|
REGELING van de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit van 19 september 2008, nr. TRCJZ/2007/3190,
houdende samenvoeging en vereenvoudiging van diverse regelingen op het
gebied van de visserij (Uitvoeringsregeling visserij)
De Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit;
Gelet op de artikelen 1, tweede lid, onderdeel a en
b, en vijfde lid, 2c, eerste lid, 17, eerste en derde
lid, en 24 van de Visserijwet 1963;
Gelet op de artikelen 3, 4 en 6d van het
Reglement zee- en kustvisserij 1977;
Gelet op de artikelen 1, eerste lid,
onderdeel g, tweede en derde lid, 6, derde lid, 8, 10a, eerste en tweede
lid, 11, 12 en 13 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister: Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie;
b. visserijzone: in artikel 1, vierde
lid, onder a, van de wet (Stb. 312) bedoelde zone;
c. zeegebied: als zodanig in artikel
1 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 (Stb.
176) aangewezen wateren;
d. kustwateren: als zodanig in
artikel 2 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970
aangewezen wateren;
e. binnenwateren: overige Nederlandse
wateren, niet behorende tot het zeegebied en de kustwateren;
f. riviervisserij: visserij die op de
Westerschelde ten oosten van de lijn van de lichtopstand de Nolle
nabij Vlissingen naar de lichtopstand Nieuwe Sluis in Zeeuws
Vlaanderen wordt uitgeoefend;
g. rapen: vergaren, niet zijnde het
vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van schelpdieren;
h. handmatig: met de hand, zonder
gebruikmaking van enig hulpmiddel, dan wel louter met gebruikmaking
van een riek of een spade;
i. merkje: door of vanwege de
Minister verstrekt, bij een vergunning behorend merkteken;
j. verordening: verordening (EG) nr.
104/2000 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december
1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de
sector visserijprodukten en produkten van de aquacultuur (Pb EG L
17);
k. producentenorganisatie:
organisatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
verordening;
l. aangeslotene: aangeslotene bij een
erkende producentenorganisatie voor het IJsselmeer;
m. grote fuik: aalfuik die met behulp
van stokken of palen wordt uitgezet en verbonden is aan schutwant,
al dan niet deeluitmakend van een fuikregel;
n. schietfuik binnenvisserij: aalfuik
die door een vleugel met een tweede aalfuik wordt verbonden, welke
beide fuiken paarsgewijs worden uitgezet;
o. bordennet: vistuig dat bestaat uit
één net dat bij het vissen wordt opengehouden door twee aan het
net verbonden visborden;
p. handzeef: zeef met een lengte en
breedte van ten minste 80 centimeter respectievelijk 60 centimeter,
in de lengterichting voorzien van gladde draadvormige spijlen, die
op gelijke hoogte en met een onderlinge afstand van ten minste 7
millimeter zijn aangebracht;
q. functionaris: functionaris als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling
zeevisserij;
r. visvak: in een tussen het Rijk en
de huurder gesloten overeenkomst tot verhuur van het visrecht nader
aangeduid visgebied, waarin op grond van deze overeenkomst met een
aalfuik, staand want, hoekwant, aalkistje, ankerkuil of enig ander
vast vistuig mag worden gevist;
s. staatswateren: wateren waarvan de
Staat der Nederlanden de eigendom heeft van de grond eronder;
t. IJsselmeer: IJsselmeer zoals
afgebakend in artikel 1, tweede en derde lid, van het Reglement voor
de binnenvisserij 1985;
u. garnaal: noordzeegarnaal (Crangon
crangon).
v. spieringdrijfnet: ieder een- of
meerwandig wargaren, hetwelk bij gebruik door de stroom wordt
voortbewogen, met een maaswijdte van 45 mm of minder;
w. recreatieve visserij: het vissen
met vaste vistuigen, waarbij de vangst uitsluitend bestemd is voor
eigen gebruik;
x. mosselzaadinvanginstallatie: al
dan niet drijvend, aan de bodem verankerd of bevestigd vistuig,
bestaande uit verbindingsmateriaal waaraan met het oogmerk om
periodiek mosselzaad te oogsten invangsubstraat is bevestigd waaraan
mossellarven zich kunnen hechten;
y. vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie: vergunning als bedoeld in artikel 36
voor het vissen met een mosselzaadinvanginstallatie;
z. mosselkweekperceel: perceel dat
zich bevindt in een kustwater en dat bestemd is voor het kweken van
mosselen;
aa. wet: Visserijwet 1963;
bb. vistuig van het type staand want:
kieuwnetten en warrelnetten als bedoeld in bijlage I, tabel 3, van
verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen van 30 december 2003 betreffende de communautaire
gegevensbestand over de vissersvloot (PbEU L5).
Artikel 1a
Deze regeling berust op:
a. de artikelen 1, tweede lid,
onderdelen a en b, 2c, eerste lid, 3a, 17, eerste en derde lid, 24
en 54c van de wet;
b. de artikelen 3, 4 en 6d van het
Reglement zee- en kustvisserij 1977, en
c. de artikelen 1, eerste lid,
onderdeel g, tweede en derde lid, 6, derde lid, 8, 10a, 10b, 11, 12
en 13 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985.
Hoofdstuk 2. Aanwijzingsbepalingen en
administratieverplichtingen
§ 2.1. Aanwijzingen op grond van de
Visserijwet 1963
Artikel 2
Als vissen, onderscheidenlijk schaal- en
schelpdieren als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel a,
onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet, worden aangewezen de in de
bijlage 1 opgenomen soorten.
Artikel 3
Als vissoort als bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de wet wordt onder de in de artikelen 28 en 62 bepaalde
beperkingen en voorschriften aangewezen: de graskarper.
Artikel 4
Als middelen, bedoeld in artikel 2c,
eerste lid, van de wet, waarmee het verboden is vis te bedwelmen, te
verwonden of te doden, worden aangewezen:
a. kokkelbonen;
b. tjoekvisje;
c. ongebluste kalk;
d. dynamiet, en
e. andere vergiftigende, bedwelmende
en ontplofbare stoffen.
Artikel 5
Als water waarvoor de bepalingen van
paragraaf 5 van de wet betreffende de huur en verhuur van visrecht niet
gelden, wordt aangewezen: het Grevelingenmeer.
Artikel 5a
Als vissoort als bedoeld in artikel 54c,
derde lid, onderdeel a, van de wet, worden aangewezen: de aal en de
wolhandkrab.
§ 2.2. Aanwijzingen op grond van het
Reglement voor de binnenvisserij 1985
Artikel 6
Als maat voor de middellijn van de
ringetjes alsmede de gaten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel
g, van het Reglement voor de Binnenvisserij 1985 wordt vastgesteld: 12
mm.
§ 2.3. Administratieverplichtingen
Artikel 7
1.Degene die de vissoorten aal,
snoekbaars, baars, snoek, zeelt, brasem, karper, ruisvoorn en
blankvoorn aanvoert, degene die in de uitoefening van een beroep of
bedrijf deze vissoorten afneemt en degene die bemiddeling verleent bij
het veilen van deze vissoorten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid,
van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, zijn verplicht
dagelijks een administratie bij te houden van de overdracht en de
opslag van deze vissoorten.
2.Degene die bemiddeling verleent bij
het veilen van de vissoorten, genoemd in het eerste lid, is verplicht
er voor zorg te dragen dat op bij de op de veiling aanwezige
vissoorten de naam van de aanvoerder is vermeld alsmede de herkomst
van de vissoorten.
Artikel 8
1. In het geval een aanvoerder van aal
als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van het Reglement voor de
binnenvisserij 1985, deze soort onder zich houdt, blijkt uit de
administratie, bedoeld in artikel 7, eerste lid:
a. de hoeveelheid;
b. de plaats van opslag;
c. de datum van aanvoer en de datum
van verkoop;
d. de herkomst, en
e. de naam van de afnemer.
2. In het geval een aanvoerder van de
vissoorten snoekbaars, baars, snoek, zeelt, brasem, karper, ruisvoorn
en blankvoorn meer dan 5 kilogram vis, behorend tot deze soorten,
onder zich houdt, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van het
Reglement voor de binnenvisserij 1985, moet uit de administratie,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, blijken:
a. de vissoort;
b. de hoeveelheid per vissoort;
c. de plaats van opslag;
d. de datum van aanvoer van de
vissoorten en de datum van verkoop;
e. de herkomst van de vissoort, en
f. de naam van de afnemer.
3. In het geval de vissoorten, bedoeld
in het eerste en tweede lid, zonder bemiddeling van een veiling of
visafslag worden verkocht, moet uit de administratie van de afnemer
blijken:
a. de vissoort;
b. per vissoort de hoeveelheid;
c. de datum van aanvoer van de
vissoorten en de datum van verkoop;
d. de naam van de aanvoerder en
diens woonadres, en
e. de herkomst van de vissoort.
