| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Visserijwet 1963
UITVOERINGSREGELING
ZEEVISSERIJ
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Staatssecretaris van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie, van 14 juli 2011, nr. 218837, houdende
samenvoeging en vereenvoudiging van diverse regelingen op het gebied van
de zeevisserij (Uitvoeringsregeling zeevisserij)
De Staatssecretaris van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
Gelet op Verordening nr. 3440/84; Verordening
nr. 894/97; Verordening nr. 850/98; Verordening nr. 1434/98; Verordening
nr. 2549/2000; Verordening nr. 1035/2001; Verordening nr. 1936/2001; Verordening
nr. 2056/2001; Verordening nr. 494/2002; Verordening nr. 2347/2002; Verordening
nr. 2371/2002; Verordening nr. 882/2003; Verordening nr. 1185/2003; Verordening
nr. 1954/2003; Verordening nr. 1984/2003; Verordening nr. 26/2004; Verordening
nr. 600/2004; Verordening nr. 601/2004; Verordening nr. 811/2004; Verordening
nr. 812/2004; Verordening nr. 827/2004; Verordening nr. 1415/2004; Verordening
nr. 2115/2005; Verordening nr. 2187/2005; Verordening nr. 388/2006; Verordening
nr. 1198/2006; Verordening nr. 1967/2006; Verordening nr. 520/2007; Verordening
nr. 1098/2007; Verordening nr. 1386/2007; Verordening nr. 199/2008; Verordening
nr. 517/2008; Verordening nr. 734/2008; Verordening nr. 1005/2008; Verordening
nr. 1006/2008; Verordening nr. 1342/2008; Verordening nr. 302/2009; Verordening
nr. 1010/2009; Verordening nr. 1224/2009; Verordening nr. 1288/2009; Verordening
nr. 201/2010; Verordening nr. 640/2010; Verordening nr. 1013/2010; Verordening
nr. 1236/2010; Verordening nr. 57/2011 en Uitvoeringsverordening nr.
404/2011;
Gelet op de artikelen 3, 4 en 5, van het
Reglement zee- en kustvisserij 1977 en op artikel 3 van het Besluit
registratie vissersvaartuigen 1998;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
– contingent: in een kalenderjaar in een vangstgebied te
vangen hoeveelheid van een vissoort in kilogrammen levend gewicht
uitgedrukt, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van
de artikelen 45 of 46 voor het desbetreffende kalenderjaar in
gebruik gekregen, of in gebruik gegeven hoeveelheden van de
desbetreffende vissoort, die per vissersvaartuig ten hoogste mag
worden aangeland;
– deelgebied, sector of deelsector: zeegebied als omschreven
in artikel 4 van de verordening interne vangstmogelijkheden en
artikel 4 van de verordening externe vangstmogelijkheden;
– Europees quotum: totaal voor de gezamenlijke vissers van de
lidstaten van de Europese Unie in het kalenderjaar waarop de
verordeningen vangstmogelijkheden betrekking hebben te vangen
hoeveelheden vis zoals deze per vissoort en per deelgebied, sector
of deelsector voor het desbetreffende kalenderjaar, uitgedrukt in
kilogrammen levend gewicht, zijn vermeld in bijlage 6;
– functionaris: door de minister voor de registratie- en
verificatiewerkzaamheden in het kader van deze regeling aangewezen
persoon;
– groep: groep als bedoeld in artikel 31, tweede lid;
– groepscontingent: groepscontingent als bedoeld in artikel
32, vermeerderd of verminderd, met eventueel op grond van de
artikelen 45 of 46 voor het desbetreffende kalenderjaar in gebruik
gekregen, of in gebruik gegeven, hoeveelheden van de
desbetreffende vissoort;
– individueel aandeel: contingent van een vissoort dat een
ondernemer heeft ingebracht in een groep, vermeerderd met door hem
gekochte en in gebruik gekregen hoeveelheden van die vissoort en
verminderd met door hem verkochte en in gebruik gegeven
hoeveelheden van die vissoort, waarover hij als deelnemer aan een
groepscontingent in een kalenderjaar kan beschikken;
– minister: Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie;
– Nederlands quotum: totaal voor de gezamenlijke Nederlandse
vissers in het kalenderjaar waarop de verordeningen
vangstmogelijkheden betrekking hebben te vangen hoeveelheden vis
zoals deze per vissoort en per deelgebied, sector of deelsector
voor het desbetreffende kalenderjaar, uitgedrukt in kilogrammen
levend gewicht, zijn vermeld inbijlage 5;
– NVWA: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit;
– producentenorganisatie: producentenorganisatie als bedoeld
in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17
december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten
in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (PbEG
L 17);
– Registratiebesluit: Besluit registratie vissersvaartuigen
1998;
– segment: vlootsegment MFL1, MFL2 of AQU, waartoe het
vissersvaartuig op grond van de vermelding op de visvergunning
behoort;
– vangstgebied: deelgebieden, sectoren of deelsectoren,
genoemd in bijlage 8;
– vangstopgavebus: vangstopgavebus die aanwezig is in iedere
in bijlage 2 vermelde haven, waarvan de exacte plaats gepubliceerd
is op de website www.drloket.nl;
– vissersvaartuigen van derde landen: vissersvaartuigen die
de vlag voeren van, of geregistreerd zijn in een andere staat dan
een lidstaat van de Europese Unie;
– visserijregister: register als bedoeld in artikel 4 van het
Registratiebesluit;
– vistuig van het type staandwant: kieuwnetten en
warrelnetten als bedoeld in bijlage I, tabel 3, van verordening
nr. 26/2004;
– visvergunning: visvergunning als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van de controleverordening;
– wet: Visserijwet 1963;
2. In deze regeling wordt voorts verstaan onder:
– verordening nr. 3440/84: Verordening (EEG) nr. 3440/84 van
de Commissie van 6 december 1984 inzake voorzieningen aan
sleepnetten, Deense zegennetten (snurrevod) en soortgelijke netten
(Pb EG L 318);
– verordening nr. 894/97: Verordening (EG) nr. 894/97 van de
Raad van 29 april 1997 houdende technische maatregelen voor de
instandhouding van de visbestanden (PbEG L 132);
– verordening nr. 850/98: Verordening (EG) nr. 850/98 van de
Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden
via technische maatregelen voor de bescherming van jonge
exemplaren van mariene organismen (PbEG L 125);
– verordening nr. 1434/98: Verordening (EG) nr. 1434/98 van
de Raad van 29 juni 1998 tot vaststelling van de voorwaarden
waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële
doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie (PbEG L 191);
– verordening nr. 2549/2000: Verordening (EG) nr. 2549/2000
van de Raad van 17 november 2000 tot vaststelling van aanvullende
technische maatregelen voor het herstel van het kabeljauwbestand
in de Ierse Zee (ICES-sector VIIa) (PbEG L 292);
– verordening nr. 1035/2001: Verordening (EEG) nr. 1035/2001
van de Raad van 22 mei 2001 tot invoering van een
documentatieregeling voor de vangst van Dissostichus spp. (PbEG L
145);
– verordening nr. 1936/2001: Verordening (EG) nr. 1936/2001
van de Raad van 27 september 2001 tot vaststelling van technische
maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote
afstanden trekkende visbestanden (PbEG L 263);
– verordening nr. 2056/2001: Verordening (EG) nr. 2056/2001
van de Commissie van 19 oktober 2001 tot vaststelling van
aanvullende technische maatregelen voor het herstel van de
kabeljauwbestanden in de Noordzee en ten westen van Schotland (PbEG
L 277);
– verordening nr. 494/2002: Verordening (EG) nr. 494/2002 van
de Commissie van 19 maart 2002 tot vaststelling van aanvullende
technische maatregelen voor het herstel van het heekbestand in de
ICES-deelgebieden III, IV, V, VI en VII en in de ICES-sectoren
VIIIa, b, d, e (PbEG L 77);
– verordening nr. 2347/2002: Verordening (EG) nr. 2347/2002
van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere
voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de
visserij daarop in acht te nemen voorschriften (PbEG L 351);
– verordening nr. 2371/2002: Verordening (EG) nr. 2371/2002
van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de
duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het
gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 358);
– verordening nr. 882/2003: Verordening (EG) nr. 882/2003 van
de Raad van 19 mei 2003 tot vaststelling van een regeling voor
toezicht op en verificatie van tonijnvangsten (PbEU L 127);
– verordening nr. 1185/2003: Verordening (EG) nr. 1185/2003
van de Raad van 26 juni 2003 betreffende het afsnijden van
haaienvinnen aan boord van vaartuigen (PBEU L 167);
– verordening nr. 1954/2003: Verordening (EG) nr. 1954/2003
van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de
visserij-inspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden
van de Gemeenschap, tot wijziging van Verordening (EEG) nr.
2847/93 en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en
(EG) nr. 2027/95 (PbEU L 289);
– verordening nr. 1984/2003: Verordening (EG) nr. 1984/2003
van de Raad van 8 april 2003 tot invoering in de Gemeenschap van
een regeling voor de statistische registratie van blauwvintonijn,
zwaardvis en grootoogtonijn (PbEU L 295);
– verordening nr. 26/2004: Verordening (EG) nr. 26/2004 van
de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire
gegevensbestand over de vissersvloot (PbEU L 5);
– verordening nr. 600/2004: Verordening (EG) nr. 600/2004 van
de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde technische
maatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het Verdrag
inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de
Antarctische wateren (PbEU L 97);
– verordening nr. 601/2004: Verordening (EG) nr. 601/2004 van
de Raad van 22 maart 2004 tot vaststelling van bepaalde
controlemaatregelen voor de visserij in het verdragsgebied van het
Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de
Antarctische wateren en tot intrekking van de Verordeningen (EEG)
nr. 3943/90, (EG) nr. 66/98 en (EG) nr. 1721/1999 (PbEU L 97);
– verordening nr. 811/2004: Verordening (EG) nr. 811/2004 van
de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen
voor het noordelijke heekbestand (PbEU L 150);
– verordening nr. 812/2004: Verordening (EG) nr. 812/2004 van
de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van maatregelen
betreffende de bijvangsten van walvisachtigen bij de visserij en
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98 (PbEU L 150);
– verordening nr. 827/2004: Verordening (EG) nr. 827/2004 van
de Raad van 26 april 2004 houdende een verbod op de invoer van
grootoogtonijn (Thunnus obesus) van oorsprong uit Bolivia,
Cambodja, Georgië, Equatoriaal-Guinea en Sierra Leone en tot
intrekking van Verordening (EG) nr. 1036/2001 (PbEU L 127);
– verordening nr. 1415/2004: Verordening (EG) nr. 1415/2004
van de Raad van 19 juli 2004 tot vaststelling van het maximale
jaarlijkse visserij-inspanningsniveau voor bepaalde
visserijgebieden en visserijtakken (PbEU L 258);
– verordening nr. 2115/2005: Verordening (EG) nr. 2115/2005
van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van een
herstelplan voor zwarte heilbot in het kader van de
visserijorganisatie in het noordwestelijk deel van de Atlantische
Oceaan (PbEU L 340);
– verordening nr. 2187/2005: Verordening (EG) nr. 2187/2005
van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding
door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de
Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG)
nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PbEU
L 349);
– verordening nr. 388/2006: Verordening (EG) nr. 388/2006 van
de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een
meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in
de Golf van Biskaje (PbEU L 65);
– verordening nr. 1198/2006: Verordening (EG) nr. 1198/2006
van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PbEU
L223);
– verordening nr. 1967/2006: Verordening (EG) nr. 1967/2006
van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaartregelen voor
de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee,
tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking
van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PbEU L 409);
– verordening nr. 520/2007: Verordening (EG) nr. 520/2007 van
de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van technische maatregelen
voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende
visbestanden en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 973/2001 (PbEU
L 123);
– verordening nr. 1098/2007: Verordening (EG) nr. 1098/2007
van de Raad van 18 september 2007 tot vaststelling van een
meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de
visserijtakken die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van
Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening
(EG) nr. 779/97 (PbEU L 248);
– verordening nr. 1386/2007: Verordening (EG) nr. 1386/2007
van de Raad van 22 oktober 2007 tot vaststelling van
instandhoudings- en handhavingsmaatregelen in het gereglementeerde
gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van
de Atlantische Oceaan (PbEU L 318);
– verordening nr. 199/2008: Verordening (EG) nr. 199/2008 van
de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een
communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik
van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van
wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid
(PbEU L 60);
– verordening nr. 517/2008: Verordening (EG) nr. 517/2008 van
de Commissie van 10 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van
Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bepaling van de
maaswijdte en de meting van de twijndikte van visnetten (PbEU L
151);
– verordening nr. 734/2008: Verordening (EG) nr. 734/2008 van
de Raad van 15 juli 2008 betreffende de bescherming van kwetsbare
mariene ecosystemen in volle zee tegen de nadelige effecten van
bodemvistuig (PbEU L 201);
– verordening nr. 1005/2008: Verordening (EG) nr. 1005/2008
van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van
een communautair systeem om illegale, ongemelde en
ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te
beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93,
(EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van
Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PbEU L 286);
– verordening nr. 1006/2008: Verordening (EG) nr. 1006/2008
van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor
visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de
communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde
landen tot de communautaire wateren, en houdende wijziging van
Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 1627/94 en houdende
intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94 (PbEU L 286);
– verordening nr. 1342/2008: Verordening (EG) nr. 1342/2008
van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een
langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze
bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PbEU
L 348);
– verordening nr. 302/2009: Verordening (EG) nr. 302/2009 van
de Raad van 6 april 2009 betreffende een meerjarig herstelplan
voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische
Oceaan en de Middellandse Zee tot wijziging van Verordening (EG)
nr. 43/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1559/2007 (PbEU
L 96);
– verordening nr. 1010/2009: Verordening (EG) nr. 1010/2009
van de Commissie van 22 oktober 2009 tot vaststelling van
bepalingen ter uitvoering van Verordening nr. 1005/2008/EG van de
Raad van de Europese Unie van 29 september 2008 houdende de
totstandbrenging van een communautair systeem om illegale,
ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te
gaan en te beëindigen (PbEU L 280);
– controleverordening: Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de
Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire
controleregeling die de naleving van de regels van het
gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging
van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr.
811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr.
2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr.
676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr.
1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93,
(EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PbEU L 343);
– verordening nr. 1288/2009: Verordening (EG) nr. 1288/2009
van de Raad van 27 november 2009 tot vaststelling van technische
overgangsmaatregelen van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011 (PbEU
L 347);
– verordening nr. 201/2010: Verordening (EU) nr. 201/2010 van
de Commissie van 10 maart 2010 tot vaststelling van bepalingen
voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad
betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van
communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en
de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire
wateren (PBEU L 61);
– verordening nr. 640/2010: Verordening (EU) nr. 640/2010 van
het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 tot vaststelling
van een vangstdocumentatieprogramma voor blauwvintonijn Thunnus
thynnus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1984/2003 van de
Raad (PbEU L 194);
– verordening nr. 1013/2010: Verordening (EU) nr. 1013/2010
van de Commissie van 10 november 2010 tot vaststelling van
bepalingen ter uitvoering van het vlootbeleid van de Unie als
omschreven in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van
de Raad (PbEU L 293);
– verordening nr. 1236/2010: Verordening (EU) nr. 1236/2010
van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot
vaststelling van een controle- en handhavingregeling voor het
gebied dat onder het Verdrag inzake toekomstige multilaterale
samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de
Atlantische Oceaan valt en tot intrekking van Verordening (EG) nr.
2791/1999 van de Raad (PbEU L 348);
– uitvoeringsverordening controleverordening:
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8
april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening
(EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een
communautaire controleregeling die de naleving van de regels van
het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PbEU L 112);
– Verordening interne vangstmogelijkheden: Verordening (EU)
nr. ../2012 van de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling,
voor 2012, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en
groepen visbestanden die voor EU-vissersvaartuigen beschikbaar
zijn en die niet zijn onderworpen aan internationale
onderhandelingen of overeenkomsten;
– Verordening externe vangstmogelijkheden: Verordening (EU)
nr. ../2012 van de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling,
voor 2012, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden
die in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren
buiten de EU beschikbaar zijn en die zijn onderworpen aan
internationale onderhandelingen of overeenkomsten;
– Verordeningen vangstmogelijkheden: Verordening interne
vangstmogelijkheden en Verordening externe vangstmogelijkheden.
Artikel 2. Nadere begripsbepalingen
1. Voor de toepassing van de in artikel 1, tweede lid, genoemde
verordeningen is het visserijcontrolecentrum, bedoeld in artikel 4,
vijftiende lid, van de controleverordening, van Nederland de meldkamer
van de NVWA te Kerkrade.
2. Voor de toepassing van deze regeling en van de in artikel 1,
tweede lid, genoemde verordeningen vindt aanlanden plaats op het
tijdstip waarop het vissersvaartuig direct of indirect verbinding met
de wal heeft gekregen.
3. Voor de toepassing van verordening nr. 850/98, van de
verordeningen vangstmogelijkheden en van hoofdstuk 2 van deze regeling
wordt onder’ICES-deelgebied IV’ en ’Noordzee’ mede verstaan de
in het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 genoemde
wateren.
Artikel 3. Noodmaatregelen op grond van de basisverordening
Het is verboden in strijd te handelen met de op grond van artikel 7
van verordening nr. 2371/2002 vastgestelde noodmaatregelen.
Artikel 4. Toegang tot 12-mijlszone
Het is verboden met een buitenlands vissersvaartuig de visserij uit
te oefenen in de territoriale zee van Nederland, bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, anders dan
voortvloeiend uit artikel 17, tweede lid, van verordening nr. 2371/2002.
Artikel 5. Vaststelling lettertekens gemeenten
De gemeenten en de lettertekens waarmee de gemeenten worden
aangeduid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Registratiebesluit,
zijn vastgesteld in bijlage 1.
