|
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij;
Gelet op Verordening (EG) nr. 850/98 van de
Raad van de Europese Unie van 30 maart 1998 voor de instandhouding van
de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge
exemplaren van mariene organismen (PbEG L 125) en artikel 3,
eerste lid, aanhef en onder a, van het Reglement zee- en
kustvisserij 1977;
Besluit:
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
a. minister:
de Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie;
b. verordening nr. 850/98:
Verordening (EG) nr. 850/98 van de
Raad van de Europese Unie van 30 maart 1998 voor instandhouding van
de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van
jonge exemplaren van mariene organismen (PbEG L 125);
c. verordening nr. 894/97:
Verordening (EG) nr. 894/97 van de
Raad van de Europese Unie van 29 april 1997 houdende technische
maatregelen voor de instandhouding van visbestanden (PbEG L 132);
d. verordening nr. 1224/2009:
Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de
Raad van de Europese Unie van 20 november 2009 tot vaststelling van
een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van
het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging
van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr.
811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005,
(EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr.
1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking
van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr.
1966/2006 (PbEU L 343);
e. verordening nr. 2244/2003:
Verordening (EG) nr. 2244/2003 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 december 2003 tot
vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake satellietvolgsystemen
(VMS) (PbEU L 333);
f. mariene organismen:
alle mariene vis, met inbegrip van
anadrome en katadrome soorten tijdens hun mariene levensduur,
schaal-, schelp- en weekdieren en delen daarvan;
g. ondermaatse mariene organismen:
mariene organismen die kleiner zijn
dan de minimummaat die in bijlage XII van verordening nr. 850/98
voor de betrokken soort en de betrokken geografische zone is
vastgesteld, met dien verstande dat voor het kalenderjaar 2000 in
afwijking van die bijlage de minimummaat voor schol 27 centimeter
bedraagt en voor tonijn 6,4 kilogram of 70 centimeter bedraagt;
h. verordening nr. 1386/2007:
Verordening (EG) nr. 1386/2007 van de
Raad van de Europese Unie van 22 oktober 2007 tot vaststelling van
instandhoudings- en handhavingsmaatregelen in het gereglementeerde
gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van
de Atlantische Oceaan (PbEU L 318);
i. verordening nr. 1627/94:
Verordening (EG) nr. 1627/94 van de
Raad van de Europese Unie van 27 juni 1994 tot vaststelling van
algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten (PbEG L 171);
j. verordening nr. 812/2004:
Verordening (EG) nr. 812/2004 van de
Raad van de Europese Unie van 26 april 2004 tot vaststelling van
maatregelen betreffende de incidentele vangsten van walvisachtigen
bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98 (PbEU
L 150);
k. verordening nr. 1936/2001:
Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de
Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 tot vaststelling van
technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over
grote afstanden trekkende visbestanden (PbEU L 263);
l. verordening inzake
vangstmogelijkheden:
Verordening van 14 december 2010 van
de Raad van de Europese Unie tot vaststelling, voor 2011, van de
vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen
visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in
andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn;
m. vissersvaartuig van een derde land:
vaartuig als bedoeld in artikel 28
bis van verordening nr. 2847/93;
n. verordening nr. 1006/2008:
verordening (EG) nr. 1006/2008 van de
Raad van de Europese Unie van 29 september 2008 betreffende
machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire
vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van
vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren, en
houdende wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr.
1627/94 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94 (PbEG
L 286);
o. verordening nr. 43/2009:
verordening nr. 43/2009 van 16
januari 2009 van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling, voor
2009, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en
groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor
vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met
vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de
bij de visserij in acht te nemen voorschriften (PbEU L 22);
p. verordening nr. 1342/2008:
Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de
Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 tot vaststelling van
een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van
deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004
(PbEU L 348).
2. Onder ’ICES-deelgebied IV’ en
’Noordzee’ als bedoeld in verordening nr. 850/98 worden mede
begrepen de in het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970
genoemde wateren.
Artikel 2
1. Het is verboden:
a. sleepnetten of combinaties van
sleepnetten van verschillende maaswijdteklassen aan boord te
hebben of te gebruiken:
– in de gevallen genoemd in
artikel 4, tweede lid, van verordening nr. 850/98, en
– voor zover het betreft het
Skagerrak en het Kattegat, bedoeld in artikel 2, vierde lid,
van verordening nr. 850/98, tevens in de gevallen genoemd in
onderdeel 2 van bijlage III van verordening nr. 43/2009.
b. mariene organismen aan te
voeren, indien tijdens de visreis gebruik is gemaakt van
combinaties van sleepnetten van meer dan één maaswijdte, in de
gevallen genoemd in artikel 4, vierde lid, van verordening nr.
850/98.
2. De doelsoorten, het percentage
doelsoorten en andere soorten worden vastgesteld:
– overeenkomstig artikel 4,
eerste en vijfde lid, van verordening nr. 850/98, en
– voor zover het betreft het
Skagerrak en Kattegat, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van
verordening nr. 850/98, tevens overeenkomstig onderdeel 2 van
bijlage III van de verordening nr. 43/2009.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op dreggen in de gevallen genoemd in artikel 10 van
verordening nr. 850/98.
4. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, is het verboden sleepnetten, behorend tot de
vistuigcategorie TR1 of TR2, bedoeld in bijlage I, onderdeel 1, onder
a, van verordening nr. 1342/2008 of combinaties van tot die
vistuigcategorie behorende sleepnetten van verschillende
maaswijdteklassen aan boord te hebben of te gebruiken in de
geografische gebieden die behoren tot de groep geografische gebieden,
bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, onder b, van verordening nr.
1342/2008, tenzij de netten:
a. indien het TR1 betreft:
i. een maaswijdte hebben van
130 millimeter of meer;
ii. een maaswijdte hebben van
120 millimeter tot 130 millimeter en zijn voorzien van een
paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 90
millimeter; of
iii. een maaswijdte hebben van
100 millimeter tot 120 millimeter en zijn voorzien van een
paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 100
millimeter of meer, voor zover ten hoogste 20% van het gewicht
van de totale vangst uit kabeljauw bestaat; dan wel
b. indien het TR2 betreft:
i. een maaswijdte hebben van 70
millimeter tot 100 millimeter en zijn voorzien van een paneel
met vierkante mazen met een maaswijdte van 120 millimeter of
meer en met een minimum lengte van 3 meter of van een paneel
met vierkante mazen met een maaswijdte van 130 millimeter in
de tunnel, waarvan de achterste rij mazen zich ten hoogste 12
meter van de pooklijn bevindt; of
ii. een maaswijdte hebben van
70 millimeter tot 100 millimeter en ten minste 15 grote mazen
van 150 millimeter of meer in de bovenkap hebben en zijn
voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte
van 90 millimeter, voor zover ten hoogste 20% van het gewicht
van de totale vangst uit kabeljauw bestaat.
5. Ten aanzien van de in het vierde lid
bedoelde panelen is overigens voldaan aan artikel 7, tweede en derde
lid, van verordening nr. 850/98.
6. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel b, is het verboden mariene organismen aan te voeren, indien
tijdens de visreis in de in het vierde lid bedoelde geografische
gebieden gebruik is gemaakt van in het vierde lid bedoelde sleepnetten
of combinaties van sleepnetten die niet voldoen aan het vierde lid.