4. In het geval de vissoorten, bedoeld
in het eerste en tweede lid, via de bemiddeling van een veiling ter
verkoop worden aangeboden, moet uit de administratie van degene die
deze bemiddeling verleent, blijken:
a. de vissoort;
b. per vissoort de hoeveelheid;
c. de naam van de aanvoerder;
d. de naam van de afnemer;
e. de datum van aanvoer van de
vissoort en de datum van verkoop, en
f. de herkomst van de vissoort.
Artikel 9
Alle bewijsstukken of bescheiden waarin
de gegevens, bedoeld in artikel 8, zijn vastgelegd, moeten vanaf het
tijdstip van hun opstelling of verkrijging tot het tijdstip waarop drie
kalenderjaren zijn verlopen, worden bewaard.
Artikel 10
De verplichting om een administratie bij
te houden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, geldt niet voor:
a. een inrichting waarvoor een
vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet is
vereist;
b. een inrichting waarvan de
ondernemer op grond van artikel 3 van de Registratieverordening
Bedrijfschap Horeca en Catering 2008 of artikel 8 van de
Registratieverordening HBD 2005 verplicht is tot registratie bij het
Bedrijfschap Horeca en Catering respectievelijk het
Hoofdbedrijfschap Detailhandel.
Artikel 10a
1. Een visser die in enig jaar gebruik
maakt van de vistuigen, genoemd inartikel 32a, eerste lid, met
uitzondering van onderdeel h, doet wekelijks uiterlijk op dinsdag om
24.00 uur opgave aan de Minister van zijn aalvangsten en zijn
visserij-inspanning in de voorafgaande week. Uit deze opgave blijkt:
a. de naam van de visser;
b. de hoeveelheid aal in kilogram,
onderscheiden naar het soort vistuig, bedoeld in onderdeel d,
waarmee het is gevangen;
c. de herkomst van de aal;
d. het aantal en het soort
vistuigen waarmee de visser in de betreffende week op aal heeft
gevist.
2. De opgave geschiedt op een door de
Minister beschikbaar te stellen format.
3. In afwijking van het eerste lid kan
een visser die in een bepaalde periode geen gebruik maakt van de
vistuigen genoemd in artikel 32a, eerste lid, hiervan voorafgaand aan
die periode opgave doen.
4. Van de verplichting uit het eerste
lid zijn uitgezonderd diegenen, die op grond van artikel 104, tweede
lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij alle aalvangsten
registreren.
Artikel 10b [Vervallen per 01-01-2012]
Hoofdstuk 3. Verbodsbepalingen
§ 3.1. Verbodsbepalingen visserijzone,
zeegebied en kustwateren
Artikel 11
Het is verboden te vissen in het gebied,
genoemd in bijlage 3.
Artikel 12
1. Het is verboden te vissen in het
zeegebied en de kustwateren met een aalfuik, staand want, hoekwant,
aalkistje, ankerkuil of enig ander vast vistuig, niet zijnde een
vistuig, bestemd voor het vangen van schelpdieren.
2. Het is verboden in de kustwateren te
vissen met een zegen.
Artikel 13
Het is verboden te vissen met:
a. sleepnetten al dan niet met
wekkerkettingen in de Oosterschelde ten oosten van de
Oosterscheldekering, en
b. sleepnetten met wekkerkettingen in
de gebieden genoemd in bijlage 5.
Artikel 14
1.Het is verboden in het zeegebied en
de kustwateren te vissen met:
a. de harpoen, de elger, de
aalschaar, of enig ander vistuig, hetwelk geëigend is de vis te
verwonden, met uitzondering van het hoekwant, de reep, de dobber,
de zetangel of fleur, de hengel of spieringtuig, en
b. een visnet waarvan het netwerk
van metaalgaas is vervaardigd, met uitzondering van de
kreeftenkorf en enig ander net, bestemd of mede bestemd tot het
vangen van schaal- en schelpdieren, zeesterren en zee- of
koraalmos.
2.Het is verboden in de kustwateren,
genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied
en kustwateren 1970, te vissen met een kuilnet waarvan de maaswijdte
kleiner is dan 17 mm.
3.Het is verboden in de kustwateren,
genoemd in artikel 2, derde tot en met zevende lid, van het Besluit
aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970, met de hierna genoemde
vistuigen te vissen, indien de maaswijdte kleiner is dan het aantal
millimeters, vermeld achter het desbetreffende vistuig:
a. de ankerkuil 13 mm;
b. het staande ansjovisnet, de fuik
van een ansjovisweer 15 mm;
c. het kuilnet 17 mm;
d. de zegen 20 mm;
e. het spieringdrijfnet 25 mm, en
f. het schutnet, het staande
botnet, de fuik aan een botweer 80 mm.
4.Het is verboden in de kustwateren te
vissen met een vistuig, waarvoor een minimummaaswijdte is vastgesteld,
indien met betrekking tot dat vistuig enige handeling is verricht of
enig middel is aangewend, waardoor het ontsnappen van vis kan worden
bemoeilijkt of belet.
Artikel 15
Het is verboden de visserij uit te
oefenen met een vissersvaartuig waarvan het motorvermogen groter is dan
het motorvermogen dat staat vermeld op de ten behoeve van dat
vissersvaartuig verleende vergunning als bedoeld in artikel 70, eerste
lid.
Artikel 16
Het is verboden te vissen met mechanische
vistuigen, geschikt voor het vangen van kokkels in de kustwateren,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied
en kustwateren 1970.
Artikel 17
Het is verboden te vissen met enig
vistuig, geschikt voor het vangen van schelpdieren, in:
a. de gebieden, genoemd in bijlage 4;
b. de territoriale zee van Nederland,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse
territoriale zee;
c. het zeegebied, en
d. de kustwateren.
Artikel 18
1.Het is verboden schaal- en
schelpdieren te rapen in de visserijzone, het zeegebied en de
kustwateren tussen één uur na zonsondergang en één uur vóór
zonsopgang.
2.Het is verboden schelpdieren te rapen
in het gebied, genoemd in bijlage 3.
3.Het is verboden schelpdieren te rapen
in het gebied, genoemd in bijlage 5.
Artikel 19
Het is verboden schelpdieren uit te
zaaien of uit te zetten in de visserijzone, het zeegebied en de
kustwateren.
Artikel 20
Het is verboden te vissen met vistuigen,
geschikt voor het vangen van garnalen in het gebied, genoemd in bijlage
6.
Artikel 21
Het is verboden te vissen met enig
vistuig geschikt voor het vangen van garnalen in de visserijzone, het
zeegebied en de kustwateren met uitzondering van de Westerschelde.
Artikel 22
Het is verboden om van vrijdag 12.00 uur
tot de daaropvolgende zondag 24.00 uur buiten de haven te zijn met een
vaartuig dat enig vistuig aan boord heeft geschikt voor het vangen van
garnalen.
Artikel 23
Het is verboden op of in de nabijheid van
enig water, behorend tot de visserijzone, het zeegebied of de
kustwateren, een vistuig voorhanden te hebben, indien en voor zover het
gebruik van dat vistuig in dat water ingevolge het bepaalde in de
artikelen 11 tot en met 22 verboden is.
Artikel 23a
1. Aal gevangen met een hengel of peur
in de visserijzone, het zeegebied en de kustwateren wordt onmiddellijk
levend in hetzelfde water teruggezet.
2. Het is verboden aal voorhanden te
hebben bij de uitoefening van de visserij, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 23b
1. Het is verboden te vissen met een
vistuig dat in hoofdzaak wordt gebruikt of is bestemd voor de vangst
van aal of wolhandkrab in de gebieden, genoemd in bijlage 15.
2. Het is verboden aal en wolhandkrab
voorhanden te hebben in of in de onmiddellijke nabijheid van de
gebieden, genoemd in bijlage 15.
§ 3.2. Verbodsbepalingen binnenwateren
Artikel 24
Als wateren waarin het ingevolge artikel
7, tweede lid, onderdeel a, van het Reglement voor de binnenvisserij
1985, is verboden te vissen tussen twee uur na zonsondergang en één
uur vóór zonsopgang worden aangewezen de in bijlage 2 opgenomen
wateren.
Artikel 25
Als water waarin het verboden is te
vissen met de hengel in de periode van 1 april tot en met 31 mei, wordt
aangewezen de in bijlage 7 opgenomen wateren.
Artikel 26
Als water, waarin het verboden is te
vissen met enig vistuig wordt aangewezen: de Geul, bovenstrooms van de
grens tussen de gemeenten Valkenburg en Meerssen en haar zijbeken, de
Voerenbeek en de Noorbeek met dien verstande, dat het van 1 april tot en
met 30 september toegestaan is te vissen met de hengel, voor zover deze
niet is geaasd met worm of nabootsing daarvan.
Artikel 27
Als wateren, waarin het is verboden te
vissen met de vistuigen, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdelen c
tot en met p, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, worden
aangewezen de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d,
van de wet met uitzondering van het IJsselmeer.