Artikel 6. Aanwijzing havens
1. Het is verboden vis in Nederland aan te landen, te lossen of
over te laden.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet:
a. voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van tien
meter of minder in de in bijlage 2 A vermelde havens of in de in
bijlage 3 vermelde plaatsen;
b. voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van 59
meter of minder of met een brutotonnage van 1.200 BT of minder, in
de in bijlage 2 A vermelde havens met uitzondering van Vlaardingen
en Velsen;
c. voor vissersvaartuigen met een lengte over alles van meer
dan 59 meter of met een brutotonnage van meer dan 1.200 BT in de
in bijlage 2 A vermelde havens met uitzondering van Vlaardingen;
of
d. voor vissersvaartuigen waarvan de vangst voor ten minste 90%
uit ansjovis of sprot bestaat, in de periode van 1 april tot en
met 31 juli indien het ansjovis betreft en in de periode van 1
augustus tot en met 31 maart indien het sprot betreft, in de
westelijke voorhaven van de Bergsediepsluis en aan de loswal van
Schore, gemeente Kapelle;
mits het aanlanden, lossen of overladen is toegestaan op grond van
de in artikel 1, tweede lid, genoemde verordeningen en indien is
voldaan aan de artikelen 7 en8.
Artikel 7. Voorschriften aanlanden
1. Voor zover niet op grond van de in artikel 2, tweede lid,
genoemde verordeningen anders is bepaald wordt, voordat het aanlanden
van vis plaatsvindt, melding gedaan aan de NVWA.
2. De melding vindt ten minste vier uur voor het tijdstip van
aanlanding plaats door verzending van een faxbericht door de kapitein,
de eigenaar of diens gemachtigde aan de meldkamer van de NVWA te
Kerkrade (045-5461011), waarin ten minste is aangegeven:
a. de haven van aanlanding of de in bijlage 3bedoelde plaats,
onder vermelding van de exacte locatie;
b. de geschatte datum en het geschatte tijdstip van aanlanding;
c. de datum en het tijdstip van de melding;
d. de roepletters van het vissersvaartuig;
e. de naam van de ondernemer;
f. de naam van de kapitein; en
g. de lettertekens en het nummer van het vissersvaartuig.
3. Het geschatte tijdstip van aanlanding, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel b, verschilt niet meer dan een half uur van het
daadwerkelijke tijdstip van aanlanding.
4. In afwijking van het tweede lid, vindt de melding door een
vaartuig met een lengte over alles van 10 meter of minder ten minste
twee uur voor het tijdstip van aanlanding plaats.
Artikel 8. Voorschriften lossen
1. Een ambtenaar van de NVWA heeft toestemming gegeven om te
lossen.
2. Op verzoek van degene die vis aanlandt, kan de toestemming,
bedoeld in het eerste lid, worden verleend door een functionaris,
namens een ambtenaar van de NVWA.
3. Toestemming als bedoeld in het eerste lid wordt gegeven in de
volgorde van melding van het tijdstip van aanlanding.
4. Het lossen van vis in de in bijlage 2 A genoemde havens vindt
plaats op de in die bijlage achter de desbetreffende haven genoemde
losplaatsen.
5. Alle zich aan boord van het vissersvaartuig bevindende vis, met
uitzondering van paling, wordt in één ononderbroken losbeurt in zijn
geheel gelost.
6. Voor zover het de vissoorten betreft, genoemd in de bijlage 4, 5
en 6, is de vis per verpakkingseenheid naar vissoort gesorteerd en
wordt de vis per vissoort gelost.
7. Het vijfde lid is niet van toepassing op het lossen van vis uit
een vissersvaartuig met een brutotonnage van meer dan 1.200 BT waarmee
de pelagische visserij wordt uitgeoefend, mits alle aan boord
aanwezige vis geheel is gelost voordat het vaartuig uitvaart.
Artikel 9. Toelating monsternemers in kader van datacollectie
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 11, derde en vierde
lid, van verordening nr. 199/2008.
Hoofdstuk 2. Vangstmogelijkheden
§ 1. Verordening vangstmogelijkheden
Artikel 10. Vangstverboden
1. Het is verboden met een vissersvaartuig op de vissoorten,
genoemd in debijlagen 4, 5 en 6, in de bij die vissoorten vermelde
wateren te vissen dan wel deze vissoorten aan boord te houden of aan
te landen.
2. Voor zover het de in bijlage 4 genoemde bestanden betreft die
niet van een asterisk zijn voorzien, geldt het in het eerste lid
bedoelde verbod uitsluitend voor Nederlandse vissersvaartuigen.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover:
a. het Nederlandse vissersvaartuigen betreft en het Nederlands
quotum voor de desbetreffende vissoort, zoals dit ingevolge
artikel 33, vijfde lid, van de controleverordening is verminderd,
niet is overschreden;
b. het Europese vissersvaartuigen betreft en het Europees
quotum voor de desbetreffende vissoort, zoals dit ingevolge
artikel 33, vijfde lid, van de controleverordening is verminderd,
niet is overschreden;
c. het vissersvaartuigen van derde landen betreft, in de
gebieden vermeld in bijlage 4, 5 en 6, mits de visserij wordt
uitgeoefend overeenkomstig artikel 35 van de verordening externe
vangstmogelijkheden; en
d. wordt gehandeld in overeenstemming met de voorschriften die
in de vorm van een voetnoot bij de desbetreffende hoeveelheden
zijn opgenomen in de bijlagen 5 en 6.
4. De minister kan de in bijlagen 5 of 6 genoemde hoeveelheden
wijzigen of op nul stellen, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor
de nakoming van verplichtingen van de Europese Unie.
5. De minister maakt de datum, bedoeld in artikel 35, eerste lid,
onderdeel a, van de controleverordening, bekend. Deze datum kan per
vissoort en vangstgebied verschillen.
Artikel 11. Ontheffing vangstverboden
1. Van het verbod, bedoeld in artikel 10, eerste lid, kan op grond
van artikel 6d van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 uitsluitend
ontheffing worden verleend, voor het uitoefenen van de visserij ten
behoeve van:
a. wetenschappelijk onderzoek, voor zover:
1e het onderzoek wordt begeleid door een wetenschappelijk
instituut;
2e het onderzoek, blijkens het bij de aanvraag voor de
ontheffing te overleggen projectplan, naar het oordeel van de
minister in het belang is voor de Nederlandse visserij;
3e het de vissoorten betreft waarop het onderzoek
betrekking heeft;
4e de resultaten van het onderzoek beschikbaar worden
gesteld voor de Nederlandse visserijsector; en
5e de totale vangsten waarvoor ontheffing wordt verleend
het in artikel 33, zesde lid, van de controleverordening,
genoemde percentage van de in bijlage I van de verordening
interne vangstmogelijkheden en bijlage I van de verordening
externe vangstmogelijkheden aan Nederland toegewezen
vangstmogelijkheden niet te boven gaat; en
b. een pilot in het kader van volledig gedocumenteerde visserij
als bedoeld in artikel 7 van de verordening interne
vangstmogelijkheden en artikel 6 van de verordening externe
vangstmogelijkheden, voor zover wordt voldaan aan het tweede lid
van de desbetreffende artikelen.
2. De op grond van het eerste lid, onderdeel b, verleende
ontheffing wordt ingetrokken in de situatie, genoemd in artikel 7,
derde lid, van de verordening interne vangstmogelijkheden en artikel
6, derde lid, van de verordening externe vangstmogelijkheden.
Artikel 12. Reservering vangstmogelijkheden
1. De minister kan het verschil tussen de in bijlage I van de
verordening interne vangstmogelijkheden en bijlage I van de
verordening externe vangstmogelijkheden aan Nederland toegewezen
vangstmogelijkheden en het Nederlands quotum benutten ten behoeve van:
a. ruilen van vangstmogelijkheden met andere lidstaten als
bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van verordening nr. 2371/2002;
b. verlaging van de aan Nederland toegewezen
vangstmogelijkheden als bedoeld in de artikelen 37, tweede lid,
88, eerste lid, 105 en 107, eerste lid, van de
controleverordening; of
c. toewijzing aan een ondernemer, een groep of een
producentenorganisatie, overeenkomstig de door de minister vast te
stellen criteria, indien is komen vast te staan dat die ondernemer
of de ondernemers die aan de desbetreffende groep of
producentenorganisatie deelnemen, in een nader te bepalen periode
hebben gehandeld overeenkomstig de artikelen 21, eerste lid, 22,
23, 53, 57 en 105 van deze regeling en aan de artikelen 39, eerste
lid, en 49 van de controleverordening.
2. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde toewijzing bedraagt
per vissoort en vangstgebied ten hoogste 10% van de in bijlage I van
de verordening interne vangstmogelijkheden en bijlage I van de
verordening externe vangstmogelijkheden voor die vissoort in het
desbetreffende vangstgebied aan Nederland toegedeelde
vangstmogelijkheden.
3. De hoeveelheden die resteren na de toepassing van het eerste
lid, worden uiterlijk 1 juni van het desbetreffende kalenderjaar aan
het Nederlands quotum toegevoegd.
Artikel 13. Overige verboden
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 11 en 12,
tweede lid van de verordening interne vangstmogelijkheden en de
artikelen 11, 12, tweede lid, 16, 18, 19, 20, 23, 27, eerste, derde,
vierde, vijfde en zesde lid, 28, 30, 31, 33, 35, tweede lid, en 36 van
de verordening externe vangstmogelijkheden.
2. Het is verboden visserijactiviteiten uit te oefenen in strijd
met de artikelen 15, 22, eerste en tweede lid, 29 en 32 van de
verordening externe vangstmogelijkheden.
Artikel 14. Diepzeevisdocumenten
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 3, eerste lid,
van verordening nr. 2347/2002 in samenhang met artikel 9, eerste lid,
van de verordening externe vangstmogelijkheden, en met de artikelen 5,
6, eerste en tweede lid, en 7 van verordening nr. 2347/2002.
2. Het is verboden per kalenderjaar met een vissersvaartuig meer
dan 10 ton van de diepzeesoorten als bedoeld in artikel 2, onderdeel
a, van verordening nr. 2347/2002 en in artikel 9, eerste lid, van de
verordening externe vangstmogelijkheden, te vangen, aan boord te
houden of aan te landen, tenzij ten behoeve van het vissersvaartuig
een diepzeedocument is afgegeven als bedoeld in artikel 2, onderdeel
b, van verordening nr. 2347/2002.
3. Een diepzeevisdocument wordt slechts verleend ten behoeve van
een vissersvaartuig:
a. waarmee in de jaren 1998, 1999 of 2000 ten minste 100 ton
van de in het eerste lid bedoelde soorten is aangeland, of
b. ten aanzien waarvan een visvergunning is toegekend die
eerder was toegekend ten aanzien van een vissersvaartuig als
bedoeld in onderdeel a, en waarvan het motorvermogen niet groter
is dan het motorvermogen van dat vissersvaartuig.
4. Het is verboden de visserij uit te oefenen op de diepzeesoorten,
bedoeld in bijlage I, met uitzondering van de grote zilvervis, en
bedoeld in bijlage II van verordening nr. 2347/2002, indien in 2011 de
visserij-inspanning van het desbetreffende vaartuig tijdens reizen
waarop meer dan 100 kg aan andere diepzeesoorten dan grote zilvervis
is gevangen, groter is dan de door de minister vastgestelde
visserij-inspanning van dat vaartuig in 2003, verminderd met 35%.
5. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van
verordening nr. 2347/2002, is de NVWA.
6. De havens, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van verordening nr.
2347/2002, zijn de in bijlage 2 B vermelde havens.
7. Indien de minister een waarnemer als bedoeld in artikel 8 van
verordening nr. 2347/2002, aanwijst, draagt de kapitein van het
desbetreffende vissersvaartuig er zorg voor dat deze waarnemer de
taken, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van die verordening,
ongehinderd kan uitvoeren.
Artikel 15. Pelagische visserij
1. Het is verboden met een vissersvaartuig enige visserijactiviteit
uit te oefenen in de zone van de SPRFMO, bedoeld in artikel 4,
onderdeel m, van de verordening externe vangstmogelijkheden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vissersvaartuigen die
pelagische visserij uitoefenen en die aantoonbaar in 2007, 2008 of
2009 in de in het eerste lid bedoelde zone visserijactiviteiten hebben
uitgeoefend of op een vissersvaartuig dat voornoemd vissersvaartuig
vervangt, indien:
a. het vissersvaartuig hetzelfde of een kleiner brutotonnage
heeft dan het te vervangen vaartuig;
b. het vissersvaartuig pelagische visserij uitoefent; en
c. de personen op wier naam de vaartuigen staan geregistreerd
in het visserijregister, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van
het Registratiebesluit, minimaal 4 weken voor het moment van
vervangen een melding aan de minister hebben gedaan.
Artikel 16. Visserij-inspanning annex IIA
1. Het is verboden met een vissersvaartuig met een lengte van over
alles van ten minste 10 meter te vissen in de gebieden, bedoeld in
artikel 3 van verordening nr. 1342/2008, met typen vistuig behorend
tot de in punt 1 van bijlage I bij verordening nr. 1342/2008 vermelde
vistuigcategorieën en die typen vistuig aan boord te houden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van een
vissersvaartuig, indien:
a. de voor de beheersperiode, genoemd in artikel 1, tweede lid,
onderdeel b, van de verordening interne vangstmogelijkheden en
artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de verordening externe
vangstmogelijkheden, dan wel, voor zover het de
vistuigcategorieën TR1 of TR2 betreft, de voor het desbetreffende
gedeelte van die beheersperiode toegestane visserij-inspanning per
gebied als bedoeld in artikel 3 van verordening nr. 1342/2008, en
per vistuigcategorie, al dan niet onderscheiden naar de maaswijdte
van de netten of deelname aan een pilot in het kader van volledig
gedocumenteerde visserij als bedoeld in artikel 7 van de
verordening interne vangstmogelijkheden en artikel 6 van de
verordening externe vangstmogelijkheden, vermeld in bijlage 7, nog
niet is opgebruikt;
b. voor zover het de vistuigcategorieën TR1 en TR2 betreft,
het vissersvaartuig in tijdvakken van twee aaneengesloten weken
telkens ten hoogste tien kalenderdagen in een gebied als bedoeld
in artikel 3 van verordening nr. 1342/2008, aanwezig is; en
c. wordt gehandeld in overeenstemming met de voorschriften die
zijn verbonden aan de voor het betrokken vaartuig verleende
vismachtiging, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
controleverordening.
3. De minister maakt de datum, bedoeld in artikel 35, eerste lid,
onderdeel b, van de controleverordening, bekend. Deze datum kan per
gebied en per vistuigcategorie verschillen.
Artikel 17. Ontheffing visserij-inspanning annex IIA
Van het verbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, kan op grond van
artikel 6d van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 uitsluitend
ontheffing worden verleend, voor het uitoefenen van de visserij ten
behoeve van wetenschappelijk onderzoek, voor zover:
a. het onderzoek wordt begeleid door een wetenschappelijk
instituut;
b. het onderzoek, blijkens het bij de aanvraag voor de ontheffing
te overleggen projectplan, naar het oordeel van de minister in het
belang is voor de Nederlandse visserij;
c. het de vissoorten betreft waarop het onderzoek betrekking
heeft;
d. de resultaten van het onderzoek beschikbaar worden gesteld
voor de Nederlandse visserijsector; en
e. de totale visserij-inspanning waarvoor ontheffing wordt
verleend het in artikel 33, negende lid, van de controleverordening,
genoemde percentage van de in bijlage IIA van de verordening interne
vangstmogelijkheden en bijlage IIA van de verordening externe
vangstmogelijkheden aan Nederland toegewezen visserij-inspanning
niet te boven gaat.
Artikel 18. Reservering visserij-inspanning annex IIA
1. De minister kan het verschil tussen de in bijlage IIA van de
verordening interne vangstmogelijkheden en bijlage IIA van de
verordening externe vangstmogelijkheden aan Nederland toegewezen
visserij-inspanning en de in bijlage 7 bij deze regeling vermelde
hoeveelheden visserij-inspanning benutten ten behoeve van:
a. het uitwisselen van visserij-inspanning met andere
lidstaten, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van verordening nr.
1342/2008;
b. het overdragen visserij-inspanning tussen
inspanningsgroepen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van
verordening nr. 1342/2008, of
c. toewijzing aan ondernemers waarvan is vastgesteld dat met
het vissersvaartuig van de ondernemer tijdens de beheersperiode de
visserij is uitgeoefend met gebruikmaking van vistuig dat
selectiever is dan de bestaande wettelijke verplichtingen.
2. Het deel van de visserij-inspanning dat is gereserveerd op grond
van het tweede lid, onderdelen b en c, wordt, na aftrek van de
overgedragen en toegewezen hoeveelheden, uiterlijk 1 juli van de
beheersperiode beschikbaar gesteld aan vaartuigen ten behoeve waarvan
een vismachtiging als bedoeld in artikel 7 van de controleverordening
is verleend.
3. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd voor
het toewijzen van de visserij-inspanning, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c.
Artikel 19. Aanvullende visserij-inspanning annex IIA
1. Het verbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid, is tijdens de
beheersperiode na de bekendmaking, bedoeld in artikel 16, derde lid,
niet van toepassing op een vissersvaartuig indien de minister ten
behoeve van dat vaartuig een aanvullende hoeveelheid
visserij-inspanning heeft toegekend en de aan dat vaartuig toegekende
hoeveelheid visserij-inspanning nog niet is opgebruikt.
2. De minister kent de aanvullende hoeveelheid visserij-inspanning
slechts toe ten aanzien van een vissersvaartuig, indien:
a. ten behoeve van dat vaartuig voor die beheersperiode een
vismachtiging als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
controleverordening, is verleend;
b. met dat vissersvaartuig gedurende de gehele beheersperiode
de visserij wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel 13, tweede
lid, onderdeel a, b of c, van verordening nr. 1342/2008;
c. de kapitein van het vissersvaartuig of zijn
vertegenwoordiger daartoe voor 15 maart een verzoek op een daartoe
bestemd formulier heeft ingediend bij de minister en
d. het vissersvaartuig behoort tot een inspanningsgroep als
bedoeld in artikel 13, eerste lid, van verordening nr. 1342/2008.
3. De minister kan bij de toekenning van de aanvullende hoeveelheid
visserij-inspanning aanvullende eisen stellen, waaronder medewerking
aan frequentere controles in de zin van artikel 13, derde lid, van
verordening nr. 1342/2008.
4. De minister kent de aanvullende hoeveelheden visserij-inspanning
toe ten aanzien van het in de vismachtiging, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de controleverordening, vermelde gebied en type
vistuig en houdt bij de vaststelling van de hoeveelheden
visserij-inspanning rekening met artikel 13, vierde lid, van
verordening 1342/2008.