Artikel 2a
1.Het is verboden om bij het vissen in
de Ierse zee de vistuigen genoemd in artikel 2 van verordening (EG)
nr. 2549/2000 van de Raad van de Europese Unie van 17 november 2000
tot vaststelling van aanvullende technische maatregelen voor het
herstel van het kabeljauwbestand in de Ierse zee (ICES-sector VIIa) (PbEG
L 292) aan boord te hebben of te gebruiken.
2.In de gebieden, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van Verordening (EG) nr. 254/2002 van de Raad van Europese
Unie van 12 februari 2002 tot vaststelling van maatregelen voor 2002
voor het herstel van het kabeljauwbestand in de Ierse Zee (ICES-sector
VIIa) (PbEG L 41), is het verboden in strijd te handelen met de
artikelen 3 en 4 van die verordening.
Artikel 2b
Het is verboden te handelen in strijd met
artikel 49, eerste lid, van verordening nr. 1224/2009.
Artikel 3
1.Het is verboden:
a. bodemtrawls, Deense zegennetten
of soortgelijk gesleept tuig aan boord te hebben of te gebruiken,
in de gevallen genoemd in artikel 6, 7, 8 en 9 van verordening nr.
850/98;
b. verankerde kieuwnetten,
warnetten of schakels aan boord te hebben of te gebruiken, in de
gevallen genoemd in artikel 11, eerste lid, en 13 van verordening
nr. 850/98, met inachtneming van artikel 11, tweede lid, en 12 van
die verordening;
c. boomkorren aan boord te hebben
of te gebruiken, in de gevallen genoemd in artikel 30, eerste en
tweede lid, en 34 van verordening nr. 850/98;
d. demersale bordentrawls,
demersale spannetten of Deens zegennetten aan boord te hebben of
te gebruiken, in de gevallen genoemd in artikel 30, derde lid, van
verordening nr. 850/98;
e. pelagische trawls of ringzegens
aan boord te hebben, in de gevallen genoemd in artikel 23, tweede
lid, van verordening nr. 850/98;
f. voorzieningen aan netten aan te
brengen die de mazen in enig deel van het net kunnen versperren of
de feitelijke afmetingen daarvan kunnen verkleinen, tenzij dit is
toegestaan op grond van artikel 16 van verordening nr. 850/98.
2.Indien er geen logboek behoeft te
worden bijhouden overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 2847/93,
is het verboden te vissen in meer dan één van gebieden of
geografische zones, genoemd in bijlage I tot en met V van verordening
nr. 850/98, tenzij er slechts gebruik wordt gemaakt van sleepnetten
met een maaswijdte van maximaal 100 mm.
Artikel 4
1.Het is verboden met een vaartuig met
een lengte over alles van meer dan acht meter bodemtrawls, Deense
zegennetten of soortgelijk gesleept tuig te gebruiken in de
geografische zones, genoemd in artikel 29, eerste lid, van verordening
nr. 850/98.
2.Het verbod van het eerste lid is niet
van toepassing:
a. op vissersvaartuigen waarvoor
een speciaal visdocument is afgegeven overeenkomstig artikel 7,
derde lid, van Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van de
Europese Unie van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene
bepalingen inzake speciale visdocumenten (PbEG L171), die voldoen
aan de bepalingen van artikel 29, tweede lid, of derde lid, van
verordening nr. 850/98.
b. op vissersvaartuigen die met
demersale bordentrawls of demersale spannetten vissen in de
gevallen genoemd in artikel 29, vierde lid, van verordening nr.
850/98;
c. op Nederlandse vissersvaartuigen
waarmee met niet-bodemberoerende sleepvistuigen, waarvan de
maaswijdte gelijk is aan of groter is dan 16 mm, in de Waddenzee
als omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Besluit
aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 op spiering wordt gevist
en waarvan de vangst aan boord voor tenminste 70% uit spiering
bestaat.
3.Het is verboden boomkorren,
bordentrawls of bodemspannetten aan boord te houden, in de gevallen
genoemd in artikel 29, vijfde lid, van verordening nr. 850/98.
4.Een speciaal visdocument als bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a, wordt ingetrokken indien de
visserijactiviteiten van een vissersvaartuig definitief worden
beëindigd als bedoeld in artikel 7 van verordening (EG) nr. 2792/1999
van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de
uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de
Gemeenschap in de visserijsector (PbEG L 337) en ten aanzien van de
beëindiging door de minister of door de Commissie van de Europese
Gemeenschappen subsidie is verleend.
Artikel 5
1.Het is verboden mariene organismen
aan boord te houden of aan te voeren, indien de percentages daarvan
niet in overeenstemming zijn met artikel 15 van verordening nr.
850/98.
2.De in het eerste lid bedoelde
percentages worden berekend overeenkomstig artikel 5 van verordening
nr. 850/98.
3.Het sorteren van de vangsten
geschiedt onmiddellijk nadat de vangst uit het net of de netten is
verwijderd.
Artikel 5a
Het is verboden met een vissersvaartuig
met een lengte over alles van 10 meter of minder mariene organismen over
te laden of over te nemen van een ander vaartuig.
Artikel 6
1.Ondermaatse mariene organismen mogen,
tenzij dit op grond van artikel 19, tweede en derde lid, en 35 van
verordening nr. 850/98 is toegestaan, niet aan boord worden gehouden,
noch worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht,
uitgestald, te koop aangeboden of voorhanden, maar dienen onmiddellijk
in zee worden teruggezet.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op onbedoeld gevangen tonijn met een gewicht tussen 3,2 en 6,4
kilogram, mits deze soort niet meer dan 15% van de vangst uitmaakt.
3.De maat van mariene organismen wordt
gemeten overeenkomstig artikel 18, eerste en tweede lid, van
verordening nr. 850/98.
Artikel 7
Het is verboden:
a. ten behoeve van de heekvisserij
met sleepnetten, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig te
vissen in de geografische zones en gedurende de periodes, genoemd in
artikel 28 van verordening nr. 850/98;
b. ten behoeve van de heekvisserij
sleepnetten, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig aan
boord te houden in de zones en gedurende de periodes genoemd onder
a, tenzij dit is toegestaan op grond van artikel 28, tweede lid, van
verordening nr. 850/98;
c. Zeekreeften, langousten,
tweekleppige en buikpotige weekdieren of Noordzeekrabben aan boord
te houden of aan te voeren, tenzij dit is toegestaan op grond van
artikel 18, derde of vierde lid, van verordening nr. 850/98;
d. haring aan boord te houden, die is
gevangen in de geografische zones en tijdens de periodes, genoemd in
artikel 20, eerste lid, van verordening nr. 850/98, tenzij dit is
toegestaan op grond van het tweede en derde lid van dat artikel;
e. sprot aan boord te houden die is
gevangen in de geografische zones en tijdens de periodes, genoemd in
artikel 21, eerste lid, van verordening nr. 850/98, tenzij dit is
toegestaan op grond van het tweede lid van dat artikel;
f. makreel aan boord te houden in de
gevallen genoemd in artikel 22, eerste en tweede lid, van
verordening nr. 850/98, met inachtneming van het derde lid van dat
artikel;
g. ansjovis die met pelagische trawls
is gevangen aan boord te houden, of hierop met genoemd vistuig te
vissen, in de sector, genoemd in artikel 23, eerste lid, van
verordening nr. 850/98;
h. tonijn, gestreepte tonijn,
grootoogtonijn of geelvintonijn aan boord te houden of hierop te
vissen, in de gevallen genoemd in artikel 24 van verordening nr.