Artikel 28
Het uitzetten van graskarpers is verboden
in:
a. beken en rivieren;
b. wateren die geheel dan wel ten
dele zijn gelegen in gebieden als bedoeld in artikel 10, 10a en 12
van de Natuurbeschermingswet 1998;
c. wateren die geheel dan wel ten
dele zijn gelegen op percelen die als natuurgebied zijn aangewezen
in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
ruimtelijke ordening, en
d. overige wateren.
Artikel 28a
Het is verboden de volgende
rivierkreeften in de binnenwateren uit te zetten:
a. Californische rivierkreeft;
b. Geknobbelde Amerikaanse
rivierkreeft;
c. Gestreepte Amerikaanse
rivierkreeft;
d. Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft;
e. Marmerkreeft;
f. Rode Amerikaanse rivierkreeft, en
g. Turkse rivierkreeft.
Artikel 28b
1. Het is verboden te vissen in de
wateren, genoemd in bijlage 16, met de volgende vistuigen:
a. aaldogger
b. aalfuik
c. aalhoekwant
d. aalkistje
e. aalzegen
f. ankerkuil
g. electrovisapparaat
h. peur
i. visfuik
2. Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, geldt voor het gehele gebied binnen de winterdijken van de
wateren, genoemd in bijlage 16, en voor alle havens, plassen, killen,
gaten, putten, strangen, kreken, kanalen, beken en rivierarmen die in
directe open verbinding staan met de wateren, genoemd in bijlage 16,
tot aan de eerste waterkering gerekend vanaf die wateren.
3. Het is verboden aal en wolhandkrab
voorhanden of in voorraad te hebben op of in de onmiddellijke
nabijheid van de wateren, genoemd in bijlage 16.
§ 3.3. Verbodsbepalingen IJsselmeer
Artikel 29
1. Het is verboden te vissen in het
IJsselmeer met:
a. de grote fuik in de periode van
1 januari tot en met 30 april;
b. de schietfuik binnenvisserij in
de periode van 1 oktober tot en met 30 april;
c. het staand net in de periode van
16 maart tot en met 30 juni;
d. het aalhoekwant in de periode
van 1 november tot en met 11 april;
e. het aalkistje in de periode van
1 november tot en met 11 april;
f. de aaskuil in de periode van 1
november tot en met 11 april, en
g. de zegen in de periode van 16
maart tot en met 31 oktober.
2. Het is verboden te vissen in het
IJsselmeer met het staand net, het aalhoekwant of het aalkistje van
vrijdagmiddag 16.00 uur tot de daaropvolgende maandagmorgen 8.00 uur.
3. Het is verboden te vissen in het
IJsselmeer met de aaskuil van donderdag zonsondergang tot de
daaropvolgende maandag 8.00 uur en voorts dagelijks van zonsondergang
tot de daaropvolgende morgen 8.00 uur.
Artikel 30
Het is verboden te vissen met de
schietfuik binnenvisserij in de gebieden in het IJsselmeer, genoemd in
bijlage 8.
Artikel 31
Het is verboden te vissen met de aaskuil
in de gebieden in het IJsselmeer, genoemd in bijlage 9.
Artikel 32
1.Onverminderd het bepaalde in de
artikelen 29 tot en met 31, is het verboden te vissen in het
IJsselmeer gedurende een door de Minister te bepalen periode, met alle
vistuigen behalve de hengel en de peur.
2.De periode waarin het verboden is te
vissen op grond van het vorige lid, wordt jaarlijks vastgesteld en
bekendgemaakt in de Staatscourant.
§ 3.4. Verbodsbepalingen voor alle
wateren
Artikel 32a
1. De zeevisserij, de kustvisserij en
de binnenvisserij zijn in de periode van 1 september tot en met 30
november verboden met de volgende vistuigen:
a. aaldogger als bedoeld in artikel
1, onderdeel i, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
b. aalfuik als bedoeld in artikel
1, onderdeel e, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
c. aalhoekwant als bedoeld in
artikel 1, onderdeel h, van het Reglement voor de binnenvisserij
1985;
d. aalkistje als bedoeld in artikel
1, onderdeel g, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
e. aalzegen als bedoeld in artikel
1, onderdeel k, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
f. ankerkuil als bedoeld in artikel
1, onderdeel f, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
g. electrovisapparaat als bedoeld
in artikel 1, onderdeel p, van het Reglement voor de
binnenvisserij 1985;
h. peur als bedoeld in artikel 1,
vijfde lid, van de wet;
i. visfuik als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel d, van het Reglement voor de
binnenvisserij 1985, of
j. enig ander vistuig, niet zijnde
een hengel, dat in hoofdzaak gebruikt wordt of bestemd is voor de
vangst van aal.
2. Het is verboden om in de periode,
genoemd in het eerste lid, een vistuig als genoemd in het eerste lid,
voorhanden te hebben op of in de nabijheid van de Nederlandse wateren.
3. Van het verbod, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, en in het tweede lid, wordt vrijstelling
verleend voor de zee- en kustvisserij met een drijvend of in de
waterkolom zwevend vistuig bestaande uit een lange lijn met daaraan
aan zijlijntjes bevestigde enkeltandige haken, waarvan de kortste
afstand tussen de punt en de steel ten minste 10 mm bedraagt, die de
zeebodem niet raken.
4. Van het verbod, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, en in het tweede lid, wordt vrijstelling
verleend voor de visserij met een aalfuik waarin:
a. als afsluiting van de fuik
achter de laatste inkeling een hoepel van gelijke grootte als de
laatste hoepel van de fuik is aangebracht, bespannen met een
netwerk met een maaswijdte van ten minste 60 mm, dat zodanig is
aangebracht, dat de mazen in de te water staande fuik vierkant van
vorm zijn;
b. als afsluiting van de fuik
achter de laatste inkeling een hoepel van gelijke grootte als de
laatste hoepel van de fuik is aangebracht, waaraan een in een punt
toelopend netwerk met een maaswijdte van ten minste 60 mm is
bevestigd, of
c. waarin achter de laatste
inkeling een verlenging van de fuik bevestigd, bestaande uit om
twee hoepels van gelijke grootte als de laatste hoepel van de fuik
gespannen netwerk met een maaswijdte van ten minste 60 mm.
5. De vrijstelling, bedoeld in het
vierde lid, geldt slechts voor ondernemers die voor 1 september van
het betreffende jaar een controleovereenkomst hebben gesloten met
Productschap Vis.
Artikel 32b
1. Aal, gevangen in de visserijzone,
het zeegebied, de kustwateren of de wateren, bedoeld in artikel 1,
vierde lid, onderdeel d, van de wet, in de periode, genoemd in artikel
32a, eerste lid, met een vistuig dat niet genoemd is in artikel 32a,
eerste lid, onderdelen a tot en met j, wordt onmiddellijk na het
lichten van het vistuig levend in hetzelfde water teruggezet.
2. Het is verboden in de periode,
bedoeld in artikel 32a, eerste lid, op of nabij het zeegebied, de
kustwateren, de visserijzone en de wateren, bedoeld in artikel 1,
vierde lid, onderdeel d, van de wet, aal voorhanden te hebben.
Hoofdstuk 4. Vrijstellingen, ontheffingen
en vergunningen
§ 4.1. Algemeen
Artikel 33
1.Bij het verlenen van vrijstellingen
of ontheffingen alsmede bij het daaraan verbinden van voorschriften en
het verlenen onder beperkingen, als bedoeld in artikel 6d, tweede lid,
van het Reglement zee- en kustvisserij 1977, en de artikel 11 en 12,
van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, wordt mede rekening
gehouden met de belangen van de natuurbescherming.
2.Aan vrijstellingen, ontheffingen en
vergunningen als bedoeld in onderhavige regeling, kunnen voorschriften
worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij
kunnen worden ingetrokken.
3.Niet naleven van beperkingen of
voorschriften als bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt als
handelen zonder vrijstelling, ontheffing of vergunning als bedoeld in
het tweede lid.
Artikel 34
Een vrijstelling als bedoeld in artikel
33, wordt niet verleend voor het rapen van schelpdieren in het gebied,
genoemd in bijlage 3.
Artikel 35
Een vergunning als bedoeld in artikel 33,
wordt niet verleend voor:
a. het vissen in het gebied, genoemd
in bijlage 3;
b. het vissen met vistuigen geschikt
voor het vangen van schelpdieren in de gebieden genoemd in bijlage 3
en 5, en
c. het vissen met vistuigen, geschikt
voor het vangen van garnalen in het gebied, genoemd in bijlage 6.
Artikel 35a
De Minister kan op aanvraag ontheffing
verlenen van het bepaalde in deartikelen 23b en 28b voor het verrichten
van onderzoek. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en beperkingen
worden verbonden. De ontheffing kan worden geschorst of ingetrokken.
Artikel 36
1. De in de artikelen 12, 17,
onderdelen b, c en d, 19 en 21 gestelde verboden, gelden niet voor
degene, die is voorzien van een vergunning van de Minister.
2. Een vergunning als bedoeld in het
eerste lid voor de visserij in het zeegebied en de kustwateren met een
vistuig als genoemd in artikel 12, wordt na 31 december 2010 niet
verleend voor de recreatieve visserij.
