onder beperkingen worden
verleend. Zij kan worden ingetrokken.
4.Tenzij het algemeen belang zich naar zijn oordeel daartegen
verzet, stelt Onze Minister een regeling als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, aanhef en onder b, niet vast dan nadat hij met de daarbij
in belangrijke mate betrokken produkt- en bedrijfschappen zomede de
naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende organisaties van
sportvissers overleg heeft gepleegd.
Artikel 5
1.Degenen die vis van een aanvoerder betrekken en zij, die hun
bemiddeling verlenen bij het veilen van vis, zijn verplicht een
administratie te voeren en aan Onze Minister periodiek opgave te doen
van de hoeveelheden vis behorende tot door Onze Minister aan te wijzen
vissoorten door hen van een aanvoerder betrokken onderscheidenlijk aan
hen ter veiling aangeboden.
2.Onze Minister stelt regelen ten aanzien van de eisen, waaraan de
in het eerste lid bedoelde administratie dient te voldoen en ten
aanzien van de wijze waarop de aldaar bedoelde opgave dient te
geschieden.
Artikel 6
Tot uitvoering van het bepaalde krachtens dit besluit kan Onze
Minister de medewerking van het Productschap Vis vorderen. De te
vorderen medewerking kan betrekking hebben op door het Productschap bij
verordening nader te stellen regelen.
Artikel 6a
1.Het is verboden met een vissersvaartuig met een motorvermogen van
meer dan 1471 kW uit te varen, de visserij uit te oefenen of vis aan
te landen.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op:
a. een vissersvaartuig met een motorvermogen van meer dan 1471
kW dat op de dag van inwerkingtreding van de Tijdelijke regeling
beperking capaciteit vissersvaartuigen (Stcrt. 1987, 184) staat
geregistreerd in het centraal visserijregister, voor zolang nog
geen 20 jaren zijn verstreken nadat het vissersvaartuig voor de
eerste maal in het centraal visserijregister is geregistreerd en
het motorvermogen sinds de dag van inwerkingtreding van de
Tijdelijke regeling beperking capaciteit vissersvaartuigen niet is
toegenomen;
b. een vissersvaartuig met een motorvermogen van meer dan 1471
kW, waarvoor vóór 25 februari 1987 een investeringsverplichting
is aangegaan, en waarvan:
1°. de kiel vóór 25 september 1987 is gelegd of
2°. de aanbouw, herkenbaar als behorend tot een bepaald
vissersvaartuig vóór 25 september 1987 is aangevangen en
voor deze datum is aangevangen met de samenbouw die ten minste
50.000 kg moet omvatten of één percent van de geschatte
massa van al het bouwmateriaal, welke van deze twee waarden de
laagste is,
en dat vóór 25 februari 1990 in gebruik is genomen, voor
zolang nog geen 20 jaren zijn verstreken nadat het vissersvaartuig
voor de eerste maal in het centraal visserijregister is
geregistreerd;
c. een vissersvaartuig met een brutotonnage van meer dan 1.200
BT waarmee de pelagische visserij wordt uitgeoefend.
3.Onze Minister kan nadere regelen stellen voor een goede werking
van het bepaalde in het eerste en tweede lid.
Artikel 6b
1.Aan de ondernemer kan een naar billijkheid te bepalen
schadevergoeding worden toegekend in het geval dat:
a. het in de licentie vermelde motorvermogen hoger is dan 1471
kW en de licentie voor dat gedeelte niet meer geldig is op grond
van artikel 7a, aanhef en onderdeel b, van de Beschikking
visserijlicentie (Stcrt. 1984, 253), voor zover dat gedeelte
vóór 25 februari 1987 door aankoop is verkregen, ten hoogste tot
het aankoopbedrag daarvan;
b. de ondernemer als rechtstreeks gevolg van het verbod van
artikel 3 een met een scheepswerf aangegane
investeringsverplichting voor de bouw van een vissersvaartuig met
een motorvermogen van meer dan 1471 kW, en waarvan:
1°. de kiel op 25 september 1987 nog niet is gelegd of
2°. de aanbouw, herkenbaar als behorend tot een bepaald
vissersvaartuig op 25 september 1987 nog niet is aangevangen
en op deze datum nog niet is aangevangen met de samenbouw die
ten minste 50.000 kg omvat of één percent van de geschatte
massa van al het bouwmateriaal, welke van deze twee waarden de
laagste is,
wijzigt en daardoor voor hem jegens die scheepswerf een rechtens
afdwingbare verplichting ontstaat.
2.Om voor een schadevergoeding in aanmerking te komen in het geval
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dient de ondernemer een
daartoe strekkend schriftelijk verzoek bij de minister in, binnen twee
maanden nadat de licentie op grond van artikel 7a, aanhef en onderdeel
b, van de Beschikking visserijlicentie gedeeltelijk niet meer geldig
is, onder overlegging van de aankoopbewijzen of eventuele andere
bewijsstukken.
3.Om voor een schadevergoeding in aanmerking te komen in het geval
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dient de ondernemer een
daartoe strekkend verzoek, onder overlegging van bewijsstukken, bij de
minister vóór 25 november 1987 te hebben ingediend.
Artikel 6c
1.Het is verboden met enig ander vaartuig dan een vissersvaartuig
de visserij met de boomkor uit te oefenen dan wel zodanig vistuig aan
boord van enig ander vaartuig dan een vissersvaartuig aanwezig te
hebben.
2.Het is verboden met een vissersvaartuig de visserij met de
boomkor uit te oefenen dan wel een boomkor aan boord van een
vissersvaartuig te hebben indien de boomkor:
a. gemeten tussen de uiteinden van de constructie meer dan 12
meter lang is
b. kan worden uitgeschoven of vergroot tot een lengte van meer
dan 12 meter of
c. voorzien is van elektroden of ander materiaal waarmee
elektrovisserij kan worden uitgeoefend.
3.Het is verboden met een vissersvaartuig de visserij uit te
oefenen met:
a. meer dan twee boomkorren of
b. één of twee boomkorren tezamen met enig ander vistuig.
4.Het is verboden aan boord van een vissersvaartuig meer dan twee
boomkorren te hebben.
Artikel 6d
1.Onze Minister kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het
bepaalde bij of krachtens dit besluit.
2.Aan vrijstellingen en ontheffingen als bedoeld in het eerste lid
kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen
worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 7
Het Reglement zeevisserij 1971 (Stb. 284), het Reglement voor
de visserijzone 1970 (Stb. 174) en het Reglement voor de
kustvisserij 1970 (Stb. 177) worden ingetrokken.
Artikel 8
1.Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1978.
2.Het kan worden aangehaald als: Reglement zee- en kustvisserij
1977.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 25 november 1977
JULIANA
De Minister van Landbouw en Visserij,
Van der Stee
Uitgegeven de drieëntwintigste december 1977
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|
|
|