5. De minister reikt bij de toekenning van een aanvullende
hoeveelheid visserij-inspanning voor de beheersperiode aan de
ondernemer een document voor de desbetreffende visserij-inspanning
uit.
6. De aan een vissersvaartuig toegekende aanvullende hoeveelheid
visserij-inspanning is niet overdraagbaar.
7. De minister kan de toekenning, bedoeld in het eerste lid,
weigeren of intrekken indien:
a. niet wordt voldaan aan het tweede lid, onderdeel b, en het
derde lid of
b. hij dit noodzakelijk acht ter nakoming van Europese
verplichtingen.
Artikel 20. Overige visserij-inspanning
Het is verboden te vissen met de typen vistuigen, bedoeld in
onderdeel 1 van bijlage IIB en onderdeel 2 van bijlage IIC van de
verordening interne vangstmogelijkheden en onderdeel 1 van bijlage IIB
van de verordening externe vangstmogelijkheden, in de gebieden, bedoeld
in onderdeel 1 van deze bijlagen, en die typen vistuig aan boord te
houden.
§ 2. Vangstverboden contingentering
Artikel 21. Vangstverbod
1. Het is verboden met een vissersvaartuig op een vissoort, genoemd
in bijlage 8, in het daarbij voor die vissoort aangewezen vangstgebied
te vissen of een vissoort uit dat gebied aan te landen of aan boord te
houden.
2. Het eerste lid geldt niet indien het document, bedoeld in
artikel 30, eerste lid, aan boord aanwezig is en indien is voldaan aan
de artikelen 22 tot en met 24.
Artikel 22. Contingent
1. Voor zover het de vissoorten tong of schol betreft, geldt voor
het vissersvaartuig voor het desbetreffende vangstgebied zowel een
contingent tong als een contingent schol.
2. Voor zover het de vissoorten kabeljauw of wijting betreft, geldt
voor het betrokken vissersvaartuig voor het desbetreffende
vangstgebied zowel een contingent kabeljauw als een contingent
wijting.
3. Voor zover het de overige in bijlage 8 genoemde vissoorten
betreft, geldt voor het betrokken vissersvaartuig voor het
desbetreffende vangstgebied een contingent van de desbetreffende
vissoort.
Artikel 23. Geen overschrijding contingent
1. Met het betrokken vissersvaartuig wordt niet op een grotere
hoeveelheid van een vissoort in het desbetreffende vangstgebied gevist
of een grotere hoeveelheid van een vissoort uit dat gebied aangeland
of aan boord gehouden, dan overeenkomt met het voor dat
vissersvaartuig voor dat gebied geldende contingent van de
desbetreffende vissoort.
2. Indien voor meer dan één vissersvaartuig van een ondernemer
contingenten van een vissoort gelden, wordt per vissersvaartuig niet
op een grotere hoeveelheid van een vissoort in het desbetreffende
vangstgebied gevist of een grotere hoeveelheid van een vissoort uit
dat gebied aangeland of aan boord gehouden, dan overeenkomt met de som
van de voor de vissersvaartuigen van die ondernemer voor dat gebied
geldende contingenten van de desbetreffende vissoort.
3. Indien het voor het betrokken vissersvaartuig geldende
contingent van een vissoort is ingebracht in een groepscontingent,
wordt met dat vissersvaartuig niet op een vissoort in het
desbetreffende vangstgebied gevist of wordt die vissoort uit dat
gebied niet aangaland of aan boord gehouden, indien het
groepscontingent is opgevist.
Artikel 24. Geen overschrijding contingent aanverwante vissoort
1. Met het betrokken vissersvaartuig:
a. wordt niet op tong in het desbetreffende vangstgebied gevist
of wordt geen tong uit dat gebied aangeland of aan boord gehouden,
indien het voor dat vissersvaartuig geldende contingent schol is
opgevist; of
b. wordt niet op kabeljauw in het desbetreffende vangstgebied
gevist of wordt geen kabeljauw uit dat gebied aangeland of aan
boord gehouden, indien het voor dat vissersvaartuig geldende
contingent wijting is opgevist.
2. Indien voor meer dan één vissersvaartuig van een ondernemer:
a. contingenten tong en schol gelden, wordt per vissersvaartuig
niet op tong in het desbetreffende vangstgebied gevist of wordt
geen tong uit dat gebied aangeland of aan boord gehouden, indien
de som van de voor deze vissersvaartuigen geldende contingenten
schol is opgevist; of
b. contingenten kabeljauw en wijting gelden, wordt per
vissersvaartuig niet op kabeljauw in het desbetreffende
vangstgebied gevist of wordt geen kabeljauw uit dat gebied
aangeland of aan boord gehouden, indien de som van de voor deze
vissersvaartuigen geldende contingenten wijting is opgevist.
3. Indien de voor het betrokken vissersvaartuig geldende
contingenten:
a. tong en schol zijn ingebracht in een groepscontingent, wordt
niet op tong in het desbetreffende vangstgebied gevist of wordt
geen tong uit dat gebied aangeland of aan boord gehouden, indien
het groepscontingent schol is opgevist; of
b. kabeljauw en wijting zijn ingebracht in een
groepscontingent, wordt niet op kabeljauw in het desbetreffende
vangstgebied gevist of wordt geen kabeljauw uit dat gebied
aangeland of aan boord gehouden, indien het groepscontingent
wijting is opgevist.
Artikel 25. Toegestane bijvangsten kabeljauw of wijting
1. In afwijking van artikel 21 is het toegestaan:
a. per kalendermaand ten hoogste de in bijlage 9 genoemde
hoeveelheden kabeljauw of wijting uit het daarbij genoemde
vangstgebied aan boord te houden van of aan te landen met een
vissersvaartuig waarvoor geen contingent kabeljauw of wijting,
maar wel enig ander contingent geldt of ten behoeve waarvan
ingevolge artikel 36 van de Uitvoeringsregeling visserij een
vergunning voor het vangen van garnalen is verleend; of
b. met vissersvaartuigen waarvoor geen contingent geldt en ten
behoeve waarvan ingevolge artikel 36 van de Uitvoeringsregeling
visserij geen vergunning voor het vangen van garnalen is verleend,
in een kalenderjaar gezamenlijk ten hoogste de inbijlage 9
genoemde hoeveelheden kabeljauw of wijting uit het vangstgebied
aan boord te houden of aan te landen, mits de hoeveelheid
kabeljauw of wijting niet meer bedraagt dan 20% van het gewicht
van de totale vangst aan boord.
2. Indien het een vissersvaartuig met een brutotonnage van meer dan
1200 BT waarmee de pelagische visserij wordt uitgeoefend betreft, is
het eveneens toegestaan per kalenderjaar ten hoogste de som van de
ingevolge het eerste lid, onderdeel a, voor het kalenderjaar voor dat
vaartuig toegestane hoeveelheden kabeljauw of wijting aan boord te
houden of aan te landen.
3. De ondernemer die met een vissersvaartuig waarvoor geen
contingenten kabeljauw en wijting geldt, deelneemt aan een
groepscontingent, wordt geacht de som van de ingevolge het eerste lid,
onderdeel a, voor het kalenderjaar voor dat vaartuig toegestane
hoeveelheden kabeljauw of wijting in de groep of de
producentenorganisatie te hebben ingebracht.
4. In afwijking van artikel 21 is het toegestaan met
vissersvaartuigen als bedoeld in het derde lid, gezamenlijk ten
hoogste de som van de op grond van het derde lid in een groep of
producentenorganisatie ingebrachte hoeveelheden kabeljauw of wijting
aan boord te houden of aan te landen.
Artikel 26. Toegestane bijvangsten makreel
1. In afwijking van artikel 21 is het toegestaan:
a. per kalendermaand ten hoogste de in bijlage 9 genoemde
hoeveelheid makreel uit sector IIa of deelgebied IV aan boord te
houden van of aan te landen met een vissersvaartuig waarvoor geen
contingent makreel, maar wel enig ander contingent geldt of ten
behoeve waarvan ingevolge artikel 36 van de Uitvoeringsregeling
visserij een vergunning voor het vangen van garnalen is verleend;
of
b. met vissersvaartuigen waarvoor geen contingent geldt en ten
behoeve waarvan ingevolge artikel 36 van de Uitvoeringsregeling
visserij geen vergunning voor het vangen van garnalen is verleend,
in een kalenderjaar gezamenlijk ten hoogste de inbijlage 9
genoemde hoeveelheid makreel uit de sector IIa of deelgebied IV
aan boord te houden of aan te landen, mits de hoeveelheid makreel
niet meer bedraagt dan 20% van het gewicht van de totale vangst
aan boord.
2. De ondernemer die met een vissersvaartuig waarvoor geen
contingent makreel geldt, deelneemt aan een groepscontingent, wordt
geacht de som van de ingevolge het eerste lid, onderdeel a, voor het
kalenderjaar toegestane hoeveelheden makreel in de groep of de
producentenorganisatie te hebben ingebracht.
3. In afwijking van artikel 21 is het toegestaan met
vissersvaartuigen als bedoeld in het tweede lid, gezamenlijk ten
hoogste de som van de op grond van het tweede lid in een groep of
producentenorganisatie ingebrachte hoeveelheden makreel uit sector IIa
of deelgebied IV aan boord te houden of aan te landen.
Artikel 27. Toegestane bijvangst horsmakreel
Het is voor de vissersvaartuigen waarvoor geen contingent horsmakreel
voor de EU-wateren van de ICES gebieden IVb, IVc en VIId tezamen geldt,
toegestaan om per kalenderjaar gezamenlijk de in bijlage 9 genoemde
hoeveelheid horsmakreel uit die gebieden tezamen aan boord te houden of
aan te landen.
Artikel 28. Volledig gedocumenteerde visserij
Indien op van artikel 6d van het Reglement zee- en kustvisserij 1977
ontheffing wordt verleend van artikel 21 in verband met het uitoefenen
van de visserij ten behoeve van een pilot in het kader van volledig
gedocumenteerde visserij, geschiedt dit in overeenstemming met artikel 7
van de verordening interne vangstmogelijkheden en artikel 6 van de
verordening externe vangstmogelijkheden.
§ 3. Contingenten
Artikel 29. Bepaling contingent
1. Voor zover een ondernemer op 31 december om 24.00 uur van enig
jaar voor zijn vissersvaartuig een recht op een contingent had van een
inbijlage 8 vermelde vissoort, heeft hij gedurende het daaropvolgende
kalenderjaar voor dat vissersvaartuig recht op een contingent van die
vissoort ter grootte van het in bijlage 8 bij die vissoort vermelde
percentage.
2. Een ondernemer heeft slechts recht op een contingent tong,
schol, kabeljauw of wijting, indien hij ook recht heeft op een
contingent van de volgende bij de desbetreffende vissoort genoemde
aanverwante vissoort:
a. bij tong: schol;
b. bij schol: tong;
c. bij kabeljauw: wijting;
d. bij wijting: kabeljauw.
3. Voor de bepaling van een contingent voor een kalenderjaar wordt
de hoeveelheid waarmee het contingent voor het daaraan voorafgaande
jaar ingevolge artikel 39 is gekort, niet meegerekend.
4. De minister wijzigt het in het eerste lid genoemde percentage
voor een vissoort indien ten gevolge van een bindende
EU-rechtshandeling de in bijlage I van de verordening interne
vangstmogelijkheden en bijlage I van de verordening externe
vangstmogelijkheden aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden van
die vissoort worden verlaagd.
5. Tenzij de in bijlage 5 of 6 genoemde hoeveelheden op nul zijn
gesteld, kan de minister ten behoeve van een ondernemer die zijn
contingent van een vissoort nog niet heeft overschreden, het in het
eerste lid genoemde percentage wijzigen indien:
a. het Nederlands quotum voor die vissoort daartoe ruimte
biedt; of
b. ten gevolge van een ruil van quota als bedoeld in artikel
20, vijfde lid, van verordening nr. 2371/2002, wijziging optreedt
in de voor Nederland beschikbare hoeveelheid van die vissoort.
Artikel 30. Document met contingent
1. De minister reikt aan de ondernemer die op grond van artikel 29,
eerste lid, recht heeft op een contingent, een document uit waarin het
overeenkomstig de artikelen 29 en 39 bepaalde contingent van een
vissoort voor het desbetreffende kalenderjaar is vermeld en dat ten
minste de volgende gegevens bevat:
a. de naam van de ondernemer op wiens naam het vissersvaartuig,
waarvoor het contingent geldt, staat geregistreerd; en
b. de lettertekens en het nummer van het desbetreffende
vissersvaartuig.
2. Indien na ontbinding van een samenwerkingsverband dat een
vissersvaartuig in exploitatie heeft, een of meer van de deelnemers
van dit samenwerkingsverband de exploitatie van dat vissersvaartuig
voortzetten, wordt na melding daartoe door alle voormalige deelnemers
van het ontbonden samenwerkingsverband de tenaamstelling van het
document gewijzigd.
§ 4. Groepscontingenten
Artikel 31. Inbreng contingenten in groep of PO
1. Ondernemers kunnen de voor hun vissersvaartuigen geldende
contingenten van een vissoort voor het desbetreffende kalenderjaar
inbrengen in een groep of een producentenorganisatie met het oog op
het beheer van die contingenten door die groep of door die
producentenorganisatie, indien– voor zover het een groep betreft –
is voldaan aan het tweede lid.
2. De groep:
a. bestaat uit ten minste vijftien ondernemers die lid zijn van
één producentenorganisatie;
b. bezit rechtspersoonlijkheid; en
c. staat onder leiding van een voorzitter wiens benoeming door
het Productschap Vis is goedgekeurd.
Artikel 32. Toekenning groepscontingent
1. De minister kent aan een groep of een producentenorganisatie een
groepscontingent van een vissoort toe gelijk aan de som van de
ingebrachte contingenten van die vissoort voor zover deze niet zijn
opgevist en aangeland, indien de minister vóór 1 februari van het
desbetreffende kalenderjaar het daartoe strekkende verzoek heeft
ontvangen dat is ingediend overeenkomstigartikel 34.
2. Een groepscontingent staat op naam van de groep of de
producentenorganisatie en geldt ten gunste van de vissersvaartuigen
waarvan de contingenten aan de groep of de producentenorganisatie in
beheer zijn gegeven voor zover de desbetreffende ondernemer voldoet
aanartikel 33.
Artikel 33. Recht op individueel aandeel
1. Een ondernemer heeft slechts recht op een individueel aandeel in
een groepscontingent indien:
a. hij alle geldende, en gedurende het kalenderjaar eventueel
te verwerven contingenten van een vissoort en in voorkomend geval
van de in artikel 29, tweede lid, bij de desbetreffende vissoort
genoemde aanverwante vissoort in de groep of in de
producentenorganisatie inbrengt;
b. de voor het kalenderjaar voor zijn vissersvaartuig of
vissersvaartuigen geldende contingenten van de desbetreffende
vissoort als gevolg van de korting overeenkomstigartikel 39 niet
zijn vastgesteld op nul; en
c. hij met zijn vissersvaartuig of vissersvaartuigen niet aan
andere groepscontingenten deelneemt.
2. Indien een deelnemer aan een groepscontingent, gedurende het
kalenderjaar een contingent van de vissoort waarvan contingenten zijn
ingebracht in dat groepscontingent, verwerft, wordt dat contingent
toegevoegd aan dat groepscontingent, tenzij dat groepscontingent
volledig is opgevist.
Artikel 34. Indiening verzoek door groep of PO
1. Het verzoek, bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt door de
groep of de producentenorganisatie ingediend en gaat vergezeld van de
volgende bescheiden:
a. een visplan;
b. de statuten van de groep of de producentenorganisatie,
waarin in ieder geval is bepaald dat de leden van de groep of de
producentenorganisatie alle aan te voeren vis via bemiddeling van
visafslagen moeten verhandelen en dat bij niet-naleving van de
door de groep of de producentenorganisatie opgestelde bepalingen
een sanctiesysteem zal worden toegepast en op welke wijze de
geïnde boetes door de groep of de producentenorganisatie zullen
worden besteed;
c. het huishoudelijk reglement van de groep of de
producentenorganisatie; en
d. een overzicht van alle leden van de groep of de
producentenorganisatie die voor het desbetreffende kalenderjaar de
voor hun vissersvaartuigen geldende contingenten aan de groep of
de producentenorganisatie in beheer hebben gegeven.
2. In het visplan is ten minste aangegeven:
a. de spreiding van de aanvoer van het beschikbare
groepscontingent; en
b. de maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om
de visserij-inspanning van de deelnemers aan het groepscontingent
af te stemmen op de desbetreffende groepscontingenten.
3. Indien het verzoek wordt gedaan door een producentenorganisatie,
behoeven de in het eerste lid bedoelde bescheiden niet te worden
ingediend, voor zover deze door de desbetreffende
producentenorganisatie voor 1 februari zijn ingediend op grond van de
Regeling werkprogramma's producentenorganisaties visserij- en
aquacultuursector.
4. De minister wijst het verzoek af, indien:
a. de voorgeschreven bescheiden niet zijn overgelegd; of
b. naar zijn oordeel de naleving van deze regeling en van de
afspraken die binnen de groep of de producentenorganisatie zijn
gemaakt, onvoldoende is verzekerd.
Artikel 35. Verplichtingen van bestuur van groep of PO
Het bestuur van de groep of van de producentenorganisatie:
a. ziet toe op de naleving van het visplan;
b. ziet erop toe dat de leden van de groep of de
producentenorganisatie het groepscontingent niet overschrijden;
c. verbiedt de visserij op de desbetreffende vissoort indien het
groepscontingent is opgevist;
d. past in geval van overschrijding van het individueel aandeel
of van het groepscontingent sanctiemaatregelen toe;
e. registreert en administreert huur- en verhuurtransacties;
f. voert een deugdelijke administratie waaruit te allen tijde de
omvang van het groepscontingent blijkt, alsmede de hoeveelheden van
de desbetreffende vissoort die per vissersvaartuig, per deelgebied
of sector zijn aangeland;
g. overlegt elke wijziging van de statuten en huishoudelijke
reglementen van de groep of de producentenorganisatie onverwijld aan
de minister;
h. verleent ambtenaren van de NVWA te allen tijde inzage in de
gegevens, bedoeld in de onderdelen e en f;
i. verstrekt de minister op verzoek een kopie van de gegevens,
bedoeld in de onderdelen e en f; en
j. stuurt de door het bestuur van de groep of van de
producentenorganisatie ingevolge artikel 110, tweede lid, ontvangen
gegevens na ontvangst onverwijld door aan de minister.