Artikel 37
Het verbod, bedoeld in artikel 23, geldt
niet indien het vistuig zodanig is verpakt of in zodanige toestand is,
dat dadelijk gebruik daarvan niet mogelijk is.
§ 4.2. Vrijstellingen sleepnetvisserij
Artikel 38
1.Van het bepaalde in artikel 6c,
eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 wordt
vrijstelling verleend:
a. voor het uitoefenen van de
visserij met de boomkor met vaartuigen, andere dan
vissersvaartuigen met een lengte over alles kleiner dan 8 meter,
in de visserijzone, het zeegebied en de Westerschelde, alsmede
voor het in deze wateren aan boord van zodanige vaartuigen
aanwezig hebben van een boomkor, en
b. voor het uitoefenen van de
riviervisserij met de boomkor met vaartuigen met een lengte over
alles kleiner dan 20 meter en met een motorvermogen van ten
hoogste 221 kW waarmee uitsluitend de riviervisserij wordt
uitgeoefend, alsmede voor het aan boord van zodanige vaartuigen
aanwezig hebben van een boomkor.
2.De vrijstelling, bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt slechts verleend voor
vaartuigen met één boomkor met een maximale breedte van 150
centimeter, gemeten tussen de uiteinden van de constructie, zonder dat
er voorzieningen zijn getroffen waardoor de boomkor kan worden
uitgeschoven of verlengd.
3.De vrijstelling, bedoeld in het
eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt slechts verleend:
a. aan ondernemers te wiens naam
het vaartuig in de Officiële lijst der Belgische
Vissersvaartuigen, bedoeld in het Ministeriële besluit van 21
februari 1934, is geregistreerd, en
b. voor vaartuigen:
1°. met ten hoogste twee
boomkorren waarvan de individuele lengte niet meer bedraagt
dan 4.5 meter, gemeten tussen de uiteinden van de constructie,
zonder dat er voorzieningen zijn getroffen waardoor de boomkor
kan worden uitgeschoven en verlengd;
2°. ten behoeve waarvan aan de
ondernemer, bedoeld in onderdeel a, een akte van consent is
afgegeven door het Waterschoutsambt te Antwerpen voor de
visserij op de Westerschelde als bedoeld in het Reglement van
20 mei 1843 ter uitvoering van artikel 9 van het Verdrag van
19 april 1839 betreffende de uitoefening van het recht der
visscherij en van den vischhandel.
4.In afwijking van het derde lid,
onderdeel b, onder 1º, wordt voor de gerichte riviervisserij op
garnalen de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
verleend voor vaartuigen met ten hoogste twee boomkorren waarvan de
individuele lengte niet meer bedraagt dan 12 meter, gemeten tussen de
uiteinden van de constructie, zonder dat er voorzieningen zijn
getroffen waardoor de boomkor kan worden uitgeschoven of verlengd.
5.Vaartuigen ten aanzien waarvan de in
het eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde vrijstelling is
verleend, worden vermeld op bijlage 10 die op voordracht van de
bevoegde Belgische autoriteiten wordt vastgesteld.
Artikel 39
Van het bepaalde in artikel 21, wordt
vrijstelling verleend voor het vissen in de visserijzone en het
zeegebied:
a. met vaartuigen met een lengte over
alles kleiner dan 8 meter, voor zover het betreft de visserij met
een boomkor, en
b. met vaartuigen met een lengte over
alles kleiner dan 10 meter, voor zover het betreft de visserij met
een bordennet.
Artikel 40
Van artikel 79, eerste lid, van de
Uitvoeringsregeling zeevisserij wordt vrijstelling verleend voor
vaartuigen, andere dan vissersvaartuigen:
a. met een lengte over alles kleiner
dan 8 meter, voor zover het betreft het verbod om een boomkor aan
boord te hebben in de visserijzone, het zeegebied en de
Westerschelde, en
b. met een lengte over alles kleiner
dan 10 meter, voor zover het betreft het verbod om een bordennet aan
boord te hebben in de visserijzone, het zeegebied en de
Westerschelde.
Artikel 41
De vrijstellingen, bedoeld in de
artikelen 39 en 40, worden slechts verleend voor vaartuigen met één
boomkor als bedoeld in artikel 38, tweede lid, of met één bordennet
waarvan de hoogte van de visborden niet meer bedraagt dan 70 centimeter
en waarvan de lengte van de bovenpees, inclusief stroppen en kabels,
niet meer bedraagt dan 225 centimeter, gemeten vanaf de achterzijde van
het ene tot de achterzijde van het andere bord.
Artikel 42
1. Aan de vrijstellingen, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 39 en artikel 40,
worden de volgende voorschriften verbonden:
a. vissoorten als genoemd in de
bijlagen 4, 5, en 6 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij, met
uitzondering van schar en bot gevangen in de bij die vissoorten
genoemde wateren, dienen onmiddellijk na het ophalen ervan in
hetzelfde water te worden teruggezet;
b. indien de visserij op garnalen
wordt uitgeoefend, dient de vangst direct na aan boord te zijn
gehaald, te worden gesorteerd met behulp van een handzeef, en
c. het is verplicht een handzeef
aan boord te hebben van het vaartuig waarmee de garnalenvisserij
wordt uitgeoefend.
2. Aan de vrijstelling, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, aanhef en onder b, worden de volgende
voorschriften verbonden:
a. verordening (EG) nr. 850/98 van
de Raad van de Europese Unie van 30 maart 1998 voor de
instandhouding van visbestanden via technische maatregelen voor de
bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PbEG
L125) wordt, met uitzondering van artikel 29 van voornoemde
verordening, bij de uitoefening van de visserij in acht genomen;
b. aanlandingen in Nederlandse
havens vinden slechts overeenkomstig de de Uitvoeringsregeling
zeevisserij plaats, en
c. bij aanlanding in een
Nederlandse haven is de ondernemer verplicht onverwijld maar
uiterlijk binnen een half uur na aanlanding per vissoort opgave
van de vangsthoeveelheden te doen.
3. De opgave, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel c, vindt plaats door middel van het indienen van het
logboek, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
controleverordening, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de
Uitvoeringsregeling zeevisserij.
4. Het indienen van het logboek,
bedoeld in het derde lid, vindt plaats door overhandiging aan een
functionaris of aan een ambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit of deponering van het formulier in een opgavebus als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling
zeevisserij.
Artikel 43
1. Van het verbod in artikel 13,
onderdeel a, is degene die op 15 april 2007 in het bezit was van een
vergunning als bedoeld in artikel 36, vrijgesteld onder de voorwaarden
dat:
a. eidragende en pas verschaalde
kreeften, als kreeften gevangen in de periode vanaf 1 april tot en
met 15 juli, onmiddellijk worden teruggezet, en
b. bijgevangen ondermaatse vis dan
wel garnalen met behulp van water automatisch naar buitenboord
worden afgevoerd via een uit glad materiaal bestaande glijgoot of
afvoerpijp;
2. Indien degene als bedoeld in het
eerste lid, met een ander vissersvaartuig vist dan met het vaartuig
waarvoor de in het eerste lid bedoelde vergunning is verleend, maakt
hij hiervan twee weken van tevoren schriftelijk melding bij de
Minister.
§ 4.3. Vrijstellingen schelpdiervisserij
Artikel 44
Van het bepaalde in artikel 17 wordt
vrijstelling verleend voor het vissen met enig vistuig geschikt voor het
vangen van:
a. mosselen en zeesterren door de
visrechthebbende op de mosselpercelen gelegen in de kustwateren;
b. mosselen en zeesterren door de
visrechthebbende dan wel degene die daartoe toestemming heeft
gekregen van de visrechthebbende op verwaterpercelen, en
c. oesters door de visrechthebbende
op de oesterpercelen in de Oosterschelde.
Artikel 45
Van het verbod in artikel 19 wordt
vrijstelling verleend voor zover het betreft het uitzetten of uitzaaien
van mosselen, kokkels, oesters en Japanse oesters.
Artikel 46
De vrijstelling, bedoeld in artikel 44,
wordt slechts verleend voor zover het betreft het vissen met een
vissersvaartuig met korren, waarvan de opening niet breder is dan 1.90
meter.
Artikel 47
Onverminderd het bepaalde in artikel 46
is het vissen van mosselen, zeesterren en oesters, met uitzondering van
het vissen op verwaterpercelen, verboden:
a. tussen zonsondergang en
zonsopgang;
b. op zaterdagen en zondagen en
algemeen erkende christelijke feestdagen, en
c. bij een zicht van 250 meter of
minder.
§ 4.4. Vrijstelling rapen schelpdieren
Artikel 48
Van het verbod in artikel 18, derde lid,
wordt vrijstelling verleend aan:
a. degene die handmatig schelpdieren
raapt en visrechthebbende is op de desbetreffende
schelpdierpercelen, dan wel van de visrechthebbende vooraf
schriftelijke toestemming heeft gekregen om handmatig schelpdieren
te rapen op die percelen, gelegen in het gebied, genoemd in bijlage
5, en
b. degene die handmatig schelpdieren
raapt voor eigen gebruik, tot ten hoogste tien kilogram bruto per
dag.