850/98;
i. Noordzeegarnalen of
ringsprietgarnalen aan boord te houden, in de gevallen genoemd in
artikel 25, eerste lid, van verordening nr. 850/98, met inachtneming
van het tweede lid van dat artikel, tenzij dit is toegestaan op
grond van het derde lid van dat artikel;
j. zalm en zeeforel aan boord te
houden, over te laden, aan te voeren, te vervoeren, op te slaan, te
verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden, in de gevallen
genoemd in artikel 26 van verordening nr. 850/98;
k. kever aan boord te houden die met
gesleept tuig is gevangen in de zone, genoemd in artikel 27, eerste
lid, van verordening nr. 850/98, tenzij dit is toegestaan op grond
van het tweede lid van dat artikel;
l. te vissen op tong of deze vissoort
aan boord te houden, tenzij deze is gevangen in de wateren benoorden
48° noorderbreedte met staand vistuig met een minimummaaswijdte van
90mm;
m. scholen of groepen zeezoogdieren
met ringzegens in te sluiten.
Artikel 7a
1.Onverminderd de artikelen 7 en 11 van
de Beschikking visserij, visserijzone, zeegebied en kustwateren is het
met ingang van 1 augustus 2002 verboden in de visserijzone, het
zeegebied en de kustwateren, een vistuig geschikt voor het vangen van
garnalen (Crangon crangon) te gebruiken, tenzij het vistuig is
voorzien van een zeeflap als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van
verordening nr. 850/98, die voldoet aan de voorwaarden vermeld in het
tweede lid.
2.De zeeflap, bedoeld in het eerste
lid:
a. heeft een maaswijdte van ten
hoogste 70 mm;
b. is bevestigd aan de binnenzijde
van het vistuig op zodanige wijze dat alle mariene organismen
uitsluitend via de zeeflap de kuil van het vistuig kunnen
bereiken;
c. bevat een ontsnappingsgat dat is
aangebracht in de bovenzijde of onderzijde van het vistuig ter
hoogte van ten hoogste 30 mazen voor de aanhechting van de kuil,
ter grootte van ten minste 15 mazen van het vistuig waarin de
zeeflap is bevestigd, gesneden in de lengterichting van dat
vistuig;
d. is even lang of ten hoogste 10%
langer dan het basisnet van het vistuig waarin de zeeflap is
bevestigd, waarbij het achterste punt van de zeeflap is bevestigd
op maximaal 5 mazen achter het achterste deel van het
ontsnappingsgat.
3.Het eerste lid is niet van toepassing
in de kustwateren, het zeegebied en de 12-mijlszone, bedoeld in
artikel 2 van de Regeling eisen, administratie en registratie inzake
uitoefening visserij, gedurende de periode van 15 april tot en met 15
november.
4.Het eerste lid is niet van toepassing
indien de totale hoeveelheid noordzeegarnalen of ringsprietgarnalen
die aan boord wordt gehouden niet meer dan 5% uitmaakt van de totale
vangst aan boord.
5.Het is verboden handelingen te
verrichten of middelen aan te wenden waardoor de ontsnapping van
mariene organismen door het ontsnappingsgat wordt bemoeilijkt of
belet, met uitzondering van het gebruik van een overkuil met een
maaswijdte van minimaal 80 mm, die is aangebracht op maximaal 30 mazen
voor het ontsnappingsgat, of een secundaire kuil met een maaswijdte
van minimaal 80 mm.
Artikel 7b
Het is verboden in strijd te handelen met
de artikelen 22 en 27 van de verordening van 18 december 2008 van de
Raad van de Europese Unie tot vaststelling van een langetermijnplan voor
kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking
van verordening (EG) nr. 423/2004.
Artikel 7c
1. Het is verboden in strijd te
handelen met de artikelen 8, tweede lid, 13, 17 en 19, 20, 21, 24, 28,
eerste en derde lid, 29, 31, 32, 34, 36, tweede lid, en 37 van de
verordening inzake vangstmogelijkheden.
2. Het is verboden visserijactiviteiten
uit te oefenen in strijd met Het is verboden visserijactiviteiten uit
te oefenen in strijd met de artikelen 16, 23, eerste en tweede lid, 30
en 33 van de verordening inzake vangstmogelijkheden.
Artikel 7d
1. Het is verboden in strijd te
handelen met de onderdelen 1, 4, 5, 5b.1, 6.1 tot en met 6.6, 7.2 tot
en met 7.6, 8.1, 8.2, 12, 15 tot en met 20 en 24, onderdelen a, c, d,
en e, van bijlage III van verordening nr. 43/2009 met dien verstande
dat de verordening van de Raad van de Europese Unie van 20 november
van 2009 tot vaststelling van technische overgangsmaatregelen van 1
januari 2010 tot en met 30 juni 2011 in acht wordt genomen.
2. Het is verboden in strijd te
handelen met onderdeel 9.3 van bijlage III van verordening nr.
43/2009, tenzij de minister voor het vissersvaartuig een vergunning
als bedoeld in 9.6 van die bijlage heeft verstrekt en de
vergunninghouder voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdelen
9.4, 9.5, 9.7 en 9.9 tot en met 9.11, met dien verstande dat in
onderdeel 9.6 ‘vanaf 1 oktober 2009’ vervalt.
3. De minister kan een onbeheerd
vistuig op zee verwijderen in de gevallen, bedoeld in onderdeel 9.8
van bijlage III van verordening nr. 43/2009.
Artikel 7e
1. Het is verboden te vissen met de
typen vistuigen, bedoeld in onderdeel 1 van bijlage IIb en IId van de
verordening inzake vangstmogelijkheden, in de gebieden, bedoeld in
onderdeel 1 van deze bijlagen.
2. Het is verboden te vissen met de
typen vistuigen, bedoeld in onderdeel 2 van bijlage IIc van de
verordening inzake vangstmogelijkheden, in de gebieden, bedoeld in
onderdeel 1 van deze bijlage.
Artikel 7f
1. Het is verboden in strijd te
handelen met artikel 11 van Verordening (EG) Nr. 811/2004 van de Raad
van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het
noordelijke heekbestand (PbEU L 185).
2. Het is verboden te handelen in
strijd met artikel 44 van verordening nr. 1224/2009.
Artikel 7g
1. Het is verboden te handelen in
strijd met artikel 47 van verordening nr. 1224/2009.
2. Het is verboden te handelen in
strijd met artikel 48, eerste tot en met derde lid, van verordening
nr. 1224/2009 met dien verstande dat in het derde lid onder ‘bevoegde
autoriteit van de lidstaat waarvan hij de vlag voert’ moet worden
verstaan: de Algemene Inspectiedienst.