Artikel 36. Onttrekking aan groepscontingent
1. De ten behoeve van een groepscontingent ingebrachte contingenten
van een vissoort kunnen door een ondernemer gedurende een kalenderjaar
slechts geheel of gedeeltelijk aan het groepscontingent worden
onttrokken, indien:
a. hij daarvan melding doet aan de minister;
b. de melding vergezeld gaat van een schriftelijke verklaring
van het bestuur van de desbetreffende groep of
producentenorganisatie dat het met de onttrekking instemt; en
c. het groepscontingent van de desbetreffende vissoort of in
voorkomend geval van de in artikel 29, tweede lid, bij de
desbetreffende vissoort genoemde aanverwante vissoort op het
moment van ontvangst van de melding nog niet geheel is opgevist.
2. De te onttrekken contingenten van een vissoort worden verminderd
met de vangsten die tot de datum van onttrekking op basis van die
contingenten zijn gerealiseerd.
3. De onttrekking vindt slechts plaats na kennisgeving van de
minister aan de ondernemer en aan de groep of de
producentenorganisatie, dat de melding is ontvangen.
Artikel 37. Uitsluiting deelname
1. De minister kan op verzoek van het bestuur van de groep of van
de producentenorganisatie een deelnemer aan een groepscontingent van
verdere deelname uitsluiten indien de deelnemer de binnen de groep of
de producentenorganisatie geldende regels niet naleeft.
2. De uitgesloten deelnemer heeft voor zijn vissersvaartuig recht
op een contingent van de desbetreffende vissoort dat gelijk is aan het
op grond van de artikel 29, eerste lid, geldende contingent van die
vissoort, verminderd met de tot de datum van uitsluiting met dat
vissersvaartuig gerealiseerde vangsten of indien deze hoger zijn,
verminderd met het evenredig aandeel van de vangsten gerealiseerd door
de deelnemers aan het groepscontingent.
Artikel 38. Basis voor bepaling contingenten
Bij de vermindering, bedoeld in de artikelen 36, tweede lid, en 37,
tweede lid, gaat de minister uit van de gegevens uit het Visserij
Registratie en Informatie Systeem van het Ministerie van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie, aangevuld met de gegevens uit de laatste
door het bestuur van de groep of van de producentenorganisatie
overgelegde kopie van de administratieve gegevens, bedoeld in artikel
35, onderdeel f, behoudens tegenbewijs van de belanghebbende bij het
desbetreffende contingent.
§ 5. Korting, overdracht, aanhouding en ingebruikgeving van
contingenten
Artikel 39. Korting op contingenten
1. Indien de ondernemer het contingent van een vissoort in een
kalenderjaar overschrijdt, wordt het contingent van die vissoort voor
het daarop volgende kalenderjaar overeenkomstig gekort.
2. Indien de hoeveelheid waarmee het contingent van die vissoort in
een kalenderjaar wordt overschreden, groter is dan het contingent van
die vissoort voor het daarop volgende kalenderjaar, wordt het
contingent van die vissoort voor de op dat jaar volgende kalenderjaren
overeenkomstig gekort.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
indien de ondernemer in het kalenderjaar de som van de voor zijn
vissersvaartuigen geldende contingenten overschrijdt.
4. Indien het groepscontingent van een vissoort in een kalenderjaar
wordt overschreden, worden de contingenten van die vissoort van de
deelnemers aan dat groepscontingent voor het daarop volgende
kalenderjaar gekort met de hoeveelheid waarmee hun individueel aandeel
van die vissoort in dat groepscontingent is overschreden.
5. Indien de hoeveelheid, bedoeld in het vierde lid, groter is dan
het contingent van die vissoort voor het daarop volgende kalenderjaar,
wordt het contingent van die vissoort voor de op dat jaar volgende
kalenderjaren overeenkomstig gekort.
6. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, kan de
minister op verzoek van de ondernemer de overschrijding van:
a. het contingent schol geheel of gedeeltelijk in mindering
brengen op het op grond van artikel 29, eerste lid, geldende
contingent tong waarbij voor elke 5 kilogram schol 1 kilogram tong
in mindering wordt gebracht; of
b. het contingent tong geheel of gedeeltelijk in mindering
brengen op het op grond van artikel 29, eerste lid, geldende
contingent schol, waarbij voor elke kilogram tong 5 kilogram schol
in mindering wordt gebracht.
Artikel 40. Andere verdeling van contingenten over vissersvaartuigen
1. In afwijking van artikel 29, eerste lid, kan een ondernemer op
wiens naam meer dan één vissersvaartuigen geregistreerd zijn
waarvoor een contingent van dezelfde vissoort geldt, die contingenten
op een andere manier over deze vissersvaartuigen verdelen.
2. De verdeling is slechts toegestaan, indien:
a. de ondernemer de minister daarvan melding doet;
b. – voor zover het contingenten tong, schol, kabeljauw of
wijting betreft – voor de betrokken vissersvaartuigen zowel een
contingent van de desbetreffende vissoort als een contingent van
de in artikel 29, tweede lid, bij de desbetreffende vissoort
genoemde aanverwante vissoort geldt;
c. de contingenten van de desbetreffende vissoort of in
voorkomend geval de aanverwante vissoort van de betrokken
vissersvaartuigen nog niet volledig zijn opgevist of niet als
gevolg van de korting overeenkomstig artikel 39 zijn vastgesteld
op nul op het moment van ontvangst van de melding; en
d. de in bijlagen 3 of 4 genoemde hoeveelheden op grond van
artikel 10, derde lid, niet op nul zijn gesteld.
3. De andere verdeling wordt slechts toegepast na kennisgeving van
de minister aan de ondernemer dat de melding, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, is ontvangen.
Artikel 41. Overdraagbaarheid van contingenten
1. Het recht van een ondernemer op een contingent van een vissoort
is geheel of gedeeltelijk overdraagbaar aan één of meer ondernemers
indien is voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid en aan
deartikelen 42 en43.
2. Een ondernemer die zijn contingent geheel of gedeeltelijk wil
overdragen, dient daarvoor een verzoek in bij de minister. Dit verzoek
gaat vergezeld van het document, bedoeld in artikel 30.
3. Indien de ondernemer aan wie het contingent wordt overgedragen,
meer dan één vissersvaartuig heeft, wordt bij het verzoek vermeld
welk deel van het over te dragen contingent voor elk van deze
vissersvaartuigen komt te gelden.
4. Indien ten behoeve van de ondernemer een pandrecht op het
contingent van de desbetreffende vissoort is verleend, gaat het
verzoek vergezeld van een verklaring dat de pandhouder met de
overdracht instemt.
5. De instemming van de pandhouder is slechts vereist indien de
pandhouder de minister door middel van een afschrift van de akte van
verpanding in kennis heeft gesteld van het gevestigde pandrecht.
Artikel 42. Voorwaarden voor overdracht van contingenten
1. Een geheel contingent tong, schol, kabeljauw of wijting kan
slechts worden overgedragen:
a. tegelijkertijd met de gehele overdracht van het contingent
van de in artikel 29, tweede lid, bij de desbetreffende vissoort
genoemde aanverwante vissoort van de desbetreffende ondernemer,
met dien verstande dat de minister op verzoek van die ondernemer
kan toestaan het verzoek tot overdracht van laatstbedoelde
vissoort voor een door hem vast te stellen periode aan te houden;
en
b. aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig
waarvoor zowel een contingent van de desbetreffende vissoort als
een contingent van de inartikel 29, tweede lid, bij de
desbetreffende vissoort genoemde aanverwante vissoort geldt.
2. Een gedeeltelijk contingent kabeljauw of tong kan slechts worden
overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig
waarvoor zowel een contingent kabeljauw als wijting geldt,
onderscheidenlijk waarvoor zowel een contingent tong als schol geldt.
3. Een gedeeltelijk contingent van een andere vissoort dan genoemd
in het tweede lid kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer
ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor een contingent van
dezelfde vissoort geldt.
Artikel 43. Overdracht van contingenten
1. De overdracht vindt slechts plaats na kennisgeving van de
minister aan de ondernemer aan wie het contingent van een vissoort
wordt overgedragen, dat het overgedragen contingent voor een door de
ondernemer aangewezen vissersvaartuig of vissersvaartuigen op zijn
naam komt te gelden en dat dat contingent voor het lopende
kalenderjaar is verminderd met het eventueel opgeviste deel daarvan en
de hoeveelheden, bedoeld in artikel 39.
2. De kennisgeving vindt voor het lopende kalenderjaar slechts
plaats indien:
a. het voor dat kalenderjaar voor het vissersvaartuig of de
vissersvaartuigen van de ondernemer waaraan wordt overgedragen
geldende contingent van de desbetreffende vissoort of aanverwante
vissoort, nog niet geheel is opgevist op het moment van ontvangst
van het in artikel 41, tweede lid, bedoelde verzoek;
b. het voor het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen ten
behoeve waarvan wordt overgedragen geldende contingent van de
desbetreffende vissoort of aanverwante vissoort niet als gevolg
van de korting overeenkomstigartikel 39 is vastgesteld op nul;
c. de in bijlagen 3 of 4 genoemde hoeveelheden op grond van
artikel 10, derde lid, niet op nul zijn gesteld; en
d. voor zover het de overdracht van een contingent haring,
makreel, blauwe wijting of grote zilvervis betreft aan een
ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor geen
contingent van dezelfde vissoort geldt, in het kalenderjaar met
dat vissersvaartuig geen hoeveelheden van die vissoort zijn
aangeland.
Artikel 44. Aanhouden van contingenten
1. De minister kan op verzoek van de desbetreffende ondernemer voor
een door hem vast te stellen periode het overgedragen contingent van
een vissoort of het contingent van een vissoort dat voor een door de
ondernemer aan te wijzen vissersvaartuig geldt, aanhouden.
2. Indien de ondernemer meer dan één vissersvaartuig heeft
aangewezen, geeft hij voor elk van deze vaartuigen aan welk deel van
het aangehouden contingent voor dat vaartuig komt te gelden.
3. Een aangehouden contingent van een vissoort kan alleen voor
vissersvaartuigen komen te gelden waarvoor een contingent van dezelfde
vissoort of aanverwante vissoort geldt.
4. Een aangehouden contingent tong, schol, kabeljauw of wijting kan
alleen voor vissersvaartuigen komen te gelden waarvoor zowel een
contingent van de desbetreffende vissoort als een contingent van de in
artikel 29, tweede lid, bij de desbetreffende vissoort genoemde
aanverwante vissoort geldt.
5. Het geldend maken van een contingent tijdens de door de minister
vastgestelde periode van aanhouding kan slechts plaatsvinden, indien:
a. de ondernemer één of meer vissersvaartuigen heeft
aangewezen waarvoor een contingent van dezelfde vissoort of
aanverwante vissoort geldt, en het contingent van die vissoort of
aanverwante vissoort nog niet geheel is opgevist op het moment van
ontvangst van het verzoek tot toekenning;
b. indien de in bijlagen 3of 4 genoemde hoeveelheden op grond
van artikel 10, derde lid, niet op nul zijn gesteld;
c. het contingent van de desbetreffende vissoort of aanverwante
vissoort niet als gevolg van de korting overeenkomstig artikel 39
is vastgesteld op nul; en
d. voor zover het contingent haring, makreel, blauwe wijting of
grote zilvervis is aangehouden voor een vissersvaartuig, waarvoor
geen contingent van de desbetreffende vissoort geldt, in het
kalenderjaar met dat vissersvaartuig geen hoeveelheden van die
vissoort zijn aangeland.
6. Indien de ondernemer binnen de door de minister vastgestelde
periode van aanhouding geen vissersvaartuig of vissersvaartuigen heeft
aangewezen ten behoeve waarvan een aangehouden contingent kan komen te
gelden, vervalt na afloop van deze periode de toekenning van het
contingent.
Artikel 45. Ingebruikgeving van contingenten
1. Een ondernemer kan het contingent van een vissoort dat voor zijn
vissersvaartuig geldt of dat ingevolge artikel 44 is aangehouden, in
het kalenderjaar geheel of gedeeltelijk in gebruik geven aan:
a. een met name genoemde ondernemer met één of meer
vissersvaartuigen van wie het contingent van dezelfde vissoort of
aanverwante vissoort op het moment van ontvangst van de melding,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, nog niet geheel is
opgevist; of
b. ondernemers die hun contingent van de desbetreffende
vissoort hebben ingebracht in een groepscontingent, indien het
groepscontingent van die vissoort of aanverwante vissoort op het
moment van ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel a, nog niet geheel is opgevist.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien:
a. de ondernemer daarvan melding doet aan de minister;
b. de ingebruikgeving geen betrekking heeft op een
vissersvaartuig of vissersvaartuigen waarvan het contingent van de
desbetreffende vissoort of aanverwante vissoort als gevolg van de
korting overeenkomstig artikel 39 is vastgesteld op nul;
c. de in bijlagen 5 of 6 genoemde hoeveelheden op grond van
artikel 10, derde lid, niet op nul zijn gesteld; en
d. de periode waarvoor het contingent van een vissoort geheel
of gedeeltelijk in gebruik wordt gegeven op het moment van de
melding, bedoeld in onderdeel a, kleiner is dan de resterende
periode waarvoor het desbetreffende contingent is aangehouden.
3. De ingebruikgeving vindt slechts plaats na kennisgeving van de
minister aan de ondernemer, bedoeld in de aanhef van het eerste lid,
dat de melding is ontvangen.
Artikel 46. Ingebruikgeving van groepscontingenten
1. Een bestuur van een groep of van een producentenorganisatie kan
het groepscontingent van een vissoort of de op grond van artikel 26,
tweede lid, ingebrachte hoeveelheden makreel gedeeltelijk in gebruik
geven aan een andere groep of producentenorganisatie ten behoeve van
samenvoeging met een groepscontingent van die vissoort, indien het
groepscontingent van de desbetreffende vissoort of aanverwante
vissoort, beheerd door het bestuur van de groep of de
producentenorganisatie aan wie het in gebruik wordt gegeven, nog niet
geheel is opgevist.
2. Een bestuur van een groep of van een producentenorganisatie kan
het groepscontingent van een vissoort gedeeltelijk in gebruik geven
aan een of meer met name genoemde ondernemers met één of meer
vissersvaartuigen die niet deelnemen aan een groepscontingent en van
wie het contingent van dezelfde vissoort of aanverwante vissoort op
het moment van ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid,
onderdeel a, nog niet geheel is opgevist.
3. Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing indien:
a. het bestuur van de ingebruikgeving melding heeft gedaan aan
de minister;
b. de ingebruikgeving geen betrekking heeft op een
vissersvaartuig of vissersvaartuigen waarvan het contingent van de
desbetreffende vissoort of aanverwante vissoort als gevolg van de
korting overeenkomstig artikel 39 is vastgesteld op nul; en
c. de in bijlagen 5 of 6genoemde hoeveelheden op grond van
artikel 10, derde lid, niet op nul zijn gesteld.
4. De ingebruikgeving vindt slechts plaats na kennisgeving van de
minister aan de desbetreffende groep of producentenorganisatie dat de
melding is ontvangen.
§ 6. Overige bepalingen over contingenten
Artikel 47. Spanvisserij
1. Indien twee of meer Nederlandse vissersvaartuigen, waarvoor
contingenten haring, die op hetzelfde vangstgebied betrekking hebben,
kabeljauw en wijting, of makreel gelden, de visserij in span
uitoefenen, wordt aan elk van de betrokken vissersvaartuigen een
evenredig deel van de totale door deze vissersvaartuigen aangelande
hoeveelheid van de desbetreffende vissoort of vissoorten toegerekend.
2. Alle tot het span te rekenen vissersvaartuigen landen in
dezelfde Nederlandse haven aan en lossen gezamenlijk.
Artikel 48. Nadere voorschriften contingenten haring
Indien het een contingent haring betreft, zijn de artikelen 31,
eerste lid,32, eerste lid, 40, eerste lid, 41, tweede lid, voor zover
verband houdend met gedeeltelijke overdracht, 44, eerste lid, 45, eerste
lid, en 46, eerste en tweede lid, uitsluitend van toepassing, indien het
één en hetzelfde vangstgebied betreft.
Artikel 49. Nadere voorschriften meldingen
1. Een melding als bedoeld in de artikelen 30, tweede lid, 36,
eerste lid, onderdeel a, 40, tweede lid, onderdeel a, 45, tweede lid,
onderdeel a, en 46, derde lid, onderdeel a, wordt bij de minister
gedaan op een daartoe bestemd formulier.
2. Een verzoek als bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, 37,
eerste lid, 39, zesde lid, 41, tweede lid, 42, vierde lid, en 44,
eerste lid, wordt bij de minister ingediend op een daartoe bestemd
formulier.
3. Een melding als bedoeld in de artikel 40, tweede lid, onderdeel
a, wordt vóór 1 december van het desbetreffende kalenderjaar
ingediend.
4. Een melding als bedoeld in artikel 46, derde lid, onderdeel a,
die betrekking heeft op het eerste lid van dat artikel, wordt voor 15
januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de melding
betrekking heeft ingediend.
5. Een verzoek als bedoeld in artikel 39, zesde lid, een melding
als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel a, en een melding als
bedoeld inartikel 46, derde lid, die betrekking heeft op het tweede
lid van dat artikel, wordt vóór 1 maart van het desbetreffende
kalenderjaar ingediend.
Hoofdstuk 3. Technische maatregelen
Artikel 50. Meting maaswijdte
Voor de toepassing van de in dit hoofdstuk genoemde verordeningen
wordt de maaswijdte van vistuig gemeten overeenkomstig verordening nr.
517/2008.
Artikel 51. Voorzieningen aan sleepnetten
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4 tot en met
15 van verordening nr. 3440/84, of sleepnetten als bedoeld in artikel 1
van verordening nr. 3440/84, aan boord te houden indien deze netten niet
voldoen aan de artikelen 4 tot en met 15 van die verordening.
Artikel 52. Drijfnetten
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 11, tweede
lid, en 11 bis van verordening nr. 894/97.