§ 4.5. Vrijstellingen garnalenvisserij
Artikel 49
Van het verbod, bedoeld in artikel 21, is
vrijgesteld degene, die anders dan met behulp van een vaartuig op
garnalen vist.
Artikel 50
Het verbod, bedoeld in artikel 22, geldt
niet
a. indien het vissen wordt uitgevoerd
als toeristische activiteit met een daarvoor geschikt vaartuig en de
vangst niet op de markt wordt gebracht, en
b. voor het buiten de haven zijn met
een vaartuig dat enig vistuig aan boord heeft geschikt voor het
vangen van garnalen buiten de Nederlandse wateren, tijdens
opeenvolgende tijdvakken van twee weken telkens ten hoogste negen
etmalen. Het eerste tijdvak begint op de eerste zondag in oktober om
24.00 uur en loopt twee weken later op zondag om 24.00 uur af.
§ 4.6. Vrijstellingen visserij met vaste
vistuigen
Artikel 51
Van het verbod in artikel 12 wordt
vrijstelling verleend aan de rechthebbende op het visrecht in
staatswateren met vaste vistuigen in een visvak, voor het vissen in dit
visvak met die vistuigen waarop het visrecht betrekking heeft.
Artikel 52
1.Aan de vrijstelling, bedoeld in
artikel 51, zijn de volgende voorschriften verbonden:
a. de vistuigen zijn boven het
waterpeil voorzien van een bordje, waarop duidelijk leesbaar het
letterteken en nummer van het vissersvaartuig is vermeld dan wel,
voor zover zonder vaartuig wordt gevist, de naam en adresgegevens
van de visser;
b. een fuik is voorzien van een
deugdelijke keerwant met een maaswijdte van 14 centimeter,
aangebracht in de voorste hoepel of voorste inkeling;
c. elke maas van iedere rand van
het keerwant is dusdanig aan het basisnet van de fuik bevestigd,
dat alle organismen in de fuik door de mazen van het keerwant heen
moeten kunnen komen;
d. eidragende kreeften die zijn
gevangen in de Oosterschelde, pas verschaalde kreeften die zijn
gevangen in de Oosterschelde en kreeften die zijn gevangen in de
Oosterschelde tussen 15 juli en 1 april, worden onmiddellijk na de
vangst teruggezet;
e. de vistuigen worden in
spuikommen en havens minimaal 10 meter en in de overige visvakken
minimaal 25 meter vanaf de scheidingslijn van 2 visvakken
geplaatst, en
f. indien overeenstemming is
bereikt met de rechthebbende op het visrecht in het naastgelegen
visvak over de afstand waarop de vistuigen vanaf de scheidingslijn
tussen de visvakken worden geplaatst, worden de vistuigen, in
afwijking van het bepaalde in onderdeel e, minimaal de
overeengekomen afstand vanaf de scheidslijn tussen de visvakken
geplaatst.
2.Onderdeel b is niet van toepassing op
permanent onder water staande schietfuiken in de kustwateren, genoemd
in artikel 2, tweede tot en met het zevende lid, van het Besluit
aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970.
Artikel 52a
1. Van het verbod in artikel 12 wordt
voor de kustwateren vrijstelling verleend voor het gebruik voor de
recreatieve visserij met vistuig van het type staand want.
2. De vrijstelling, bedoeld in het
eerste lid, geldt uitsluitend voor één vistuig per persoon en geldt
niet voor de gebieden bedoeld in bijlage 17 bij deze regeling.
3. Aan de vrijstelling, bedoeld in het
eerste lid, zijn de volgende voorschriften verbonden:
a. de netlengte van het vistuig
bedraagt niet meer dan 100 meter, in de gebieden, bedoeld in
bijlage 18, en in andere gebieden niet meer dan 30 meter;
b. het vistuig is voorzien van
drijvers en ligt bij laag water plat op de bodem;
c. degene die van de vrijstelling
gebruik maakt heeft zijn voornemen hiertoe gemeld aan de gemeente
binnen wiens grondgebied hij de recreatieve visserij, als bedoeld
in het eerste lid, uitoefent;
d. het vistuig is boven elk
heersend waterpeil voorzien van een markering waarop duidelijk
leesbaar het nummer, bedoeld in vijfde lid, is vermeld.
4. De melding, bedoeld in het derde
lid, onderdeel c, geschiedt per kalenderjaar en omvat de naam, het
adres, de woonplaats en de geboortedatum van degene die voornemens is
van de vrijstelling gebruik te maken.
5. De gemeente verstrekt een uniek
nummer aan degene die een melding als bedoeld in het derde lid,
onderdeel c, doet.
§ 4.7. Vrijstelling visserij met
oesterkor in het Grevelingenmeer
Artikel 53
Van het bepaalde in artikel 2, eerste lid
en artikel 5, eerste lid, van het Reglement voor de Binnenvisserij 1985
wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft het vissen met de
oesterkor in het Grevelingenmeer.
§ 4.8. Vrijstelling kunstaasvisserij in
het Oostvoornsemeer
Artikel 54
Van het bepaalde in artikel 6, eerste
lid, onderdeel a, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 wordt
vrijstelling verleend voor zover het betreft het vissen met de hengel,
geaasd met enig kunstaas, in het Oostvoornsemeer.
§ 4.9. Vrijstelling visserij met grote
vistuigen
Artikel 55
1.Het verbod, bedoeld in artikel 27, is
niet van toepassing op de visrechthebbende en de houder van een
schriftelijke toestemming die:
a. beschikt over minimaal 250
hectare viswater en daarmee inkomsten uit de visserij genereert
van minimaal € 8.500,– bruto per jaar;
b. zich daartoe heeft gemeld bij de
Minister;
c. de melding, bedoeld in onderdeel
b, vergezeld heeft doen gaan van een assurance-rapport van een
register-accountant of een accountant-administratieconsulent
waaruit blijkt dat in het kalenderjaar voorafgaande aan de melding
is voldaan aan het criterium, bedoeld in onderdeel a, en
d. voorts telkens éénmaal in de
vier jaar, te rekenen vanaf de melding, bedoeld in onderdeel b, de
Minister een rapport heeft doen toekomen als bedoeld in onderdeel
c, waaruit blijkt dat in het kalenderjaar voorafgaande aan de
toezending van het assurance-rapport nog steeds is voldaan aan het
criterium, bedoeld in onderdeel a.
2.Het verbod, bedoeld in artikel 27, is
niet van toepassing op het vissen in een binnen een afgesloten erf
gelegen viswater, dat geen voor het doorlaten van vis geschikte
verbinding met andere wateren bezit, alsmede op het vissen in een
viskwekerij.
3.Bij de bepaling van het areaal,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt mede begrepen het
oppervlak aan viswater waarvoor vergunning is verleend ingevolge de
artikelen 12 en 36, met uitzondering van het viswater waarvoor
vergunning is verleend voor recreatief vissen voor uitsluitend eigen
gebruik met maximaal twee fuiken of met beperkte lengte hoekwant tot
maximaal 200 meter, of met beperkte lengte staand want tot maximaal
150 meter.
Artikel 56
1.Van het verbod, bedoeld in artikel
27, is vrijgesteld de visrechthebbende en de houder van een
schriftelijke toestemming die:
a. beschikt over minimaal 250
hectare viswater;
b. zich daartoe heeft gemeld bij de
Minister;
c. de melding, bedoeld in onderdeel
b, vergezeld heeft doen gaan van:
1°. een bedrijfsplan, waaruit
een perspectief kan worden afgeleid om binnen twee jaren na de
melding te voldoen aan het inkomstencriterium, bedoeld in
artikel 55, eerste lid, onderdeel a, en
2°. een assurance-rapport als
bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel c, waaruit blijkt
dat op het tijdstip van de melding is voldaan aan het
areaalcriterium, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel
a, en
d. gedurende een periode van twee
jaren voorafgaande aan de melding, bedoeld in onderdeel b, niet
heeft gevist op basis van de in het eerste lid bedoelde
vrijstelling.
2.De in het eerste lid bedoelde
vrijstelling van het in artikel 27 neergelegde verbod, geldt gedurende
een periode van twee jaren, te rekenen vanaf de melding, bedoeld in
onderdeel b.
Artikel 57
Van het verbod, bedoeld in artikel 27, is
vrijgesteld degene die de visrechthebbende of de houder van de
schriftelijke toestemming, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, en
56, eerste lid, behulpzaam is bij het vissen met een vistuig, dat niet
door één persoon kan worden bediend.
Artikel 58
Werknemers die vissen in dienst van de
visrechthebbende of de houder van een schriftelijke toestemming, bedoeld
in de artikelen 55, eerste lid, en 56, eerste lid, hebben het bewijs van
dit dienstverband bij de uitvoering van de visserij bij zich.