Artikel 8
1. Het is verboden:
a. machines, waarmee haring,
makreel en horsmakreel automatisch naar grootte of geslacht
gesorteerd worden, aan boord te hebben of te gebruiken, tenzij dit
is toegestaan op grond van artikel 32, tweede en derde lid, van
verordening nr. 850/98;
b. mariene organismen te vangen met
gebruikmaking van explosieven, giftige of bedwelmende stoffen, of
elektrische stroom;
c. mariene organismen, die zijn
gevangen met enigerlei projectiel te verkopen, uit te stallen of
te koop aan te bieden;
d. aan boord van een
vissersvaartuig fysische of chemische verwerking van vis tot
vismeel, visolie of dergelijke producten te laten plaatsvinden of
visvangsten met dat doel over te laden, tenzij dit is toegestaan
op grond van artikel 42 van verordening nr. 850/98.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing indien en voor zover:
a. het gebruik van elektrische
stroom is toegestaan op grond van artikel 12 van verordening (EG)
nr. 973/2001 van de Raad van 14 mei 2001 tot vaststelling van
technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over
grote afstanden trekkende visbestanden (PbEG L 137);
b. de minister toestemming heeft
gegeven om te vissen met een pulskor in het gebied, bedoeld in
onderdeel 3.1 van bijlage III van verordening nr. 43/2009, en het
gebruikte vistuig voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel
3.2 van bijlage III van die verordening.
3. De minister rangschikt de aanvragen
tot toestemmingverlening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, in
volgorde van ontvangst, waarbij aanvragen met dezelfde ontvangstdatum
worden gerangschikt door loting voor zover op die datum het maximum
aantal boomkotters met boomkor met elektrische stroom, bedoeld in
onderdeel 3.2 van bijlage III van verordening nr. 43/2009, wordt
overschreden.
4. De minister kan aan de toestemming
voorschriften verbinden of de daaraan verbonden voorschriften
wijzigen.
Artikel 9
1. Het is verboden in het Skagerrak en
het Kattegat zalm en zeeforel aan boord te houden, over te laden, aan
te voeren, te vervoeren, op te slaan, te verkopen, uit te stallen, of
te koop aan te bieden, in de gevallen genoemd in artikel 36 van
verordening nr. 850/98.
2. In het Skagerrak en het Kattegat is
het verboden sleepnetten te gebruiken, in de gevallen genoemd in
artikel 37 van verordening nr. 850/98.
3. Het is verboden haring, makreel of
sprot aan boord te houden die is gevangen met ringzegens of
sleepnetten van zaterdag te middernacht tot en met zondag te
middernacht in het Skagerrak, en vrijdag te middernacht tot en met
zondag te middernacht in het Kattegat.
4. In het Kattegat is het verboden met
boomkorren te vissen.
5. Het is verboden sleepnetten of
boomkorren in het Skagerrak en het Kattegat aan boord te houden, in de
gevallen genoemd in artikel 40 van verordening nr. 850/98.
Artikel 10
1. Het is verboden met een
vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4 van verordening nr. 2244/2003
met een lengte over alles van meer dan 15 meter te vissen of te varen.
2. Het is verboden met een
vissersvaartuig van een derde land als bedoeld in artikel 17 van
verordening nr. 2244/2003 met een lengte over alles van meer dan 12
meter te vissen of te varen.
Artikel 10a
Het verbod, bedoeld in artikel 10, eerste
lid, is niet van toepassing op een Nederlands vissersvaartuig:
a. als bedoeld in artikel 2, tweede
lid, van verordening nr. 2244/2003, of
b. waarmee de visserij, bedoeld in
artikel 1, vierde lid, onderdeel d, van de Visserijwet 1963 wordt
uitgeoefend.
Artikel 10b
1. Het verbod, bedoeld in artikel 10,
eerste lid, is niet van toepassing indien:
a. op het desbetreffende vaartuig
satellietvolgapparatuur is geïnstalleerd als bedoeld in artikel
9, tweede lid, van verordening nr. 1224/2009;
b. de kapitein van het
vissersvaartuig voldoet aan artikel 6, eerste en tweede lid, van
verordening nr. 2244/2003;
c. in geval van een defect of
anderszins niet functioneren van de apparatuur, bedoeld onder a,
wordt voldaan aan artikel 11, eerste en tweede lid, van
verordening nr. 2244/2003;
d. voor zover het een Nederlands
vissersvaartuig betreft, de datatransmissie met de in onderdeel a
bedoelde apparatuur voldoet aan artikel 5, eerste lid, onderdelen
a tot en met c, van verordening nr. 2244/2003 en met ingang van 1
januari 2006 tevens aan onderdeel d, van dat artikellid, en
plaatsvindt overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van die
verordening, met dien verstande dat onder ‘VCC’ in dat artikel
moet worden verstaan: het visserijcontrolecentrum van de Algemene
Inspectiedienst te Kerkrade, en
e. voor zover het een Nederlands
vaartuig betreft, de apparatuur, bedoeld in onderdeel a, voldoet
aan artikel 10e.
2. Indien een vissersvaartuig in de
haven ligt, mag de satellietvolgapparatuur worden uitgeschakeld mits
is voldaan aan artikel 8, derde lid, van verordening nr. 2244/2003,
met dien verstande dat de in dat artikellid bedoelde melding aan de
vlaggenstaat door een Nederlands vaartuig wordt gedaan aan het
visserijcontrolecentrum van de Algemene Inspectiedienst te Kerkrade.
Artikel 10c [Vervallen per 04-01-2007]
Artikel 10d
Het verbod, bedoeld in artikel 10, tweede
lid, is niet van toepassing indien:
a. op het desbetreffende vaartuig
satellietvolgapparatuur als bedoeld in de artikelen 17 en 18, tweede
lid, van verordening nr. 2244/2003, is geïnstalleerd;
b. de datatransmissie met de in
onderdeel a bedoeld apparatuur voldoet aan artikel 18, eerste lid,
onderdelen a tot en met c, van verordening nr. 2244/2003, en met
ingang van 1 januari 2006 tevens aan onderdeel d, van dat
artikellid, en plaatsvindt overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van
die verordening, met dien verstande dat de automatische doorgifte
van de gegevens ten minste eenmaal in de twee uur geschiedt en onder
‘VCC’ in artikel 21 moet worden verstaan: het
visserijcontrolecentrum van de Algemene Inspectiedienst te Kerkrade;
c. de kapitein van het
vissersvaartuig voldoet aan artikel 19, eerste en tweede lid, van
verordening nr. 2244/2003, en
d. in geval van een defect of
anderszins niet functioneren van de apparatuur, bedoeld onder a,
wordt voldaan aan artikel 23, eerste tot en met derde lid, van
verordening nr. 2244/2003.
Artikel 10e
1.Satellietvolgapparatuur die op een
Nederlands vissersvaartuig is geïnstalleerd:
a. is bedrijfsklaar;
b. voldoet aan artikel 5, eerste
lid, van verordening nr. 2244/2003;
c. waarborgt een volledige
automatische transmissie van juiste en actuele gegevens als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening nr. 2244/2003,
naar het visserijcontrolecentrum van de Algemene Inspectiedienst
te Kerkrade;
d. vormt een onlosmakelijk,
geïntegreerd geheel met een plaatsbepalingssysteem, dat in staat
is de geografische positie van het desbetreffende vissersvaartuig
te bepalen, in overeenstemming met artikel 5, eerste lid,
onderdeel b, van verordening nr. 2244/2003;
e. laat niet toe dat gegevens
handmatig worden ingebracht, gewijzigd, beïnvloed of op andere
wijze worden aangepast;
f. laat toe dat de gegevens,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening nr. 2244/2003,
op elk door de Algemene Inspectiedienst gewenst moment vanuit het
visserijcontrolecentrum, bedoeld in onderdeel c, kunnen worden
opgevraagd en verkregen;
g. is voorzien van een
reservestroombron die automatisch wordt ingeschakeld indien de
hoofdstroom wordt uitgeschakeld of defect raakt en die een werking
van ten minste zes uur waarborgt, en
h. is zodanig met het
desbetreffende vissersvaartuig verbonden, dat bij verbreking de
reden daarvan wordt aangegeven.