Artikel 53. Bescherming jonge exemplaren mariene organismen
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, tweede
tot en met vierde lid, 5, derde lid, 6 tot en met 10, 11, tweede lid,
14 tot en met 16, 18, eerste, derde en vierde lid, 19 tot en met 21,
22, eerste en derde lid, 23, 25, eerste en tweede lid, 26, eerste lid,
27, eerste lid, 28, 29, eerste, tweede en vijfde lid, 29ter, eerste en
vierde lid, 30, 31, 32, 34, eerste tot en met vijfde lid, 36, 37,
eerste lid, 38 tot en met 40, en 42, eerste lid van verordening nr.
850/98, in samenhang met de onderdelen 16, 17 en 18 van bijlage III
van verordening nr. 43/2009 en met dien verstande dat in plaats van
bijlage IV van verordening nr. 850/98, aanhangsel 1 van bijlage III
van verordening nr. 43/2009 van toepassing is.
2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is voor zover het
betrekking heeft op artikel 25, eerste lid, van verordening nr.
850/98, gedurende de periode van 15 april tot en met 15 november in
een kalenderjaar niet van toepassing in de kustwateren en het
zeegebied, bedoeld in het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren
1970, en in de Nederlandse territoriale zee.
3. Het in het eerste lid bedoelde verbod is voor zover het
betrekking heeft op artikel 29, eerste lid, van verordening nr. 850/98
niet van toepassing op Nederlandse vissersvaartuigen waarmee met
niet-bodemberoerende sleepvistuigen, waarvan de maaswijdte gelijk is
aan of groter is dan 16 mm, in de Waddenzee als omschreven in artikel
2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren
1970, op spiering wordt gevist en waarvan de vangst aan boord voor
tenminste 70% uit spiering bestaat.
4. Het in het eerste lid bedoelde verbod is voor zover dat
betrekking heeft op artikel 31, eerste lid, van verordening nr.
850/98, niet van toepassing voor de visserij, bedoeld in onderdeel 3.1
van bijlage III van verordening nr. 43/2009, voor zover:
a. ten behoeve van het desbetreffende vaartuig door de minister
toestemming is gegeven op grond van artikel 8, tweede lid,
onderdeel b, van de Regeling technische maatregelen 2000, zoals
dit artikelonderdeel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze regeling of op grond van het vijfde lid;
b. wordt voldaan aan onderdeel 3.2.b tot en met e, van bijlage
III van verordening nr. 43/2009; en
c. wordt voldaan aan de aan de toestemming verbonden
voorschriften.
5. Op aanvragen tot toestemming als bedoeld in het vierde lid, die
zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
regeling, wordt beslist overeenkomstig artikel 8, derde en vierde lid,
van de Regeling technische maatregelen 2000, zoals deze leden luidden
voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling.
6. Indien een vissersvaartuig wordt overgedragen ten behoeve
waarvan toestemming is gegeven op grond van artikel 8, tweede lid,
onderdeel b, van de Regeling technische maatregelen 2000, zoals dit
artikelonderdeel luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van
deze regeling of op grond van het vijfde lid, en waarmee
overeenkomstig het vierde lid, onderdeel b, en met de aan die
toestemming verbonden voorschriften daadwerkelijk met een pulskor is
gevist, kan de minister de ondernemer op wiens naam dat
vissersvaartuig na overdracht is geregistreerd, toestemming geven om
te vissen met een pulskor in het gebied, bedoeld in onderdeel 3.1 van
bijlage III van verordening nr. 43/2009. De toestemming wordt pas
verleend nadat de aan de oorspronkelijke rechthebbende gegeven
toestemming op diens verzoek is ingetrokken.
7. De minister kan de aan de toestemming verbonden voorschriften
wijzigen.
Artikel 54. Nationale voorschriften als bedoel in artikel 25, tweede
lid, van nr. 850/98
1. Voor de toepassing van artikel 25, tweede lid, van verordening
nr. 850/98 geldt dat een zeeflap:
a. een maaswijdte heeft van ten hoogste 70 mm;
b. is bevestigd aan de binnenzijde van het vistuig op zodanige
wijze dat alle mariene organismen uitsluitend via de zeeflap de
kuil van het vistuig kunnen bereiken;
c. een ontsnappingsgat bevat dat is aangebracht in de
bovenzijde of onderzijde van het vistuig ter hoogte van ten
hoogste 30 mazen voor de aanhechting van de kuil, ter grootte van
ten minste 15 mazen van het vistuig waarin de zeeflap is
bevestigd, gesneden in de lengterichting van dat vistuig; en
d. even lang of ten hoogste 10% langer is dan het basisnet van
het vistuig waarin de zeeflap is bevestigd, waarbij het achterste
punt van de zeeflap is bevestigd op maximaal 5 mazen achter het
achterste deel van het ontsnappingsgat.
2. Het is verboden handelingen te verrichten of middelen aan te
wenden waardoor de ontsnapping van mariene organismen door het
ontsnappingsgat wordt bemoeilijkt of belet, met uitzondering van het
gebruik van een overkuil met een maaswijdte van minimaal 80 mm, die is
aangebracht op maximaal 30 mazen voor het ontsnappingsgat, of een
secundaire kuil met een maaswijdte van minimaal 80 mm.
Artikel 55. Toestemming als bedoeld in de artikelen 43 en 44 van
verordening nr. 850/98
1. De toestemming, bedoeld in de artikelen 43, eerste lid, en 44,
eerste lid, van verordening nr. 850/98 wordt op aanvraag door de
minister verleend.
2. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd bij de
verlening van de toestemming.
3. De minister kan aan de toestemming voorschriften verbinden of de
daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
4. Degene aan wie toestemming is verleend, handelt overeenkomstig
artikel 43, tweede lid, of 44, tweede lid, van verordening nr. 850/98
en overeenkomstig de aan de toestemming verbonden voorschriften.
Artikel 56. Haring voor industriële doeleinden
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 2 en 3 van
verordening nr. 1434/98.
Artikel 57. Herstel kabeljauw Ierse zee
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 2 van verordening
nr. 2549/2000.
Artikel 58. Over grote afstand trekkende visbestanden in ICCAT- en
IOTC-gebied
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4 bis,
eerste en tweede lid, 4 quater, vijfde lid, 6 bis, eerste lid, 8 bis,
vijfde lid, 8 quater, 13, 17, eerste lid, en 18, tweede lid, 20 bis jo.
8 bis, vijfde lid, 20 ter jo. 8 quater, 20 quater, 20 sexies jo. 13 en
21 bis jo. 18, tweede lid, van verordening nr. 1936/2001.
2. Mestbedrijven van blauwvintonijn als bedoeld in artikel 3,
onderdeel i, van verordening nr. 1936/2001, overleggen aan de minister
binnen 72 uur na afloop van het kooien van dieren een kooiverklaring
overeenkomstig bijlage I bis van die verordening en uiterlijk op 1
juli van ieder jaar een afzetverklaring overeenkomstig artikel 4 ter,
derde lid, van die verordening.
3. Het is verboden met een vissersvaartuig met een lengte over
alles van meer dan 24 meter de visserij uit te oefenen in de gebieden,
bedoeld in artikel 2, onderdeel a en b, van verordening nr. 1936/2001,
op de soorten, genoemd in bijlage I van die verordening, tenzij het
vissersvaartuig in het bezit is van een overeenkomstig artikel 8 bis,
zesde lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 20 bis jo. artikel 8
bis, zesde lid, onderdeel b, van die verordening door de minister
afgegeven speciaal visdocument.
4. De eigenaar van een vaartuig waarvoor een document als bedoeld
in het derde lid is afgegeven, neemt geen deel aan en is niet
betrokken bij uitoefening van de visserij op de soorten, bedoeld in
bijlage I van verordening nr. 1936/2001, in de gebieden, bedoeld in
artikel 2, onderdeel a en b, van die verordening, door vaartuigen die
op grond van die verordening daartoe niet gerechtigd zijn.
5. Het is verboden de vangsten van een vaartuig als bedoeld in
artikel 18, tweede lid, van verordening nr. 1936/2001, aan te landen
en over te laden, indien wordt geconstateerd dat het vaartuig soorten
aan boord houdt waarvoor een aanbeveling geldt van de Internationale
Commissie voor de Instandhouding van Tonijn in de Atlantische Oceaan
of van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan,
tenzij is voldaan aan artikel 18, vierde lid, van verordening nr.
1936/2001.
6. Indien ten aanzien van een vissersvaartuig een
charterovereenkomst wordt gesloten met een verdragsluitende partij bij
de Internationale Commissie voor de Instandhouding van Tonijn in de
Atlantische Oceaan, verstrekt de eigenaar van het betrokken vaartuig
twee weken voor het sluiten van de overeenkomst de gegevens, bedoeld
in artikel 8 ter, tweede lid, van verordening nr. 1936/2001, aan de
minister.
7. Indien een overeenkomst als bedoeld in het zesde lid, wordt
beëindigd, stelt de eigenaar van het betrokken vaartuig onverwijld de
minister hiervan op de hoogte.
8. De eigenaar van een vaartuig als bedoeld in het zevende lid,
handelt in overeenstemming met artikel 8 ter, vijfde lid, onderdelen
a, b en d, van verordening nr. 1936/2001.
Artikel 59. Aanvullende maatregelen herstel kabeljauwbestanden in
Noordzee
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4 tot en met 9
van verordening nr. 2056/2001.
Artikel 60. Aanvullende maatregelen herstel heek in ICES III, IV, V,
VI, VII en VIIIa, b, d, e
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 2, eerste lid,
3, 4, 5, tweede lid, en 6 van verordening nr. 494/2002.
Artikel 61. Toezichtsdocumenten
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 5, 6,
eerste, derde, zesde en zevende lid van verordening nr. 882/2003.
2. Het is verboden tonijn als bedoeld in artikel 3, onderdeel 1,
van verordening nr. 882/2003, die is gevangen in het toepassingsgebied
van de overeenkomst, bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van die
verordening, op te slaan, te verwerken of in de handel te brengen.
3. Het tweede lid is niet van toepassing indien:
a. bij aanlanding en overdracht van onverwerkte tonijn een
toezichtsdocument als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
verordening nr. 882/2003, is opgesteld en wordt voldaan aan
artikel 6, vierde, zesde en zevende lid, van die verordening;
b. voor zover de tonijn wordt verwerkt, dolfijnvriendelijk en
dolfijngevaarlijk gevangen tonijn als bedoeld in artikel 3,
onderdelen 4 en 5, van verordening nr. 882/2003, niet in dezelfde
productielijn worden verwerkt; of
c. voor zover de tonijn wordt verwerkt, het desbetreffende
verwerkende bedrijf een voldoende duidelijk gegevensbestand
bijhoudt waaruit het nummer van een verwerkte partij tonijn terug
te herleiden is tot het overeenstemmende nummer van het
toezichtsdocument, bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
verordening nr. 882/2003.
4. De autoriteit, bedoeld in artikel 6, eerste, derde en zevende
lid, van verordening nr. 882/2003, is de minister.
Artikel 62. Verbod afsnijden haaienvinnen
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, 4 en 5 van
verordening nr. 1185/2003.
Artikel 63. Antarctische wateren
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, 4, 6,
7, eerste tot en met derde lid, 8, eerste tot en met achtste lid, 9,
eerste tot en met derde lid, 10, 11, derde tot en met vijfde lid, 12,
eerste tot en met vierde lid, en 14, eerste tot en met derde lid, van
verordening nr. 600/2004.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, eerste
lid, 4, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, 7 bis, 7 ter, 9,
eerste tot en met derde lid, 13, eerste tot en met derde lid, 14,
eerste en tweede lid, 17, eerste en derde lid, 18, eerste en tweede
lid, 19, eerste lid, 23, eerste lid, en 24, eerste en tweede lid, van
verordening nr. 601/2004.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 9, derde lid,
13, eerste lid en 17, eerste lid, van verordening nr. 601/2004, is de
NVWA.
4. Het is verboden Dissostichus spp. uit het verdragsgebied,
bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van verordening nr. 601/2004, aan
te landen of over te laden zonder dat de melding, bedoeld in artikel
27, tweede lid, van verordening nr. 601/2004, vergezeld gaan van een
door de kapitein of de ondernemer van een vissersvaartuig ondertekende
schriftelijke verklaring als bedoeld in dat lid.
Artikel 64. Maatregelen incidentele vangst van walvisachtigen
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 2, eerste en
tweede lid, van verordening nr. 812/2004.
2. De minister kan overeenkomstig artikel 2, derde lid, en artikel
3, tweede lid, van verordening nr. 812/2004, de in die
artikelonderdelen bedoelde toestemming onderscheidenlijk machtiging
verlenen.
Artikel 65. Technische maatregelen Oostzee, de Belten en de Sont
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, 5, 6,
8, eerste en tweede lid, 9, eerste lid, 10, 12, 13, eerste en derde
lid, 15, eerste lid, 15bis, 16, 17, 18, 18bis, 19, 20, 22 en 23 van
verordening nr. 2187/2005.
2. De toestemming, bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, en 25
van verordening nr. 2187/2005, wordt op aanvraag door de minister
verleend.
3. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd bij de
verlening van de toestemming.
4. De minister kan aan de toestemming voorschriften verbinden of de
daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
5. Degene aan wie toestemming is verleend, handelt overeenkomstig
artikel 24, tweede lid, of 25 van verordening nr. 2187/2005 en
overeenkomstig de aan de toestemming verbonden voorschriften.
Artikel 66. Technische maatregelen over grote afstand trekkende
visbestanden
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 5, eerste lid,
7, 9, 10, 20, tweede lid, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, 21, 23,
26, eerste lid, 27 en 29 van verordening nr. 520/2007.
Artikel 67. Kwetsbare mariene ecosystemen in volle zee
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, eerste
lid, 6, 7 en 9 van verordening nr. 734/2008.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7, derde lid, van
verordening nr. 734/2008, is de NVWA.
Artikel 68. Technische overgangsmaatregelen
1. Het is verboden in strijd te handelen met de onderdelen 1, 4, 5,
5b.1, 6.1 tot en met 6.6, 7.2 tot en met 7.6, 8.1, 8.2, 9a, 12, 15, 20
en 24, onderdelen a, c, d, en e, van bijlage III van verordening nr.
43/2009 met dien verstande dat verordening nr. 1288/2009 in acht wordt
genomen.
2. Het is verboden in strijd te handelen met onderdeel 9.3 van
bijlage III van verordening nr. 43/2009, tenzij de minister voor het
vissersvaartuig een vismachtiging als bedoeld in 9.6 van die bijlage,
heeft verstrekt en de vergunninghouder voldoet aan de voorwaarden,
bedoeld in onderdelen 9.4, 9.5, 9.7 en 9.9 tot en met 9.11, met dien
verstande dat in onderdeel 9.6 ‘vanaf 1 oktober 2009’vervalt.
3. De minister kan een onbeheerd vistuig op zee verwijderen in de
gevallen, bedoeld in onderdeel 9.8 van bijlage III van verordening nr.
43/2009.
Hoofdstuk 4. Meerjarenplannen en overige instandhoudingsmaatregelen
Artikel 69. Beheer visserij-inspanning westelijke wateren
1. Het is verboden de visserij uit te oefenen in de gebieden,
bedoeld in artikel 1 van verordening nr. 1954/2003, op de in de
bijlage I en II bij die verordening per visserijgebied genoemde
doelsoorten.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is in een kalenderjaar
voor een doelsoort in een visserijgebied niet van toepassing op
vaartuigen als bedoeld in het derde lid, in de periode dat het
maximale visserij-inspanningsniveau, bedoeld in bijlage I en II bij
verordening nr. 1415/2004, voor die doelsoort in dat visserijgebied
niet is bereikt. Van het bereiken van het maximale jaarlijkse
visserij-inspanningsniveau wordt mededeling gedaan in de
Staatscourant.
3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is in een vangstgebied
niet van toepassing op vissersvaartuigen die staan vermeld op de
lijst, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening nr.
1954/2003, en waaraan voor het desbetreffende visserijgebied een
vismachtiging is verleend als bedoeld in artikel 8, derde lid, van die
verordening.
Artikel 70. Herstelmaatregelen noordelijke heekbestanden
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 9 van
verordening nr. 811/2004.
2. Als havens als bedoeld in artikel 9 van verordening nr.
811/2004, worden aangewezen de voor de desbetreffende
vissersvaartuigen op grond van artikel 6, tweede lid, toegelaten
havens.
Artikel 71. Herstelplan zwarte heilbot in NAFO-gebied
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, 5 bis,
6, eerste en derde lid, 8, eerste lid, 9, 10, tweede en derde lid, en
11 van verordening nr. 2115/2005.
2. Als havens als bedoel in artikel 8, tweede lid, van verordening
nr. 2115/2005 worden aangewezen de havens die zijn vermeld inbijlage 2
B.
3. De mededeling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening
nr. 2115/2005, wordt gedaan aan de NVWA.
4. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 9 van verordening nr.
2115/2005, is de NVWA.
Artikel 72. Meerjarenplan tongbestand in Golf van Biskaje
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 5, tweede lid, van
verordening nr. 388/2006.
Artikel 73. Beheersmaatregelen visbestanden in Middellandse Zee
Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, eerste lid,
4, eerste tot en met derde lid, 8, 9, eerste lid, 10, 11, 12, 13, eerste
tot en met vierde lid, 15, eerste en tweede lid, 16, vierde lid, 17,
eerste lid, 21, 22, eerste lid, 24, vijfde lid, en 27, eerste lid, van
verordening nr. 1967/2006.
Artikel 74. Meerjarenplan kabeljauwbestanden in Oostzee
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 8, eerste
en tweede lid, 9, eerste lid, 10, eerste lid, 11, eerste lid, 16,
eerste tot en met derde lid, 18, 21 en 22 van verordening nr.
1098/2007.
2. Als havens als bedoeld in artikel 18 van verordening nr.
1098/2007, worden aangewezen de voor de desbetreffende
vissersvaartuigen op grond van artikel 6, tweede lid, toegelaten
havens.
Artikel 75. Instandhoudings-en handhavingmaatregelen in NAFO-gebied
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4 tot en
met 12, 12 octies, 12 nonies, 13, 18, eerste tot en met vijfde lid,
19, 20, 21, eerste lid, 23, tweede lid, 30, eerste tot en met derde
lid, 33, tweede lid, 35, eerste tot en met vierde lid, 36, 47, 63 ter,
eerste en derde lid, 63 quater, eerste lid, 63 quinquies, zesde lid,
66, 68, eerste lid, 68 bis, eerste lid, en 69, eerste lid, onderdelen
a, b, e en g, van verordening nr. 1386/2007.