Artikel 59
De Minister bevestigt binnen drie weken
de ontvangst van de melding, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid,
onderdeel b, en 56, eerste lid, onderdeel b, en de ontvangst van het
assurance-rapport, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 60
1.Indien degene die zich heeft gemeld
op grond van artikel 55 , eerste lid, onderdeel b, niet meer voldoet
aan het criterium, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel a,
doet hij hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de Minister.
2.Indien niet wordt voldaan aan het
bepaalde in het eerste lid, kan de Minister besluiten dat de
vrijstelling, bedoeld in artikel 55, eerste lid, niet geldt gedurende
een periode van maximaal 2 jaar, te rekenen vanaf de datum van dit
besluit.
§ 4.10. Vrijstelling visserij op baars
en snoekbaars
Artikel 61
1.Van het bepaalde in artikel 6, eerste
lid, aanhef en onderdeel a, van het Reglement voor de binnenvisserij
1985 en van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onderdeel a, van het
Reglement minimummaten en gesloten tijden 1985, voor zover het betreft
de vissoorten baars en snoekbaars wordt jaarlijks vrijstelling
verleend vanaf de laatste zaterdag in mei tot en met 31 mei.
2.De vrijstelling, bedoeld in het
eerste lid, is niet van toepassing op het vissen in het IJsselmeer.
§ 4.11. Vrijstelling uitzet graskarpers
Artikel 62
1.In afwijking van het verbod van
artikel 28, onderdeel d, is het uitzetten van graskarpers toegestaan
indien:
a. de eigenaar van het water waarin
de graskarper wordt uitgezet hiermee instemt, en
b. het uitzetten van de graskarper
plaatsvindt in een water dat:
1°. niet in enige open
verbinding staat met andere wateren dan wel;
2°. van andere wateren is
gescheiden door een hekwerk, bestaande uit een spijlenhek met
een onderlinge afstand tussen de spijlen van ten hoogste 3 cm
of een gaashek, gegalvaniseerd en gelast met vierkante mazen
van ten hoogste 2,5 cm.
2.Het hekwerk, bedoeld in het eerste
lid, moet:
a. in bodem en talud zijn
ingegraven;
b. voorzien zijn van een springflap
van circa 50 cm schuin omhoog geplaatst onder een hoek van circa
45 graden in de richting van het water waarin de graskarper wordt
uitgezet;
c. met inbegrip van de in onderdeel
b, bedoelde springflap bij de hoogste waterstand ten minste 50 cm
boven water uitsteken, en
d. aanwezig blijven en in
deugdelijke staat te worden gehouden zolang de graskarper in het
water dat met het hekwerk wordt afgesloten, aanwezig is.
§ 4.12. Vrijstelling nachtvisserij
Artikel 63
Van het verbod in artikel 7, eerste lid,
van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 wordt vrijstelling
verleend voor het vissen met de hengel tussen twee uur na zonsondergang
en één uur vóór zonsopgang in de periode van 1 september tot en met
31 mei van elk kalenderjaar, in de wateren die zijn vermeld in bijlage
11.
§ 4.13. Vrijstellingen IJsselmeer
Artikel 64
1.Van het bepaalde in artikel 4, tweede
lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 wordt voor de
spieringvisserij op het IJsselmeer een vrijstelling verleend voor de
periode die door de Minister kan worden vastgesteld krachtens artikel
65.
2.Vis van andere soorten dan spiering
dient onmiddellijk nadat deze is opgehaald weer in hetzelfde water te
worden teruggezet.
Artikel 65
1. In afwijking van het bepaalde in
artikel 29, eerste lid, onderdelen a en b, is het toegestaan te vissen
met de grote fuik en de schietfuik binnenvisserij ten behoeve van de
vangst van spiering gedurende een periode die de Minister daartoe
jaarlijks kan vaststellen, welke periode maximaal drie weken duurt en
een aanvang neemt na 1 maart.
2. In afwijking van het bepaalde in
artikel 29, eerste lid, onderdeel a, is het toegestaan in de periode
van 1 januari tot en met 30 april te vissen met de grote fuik mits in
het achterste deel van de fuik een netwerk, bestaande uit tenminste 80
mazen met een maaswijdte van tenminste 40 mm is aangebracht achter de
laatste inkeling zodanig dat deze mazen in de te water staande fuik
vierkant van vorm zijn en vis via deze mazen uit de fuik kan
ontsnappen.
Artikel 66
Het verbod, bedoeld in artikel 30, geldt
niet gedurende de door de Minister krachtens artikel 65, eerste lid,
vastgestelde periode.
Artikel 67
1.Van het verbod, bedoeld in artikel
32, wordt vrijstelling verleend indien de Minister:
a. een producentenorganisatie voor
het IJsselmeer heeft erkend overeenkomstig artikel 5, tweede lid,
van de verordening;
b. heeft vastgesteld dat het aantal
bij de producentenorganisatie aangesloten producenten tenminste
59% bedraagt van het totaal aantal vergunninghouders, en
c. de statuten en het huishoudelijk
reglement van een erkende producentenorganisatie voor het
IJsselmeer alsmede het door die organisatie opgestelde visplan
voor het eerstvolgende visseizoen heeft goedgekeurd;
d. en van oordeel is dat de
naleving van deze regeling en van de afspraken die zijn gemaakt
binnen een erkende producentenorganisatie voor het IJsselmeer
voldoende verzekerd is.
2.Een vrijstelling als bedoeld in het
eerste lid:
a. geldt slechts voor de bij de
producentenorganisatie aangesloten producenten van wie de
aansluiting dateert van vóór 1 januari van het jaar waarin de
periode is gelegen waarop de vrijstelling betrekking heeft, en
b. gaat in op het tijdstip dat door
de Minister in de Staatscourant is bekend gemaakt.
3.De Minister kan de in het eerste lid
bedoelde vrijstelling intrekken, indien naar zijn oordeel niet langer
is voldaan aan één of meer van de in het eerste lid, onderdelen a
tot en met d, bedoelde voorwaarden.
4.De Minister komt in ieder geval tot
het oordeel dat niet langer aan het eerste lid, onderdeel d, is
voldaan, indien het bestuur van een erkende producentenorganisatie
voor het IJsselmeer naar zijn oordeel onvoldoende zorgdraagt voor:
a. de controle op de naleving van
het goedgekeurde visplan;
b. de controle op de naleving door
de aangeslotenen van de statuten, het huishoudelijke reglement en
andere binnen een erkende producentenorganisatie voor het
IJsselmeer gemaakte huishoudelijke afspraken;
c. het in voorkomende gevallen
overeenkomstig deze regeling wijzigen van de vergunningen, bedoeld
in artikel 75, derde lid, en artikel 76, eerste lid;
d. het voeren van een deugdelijke
registratie en administratie van overdrachtstransacties van delen
van vergunningen door aangeslotenen;
e. het voeren van een deugdelijke
administratie, waaruit te allen tijde blijkt:
1°. wie aangeslotene is en
vanaf welk tijdstip;
2°. ten behoeve van wie een
erkende producentenorganisatie voor het IJsselmeer namens de
Minister een vergunning heeft gewijzigd, alsmede de reikwijdte
van die vergunningen;
f. het terstond berichten aan de
Minister welke aangeslotenen de erkende producentenorganisatie
hebben verlaten;
g. het onverwijld doorgeven aan de
Minister van elke wijziging van de statuten en huishoudelijke
reglementen;
h. het aan de Minister te allen
tijd inzage geven in de gegevens, bedoeld in de onderdelen d, e,
en f, en
i. het desgevraagd onverwijld
verstrekken aan de Minister van een afschrift van de in de
onderdelen d, e en f bedoelde gegevens.
Artikel 68
1.Goedkeuring door de Minister van een
visplan als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, kan
slechts plaatsvinden indien:
a. het plan vóór 1 januari van
het desbetreffende jaar ter goedkeuring aan de Minister is
voorgelegd;
b. het plan aangeeft welke
maatregelen genomen worden om de ten tijde van de inwerkingtreding
van deze regeling op basis van artikel 8 van het Reglement voor de
binnenvisserij 1985 toegestane visserij-inspanning van de
aangeslotenen te reduceren, waarbij de reductie met ingang van het
jaar 2007 is vastgesteld op 32%, en
c. het plan aangeeft welke
maatregelen genomen worden om een duurzame wijze van vissen te
waarborgen.
2.In afwijking van het eerste lid kan
ten genoegen van de Minister een andere datum dan 1 januari worden
aangehouden mits deze zich naar het oordeel van de Minister verdraagt
met het doel en de effectiviteit van het visplan.
Artikel 69
Aan de aangeslotenen bij de Coöperatieve
Producentenorganisatie Nederlandse Vissersbond-IJsselmeer U.A. wordt
vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 67, eerste lid.
§ 4.14. Vergunning garnalenvisserij
Artikel 70
1. Een vergunning als bedoeld in
artikel 36, bestemd voor het vissen met enig vistuig geschikt voor het
vangen van garnalen in de visserijzone, het zeegebied of de
kustwateren, bevat met ingang van 1 januari 2002 de volgende gegevens:
a. de naam van de vergunninghouder,
en
b. de lettertekens, het nummer, het
motorvermogen en de tonnage van het visservaartuig ten behoeve
waarvan de vergunning is verleend.