2.Satellietvolgapparatuur is
goedgekeurd door een ter zake geaccrediteerde instelling en voldoet
blijkens die goedkeuring aan het eerste lid.
3.Wijzigingen aan de
satellietvolgapparatuur worden schriftelijk gemeld aan de Algmene
Inspectiedienst.
Artikel 10f
Het is verboden in strijd te handelen met
de artikelen 6, derde lid, en 19, derde lid, van verordening nr.
2244/2003.
Artikel 11 [Vervallen per 07-03-2004]
Artikel 12
1. Het is verboden de visserij uit te
oefenen in de gebieden, bedoeld in artikel 1 van verordening (EG) nr.
1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van
de visserij-inspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden
van de Gemeenschap, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en
tot intrekking van Verordeningen (EG) 685/95 en (EG) nr. 2027/95 (PBEU
289), op de in de bijlage I en II bij die verordening per
visserijgebied genoemde doelsoorten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, is in een kalenderjaar voor een doelsoort in een visserijgebied
niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in het derde lid in de
periode dat het maximale visserij-inspanningsniveau, bedoeld in
bijlage I en II bij verordening (EG) nr. 1415/2004 van de Raad van 19
juli 2004 tot vaststelling van het maximale jaarlijkse
visserij-inspanningsniveau voor bepaalde visserijgebieden en
visserijtakken (PbEU 258), voor die doelsoort in dat visserijgebied
niet is bereikt. Van bereiken van het maximale jaarlijkse
visserij-inspanningsniveau wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, is in een vangstgebied niet van toepassing op vissersvaartuigen
die staan vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van
de in het eerste lid bedoelde verordening en waaraan voor het
desbetreffende visserijgebied een speciaal visdocument is verleend als
bedoeld in artikel 8, derde lid, van die verordening.
4. Onverminderd de voorgaande leden is
het verboden te vissen in de gebieden bedoeld in het eerste lid,
indien:
a. niet wordt voldaan aan de
artikelen 2 tot en met 6 van Verordening (EG) nr. 1449/98 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 1998 houdende
bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2847/93
van de Raad ten aanzien van de visserij-inspanningsrapporten (PbEG
L192), met dien verstande dat waar gesproken wordt :
1° in artikel 2 van
Verordening (EG) nr. 1449/98 over ’die overeenkomstig
artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 in het logboek
dienen te worden geregistreerd’ moet worden verstaan: die
overeenkomstig artikel 15, derde lid, artikel 19, vierde lid
en zesde lid, en artikel 20, tweede lid, van de Regeling
eisen, administratie en registratie inzake uitoefening
visserij dienen te worden geregistreerd;
2° in artikel 3, derde lid,
van Verordening (EG) nr. 1449/98 over ’de in artikel 7 van
Verordening (EEG) nr. 2847/93 bedoelde melding’ moet worden
verstaan: de in artikel 3, zesde lid, van de Regeling
stelselmatige controle bij aanlanding 1988 bedoelde melding;
3° In artikel 6 van
Verordening (EG) nr. 1449/98 over ’via het VMS’ en over
’via VMS’
moet worden verstaan: door
middel van datatransmissie met behulp van
satellietvolgapparatuur als
bedoeld in artikel 10e van de Regeling technische maatregelen
2000;
b. niet wordt voldaan aan artikel
14 van verordening nr. 1224/2009, of
c. een verbod is uitgevaardigd als
bedoeld in artikel 35 of 36 van verordening nr. 1224/2009.
5. Het is verboden te vissen, vis aan
boord te houden, te verwerken of aan te landen.
Artikel 12a
1.Het is verboden te vissen in het
gereglementeerde gebied als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van
Verordening (EG) nr. 2791/1999 van de Raad van de Europese Unie van 16
december 1999 tot vaststelling van controlemaatregelen voor het gebied
waarop het Verdrag inzake de toekomstige multilaterale samenwerking op
visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan
van toepassing is (PbEG L 337) en vis afkomstig uit dat gebied, aan
boord te houden, over te laden of aan te landen met een
vissersvaartuig dat de vlag voert van of geregistreerd staat in een
lidstaat van de Europese Unie.
2.Het in het eerste lid gestelde verbod
is niet van toepassing op vissersvaartuigen waarvoor een bijzondere
visvergunning als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de in het
eerste lid genoemde verordening is verleend en die voldoen aan het
bepaalde in artikel 3, tweede lid, 5, 6, eerste, derde en vijfde lid,
9, 15 en 24 van die verordening.
3.In afwijking van het tweede lid hoeft
een vissersvaartuig dat vangsten van andere vaartuigen aan boord
neemt, niet de gegevens in het logboek te noteren als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de in het eerste lid bedoelde verordening,
mits de gegevens, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van die
verordening in het productielogboek of de opslagplattegrond worden
genoteerd.
Artikel 12b
Het is verboden met een vaartuig van een
niet-verdragsluitende partij als bedoeld in artikel 2, tiende lid, van
de in artikel 12a, eerste lid, bedoelde verordening, vis aan te landen
of over te laden in strijd met artikel 25 van die verordening.
Artikel 12c
1.Het is verboden in strijd te handelen
met de artikelen 4 tot en met 13, 18, eerste tot en met vijfde lid,
19, eerste tot en met vierde lid, 20, 21, eerste en tweede lid, 30,
eerste tot en met derde lid, 35, eerste tot en met vierde lid, 36, 47
en 69, eerste lid, onderdelen a, b en g, van verordening nr.
1386/2007.
2.Het is verboden met een
vissersvaartuig visserijactiviteiten als bedoeld in artikel 3, derde
lid, van verordening nr. 1386/2007 uit te oefenen met een vaartuig van
niet-verdragsluitende partijen als bedoeld in artikel 64 van die
verordening.
3.Het is verboden een
visserijactiviteit te beoefenen of te laten beoefenen door of in
samenwerking met een vaartuig als bedoeld in artikel 69, eerste lid,
van verordening nr. 1386/2007.
4.Het is verboden met een vaartuig als
bedoeld in artikel 69, eerste lid, van verordening nr. 1386/2007 een
Nederlandse haven binnen te varen, dan wel de bemanning van dat
vaartuig te vervangen.
5.Het is verboden mariene organismen
die afkomstig zijn van een vaartuig als bedoeld in artikel 3,
onderdeel 8, van verordening nr. 1386/2007 te houden, op te slaan, in
te voeren, te verkopen, te koop aan te bieden en te verhandelen.
Artikel 12d
1. Het is verboden met een
vissersvaartuig enige visserijactiviteit uit te oefenen in de zone van
de SPFO, bedoeld in artikel 4, onderdeel m, van de verordening inzake
vangstmogelijkheden.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op vissersvaartuigen die de pelagische visserij uitoefenen
en die aantoonbaar in 2007, 2008 of 2009 in de in het eerste lid
bedoelde zone visserijactiviteiten hebben uitgeoefend.