2. Het is verboden in strijd te handelen met een op grond van
artikel 54, eerste lid, van verordening nr. 1386/2007 gegeven opdracht
of met een op grond van artikel 56 van die verordening getroffen
maatregel.
3. Als havens als bedoeld in artikel 63 van verordening nr.
1386/2007, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2B.
4. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 63bis van verordening
nr. 1386/2007, is de NVWA.
5. Het is verboden met een vaartuig als bedoeld in artikel 69,
eerste lid, van verordening nr. 1386/2007, een Nederlandse haven
binnen te varen, dan wel de bemanning van dat vaartuig te vervangen.
6. Het is verboden mariene organismen die afkomstig zijn van een
vaartuig als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van verordening nr.
1386/2007, te houden, op te slaan, in te voeren, te verkopen, te koop
aan te bieden en te verhandelen.
Artikel 76. Meerjarig herstelplan blauwvintonijn in O Atlantische
Oceaan en Middellandse Zee
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4,
dertiende lid, 7, eerste tot en met vijfde lid, 8, 11, eerste lid, 12,
tweede en derde lid, 13, tweede lid, 14, vierde lid, 15, derde lid,
17, derde lid, 18, 19, eerste lid, 20, eerste en tweede lid, 21,
eerste lid, 23, eerste tot en met vierde en zesde lid, 24, vierde lid,
25, eerste lid, 26, eerste lid, 34 en onderdelen 2, onderdeel a, en 5
van Bijlage I van verordening nr. 302/2009.
2. Als havens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van
verordening nr. 302/2009, worden aangewezen de havens die zijn vermeld
inbijlage 2B.
Artikel 77. Controle-en handhavingregeling in NEAFC-gebied
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 8, eerste
en tweede lid, 9, eerste en tweede lid, 13, 14, 15, 21, 23, 24, eerste
lid, 25, tweede lid, 40, eerste lid, 41, eerste lid, en 42 van
verordening nr. 1236/2010.
2. De bevoegde instantie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
verordening nr. 1236/2010, is de NVWA.
3. Het is verboden in het gereglementeerd gebied, bedoeld in
artikel 3, onderdeel 3, van verordening nr. 1236/2010, vistuig te
gebruiken dat niet is gemarkeerd overeenkomstig artikel 8, eerste lid,
van de controleverordening, in samenhang met de artikelen 6 tot en met
17 van de uitvoeringsverordening controleverordening.
4. De minister kan vistuig als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
van verordening nr. 1236/2010, verwijderen en vernietigen.
5. Als havens als bedoeld in artikel 23 van verordening nr.
1236/2010, worden aangewezen de havens die zijn vermeld in bijlage 2B.
6. Het is verboden met vaartuigen als bedoeld in artikel 40, tweede
lid, van verordening nr. 1236/2010, een Nederlandse haven binnen te
varen.
7. Het is verboden met vaartuigen als bedoeld in artikel 44, eerste
lid, van verordening nr. 1236/2010, activiteiten als bedoeld in dat
lid, onderdeel b, te verrichten in een Nederlandse haven of in de
Nederlandse territoriale wateren.
8. Het is verboden voor Nederlandse vaartuigen als bedoeld in
artikel 44, eerste lid, onderdeel c, van verordening nr. 1236/2010, om
de in dat onderdeel genoemde activiteiten te verrichten met betrekking
tot een vaartuig als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef van die
verordening.
9. Het is verboden voor Nederlandse vaartuigen als bedoeld in
artikel 44, eerste lid, aanhef, van verordening nr. 1236/2010,
voorzieningen, brandstof of andere diensten te verschaffen.
Hoofdstuk 5. Nationale maatregelen en maatregelen binnen 12 mijlzone
Artikel 78. Initieel gequoteerde bestanden
Het is verboden met een vissersvaartuig te vissen op haring, koolvis,
makreel, schelvis, wijting, tong, schol, heek, kabeljauw, sprot,
zeeduivel, horsmakreel, blauwe wijting en kever, of deze vissoorten aan
te landen of aan boord te houden, tenzij het vissersvaartuig behoort tot
het segment MFL 1.
Artikel 79 [Vervallen per 01-01-2012]
Artikel 80. Verbod gebruik bepaalde vistuigen door niet
vissersvaartuigen
Het is verboden om anders dan met een vissersvaartuig in de
visserijzone te vissen met:
a. een vistuig van het type staandwant;
b. een aalfuik als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het
Reglement voor de binnenvisserij 1985;
c. een ankerkuil als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het
Reglement voor de binnenvisserij 1985;
d. een aalkistje als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het
Reglement voor de binnenvisserij 1985;
e. een aalhoekwant als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het
Reglement voor de binnenvisserij 1985; of
f. enig ander vast vistuig.
Artikel 81. Visserij-inspanning staandwant
1. Het is verboden om in de visserijzone met een Nederlands
vissersvaartuig met een lengte van over alles van minder dan 10 meter
de visserij uit te oefenen met een vistuig van het type staandwant.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op
een vissersvaartuig indien:
a. in de visvergunning is vermeld dat het de vergunninghouder
is toegestaan te vissen met een vistuig van het type staandwant;
en
b. de totale toegestane visserij-inspanning voor de visserij
met een vistuig van het type staandwant voor vissersvaartuigen met
een lengte van over alles van minder dan 10 meter voor het
desbetreffende kalenderjaar nog niet is opgebruikt.
3. De totale toegestane visserij-inspanning voor de visserij met
een vistuig van het type staandwant, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, bedraagt 188.159 kW dagen per kalenderjaar.
4. De minister maakt het tijdstip bekend waarop naar zijn oordeel
de in het derde lid bedoelde visserij-inspanning voor een kalenderjaar
is opgebruikt.
Artikel 82. Vermelding staandwant op visvergunning
Een vermelding van een vistuig van het type staandwant op een
visvergunning geschiedt slechts ten aanzien van een vaartuig:
a. waarmee tussen 1 januari 2006 en 24 augustus 2009 blijkens de
logboekgegevens is gevist met een vistuig van het type staandwant;
b. waarvoor op 24 augustus 2009 een onomkeerbare
investeringsverplichting is aangegaan met het oog op de visserij met
een vistuig van het type staandwant; of
c. indien:
i. het vaartuig dient ter vervanging van een vissersvaartuig
of vissersvaartuigen ten aanzien waarvan het recht op een
vermelding van een vistuig van het type staandwant op de
visvergunning al bestond op grond van onderdeel a of b van dit
lid;
ii. de houder van de vergunning met de vermelding van een
vistuig van het type staandwant afstand heeft gedaan van het
recht op de vermelding ten gunste van de aanvrager; en
iii. het motorvermogen van het vissersvaartuig waarvoor de
vermelding wordt gevraagd niet meer bedraagt dan het
motorvermogen van het vissersvaartuig of de vissersvaartuigen
die worden vervangen.
Artikel 83. Berekening resterende visserij-inspanning staandwant
1. De kapitein of diens vertegenwoordiger meldt de minister voordat
het vaartuig de haven verlaat wanneer een vissersvaartuig buitengaats
gaat:
a. zonder gebruik te maken van een vistuig van het type
staandwant; of
b. als gedurende de visreis naast een vistuig van het type
staandwant ook een ander vistuig zal worden gebruikt.
2. Wanneer de melding, niet is gedaan voordat het vaartuig
buitengaats gaat, wordt de volledige door dat vissersvaartuig
gedurende de visreis verrichte inspanning in mindering gebracht op de
totale toegestane visserij-inspanning voor visserij met een vistuig
van het type staandwant.
3. Indien een vissersvaartuig geen melding heeft gedaan, maar niet
kon vissen met vistuig van het type staandwant, omdat het noodhulp
bood aan een ander vaartuig of een gewonde persoon voor spoedeisende
medische zorg vervoerde, wordt de door dat vissersvaartuig verrichte
inspanning niet op de totale toegestane visserij-inspanning voor
visserij met een vistuig van het type staandwant in mindering
gebracht.
Artikel 84. Maximale lengte staandwant
Het is verboden om in de visserijzone per Nederlands vissersvaartuig
op hetzelfde moment meer dan 25 kilometer vistuig van het type
staandwant in het water te hebben uitstaan of aan boord te hebben,
ongeacht de lengte van het desbetreffende vissersvaartuig.
Artikel 85. Aanlandverboden
1. Het is verboden heek aan boord van een vissersvaartuig te houden
of heek aan te landen, indien de hoeveelheid heek aan boord meer
bedraagt dan 5% van het gewicht van de totale vangst aan boord.
2. Het is verboden schelvis aan boord van een vissersvaartuig te
houden of schelvis aan te landen, indien de hoeveelheid schelvis aan
boord meer bedraagt dan 50% van het gewicht van de totale vangst aan
boord.
3. Het is verboden met een vissersvaartuig ongesorteerde vangsten
van vis aan te landen.
Artikel 86. Netaanpassingen in het kader van het kabeljauwherstelplan
1. In zoverre in afwijking van verordening nr. 850/98 en van
verordening nr. 2056/2001 is het verboden sleepnetten, behorend tot de
vistuigcategorie TR1 of TR2, bedoeld in bijlage I, onderdeel 1, onder
a, van verordening nr. 1342/2008, of combinaties van tot die
vistuigcategorie behorende sleepnetten van verschillende
maaswijdteklassen aan boord te hebben of te gebruiken in de
geografische gebieden die behoren tot de groep geografische gebieden,
bedoeld in bijlage I, onderdeel 2, onder b, subonderdelen i en ii, van
verordening nr. 1342/2008, of met dat vistuig in die gebieden gevangen
vissoorten aan boord te houden of aan te landen tenzij de netten:
a. indien het TR1 betreft:
i. een maaswijdte hebben van 130 millimeter of meer;
ii. een maaswijdte hebben van 120 millimeter tot 130
millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen
met een maaswijdte van 90 millimeter; of
iii. een maaswijdte hebben van 100 millimeter tot 120
millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen
met een maaswijdte van 100 millimeter of meer, voor zover ten
hoogste 20% van het gewicht van de totale vangst uit kabeljauw
bestaat; of
b. indien het TR2 betreft:
i. een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100
millimeter en zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen
met een maaswijdte van 120 millimeter of meer en met een
minimum lengte van 3 meter of van een paneel met vierkante
mazen met een maaswijdte van 130 millimeter in de tunnel,
waarvan de achterste rij mazen zich ten hoogste 12 meter van
de pooklijn bevindt;
ii. een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100
millimeter en ten minste 15 grote mazen van 150 millimeter of
meer in de bovenkap hebben en zijn voorzien van een paneel met
vierkante mazen met een maaswijdte van 90 millimeter, voor
zover ten hoogste 20% van het gewicht van de totale vangst uit
kabeljauw bestaat; of
iii. een maaswijdte hebben van 70 millimeter tot 100
millimeter en ten minste 15 grote mazen van 150 millimeter of
meer in de bovenkap hebben en zijn voorzien van een paneel met
vierkante mazen met een maaswijdte van 80 millimeter, voor
zover ten hoogste 5% van het gewicht van de totale vangst uit
kabeljauw bestaat en gevist wordt met Deense zegennetten (SDN),
Schotse zegennetten (SSC) of spanzegennetten (SPR).
2. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde panelen is
overigens voldaan aan artikel 7, tweede en derde lid, van verordening
nr. 850/98.
Artikel 87. Verzegeling motoren
1. Voor de toepassing van het tweede tot en met vijfde lid en de
artikelen 88en 94 wordt onder motorvermogen verstaan: maximaal
continue-vermogen zonder aftrek van door de motor aangedreven
hulpmachines, uitgedrukt in kW dat de hoofdmotor of hoofdmotoren
zonder overbelasting kan onderscheidenlijk, kunnen leveren, en dat
mechanisch, elektrisch, hydraulisch of anderszins kan worden aangewend
voor de voortstuwing van het vaartuig, zoals dat is vastgesteld door
de divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat
ingevolge het Vissersvaartuigenbesluit of het Vissersvaartuigenbesluit
2002, of in voorkomend geval blijkt uit een verklaring inzake het
maximaal continue-vermogen, opgesteld door de fabrikant of de
leverancier.
2. Voor zover het motorvermogen van een vissersvaartuig meer dan
100 kW is, is het verboden de visserij uit te oefenen met dat
vissersvaartuig, indien de hoofdmotor of de hoofdmotoren van het
vaartuig niet door de desbetreffende fabrikant of leverancier of door
een meetbureau zijn verzegeld.
3. Terzake van de in het tweede lid bedoelde verzegeling wordt door
de desbetreffende fabrikant of leverancier of door het desbetreffende
meetbureau overeenkomstig de door de minister beschikbaar gestelde
modellen, een zegelplan opgemaakt, dat bestaat uit een tekening en een
geschrift, waaruit blijkt welke onderdelen van de hoofdmotor of
hoofdmotoren zijn verzegeld, waar de verzegelingen zijn aangebracht en
welke kenmerken zij hebben, waar en op welke wijze de stelbouten en
breekbouten van de hoofdmotor of hoofdmotoren zijn geplaatst en
ingesteld, en waarop door de opsteller ervan is verklaard dat de
feitelijke toestand van de motor of hoofdmotoren overeenkomt met de in
het overzicht opgenomen gegevens.
4. De ondernemer stuurt na opmaak of wijziging van het zegelplan,
bedoeld in het derde lid, een afschrift hiervan aan de NVWA in
Kerkrade
5. Het in het tweede en derde lid bedoelde meetbureau is een
instelling met deskundigheid op het gebied van meting van
motorvermogens en afstelling van motoren en terzake geaccrediteerd.
6. De zegels bestemd voor verzegeling van de hoofdmotor of
hoofdmotoren als bedoeld in het tweede lid, worden beschikbaar gesteld
door de NVWA.
Artikel 88. Documenten aan boord
1. Voor zover een vissersvaartuig is aangemeld bij divisie
Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat zoals vereist
krachtens artikel 20, tweede lid, van het Vissersvaartuigenbesluit of
artikel 1.11 van het Vissersvaartuigenbesluit 2002 heeft de ondernemer
van een vissersvaartuig of diens gemachtigde de desbetreffende
aanmelding aan boord van het vissersvaartuig.
2. Voor zover het motorvermogen van een vissersvaartuig meer dan
100 kW is, heeft de ondernemer van een vissersvaartuig of diens
gemachtigde het zegelplan, bedoeld in artikel 88, derde lid, aan boord
van het vissersvaartuig.
3. De ondernemer van een vissersvaartuig of diens gemachtigde doet
onverwijld doch in ieder geval vóór het tijdstip van aanlanding
melding van wijzigingen die zich ten aanzien van de hoofdmotor of
hoofdmotoren van het desbetreffende vaartuig hebben voorgedaan ten
opzichte van de in het eerste lid bedoelde aanmelding of het bij dat
vaartuig behorende zegelplan en die hem bekend waren of hem
redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn. Wijzigingen die kennelijk
zijn opgetreden door menselijk toedoen worden in ieder geval
aangemerkt als redelijkerwijs bekend.
4. De melding, bedoeld in het derde lid, geschiedt overeenkomstig
artikel 7, tweede lid.
Artikel 89. Vermelding vissoort op verpakking
Het is verboden diepgevroren vis in verpakkingen aan te landen,
tenzij op de verpakking de in de verpakking aanwezige vis per vissoort
is vermeld volgens de FAO-3lettercodes, bedoeld in artikel 14, tweede
lid, onderdeel b, van de controleverordening.
Artikel 90. Traceerbaarheid
1. De ondernemer bewaart een kopie van alle door of namens hem
ingevulde visserijlogboeken, aangiften van overlading en aangiften van
aanlanding als bedoeld in de artikelen 14, 21 onderscheidenlijk 23 van
de controleverordening, gedurende een periode van drie jaar vanaf 1
januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de desbetreffende
gegevens zijn ingediend.
2. De aanvoerder van vis, degene die in de uitoefening van een
beroep of bedrijf vis afneemt en degene die zijn bemiddeling verleent
bij het veilen van vis, houden een administratie bij van de overdracht
en de opslag van vis, waarin in ieder geval de volgende gegevens
worden vermeld:
a. de vissoort;
b. per vissoort de hoeveelheid;
c. per hoeveelheid, het registratienummer en de nationaliteit
van het vaartuig waarmee de vis is gevangen of is aangevoerd;
d. de datum van de aanvoer van de vis; en
e. het vangstgebied van de vangst per deelgebied of sector;
3. De aanvoerder van vis houdt de administratie dagelijks bij en
vermeldt in zijn administratie naast de in het tweede lid bedoelde
gegevens tevens de volgende gegevens:
a. de plaats van opslag, in het geval de vis door hem wordt
opgeslagen;
b. de naam van de koper, in het geval de vis zonder bemiddeling
van een veiling wordt verkocht; en
c. de naam van de bemiddelaar, in het geval de vis via de
bemiddeling van een veiling ter verkoop wordt aangeboden.
4. Degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf vis
afneemt en degene die zijn bemiddeling verleent bij het veilen van vis
houden de administratie dagelijks per aanlanding bij, maar uiterlijk
voordat de vis de plaats van verkoop verlaat en vermelden in hun
administratie naast de in het tweede lid bedoelde gegevens tevens de
naam van de aanvoerder.
5. Degene die zijn bemiddeling verleent bij het veilen van vis en
degene die vis op de veiling aanwezig heeft, draagt er zorg voor dat
op of bij de veiling aanwezige vis het registratienummer en de
nationaliteit van het vaartuig of – in het geval van spanvisserij
– de vaartuigen waarmee de vis is gevangen of is aangevoerd,
duidelijk zijn vermeld.
6. Het tweede en vierde lid geldt niet voor zover in de uitoefening
van een beroep of bedrijf, in een voor het publiek toegankelijke
ruimte vis uitsluitend aan particulieren te koop wordt aangeboden.
7. Het vijfde lid geldt niet indien de vis vergezeld gaat van een
verkoopdocument als bedoeld in artikel 62 van de controleverordening.
Hoofdstuk 6. Controleverordening
§ 1. Algemene voorwaarden voor toegang tot wateren en hulpbronnen
Artikel 91. Autoriteit
De autoriteit, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van de
controleverordening, is de minister.
Artikel 92. Visvergunning
1. Het is verboden om in strijd te handelen met artikel 6, eerste
lid, van de controleverordening.