2. Indien de Minister niet binnen de in
artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn op een
aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft
beslist en de aanvraag is in overeenstemming met het bepaalde in het
derde, vierde en vijfde lid, is de vergunning van rechtswege verleend
overeenkomstig de aanvraag.
3. Een vergunning als bedoeld in het
eerste lid wordt ten aanzien van een vissersvaartuig slechts verleend
indien:
a. het vissersvaartuig dient ter
vervanging van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen ten
aanzien waarvan een vergunning als bedoeld in het eerste lid is
verleend en de vergunninghouder afstand heeft gedaan van zijn
gehele vergunning ten gunste van de aanvrager van de vergunning en
het totaal verleende aantal vergunningen als bedoeld in het eerste
lid niet toeneemt;
b. het motorvermogen van dat
vissersvaartuig niet meer bedraagt dan het motorvermogen van het
vissersvaartuig of de vissersvaartuigen die worden vervangen;
c. de aanvrager een meetrapport van
een onafhankelijke instelling met deskundigheid op het gebied van
meting van motorvermogen en afstelling van motoren en terzake
geaccrediteerd, overlegt dat niet ouder is dan twee maanden en
waaruit het motorvermogen blijkt van het vissersvaartuig ten
behoeve waarvan de vergunning is aangevraagd.
d. de aanvrager een meetrapport van
een onafhankelijk meetbureau als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel m, van de Regeling visvergunning overlegt dat niet ouder
is dan twee maanden en waaruit het motorvermogen blijkt van het
vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is aangevraagd.
4. Onderdeel a van het tweede lid is
niet van toepassing indien een vergunning als bedoeld in het eerste
lid wordt aangevraagd door een aanvrager die op grond van artikel 71,
eerste lid, de vergunning heeft gereserveerd.
5. In afwijking van het tweede lid,
onderdelen a en b, kan de Minister op hun verzoek aan twee houders van
vergunningen als bedoeld in het eerste lid, nieuwe vergunningen
verlenen ten aanzien van hun vissersvaartuigen, onder de voorwaarde
dat de som van het motorvermogen van die vaartuigen niet toeneemt.
6. De vergunning, bedoeld in het eerste
lid, wordt ingetrokken indien:
a. de vergunninghouder afstand van
de vergunning heeft gedaan als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a;
b. de visserijactiviteiten van een
vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is verleend
definitief worden beëindigd als bedoeld in artikel 7 van
verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999
tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor
de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (PbEG
L 337), en ten aanzien van de beëindiging door de Minister of
door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is
verleend.
7. De Minister kan de vergunning,
bedoeld in het eerste lid voor een periode van twee weken schorsen,
indien naar het oordeel van de Minister met het vissersvaartuig ten
behoeve waarvan de vergunning is toegekend is gehandeld in strijd met
artikel 22, of met artikel 50.
8. Indien binnen een jaar na afloop van
de schorsing, als bedoeld in het vorige lid, naar het oordeel van de
Minister nogmaals met het vaartuig in strijd met artikel 22, of met
artikel 50, wordt gehandeld, kan de Minister de vergunning voor een
periode van vier weken schorsen.
Artikel 71
1. De houder van een vergunning, als
bedoeld in artikel 36, bestemd voor het vissen met enig vistuig
geschikt voor het vangen van garnalen, dient uiterlijk op 19 augustus
2006 aan de Minister te hebben overgelegd een meetrapport van een
onafhankelijke instelling met deskundigheid op het gebied van meting
van motorvermogen en afstelling van motoren en terzake geaccrediteerd
waaruit het motorvermogen blijkt van het vissersvaartuig ten behoeve
waarvan de vergunning is verleend, dan wel de Minister te hebben
verzocht de vergunning in te trekken en voor hem te reserveren.
2. Het meetrapport, bedoeld in het
eerste lid, is opgemaakt na 1 juni 2005.
3. De Minister kan de visvergunning
schorsen indien naar het oordeel van de Minister niet aan het eerste
of tweede lid is voldaan.
4. De Minister kan de schorsing van de
visvergunning, bedoeld in het derde lid, beëindigen op het moment dat
naar het oordeel van de Minister blijkt dat na 19 augustus 2006 alsnog
wordt voldaan aan het eerste of tweede lid.
§ 4.15. Vergunning IJsselmeervisserij
Artikel 72
Een vergunning, als bedoeld in artikel 8
van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, wordt slechts verleend,
voor zover:
a. de bij de desbetreffende
vergunning behorende merkjes op of aan het betrokken vistuig of de
betrokken vistuigen zijn bevestigd;
b. niet wordt gevist met meer of
andere vistuigen dan het aantal onderscheidenlijk de soort of
soorten vistuigen waarmee de betrokken ondernemer op grond van de
hem verleende vergunning gerechtigd is te vissen, en
c. niet wordt gevist in strijd met de
nadere voorschriften zoals deze in de desbetreffende vergunning zijn
opgenomen.
Artikel 73
1. Een vergunning als bedoeld in
artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, wordt slechts
verleend aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig, dat
in het visserijregister, bedoeld in artikel 4 van het Besluit
registratie visservaartuigen 1998, staat geregistreerd.
2. De Minister verleent aan de
ondernemer die op 31 mei 1996 om 24.00 uur op grond van artikel 8 van
het Reglement voor de binnenvisserij 1985 gerechtigd was te vissen in
het IJsselmeer, voor het desbetreffende vissersvaartuig een vergunning
als bedoeld in van het Reglement voor de binnenvisserij 1985.
3. De reikwijdte van de vergunning,
bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld met inachtneming van de
historische rechten waarover de desbetreffende ondernemer in de
periode van 1 juni 1995 tot en met 31 mei 1996 op basis van artikel 8
van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 kon beschikken, met een
minimum van 30 merkjes.
4. Indien de Minister niet binnen de in
artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn op een
aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft
beslist en de aanvraag is in overeenstemming met het bepaalde in het
eerste, tweede en derde lid, is de vergunning van rechtswege verleend
overeenkomstig de aanvraag.
Artikel 74
1.Overdracht van een gehele vergunning
als bedoeld in artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij
1985, is slechts mogelijk in het geval dat :
a. ten behoeve van de ondernemer
een pandrecht op een vergunning is verleend, indien een verklaring
van de pandhouder is overgelegd waaruit blijkt dat deze met de
overdracht instemt, en
b. in het geval dat een
aangeslotene is betrokken, indien een schriftelijke verklaring van
een erkende producentenorganisatie voor het IJsselmeer is
overgelegd waaruit blijkt dat deze organisatie een afschrift van
de desbetreffende overdrachtstransactie heeft ontvangen.
2.De instemming van de pandhouder,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is slechts vereist indien de
pandhouder de Minister door middel van een afschrift van de akte van
verpanding in kennis heeft gesteld van het gevestigde pandrecht.
3.De overdracht vindt plaats door een
gelijktijdige kennisgeving door de Minister aan de aanvrager en aan de
ondernemer aan wie de vergunning van het Reglement voor de
binnenvisserij 1985, wordt overgedragen, dat laatstgenoemde deze
vergunning is verleend.
Artikel 75
1.Overdracht van een deel van de
vergunning, als bedoeld in artikel 8 van het Reglement voor de
binnenvisserij 1985, is slechts mogelijk voor zover daarin is voorzien
door het goedgekeurde visplan, bedoeld in artikel 8 van het Reglement
voor de binnenvisserij 1985, en kan tijdelijk zijn of voor onbepaalde
tijd. Een tijdelijke overdracht kan slechts betrekking hebben op een
aaneengesloten periode van ten hoogste 12 maanden, gerekend vanaf 1
juni.
2.Een overdracht als bedoeld in het
eerste lid, ongeacht of deze tijdelijk dan wel voor onbepaalde tijd
is, is slechts mogelijk indien:
a. De vrijstelling, bedoeld in
artikel 67, eerste lid, van kracht is, en
b. zowel degene die overdraagt als
degene aan wie wordt overgedragen, aangeslotene zijn.
3.In geval van een overdracht als
bedoeld in het eerste lid, wijzigt een erkende producentenorganisatie
voor het IJsselmeer namens de Minister de desbetreffende vergunningen
dienovereenkomstig, op verzoek van de betrokken aangeslotenen, mits is
voldaan aan het tweede lid.
Artikel 76
1.Een erkende producentenorganisatie
voor het IJsselmeer wijzigt namens de Minister jaarlijks, voor zover
nodig, de vergunningen van de aangeslotenen, om de reductie te
bereiken van de visserij-inspanning, zoals vastgesteld in het
goedgekeurde visplan, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c.
2.Indien met het oog op de te bereiken
reductie, bedoeld in het eerste lid, een erkende
producentenorganisatie voor het IJsselmeer merkjes van aangeslotenen
inneemt en op hun naam reserveert, vindt de berekening ten behoeve van
de wijziging van de vergunningen, bedoeld in het eerste lid, plaats
aan de hand van de omrekentabel, opgenomen in bijlage 12 bij deze
regeling.