3. Het eerste lid is tevens niet van
toepassing op een vissersvaartuig dat een vissersvaartuig als bedoeld
in het tweede lid vervangt, indien:
a. het vissersvaartuig hetzelfde of
een kleiner brutotonnage heeft dan het te vervangen vaartuig
b. het vissersvaartuig de
pelagische visserij uitoefent, en
c. de personen op wier naam de
vaartuigen staan geregistreerd in het visserijregister als bedoeld
in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit registratie
vissersvaartuigen 1998 minimaal 4 weken voor het moment van
vervangen een melding aan de minister hebben gedaan.
Artikel 12e
Het is verboden in strijd te handelen met
de artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, 10, 20, tweede lid, derde lid,
onderdeel a, vierde lid, onderdeel b, 21, 23, 26, eerste lid, 27 en 29
van verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad van de Europese Unie van 7
mei 2007 tot vaststelling van technische maatregelen voor de
instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden
en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 973/2001 (PbEU L 123).
Artikel 12f
Het is verboden te handelen in strijd met
de artikelen 4 tot en met 9 van verordening (EG) nr. 2056/2001 van de
Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 oktober 2001 tot
vaststelling van aanvullende technische maatregelen voor het herstel van
de kabeljauwbestanden in de Noordzee en ten westen van Schotland (PbEG L
277).
Artikel 12g
1. Het is verboden de visserij uit te
oefenen op de soorten, genoemd in bijlage I van verordening (EG) nr.
2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van
bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de
visserij daarop in acht te nemen voorschriften (PbEG L 351) en in
artikel 11 van de verordening inzake vangstmogelijkheden, tenzij ten
behoeve van het vissersvaartuig een diepzeedocument is afgegeven als
bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van die verordening en de kapitein
van dat vissersvaartuig handelt overeenkomstig de artikelen 5 en 6 van
die verordening.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien:
a. per zeereis minder dan 100 kg
van de in het eerste lid bedoelde soorten wordt gevangen, aan
boord gehouden, overgeladen of aangeland en
b. per kalenderjaar met het
betreffende vissersvaartuig minder dan 10 ton van de in het eerste
lid bedoelde soorten wordt gevangen of aangeland.
3. Indien de minister een waarnemer als
bedoeld in artikel 8 van de in het eerste lid bedoelde verordening
aanwijst, draagt de kapitein van het betreffende vissersvaartuig ten
behoeve waarvan een diepzeevisdocument is verleend er zorg voor dat
deze waarnemer de taken, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de in
het eerste lid bedoelde verordening ongehinderd kan uitvoeren.
4. Een diepzeevisdocument als bedoeld
in het eerste lid wordt slechts verleend ten behoeve van een
vissersvaartuig:
a. waarmee in de jaren 1998, 1999
of 2000 ten minste 100 ton van de in het eerste lid bedoelde
soorten is aangeland, of
b. ten aanzien waarvan een
visvergunning is toegekend die eerder was toegekend ten aanzien
van een vissersvaartuig als bedoeld onder a en waarvan het
motorvermogen niet groter is dan het motorvermogen van dat
vissersvaartuig.
5. Het is verboden in 2011 de visserij
uit te oefenen op de diepzeesoorten, bedoeld in bijlage I, met
uitzondering van de grote zilvervis, en bedoeld in bijlage II van de
in het eerste lid bedoelde verordening, indien in dat jaar de
visserij-inspanning van het desbetreffende vaartuig tijdens reizen
waarop meer dan 100 kg aan andere diepzeesoorten dan grote zilvervis
is gevangen, groter is dan de door de minister vastgestelde
visserij-inspanning van dat vaartuig in 2003, verminderd met 35%.
Artikel 12 h
Het is verboden haaienvinnen als bedoeld
in artikel 2, onder 1, van verordening (EG) nr. 1185/2003 van de Raad
van de Europese Unie van 26 juni 2003 betreffende het afsnijden van
haaienvinnen aan boord van vissersvaartuigen (PbEU L 167) af te snijden
aan boord van een vissersvaartuig, aan boord te houden, over te laden,
aan te landen, aan te kopen, te koop aan te bieden of te verkopen,
tenzij dit in overeenstemming is met de artikelen 3, 4 en 5 van die
verordening.
Artikel 12i
Het is verboden in strijd te handelen met
artikel 30, vierde lid en vijfde lid, van verordening nr. 850/98.
Artikel 12j
1. Het is verboden de visserij uit te
oefenen buiten de communautaire wateren, tenzij voor het
desbetreffende vissersvaartuig een vismachtiging als bedoeld in
artikel 3 van verordening nr. 1006/2008 is uitgereikt.
2. Het verzoek tot uitreiking van een
vismachtiging als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij de
minister.
3. Bij de uitoefening van de visserij,
bedoeld in het eerste lid, is het verboden in strijd te handelen met
de artikelen 9, tweede lid, en 13, eerste lid, van verordening nr.
1006/2008.
4. De exploitant van een
vissersvaartuig met een totale lengte van meer dan 24 meter dient het
verzoek tot machtiging als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van
verordening nr. 1006/2008 in bij de minister, indien hij het voornemen
heeft om met dat vaartuig visserijactiviteiten als bedoeld in dat
artikel te ontplooien.
5. De minister trekt de vismachtiging,
bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in indien een
vissersvaartuig is opgenomen op de lijst van IOO-vaartuigen, bedoeld
in artikel 27 van Verordening 1005/2008/EG van de Raad van de Europese
Unie van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een
communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde
visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging
van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr.
601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG)
nr. 1447/1999 (PbEU L 286).
Artikel 12k
1.Het is verboden in strijd te handelen
met artikel 2 van verordening (EG) nr. 826/2004 van de Raad van 26
april 2004 houdende een verbod op de invoer van Atlantische
blauwvintonijn (Thunnus thynnus) van oorsprong uit Equatoriaal-Guinea
en Sierra Leone en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2092/2000 (PbEU
L 127).
2.Het is verboden in strijd te handelen
met artikel 2 van verordening (EG) nr. 827/2004 van de Raad van 26
april 2004 houdende een verbod op de invoer van grootoogtonijn (Thunnus
obesus) van oorsprong uit Bolivia, Cambodja, Georgië,
Equatoriaal-Guinea en Sierra Leone en tot intrekking van Verordening
(EG) nr. 1036/2001 (PbEU L 127).
3.Het is verboden in strijd te handelen
met artikel 2 van verordening (EG) nr. 828/2004 van de Raad van 26
april 2004 houdende een verbod op de invoer van Atlantische zwaardvis
(Xiphias gladius) van oorsprong uit Sierra Leone en tot intrekking van
Verordening (EG) nr. 2093/2000 (PbEU L 127).
Artikel 12l
1.Het is verboden met een
vissersvaartuig enige visserijactiviteit uit te oefenen in het gebied
dat valt onder het toepassingsgebied, bedoeld in artikel 1 van de
verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van de Europese Unie van 21
december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie
van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening
(EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PbEU
L 409), tenzij aan boord van het vaartuig een visdocument aanwezig is
als bedoeld in artikel 24 van die verordening.
2
Het is verboden mariene organismen aan
boord te houden, aan te landen en over te laden, indien deze organismen
zijn gevangen in het gebied, bedoeld in het eerste lid, door een
vaartuig dat op grond van de in het eerste lid genoemde verordening niet
gerechtigd was om in dat gebied visserijactiviteiten uit te oefenen.