2. De in artikel 6, eerste lid, van de controleverordening,
bedoelde visvergunning wordt op aanvraag van de desbetreffende
ondernemer door de minister verleend overeenkomstig artikel 93.
3. De aanvraag tot inschrijving van een vaartuig in het
visserijregister, bedoeld in artikel 6 van het Registratiebesluit,
alsmede de mededeling, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het
Registratiebesluit, wordt in voorkomend geval als een aanvraag tot
verlening van een visvergunning beschouwd.
Artikel 93. Verlening visvergunning
1. Een visvergunning wordt verleend indien:
a. het vissersvaartuig stond ingeschreven in het
visserijregister of dient ter vervanging van een of meer
vissersvaartuigen die stonden ingeschreven in het
visserijregister;
b. de oorspronkelijke registratie is doorgehaald op grond van
artikel 8, onderdeel a, van het Registratiebesluit;
c. er minder dan zes jaar is verstreken vanaf het moment van
doorhaling van die registratie;
d. wordt voldaan aan artikel 6, vierde lid, van het
Registratiebesluit;
e. het motorvermogen en de tonnage van dat vissersvaartuig niet
meer bedraagt dan voor de doorhaling van de inschrijving;
f. het vissersvaartuig behoort tot hetzelfde segment als voor
het moment van doorhaling, dan wel tot hetzelfde segment als het
vissersvaartuig dat wordt vervangen; en
g. is voldaan aanartikel 87, vierde lid.
2. In afwijking van het eerste lid wordt een visvergunning verleend
voor een vissersvaartuig waarvan het motorvermogen of de tonnage is
toegenomen, indien ten aanzien van het vissersvaartuig een
visvergunning was verleend wat betreft het oorspronkelijke
motorvermogen of de oorspronkelijke tonnage, en de aanvrager van de
visvergunning kan aantonen dat:
a. de omvang van de toename van het motorvermogen of de
tonnage, overeenkomt met het motorvermogen of de tonnage, of een
deel daarvan, van een vissersvaartuig waarvan de registratie is
doorgehaald op grond van artikel 8, onderdeel a, van het
Registratiebesluit en er minder dan zes jaar is verstreken vanaf
het moment van doorhaling van die registratie, en
b. hij kan beschikken over de in het visserijregister als
gevolg van de doorhaling van de registratie, bedoeld in onderdeel
a, vrijgekomen capaciteit.
3. In afwijking van het eerste lid wordt een visvergunning voor een
vissersvaartuig verleend indien:
a. het vaartuig wordt ingezet voor de kweek of de teelt van
aquatische organismen op percelen; of
b. met het vaartuig met de mosselkor op mosselpercelen wordt
gevist en op basis van een vergunning als bedoeld in artikel 36
van de Uitvoeringsregeling visserij, slechts incidenteel wordt
gevist op mosselzaad buiten de percelen en het vaartuig niet is
uitgerust voor het gebruik van andere vistuigen dan de mosselkor.
4. De minister kan aan een visvergunning voorschriften verbinden of
de daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
5. In afwijking van het eerste tot en met derde lid kan de minister
besluiten geen visvergunning te verlenen indien hij dit noodzakelijk
acht voor de nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 12 van
verordening nr. 2371/2002 en verordening nr. 1013/2010.
Artikel 94. Geldigheid visvergunning
1. De visvergunning is niet geldig vanaf het tijdstip dat door de
minister of een controleur wordt geconstateerd dat:
a. het vermogen van de hoofdmotor of hoofdmotoren van het
vissersvaartuig hoger is dan het op de visvergunning vermelde
motorvermogen;
b. er ten aanzien van de hoofdmotor of hoofdmotoren van het
vissersvaartuig wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van het
desbetreffende in artikel 87, derde lid, bedoelde zegelplan, of de
in artikel 88, eerste lid, bedoelde aanmelding, of
c. de tonnage van het vissersvaartuig hoger is dan de op de
visvergunning vermelde tonnage.
2. Indien de minister of een controleur een constatering doet als
bedoeld in het eerste lid, verstrekt hij aan de ondernemer of diens
vertegenwoordiger terstond een schriftelijke verklaring hieromtrent.
In deze verklaring wordt tenminste de desbetreffende constatering
alsmede de datum en het tijdstip daarvan vermeld.
3. De minister besluit de ongeldigheid van de visvergunning op te
heffen, indien de ondernemer of diens gemachtigde hem bescheiden heeft
doen toekomen waaruit te zijnen genoegen blijkt dat:
a. indien het betreft de situatie, bedoeld in het eerste lid,
aanhef en onderdelen a of b, het vermogen van de hoofdmotor of
hoofdmotoren van dat vissersvaartuig het op de visvergunning
vermelde motorvermogen niet overschrijdt, onderscheidenlijk er ten
aanzien van de hoofdmotor of hoofdmotoren van dat vissersvaartuig
geen afwijkingen zijn ten opzichte van het desbetreffende in
artikel 87, derde lid, bedoelde zegelplan of de in artikel 88,
eerste lid, bedoelde aanmelding;
b. indien het betreft de situatie, bedoeld in het eerste lid,
aanhef en onderdeel c, de tonnage van het vissersvaartuig
overeenkomt met de op de visvergunning vermelde gegevens.
Artikel 95. Verhoging tonnage in visvergunning
1. De minister kan op verzoek van een ondernemer de in de
visvergunning vermelde tonnage van een vissersvaartuig verhogen als
bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van verordening nr. 2371/2002,
indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 9 van
verordening nr. 1013/2010.
2. Het verzoek tot verhoging van de tonnage wordt schriftelijk
gedaan en wordt ingediend bij de directeur Dierlijke Agroketens en
Dierenwelzijn van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie.
3. Bij het verzoek worden gegevens overgelegd, waaruit blijkt dat
wordt voldaan aan artikel 9, onderdelen d, e en f, van verordening nr.
1013/2010. In ieder geval worden de volgende documenten overgelegd:
a. een beschrijving van de situatie voor en na de verbouwing;
b. een bouwtekening waaruit het aantal ton blijkt waarmee de
tonnage wordt verhoogd; en
c. een offerte betreffende de verbouwingswerkzaamheden.
4. Na ontvangst van het verzoek bericht de minister de verzoeker of
het verzoek naar zijn voorlopig oordeel aan de voorwaarden voldoet en
stelt de minister een termijn vast waarbinnen de verbouwing uiterlijk
moet zijn voltooid.
5. Uiterlijk binnen zes weken na afloop van de termijn, bedoeld in
het vierde lid, zendt de verzoeker de directeur een kopie van de
meetbrief, bedoeld in artikel 4 van de Meetbrievenwet 1981, die naar
aanleiding van de verbouwing is afgegeven.
6. Na ontvangst van de meetbrief, bedoeld in het vijfde lid, stelt
de minister het aantal ton, waarmee de tonnage wordt verhoogd, vast.
Artikel 96. Schorsing of intrekking visvergunning
1. De minister trekt de visvergunning in:
a. in de situatie, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de
controleverordening, en artikel 92, derde lid, van de
controleverordening, in samenhang met artikel 129, tweede lid, van
de uitvoeringsverordening controleverordening;
b. indien het vissersvaartuig niet meer is geregistreerd in het
visserijregister; of
c. indien de visserijactiviteiten van een vissersvaartuig
definitief worden beëindigd als bedoeld in artikel 23 van
verordening nr. 1198/2006, en ten aanzien van de beëindiging door
de minister of door de Europese Commissie subsidie is verleend.
2. De minister schorst de visvergunning in de situatie, bedoeld in
artikel 6, derde lid, van de controleverordening, en artikel 92, derde
lid, van de controleverordening, in samenhang met artikel 129, eerste
lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
3. De minister kan de visvergunning voor een bepaalde periode
schorsen of intrekken indien naar het oordeel van de minister:
a. met het vissersvaartuig de visserij kennelijk is uitgeoefend
in strijd met de artikelen 21, eerste lid, 22, 23, 24, of 130,
zevende lid, van deze regeling; of
b. de ondernemer van een vissersvaartuig ten aanzien van wie
een visvergunning is verleend, of diens gemachtigde, niet voldoet
aan de aan de visvergunning verbonden voorschriften.
4. De periode, bedoeld in het derde lid, is niet korter dan 3 weken
en niet langer dan 8 weken en wordt vastgesteld afhankelijk van de
ernst en omvang van de overtreding.
5. In afwijking van het vierde lid is de periode bedoeld in het
derde lid niet korter dan 6 weken en niet langer dan 16 weken, indien
binnen twee jaar na afloop van de schorsing of intrekking met het
betrokken vissersvaartuig wederom hetzelfde artikel genoemd in
onderdeel a van het derde lid wordt overtreden of de ondernemer of
diens gemachtigde wederom niet voldoet aan de aan de visvergunning
verbonden voorschriften.
Artikel 97. Vismachtiging
1. Het is verboden om in strijd te handelen met artikel 7, eerste
lid, van de controleverordening, ongeacht de lengte van het betrokken
vissersvaartuig.
2. De in artikel 7, eerste lid, van de controleverordening,
bedoelde vismachtiging wordt op aanvraag van de desbetreffende
ondernemer door de minister verleend overeenkomstig artikel 98.
Artikel 98. Verlening vismachtiging
1. Een vismachtiging wordt uitsluitend verleend indien de
ondernemer voor het betrokken vissersvaartuig over een geldige
visvergunning beschikt.
2. Voor zover het een vismachtiging voor de in verordening nr.
1342/2008 bedoelde visserijactiviteiten betreft, wordt de
vismachtiging slechts verleend indien voldaan is aan artikel 99.
3. De minister kan weigeren een vismachtiging te verlenen indien
hij dit noodzakelijk acht ter nakoming van verplichtingen van de
Europese Unie.
4. De minister kan aan een vismachtiging voorschriften verbinden of
de daaraan verbonden voorschriften wijzigen.
Artikel 99. Voorwaarden vismachtiging langetermijn herstelplan
kabeljauw
1. De aanvraag betreft een vissersvaartuig:
a. dat in de kalenderjaren 2006 tot en met 2008 heeft gevist in
het desbetreffende gereglementeerde geografische gebied met het
desbetreffende gereglementeerde vistuig;
b. dat, voor zover de aanvraag de vistuigcategorieën TR1 of
TR2 betreft, in de kalenderjaren 2001 tot en met 2005 heeft gevist
in het desbetreffende gereglementeerde geografische gebied met tot
die vistuigcategorieën behorende vistuigen en waarvoor op 31
december 2011 op grond vanartikel 29 een recht op contingenten
wijting en kabeljauw gold;
c. ten aanzien waarvan op 1 januari 2009 een onomkeerbare
investeringsverplichting is aangegaan met het oog op de
uitoefening van de visserij in het gereglementeerde geografische
gebied; of
d. dat dient ter vervanging van een of meer vissersvaartuigen
ten aanzien waarvan is voldaan aan onderdeel a of b, en het
motorvermogen van het vervangende vissersvaartuig niet meer
bedraagt dan het motorvermogen van het vissersvaartuig of de
vissersvaartuigen die worden vervangen.
2. Voor zover de aanvraag de vistuigcategorieën BT1 en BT2
betreft, geldt voor het betrokken vissersvaartuig een recht op
contingenten tong en schol op grond van artikel 29.
Artikel 100. Schorsing of intrekking vismachtiging
1. De minister schorst de vismachtiging of trekt deze in in de
situatie, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de
controleverordening.
2. De minister kan de vismachtiging voor een bepaalde periode
schorsen of intrekken indien naar het oordeel van de minister de
desbetreffende ondernemer, of diens gemachtigde, niet voldoet aan de
aan de vismachtiging verbonden voorschriften.
Artikel 101. Markering vissersvaartuig en vistuig
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 8 van de
controleverordening, in samenhang met de artikelen 6 tot en met 17 van
de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
3. Voor zover het betreft de in het tweede en derde lid van artikel
7 van de uitvoeringsverordening controleverordening bedoelde
documenten, is de inspectie Verkeer en Waterstaat, divisie
Scheepvaart, van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de
bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de
uitvoeringsverordening controleverordening.
Artikel 102. Vms voor vaartuigen
1. Behoudens indien het een vissersvaartuig als bedoeld in artikel
18, derde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening,
betreft, is het is verboden in strijd te handelen met artikel 9,
tweede en zesde lid, van de controleverordening.
2. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 18,
eerste en tweede lid, 20, en 25, eerste, derde en vijfde lid, van de
uitvoeringsverordening controleverordening.
3. Satellietvolgapparatuur als bedoeld in artikel 9, van de
controleverordening, die op een Nederlands vissersvaartuig is
geïnstalleerd:
a. laat niet toe dat gegevens handmatig worden ingebracht,
gewijzigd, beïnvloed of op andere wijze worden aangepast;
b. waarborgt een volledige automatische transmissie van juiste
en actuele gegevens als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de
uitvoeringsverordening controleverordening, naar het
visserijcontrolecentrum van de NVWA te Kerkrade met een frequentie
van tenminste eenmaal per twee uur;
c. is voorzien van een reservestroombron die automatisch wordt
ingeschakeld indien de hoofdstroom wordt uitgeschakeld of defect
raakt en die een werking van ten minste zes uur waarborgt, en
d. is zodanig met het desbetreffende vissersvaartuig verbonden,
dat bij verbreking de reden daarvan wordt aangegeven; en
e. is goedgekeurd door een ter zake geaccrediteerde instelling
en voldoet blijkens die goedkeuring aan de onderdelen a tot en met
d.
4. Wijzigingen aan de satellietvolgapparatuur worden schriftelijk
gemeld aan de NVWA.
5. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 25, derde tot en met
vijfde lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de
NVWA.
Artikel 103. AIS
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 10, eerste lid, van
de controleverordening.
§ 2. Controle op gebruik vangstmogelijkheden
Artikel 104. Invullen en overleggen papieren logboek, papieren
aangiften van overlading en papieren aangifte van aanlanding
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 14,
eerste en vierde tot en met achtste lid, 21, eerste en vierde lid, en
23, eerste, tweede en derde lid, van de controleverordening en met de
artikelen 29, eerste lid, 30, eerste tot en met derde lid, 31, eerste,
derde en vierde lid, 32, 33, 34, 35, 49, eerste, tweede en derde lid,
50, tweede lid, 51, eerste en vierde lid, 52 en 53 van de
uitvoeringsverordening controleverordening, in samenhang met de
voorschriften die ter uitvoering van deze bepalingen zijn opgenomen in
de leden 2 tot en met 6.
2. De in het eerste lid bedoelde verboden zijn van overeenkomstige
toepassing op degene die met een vissersvaartuig met een lengte over
alles van minder dan 10 meter de visserij uitoefent, met dien
verstande dat deze ook vangsten van minder dan 50 kilogram van elke
soort die aan boord worden gehouden en worden overgeladen of aangeland
in het logboek, de aangifte van overlading en de aangifte van
aanlanding vermeldt.
3. Voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde
voorschriften wordt gebruik gemaakt van de door de minister ter
beschikking gestelde documenten, overeenkomstig de in artikel 30,
eerste tot en met derde lid, van de uitvoeringsverordening
controleverordening vastgestelde modellen.
4. Bij aanlanding met een vissersvaartuig in een Nederlandse haven
is de termijn voor indiening van de eerste kopie van het logboek, de
eerste kopie van de aangifte van overlading en de eerste kopie van de
aangifte van aanlanding, bedoeld in artikel 32, van de
uitvoeringsverordening controleverordening binnen een half uur na de
aanlanding maar vóór de lossing en de termijn voor indiening van het
originele logboek, de originele aangifte van overlading en de
originele aangifte van aanlanding, bedoeld in artikel 32, van de
uitvoeringsverordening controleverordening, binnen 48 uur na
aanlanding.
5. De indiening van de in artikel 32, van de uitvoeringsverordening
controleverordening bedoelde documenten geschiedt door deze in de
haven van aanlanding:
a. te overhandigen aan een functionaris of aan een ambtenaar
van de NVWA; of
b. te deponeren in een vangstopgavebus.
6. Indien de aanlanding niet in een haven plaatsvindt, geschiedt de
indiening door middel van toezending aan het dichtstbijzijnde
havenkantoor van de NVWA of aan het havenkantoor van de NVWA in de
plaats waar de desbetreffende vis wordt verkocht.
7. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 14, zesde lid,
21, vierde lid, en 23, derde lid, van de controleverordening en in
artikel 32 van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de
NVWA.
8. Als omrekeningsfactoren als bedoeld in artikel 49, derde lid,
van de uitvoeringsverordening controleverordening, worden vastgesteld
de omrekeningsfactoren die zijn opgenomen in bijlage 10.
Artikel 105. Elektronisch invullen/verzenden visserijlogboekgegevens
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 15, eerste en
tweede lid, van de controleverordening en met de artikelen 36, eerste
lid, 38, tweede lid, 39, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 40,
derde lid, 41, derde en vierde lid, en 47 van de
uitvoeringsverordening controleverordening.
2. Het format, bedoeld in artikel 37, van de uitvoeringsverordening
controleverordening, is het format dat door de minister beschikbaar
wordt gesteld.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 15, eerste en tweede
lid, van de controleverordening en in de artikelen 39, 40, 41, derde
lid, en 47, eerste lid, van de uitvoeringsverordening
controleverordening, is de NVWA.
Artikel 106. Voorafgaande kennisgeving aanlanding
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 17,
eerste lid, en 18, eerste lid, van de controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 17, eerste,
tweede en derde lid, 18 en 19 van de controleverordening, is de NVWA.
Artikel 107. Overladen
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 20, eerste
lid, van de controleverordening.
2. Het is verboden vis over te laden zonder toestemming van een
ambtenaar van de NVWA.
3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing in het geval het overladen is onderbroken.
4. Als havens als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de
controleverordening, worden aangewezen de voor de desbetreffende
vissersvaartuigen op grond van artikel 6, tweede lid, toegelaten
havens.
Artikel 108. Elektronisch invullen/verzenden aangifte van overlading
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 22, eerste
lid, van de controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 22, eerste en vijfde
lid, van de controleverordening, is de NVWA.
Artikel 109. Elektronisch invullen/verzenden aangifte van aanlanding
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 24, eerste
lid, van de controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in 24, eerste lid, van de
controleverordening, is de NVWA.
§ 3. Controle op visserij-inspanning
Artikel 110. Kennisgeving vistuig
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 27, eerste
lid, van de controleverordening.