3.Het bepaalde in het eerste lid is
slechts van toepassing indien de vrijstelling in artikel 67, eerste
lid, van kracht is.
Artikel 77
1.Indien de vrijstelling, bedoeld in
artikel 67, eerste lid, wordt ingetrokken, worden de vergunningen van
de aangeslotenen door de Minister vervangen door een nieuwe
vergunning.
2.Bij een verlening van een nieuwe
vergunning als bedoeld in het eerste lid is artikel 73, tweede lid,
van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het in artikel
73, derde lid, bedoelde minimumaantal van 30 merkjes.
3.In afwijking van het tweede lid,
worden bij de vaststelling van de reikwijdte van de nieuwe vergunning
van de ondernemer, die ten tijde van de intrekking van de vrijstelling
per saldo gedeelten van zijn vergunning voor onbepaalde tijd heeft
overgedragen, die overgedragen gedeelten niet in aanmerking genomen.
4.Indien een aangeslotene een erkende
producentenorganisatie voor het IJsselmeer verlaat, door welke oorzaak
ook, zijn voorgaande leden van overeenkomstige toepassing.
§ 4.16. Vergunning
mosselzaadinvanginstallatie
Artikel 77a
Een vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie wordt op aanvraag door de Minister verleend
aan rechthebbenden op een vergunning als bedoeld in artikel 36 om met
een vissersvaartuig op mosselen te vissen in de Waddenzee.
Artikel 77b
Een vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie wordt op aanvraag door de Minister verleend
aan personen die in de jaren 2008 en 2009 met een
mosselzaadinvanginstallatie hebben geëxperimenteerd in de kustwateren
en waarvoor door de Minister een ontheffing van het verbod, bedoeld in
artikel 17, is verleend.
Artikel 77c
1. Aanvragen tot verlening van een
vergunning voor een mosselzaadinvanginstallatie kunnen worden
ingediend in een door de Minister in de Staatscourant bekend te maken
periode.
2. Aanvragen tot verlening van een
vergunning voor een mosselzaadinvanginstallatie voor de periode van 1
januari 2010 tot en met 31 december 2011 kunnen worden ingediend:
a. in de periode van 12 oktober tot
en met 30 november 2009 door de personen, bedoeld in artikel 77a;
b. in de periode van 12 oktober tot
en met 31 oktober 2009 door de personen, bedoeld inartikel 77b.
Artikel 77d
1. Een vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie vermeldt de afmetingen en coördinaten van
de locatie waar mag worden gevist. De locaties bevinden zich in de
gebieden en op de mosselkweekpercelen, genoemd inbijlage 13.
2. De locaties waarvoor aan de
personen, bedoeld in artikel 77a, een vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie wordt verleend, bevinden zich in de
gebieden en op de mosselkweekpercelen, genoemd inbijlage 14A.
3. De locaties waarvoor aan de
personen, bedoeld in artikel 77b, een vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie wordt verleend, bevinden zich in de
gebieden en op de mosselkweekpercelen, genoemd inbijlage 14B.
4. In afwijking van het tweede lid,
wordt een vergunning voor een mosselzaadinvanginstallatie voor de
periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 niet verleend
voor de in bijlage 14Abeschreven gebieden Zoutkamperlaag en
Vondelingsplaat Noord.
Artikel 77e
1. De verlening van een vergunning voor
een mosselzaadinvanginstallatie op een locatie in de gebieden en
mosselkweekpercelen, bedoeld in artikel 77d, tweede lid, aan een
aanvrager als bedoeld in artikel 77a, geschiedt op basis van een door
de Producentenorganisatie van de Nederlandse Mosselcultuur opgesteld
visplan.
2. Het visplan, bedoeld in het eerste
lid, vermeldt de afmetingen en coördinaten van elke locatie in de
gebieden en mosselkweekpercelen, bedoeld in artikel 77d, tweede lid.
3. Indien er voor het einde van de
periode, bedoeld in artikel 77c, tweede lid, onderdeel a, geen visplan
is vastgesteld, geschiedt de verlening van de vergunning op de
volgende wijze:
a. de vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie wordt verleend aan een persoon als
bedoeld in artikel 77a voor een locatie op een mosselkweekperceel
waar hij in het jaar 2009 een mosselzaadinvanginstallatie heeft
geëxploiteerd;
b. de verlening van een vergunning
voor een mosselzaadinvanginstallatie aan een persoon als bedoeld
in artikel 77a, die op grond van onderdeel a niet in aanmerking
komt voor een vergunning, geschiedt door middel van loting.
Artikel 77f
1. De verlening van een vergunning voor
een mosselzaadinvanginstallatie voor een locatie in de gebieden en
mosselkweekpercelen, bedoeld in artikel 77d, derde lid, aan een
persoon als bedoeld in artikel 77b, geschiedt op basis van een visplan
voor de Waddenzee, Voordelta of Oosterschelde, dat is opgesteld door
de personen, bedoeld in artikel 77b.
2. De locatie, bedoeld in het eerste
lid, bevindt zich in een gebied als bedoeld inartikel 77d, derde lid,
waar de persoon, bedoeld in artikel 77b, in de jaren 2008 en 2009 een
mosselzaadinvanginstallatie heeft geëxploiteerd.
3. Het visplan, bedoeld in het eerste
lid, vermeldt de afmetingen en coördinaten van elke locatie in de
gebieden en mosselkweekpercelen, bedoeld in artikel 77d, derde lid,
waar een aanvrager als bedoeld in artikel 77b in 2008 en 2009 een
mosselzaadinvanginstallatie heeft geëxploiteerd.
4. Indien er voor het einde van de
periode, bedoeld in artikel 77c, tweede lid, onderdeel b, geen visplan
is vastgesteld, geschiedt de toewijzing van een locatie bij de
vergunningverlening op de volgende wijze:
a. een persoon als bedoeld in
artikel 77b krijgt een locatie vergund op een mosselkweekperceel
of in een gebied, waar hij in 2008 en 2009 voor ten minste de
helft van zijn invangcapaciteit een mosselzaadinvanginstallatie
heeft geëxploiteerd en dat genoemd wordt in bijlage 14B;
b. een persoon als bedoeld in
artikel 77b, die op grond van onderdeel a geen locatie krijgt
vergund, wijst de Minister op basis van visserijkundige
overwegingen een gebied toe dat genoemd wordt inbijlage 14B.
c. de vaststelling van de exacte
locatie van elke aanvrager binnen de gebieden, bedoeld in
onderdeel a en b, geschiedt door middel van loting.
5. De vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie voor een locatie in het gebied, bedoeld in
artikel 77d, derde lid, wordt verleend voor maximaal het aantal
hectares dat benodigd is voor het in gebruik hebben van de
mosselzaadinvanginstallaties die de personen, bedoeld in artikel 77b,
in de jaren 2008 en 2009 hebben geëxploiteerd.
Artikel 77g
1. Een vergunning voor een
mosselzaadinvanginstallatie wordt verleend voor de duur van twee jaar.
De vergunning kan worden verlengd met een door de Minister te bepalen
termijn.
2. Vergunningen voor een
mosselzaadinvanginstallatie op grond van artikel 77b worden vanaf 1
januari 2014 niet verleend.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 78
De volgende regelingen worden
ingetrokken:
a. de Beschikking visserij
visserijzone, zeegebied en kustwateren (Stcrt 1977, 255);
b. de Regeling aanwijzing vissen,
schaal- en schelpdieren (Stcrt. 1982, 253);
c. de Regeling aassoorten
spieringtuig (Stcrt. 1985, 85);
d. de Aanwijzing verboden middelen
tot bedwelming (Stcrt. 1985, 85);
e. de Regeling aanwijzing wateren
gesloten tijd (Stcrt. 1985, 103);
f. de Regeling aanwijzing wateren
verbod nachtvisserij (Stcrt. 1985, 103);
g. de Uitzondering Grevelingenmeer
van bepaling huur- en verhuur visrecht (Stcrt. 1987, 80);
h. de Uitzet van graskarpers (Stcrt.
1990, 104);
i. de Regeling IJsselmeervisserij
1993 (Stcrt. 1993, 40);
j. de Regeling vervroegde opening
visseizoen (Stcrt. 1994, 71);
k. de Regeling visserij-inspanning
IJsselmeer (Stcrt. 1996, 101);
l. de Regeling maat middellijn
ringetjes en gaatjes in zijwanden aalkistjes (Stcrt. 1997, 220);
m de Regeling eisen aan administratie
inzake zoetwatervis (Stcrt. 2003, 4);
n. de Vrijstellingsregeling visserij
(Stcrt. 2006, 247).
Artikel 79
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling visserij.
Deze regeling zal met de toelichting in
de Staatscourant worden gepubliceerd.
Den Haag, 19 september 2008.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
G. Verburg.
Bijlagen niet opgenomen
|