Artikel 12m
1.Het is verboden met een
vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 24 meter de
visserij uit te oefenen in het gebied, bedoeld in artikel 2, onderdeel
a, van verordening nr. 1936/2001, op de soorten, genoemd in bijlage I
van die verordening.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, is niet van toepassing op vissersvaartuigen waarvoor
overeenkomstig artikel 8 bis, zesde lid, onderdeel b, van verordening
nr. 1936/2001, een speciaal visdocument is verstrekt en die voldoen
aan het bepaalde in de artikelen 4 bis, eerste, tweede en derde lid, 4
quater, vijfde lid, 6 bis, 8, vijfde lid, 8 bis, vijfde lid, 8 quater,
13, 17, eerste lid, 18, tweede lid en 19 quater, tweede lid, van die
verordening.
3.De eigenaar van een vaartuig dat
beschikt over een vergunning als bedoeld in het tweede lid, neemt geen
deel aan en is niet betrokken bij uitoefening van de visserij op de
soorten, bedoeld in bijlage I van verordening nr. 1936/2001, in het
gebied, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van die verordening, door
vaartuigen die op grond van die verordening daartoe niet gerechtigd
zijn.
4.Het is verboden vangsten van soorten
als bedoeld in bijlage I van verordening nr. 1936/2001 aan boord te
houden, aan te landen en over te laden, indien deze soorten zijn
gevangen in het gebied, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van die
verordening, door een vaartuig dat op grond van die verordening niet
gerechtigd was om in dat gebied visserijactiviteiten uit te oefenen.
5.Het is verboden vangsten van soorten
als bedoeld in bijlage I van verordening nr. 1936/2001 over te laden
en te verhandelen, indien deze soorten zijn gevangen:
a. in het gebied, bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, door toepassing van visserijactiviteiten
als bedoeld in artikel 19 ter, eerste lid, van die verordening;
b. door vaartuigen vermeld op de
lijst, bedoeld in artikel 19 ter, vijfde lid, van die verordening.
6.Het is verboden de vangsten van een
vaartuig als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van verordening nr.
1936/2001 aan te landen en over te laden, indien wordt geconstateerd
dat het vaartuig soorten aan boord heeft waarvoor een aanbeveling
geldt van de Internationale Commissie voor de Instandhouding van
Tonijn in de Atlantische Oceaan, tenzij is voldaan aan artikel 18,
vierde lid, van verordening nr. 1936/2001.
7.Indien ten aanzien van een
vissersvaartuig een charterovereenkomst wordt gesloten met een
verdragsluitende partij bij de Internationale Commissie voor de
Instandhouding van Tonijn in de Atlantische Oceaan, verstrekt de
eigenaar van het betrokken vaartuig twee weken voor het sluiten van de
overeenkomst de gegevens, bedoeld in artikel 8 ter, tweede lid, van
verordening nr. 1936/2001, aan de minister.
8.Indien een overeenkomst als bedoeld
in het zevende lid wordt beëindigd, stelt de eigenaar van het
betrokken vaartuig onverwijld de minister hiervan op de hoogte.
9.De eigenaar van een vaartuig als
bedoeld in het zevende lid handelt in overeenstemming met artikel 8
ter, vijfde lid, onderdelen a, b en d, van verordening nr. 1936/2001.
10.Mestbedrijven van blauwvintonijn in
de zin van artikel 3, onderdeel i, van verordening nr. 1936/2001,
overleggen aan de minister binnen 72 uur na afloop van het kooien van
dieren een kooiverklaring overeenkomstig bijlage I bis van die
verordening en uiterlijk op 1 juli van ieder jaar een afzetverklaring
overeenkomstig artikel 4 ter, derde lid, van die verordening.
Artikel 12n
1.Het is verboden met een
vissersvaartuig met een lengte over alles van meer dan 24 meter de
visserij uit te oefenen in het gebied, bedoeld in artikel 2, onderdeel
b, van verordening nr. 1936/2001, op de soorten, genoemd in bijlage I
van die verordening.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, is niet van toepassing op vissersvaartuigen waarvoor
overeenkomstig artikel 8 bis, zesde lid, onderdeel b, van verordening
nr. 1936/2001, een speciaal visdocument is verstrekt en die voldoen
aan het bepaalde in de artikelen 8 bis, vijfde lid, 8 quater, 13, 18,
tweede lid, 19 quater, tweede lid, 20 quater en 21, eerste lid, van
die verordening, met dien verstande dat waar ‘ICCAT’ staat, ‘IOTC’
gelezen moet worden.
3.De eigenaar van een vaartuig dat
beschikt over een vergunning als bedoeld in het tweede lid, neemt geen
deel aan en is niet betrokken bij uitoefening van de visserij op de
soorten, bedoeld in bijlage I van verordening nr. 1936/2001, in het
gebied, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van die verordening, door
vaartuigen die op grond van die verordening daartoe niet gerechtigd
zijn.
4.Het is verboden vangsten van soorten,
bedoeld in bijlage I van verordening nr. 1936/2001, aan boord te
houden, aan te landen en over te laden, indien deze soorten zijn
gevangen in het gebied, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van die
verordening, door een vaartuig dat op grond van die verordening niet
gerechtigd was om in dat gebied visserijactiviteiten uit te oefenen.
5.Het is verboden de vangsten van een
vaartuig als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van verordening nr.
1936/2001 aan te landen en over te laden, indien wordt geconstateerd
dat het vaartuig soorten aan boord heeft waarvoor een aanbeveling
geldt van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan,
tenzij is voldaan artikel 18, vierde lid, van verordening nr.
1936/2001.
6.Het is verboden vangsten van soorten
als bedoeld in bijlage I van verordening nr. 1936/2001 over te laden
en te verhandelen, indien deze soorten zijn gevangen door vaartuigen
vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 19 ter, vijfde lid, van die
verordening, met dien verstande dat waar ‘ICCAT’ staat, ‘IOTC’
gelezen moet worden.
Artikel 12o
Het is verboden in strijd te handelen met
de artikelen 18, 22, 23, eerste lid, en 24, tweede lid, van verordening
nr. 1006/2008.
Artikel 12p
1.Onverminderd artikel 2, eerste lid,
van de Regeling vangstbeperking, is het verboden om met een
vissersvaartuig op zwarte heilbot te vissen in de gebieden, bedoeld in
artikel 2 van verordening (EG) nr. 2115/2005 van de Raad van de
Europese Unie van 20 december 2005 tot vaststelling van een
herstelplan voor zwarte heilbot in het kader van de
visserijorganisatie in het noordwestelijk deel van de Atlantische
Oceaan (PbEU L 430), of in die gebieden gevangen zwarte heilbot aan
boord te hebben, over te laden of aan te voeren.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, is niet van toepassing op vissersvaartuigen die een speciaal
visdocument als bedoeld in artikel 4 van de in het eerste lid genoemde
verordening aan boord hebben.
3.Het is verboden in strijd te handelen
met het bepaalde in artikel 6, eerste en derde lid, artikel 8, eerste
lid, artikel 9 en artikel 10, tweede en derde lid, van de in het
eerste lid genoemde verordening.
4.Het is verboden om met vaartuigen als
bedoeld in artikel 11 van de in het eerste lid genoemde verordening
zwarte heilbot aan te voeren of over te laden.
5.De mededelingen, bedoeld in artikel 6
en artikel 9 van de in het eerste lid genoemde verordening, worden
gedaan aan de AID ter attentie van het Visserij Controle Centrum
(postbus 234, 6460 AE Kerkrade, telefax (31) 4556461011).
Artikel 12q
Het is verboden in strijd te handelen met
de artikelen 5, 6, 9, eerste lid, 10 eerste en tweede lid, 11, tweede
lid, 13, derde lid, 14, derde lid, 15, 16, eerste lid, 17, eerste tot en
met derde lid, 18, eerste lid, 19, eerste tot en met vierde en zesde
lid, 20, vierde lid, 21, eerste lid, 27 en onderdelen 2, onderdeel a, 3,
en 5 van Annex I van de Verordening van 19 december 2007 van de Raad van
de Europese Unie tot vaststelling van een meerjarig herstelplan voor
blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de
Middellandse Zee en tot wijziging van verordening (EG) nr. 520/2007.
Artikel 12r
Het is verboden in strijd te handelen met
de artikelen 14, 15, tweede lid, en 16, van verordening 676/2007 van de
Raad van de Europese Unie van 11 juni 2007 tot vaststelling van een
beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de
Noordzee (PbEU L 157).
Artikel 12s
1.Het is verboden met een
vissersvaartuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van verordening
(EG) nr. 600/2004 van de Raad van de Europese Unie van 22 maart 2004
tot vaststelling van bepaalde technische maatregelen voor de visserij
in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de
levende rijkdommen in de Antarctische wateren (PbEU L 97) in strijd te
handelen met de artikelen 3, 4, 6, 7, eerste tot en met derde lid, 8,
eerste tot en met achtste lid, 9, eerste tot en met derde lid, 10, 11,
eerste en derde tot en met vijfde lid, 12, eerste tot en met vierde
lid, en 14, eerste tot en met derde lid, van die verordening.
2.Het is verboden met een
vissersvaartuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van
verordening (EG) nr. 601/2004 van de Raad van de Europese Unie van 22
maart 2004 tot vaststelling van bepaalde controlemaatregelen voor de
visserij in het verdragsgebied van het Verdrag inzake de
instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en
tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 3943/90, (EG) nr. 66/98
en (EG) nr. 1721/1999 (PbEU L 97) in strijd te handelen met de
artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid,
7 bis, 7 ter, eerste lid, 9, eerste tot en met derde lid, 13, eerste
tot en met derde lid, 14, eerste en tweede lid, 17, eerste en derde
lid, 18, eerste en tweede lid, 19, eerste lid, 23, eerste lid, 24,
eerste en tweede lid, 26 bis en 30, tweede lid, van die verordening.
Artikel 12t
Vanaf de datum, bedoeld in artikel 50,
tweede lid, van verordening nr. 1224/2009 is het voor vissersvaartuigen
en vissersvaartuigen van andere lidstaten en derde landen met een lengte
van 12 meter over alles of meer verboden te handelen in strijd met
artikel 50, derde en vierde lid, van verordening nr. 1224/2009.
Artikel 12u
1. De minister kan besluiten tot
sluiting van een gebied ingeval een vangstdrempel als bedoeld in
artikel 51, eerste lid, van verordening nr. 1224/2009 is bereikt.
2. In het besluit, bedoeld in het
eerste lid, bepaalt de minister:
a. het geografische gebied van de
visgronden waarop de sluiting van toepassing is;
b. de duur van de sluiting, en
c. de voorwaarden voor de visserij
in dat gebied gedurende de sluiting.
Artikel 12v
1. Het is verboden visserijactiviteiten
uit te oefenen in een gebied dat gesloten is op grond van artikel 12u,
eerste lid, artikel 54, eerste lid, van verordening nr. 1224/2009.
2. Het is verboden visserijactiviteiten
uit te oefenen in een gebied dat gesloten is op grond van artikel 104
van verordening nr. 1224/2009.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, is niet van toepassing als is voldaan aan de voorwaarden als
opgenomen in het besluit tot sluiting als bedoeld in artikel 12u,
eerste lid, of artikel 54, eerste lid, van verordening nr. 1224/2009.
Artikel 12w
Het is verboden te handelen in strijd met
artikel 52, eerste lid, van verordening nr. 1224/2009.
Artikel 13
1.Het is verboden één of meer
drijfnetten waarvan de gezamenlijke lengte groter is dan 2,5km, aan
boord van een vissersvaartuig te hebben of daarmee te vissen.
2.Vanaf 1 januari 2002 is het verboden
om:
a. één of meer drijfnetten,
bestemd voor de vangst van de in bijlage VIII van verordening nr.
894/97 vermelde soorten, aan boord te hebben of daarmee te vissen,
en
b. vangsten van de in onderdeel a
bedoelde soorten, gevangen met in dat onderdeel bedoelde netten,
in Nederland aan te landen.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
toepassing op alle communautaire vissersvaartuigen in de wateren die
onder Nederlandse soevereiniteit of jurisdictie vallen, alsmede op de
Nederlandse vissersvaartuigen in alle wateren die onder de
soevereiniteit of jurisdictie vallen van andere lidstaten van de
Europese Unie vallen, met uitzondering van de wateren die vallen onder
Verordening (EG) nr. 88/98 van de Raad van de Europese Unie van 18
december 1997 houdende technische maatregelen voor de instandhouding
van visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Oresund (PbEG L 9).
4.Het is verboden in strijd te handelen
met de artikelen 2, 3, 5, 7, 8, 8 bis, eerste en tweede lid, artikel 8
ter tot en met 12, van de in het derde lid bedoelde verordening.
Artikel 13a
1.Het is verboden voor vaartuigen met
een lengte over alles van meer dan 12 meter het vistuig, bedoeld in
bijlage I bij verordening nr. 812/2004, te gebruiken in de perioden,
genoemd in die bijlage:
a. in het Oostzeegebied, zoals
beschreven in bijlage I van verordening nr. 812/2004;
b. in ICES-deelgebied IV en
ICES-sector IIIa en ICES-sectoren VII e, f, g, h, en j;
c. in ICES-sector VIId, met ingang
van 1 januari 2007, en
d. in Oostzeedeelgebied 24, met
ingang van 1 januari 2007.
2.Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, is niet van toepassing, indien gebruik wordt gemaakt van
akoestische afschrikmiddelen, die voldoen aan artikel 3, eerste lid,
van verordening nr. 812/2004 en wordt gehandeld overeenkomstig artikel
2, tweede lid, van verordening nr. 812/2004.
3.De minister kan overeenkomstig
artikel 2, derde lid, en artikel 3, tweede lid, van verordening nr.
812/2004 ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 14
Indien ontheffing wordt verleend van deze
regeling in verband met het uitoefenen van de visserij ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of visserij ten behoeve van het kunstmatig
uitzetten of overbrengen van mariene organismen, geschiedt dit in
overeenstemming met de artikelen 43 en 44 van verordening nr. 850/98 en
artikel 2, tweede lid, van de verordening inzake vangstmogelijkheden.
Artikel 15
De Regeling technische maatregelen wordt
ingetrokken.
Artikel 16
[Wijzigt de Regeling eisen
satellietvolgapparatuur]
Artikel 17
[Wijzigt de Regeling vangstbeperking]
Artikel 18
[Wijzigt de Regeling
capaciteitsvermindering zeevisserij]
Artikel 19
[Wijzigt de Vrijstellingsregeling
Westerschelde]
Artikel 20
Deze regeling treedt in werking op 1
januari 2000. Deze regeling kan worden aangehaald als de Regeling
technische maatregelen 2000.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij,
J.F. de Leeuw.
|