2. De kennisgeving, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de
controleverordening, wordt gedaan aan de minister. Indien een
ondernemer deelneemt aan een groep of een producentenorganisatie wordt
de kennisgeving aan het bestuur van de groep onderscheidenlijk aan het
bestuur van de producentenorganisatie gedaan.
3. De kennisgeving bevat ten minste de volgende gegevens:
a. naam van de ondernemer;
b. lettertekens en het nummer van het vissersvaartuig;
c. de gereglementeerde typen vistuig die zullen worden
gebruikt; en
d. het gereglementeerd gebied waar zal worden gevist.
4. Ingeval de kapitein van een vissersvaartuig of zijn
vertegenwoordiger voornemens is in de beheersperiode hetzelfde type
vistuig of dezelfde typen vistuigen te gebruiken als het type vistuig
dat of de typen vistuigen die voor het desbetreffende gereglementeerd
geografisch gebied is of zijn vermeld in de in artikel 97, bedoelde
vismachtiging die betrekking heeft op de daaraan voorafgaande
beheersperiode, wordt de kennisgeving tot verkrijging van die
vismachtiging aangemerkt als kennisgeving als bedoeld in artikel 27,
eerste lid, van de controleverordening.
5. De gegevens die worden vermeld in de voor de beheersperiode af
te geven vismachtiging worden gebaseerd op de meest recente
kennisgeving.
6. Ter verkrijging van de toestemming, bedoeld in artikel 27,
tweede lid, van de controleverordening, meldt de kapitein van een
vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger het voornemen tot het
gebruik van meer dan één soort vistuig tijdens de visreis
onmiddellijk voorafgaand aan de visreis aan de minister.
7. In afwijking van het zesde lid wordt, ingeval de kapitein van
een vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger de in het zesde lid
bedoelde gegevens onmiddellijk voorafgaand aan de visreis op grond van
artikel 15 van de controleverordening elektronisch heeft verstrekt,
het in artikel 38, eerste lid, van de uitvoeringsverordening
controleverordening bedoelde retourbericht van de NVWA, aangemerkt als
toestemming als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de
controleverordening.
Artikel 111. Visserij-inspanningsverslag en uitputting van de
visserij-inspanning
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 28,
eerste lid, en 30 van de controleverordening, en artikel 58, eerste
lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in 28, eerste lid, van de
controleverordening, is de NVWA.
Artikel 112. Vrijstellingen
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 29, eerste
lid, van de controleverordening.
2. Een vissersvaartuig mag andere dan met de visserij verband
houdende activiteiten ontplooien in de gereglementeerde geografische
gebieden zonder dat de daarmee gemoeide tijd wordt aangemerkt als een
kalenderdag, mits wordt voldaan aan artikel 29, tweede lid, van de
controleverordening. Een melding als bedoeld in dat onderdeel wordt
schriftelijk gedaan aan de minister. De melding bevat ten minste de
volgende gegevens:
a. naam van de ondernemer;
b. lettertekens en het nummer van het vissersvaartuig; en
c. de aard, datum van aanvang en duur van de activiteiten.
3. Indien een vissersvaartuig niet heeft kunnen vissen omdat zich
een noodsituatie als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de
controleverordening heeft voorgedaan, wordt het aantal dagen waarop
het vissersvaartuig niet heeft kunnen vissen, niet in mindering
gebracht op de desbetreffende hoeveelheid visserij-inspanning, indien
de kapitein van het vissersvaartuig of zijn vertegenwoordiger binnen
een maand nadat de noodsituatie zich heeft voorgedaan schriftelijk bij
de minister daarvan melding heeft gemaakt en de melding wordt gestaafd
door bewijsstukken.
Artikel 113. Sluiting visserij
1. Met ingang van de op grond van artikel 35, eerste lid, van de
controleverordening vastgestelde datum is het voor Nederlandse
vissersvaartuigen verboden de visserij uit te oefenden op de
vissoorten waarvoor voornoemde vaststelling geldt en die soorten aan
boord te houden, over te laden en aan te landen.
2. Het is verboden in strijd te handelen met een op grond van
artikel 36, tweede lid, van de controleverordening vastgesteld verbod.
§ 4. Controle op vlootbeheer
Artikel 114. Motorvermogen
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 39, eerste lid, van
de controleverordening.
Artikel 115. Certificering motorvermogen
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 40, vierde lid, van
de controleverordening, en artikel 61, derde lid, van de
uitvoeringsverordening controleverordening.
§ 5. Controle op meerjarenplannen
Artikel 116. Aangewezen haven en gescheiden opslag demersale vangsten
meerjarenplannen
1. Het is verboden in strijd te handelen te handelen met de
artikelen 42, eerste lid, en 43, tweede lid, en 44 van de
controleverordening.
2. Als havens als bedoeld in de artikelen 42, eerste lid, en 43,
eerste lid, van de controleverordening, worden aangewezen de voor de
desbetreffende vissersvaartuigen op grond van artikel 6, tweede lid,
toegelaten havens mits het aanlanden of overladen plaatsvindt binnen
de in bijlage 2 C bij die havens vermelde lostijden.
3. Als waarnemer of functionaris als bedoeld in artikel 42, tweede
lid, van de controleverordening, wordt aangewezen een functionaris van
de NVWA.
§ 6. Controle op technische maatregelen
Artikel 117. Vistuig en samenstelling vangst
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 47, 48,
eerste tot en met derde lid, en 49, eerste lid, van de
controleverordening.
2. De bevoegde autoriteit, bedoeld in 48, derde lid, van de
controleverordening, is de NVWA.
Artikel 118. Controle voor visserij beperkte gebieden
Vanaf de datum, bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de
controleverordening is het voor vissersvaartuigen en vissersvaartuigen
van andere lidstaten en derde landen met een lengte van 12 meter over
alles of meer verboden te handelen in strijd met artikel 50, derde en
vierde lid, van de controleverordening.
Artikel 119. Realtimesluiting visserijtakken
1. De minister kan besluiten tot tijdelijke sluiting van een gebied
ingeval een vangstdrempel als bedoeld in artikel 51, eerste lid, van
de controleverordening is bereikt.
2. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de minister:
a. het geografische gebied van de visgronden waarop de sluiting
van toepassing is;
b. de duur van de sluiting; en
c. de voorwaarden voor de visserij in dat gebied gedurende de
sluiting.
3. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 52,
eerste lid, en 53, zevende lid, van de controleverordening.
4. Het is verboden visserijactiviteiten uit te oefenen in een
gebied dat gesloten is op grond van artikel 54, eerste lid, van de
controleverordening.
5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing
indien is voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in het besluit
tot sluiting, bedoeld in het eerste lid, en artikel 54, eerste lid,
van de controleverordening.
Artikel 120. Recreatievisserij
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 55, tweede lid, van
de controleverordening.
§ 7. Controle op de afzet
Artikel 121. Beginselen voor controle op de afzet
1. Degene die gevangen of geoogste visserij- en
aquacultuurproducten voor de eerste verkoop aanbiedt, verdeelt de
genoemde producten in partijen.
2. Producten waarvoor Europese handelsnormen gelden, worden slechts
voor eerste verkoop uitgestald, voor eerste verkoop aangeboden,
verkocht of anderszins verhandeld als zij met die normen in
overeenstemming zijn.
3. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 56,
tweede en vierde lid, en 57, derde lid, van de controleverordening.
Artikel 122. Traceerbaarheid
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 58, eerste tot
en met vijfde lid, van de controleverordening, en de artikelen 67,
eerste tot en met vijfde en zevende lid, en 68, derde lid, van de
uitvoeringsverordening controleverordening.
2. Marktdeelnemers als bedoeld in artikel 4, negentiende lid, van
de controleverordening beschikken over systemen en procedures, waarmee
kan worden nagegaan van wie zij partijen visserij- en
aquacultuurproducten als bedoeld in artikel 66 van de
uitvoeringsverordening controleverordening hebben ontvangen en aan wie
zij die producten hebben geleverd.
3. In de in het tweede lid bedoelde systemen worden door de
desbetreffende marktdeelnemer de in artikel 90 van deze regeling en de
in artikel 58, vijfde lid, van controleverordening bedoelde gegevens
vastgelegd.
4. De in artikel 58, onderdelen g en h, van de controleverordening
bedoelde gegevens zijn in het stadium van de detailhandel voor de
consument beschikbaar en worden vermeld op het etiket of het
identificatiemerk van de voor de detailverkoop aangeboden visserij- en
aquacultuurproducten, dan wel voor zover het de wetenschappelijke naam
van de soort op detailhandelniveau betreft, aan de hand van
commerciële voorlichtingsmiddelen, zoals borden en posters.
5. Dit artikel is niet van toepassing op hoeveelheden visserij- en
aquacultuurproducten die rechtstreeks vanaf een vissersvaartuig aan
consumenten worden verkocht, mits deze hoeveelheden per
vissersvaartuig en per eindconsument niet meer dan € 50,– per
kalenderdag vertegenwoordigen.
Artikel 123. Eerste verkoop visserijproducten
1. Alle visserijproducten die voor het eerst op de markt worden
gebracht, worden geregistreerd in een visafslag dan wel worden
verkocht aan geregistreerde kopers of producentenorganisaties.
2. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 59, tweede
lid, van de controleverordening.
Artikel 124. Weging visserijproducten
1. Visserijproducten worden gewogen met apparatuur die ten genoegen
van de minister is goedgekeurd, geijkt en verzegeld.
2. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 60, tweede en
vijfde lid, van de controleverordening en met de artikelen 70, 71,
eerste en tweede lid, 72, tweede en derde lid, 73, tweede lid, 74, 79,
eerste lid, 80, eerste en tweede lid, 82, 83, 84, tweede en derde lid,
85, 86, en 87 van de uitvoeringsverordening controleverordening.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 60, zesde lid, van de
controleverordening en de artikelen 75, 80, eerste lid, 81, 82, eerste
lid, en 87, van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de
NVWA.
4. Als havens als bedoeld in artikel 79, tweede lid, van de
uitvoeringsverordening controleverordening, worden aangewezen de
havens die zijn vermeld inbijlage 2 B. Het aanlanden of overladen
vindt plaats binnen de in bijlage 2 C bij die havens vermelde
lostijden.
5. Het is verboden met een Nederlands vissersvaartuig vis van de in
artikel 78 van de uitvoeringsverordening controleverordening genoemde
soorten buiten de Europese Unie aan te landen in havens die niet
uitdrukkelijk voor weging zijn geselecteerd door derde landen die voor
deze soorten overeenkomsten met de Europese Unie hebben gesloten.
Artikel 125. Verkoopdocument
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 62,
eerste en vijfde lid, en 63, eerste lid, van de controleverordening en
met artikel 90 van de uitvoeringsverordening controleverordening.
2. Geregistreerde visafslagen als bedoeld in artikel 62, tweede
lid, van de controleverordening registreren de in artikel 64, eerste
lid, van de controleverordening genoemde gegevens elektronisch en
geven deze elektronisch door aan de NVWA, overeenkomstig de
recordstructuur die is opgenomen in bijlage 11.
3. Het verkoopdocument, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de
controleverordening bevat de gegevens, bedoeld in artikel 64, eerste
lid, van de controleverordening, stemt overeen met de factuur of als
zodanig dienstdoend document als bedoeld in de artikelen 218 en 219
van Richtlijn nr. 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006
betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de
toegevoegde waarde (PbEU L 347) en wordt binnen de in artikel 62,
eerste lid genoemde termijn overhandigd aan een ambtenaar van de NVWA
of gedeponeerd in een vangstopgavebus.
4. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 62, eerste lid
en vijfde lid, en 63, eerste lid, van de controleverordening en in
artikel 87 van de uitvoeringsverordening controleverordening, is de
NVWA.
Artikel 126. Aangifte van overname
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 66,
eerste lid, en 67, eerste lid, van de controleverordening.
2. De aangifte van overname, bedoeld in artikel 66, eerste lid van
de controleverordening wordt binnen de in dat artikelonderdeel
genoemde termijn overhandigd aan een ambtenaar van de NVWA of
gedeponeerd in een vangstopgavebus.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 66, eerste lid,
en 67, eerste lid, van de controleverordening, is de NVWA.
Artikel 127. Vervoersdocument
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 68, eerste,
derde, vijfde en zevende lid, van de controleverordening.
2. Het vervoersdocument, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de
controleverordening wordt binnen de in dat artikelonderdeel genoemde
termijn overhandigd aan een ambtenaar van de NVWA of gedeponeerd in
een vangstopgavebus.
3. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 68, eerste, tweede,
derde en zesde lid, van de controleverordening, is de NVWA.
§ 8. Bewaking, inspecties, procedures en handhaving
Artikel 128. Bewaking, inspecties en procedures
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 73,
zevende lid, 75, eerste lid, en 84, vierde lid, van de
controleverordening, en met de artikelen 113, tweede lid, 114, eerste
lid, en 122, vijfde lid, in samenhang met de artikelen 113, tweede
lid, en 114, eerste lid, van de uitvoeringsverordening
controleverordening.
2. De kapitein handelt overeenkomstig een op grond van artikel 104,
tweede lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening gegeven
opdracht.
3. Indien overeenkomstig artikel 104 van de uitvoeringsverordening
controleverordening ID-merktekens en zegels als bedoeld in dat artikel
zijn aangebracht, is het verboden deze merktekens en zegels te
verwijderen.
Artikel 129. Handhavingmaatregelen
1. Het is verboden visserijactiviteiten uit te oefenen in een
gebied dat gesloten is op grond van artikel 104 van de
controleverordening.
2. Het is verboden in strijd te handelen met op grond van artikel
108 van de controleverordening vastgestelde maatregelen.
Artikel 130. Puntensysteem voor ernstige inbreuken
1. De bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 125 van de
uitvoeringsverordening controleverordening, is de minister.
2. De voor echt verklaarde kopie, bedoeld in artikel 128 van de
uitvoeringsverordening controleverordening, wordt op aanvraag van de
desbetreffende houder van een visvergunning verstrekt door de
minister.
3. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 130, tweede
lid, van de uitvoeringsverordening controleverordening en met de op
grond van artikel 132, eerste lid, van de uitvoeringsverordening
controleverordening genomen maatregelen.
4. De minister wijst de kapitein van een vissersvaartuig onder
wiens gezag ernstige inbreuken als bedoeld in artikel 42, eerste lid,
onderdeel a, van verordening nr. 1005/2008 zijn gepleegd, punten toe
overeenkomstig bijlage XXX van de uitvoeringsverordening
controleverordening.
5. De artikelen 125, 126, tweede tot en met vijfde lid, 129, 130,
eerste lid, 132, eerste lid, en 133, eerste en tweede lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de in het vierde lid bedoelde kapitein.
6. Indien aan een kapitein op grond van het vierde lid het
navolgende aantal punten is toegewezen, is het hem gedurende de achter
dat aantal vermelde periode verboden als kapitein op een
vissersvaartuig te varen:
a. 18 punten: 2 maanden;
b. 36 punten: 4 maanden;
c. 54 punten: 8 maanden;
d. 72 punten: 12 maanden; en
e. 90 punten 3 jaren.
7. Het is de houder van een visvergunning verboden een kapitein
waarop het in het zesde lid bedoelde verbod betrekking heeft op het
vissersvaartuig waarop de visvergunning betrekking heeft, als kapitein
te laten varen gedurende de desbetreffende periode.
8. Voor de toepassing van het vierde tot en met zevende lid en de
artikelen 125 tot en met 134 van de uitvoeringsverordening
controleverordening wordt onder kapitein verstaan, hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 1, onderdeel h, van de Zeevaartbemanningswet.
Hoofdstuk 7. Toegangsregels derde landen, IUU en
vangstdocumentatieregelingen
§ 1. Toegangsregels derde landen
Artikel 131. Toegangsregels derde landen
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 3, 9,
tweede lid, 11, eerste lid, 13, eerste lid, 18, 22, 23, eerste lid, en
24, tweede lid, van verordening nr. 1006/2008
2. Een verzoek tot uitreiking van een machtiging als bedoeld in
artikel 3 en een verzoek tot machtiging als bedoeld in artikel 11,
eerste lid, van verordening nr. 1006/2008, wordt ingediend bij de
minister.
3. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 2, eerste
lid, 3, 4, 7, 8, 10 en 11 van verordening nr. 201/2010.
4. De minister trekt de machtiging, bedoeld in artikel 11, eerste
lid, van verordening nr. 1006/2008, in ieder geval in indien een
vissersvaartuig is opgenomen op de lijst van IOO-vaartuigen, bedoeld
in artikel 27 van verordening nr. 1005/2008.
§ 2. Invoer
Artikel 132. Invoerverbod tonijnsoorten uit bepaalde gebieden
Het is verboden in strijd te handelen met artikel 2 van verordening
nr. 827/2004.
§ 3. IUU en vangstdocumentatieregelingen
Artikel 133. Toegang tot havens en gebruik havendiensten vaartuigen
derde landen
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 5, tweede
lid, 6, eerste en tweede lid, 8, eerste lid, en 10, vijfde lid, van
verordening nr. 1005/2008.
2. Als havens als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening
nr. 1005/2008, worden aangewezen de voor de desbetreffende
vissersvaartuigen op grond van artikel 6, tweede lid, toegelaten
havens.
3. De voorafgaande kennisgeving, bedoeld in artikel 6, eerste lid,
van verordening nr. 1005/2008, geschiedt door verzending van een door
de desbetreffende kapitein ondertekend elektronisch of faxbericht aan
de meldkamer van de NVWA te Kerkrade.
4. Het is voor vissersvaartuigen van derde landen verboden de haven
binnen te varen of zijn vangst aan te landen of over te laden zonder
door een ambtenaar van de NVWA verleende toestemming als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 11, tweede lid, van
verordening nr. 1005/2008.
5. De aangifte, bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt ingediend
bij de meldkamer van de NVWA te Kerkrade met gebruikmaking van het in
artikel 3, eerste lid, van verordening nr. 1010/2009, bedoelde
formulier indien de aangifte betrekking heeft op aanlanding, dan wel
met gebruikmaking van het in artikel 3, tweede lid, van verordening
nr. 1010/2009, bedoelde formulier indien de aangifte betrekking heeft
op overlading.
Artikel 134. Vangstcertificaten bij invoer
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 12,
eerste en tweede lid, 14, eerste en tweede lid, en 22, vijfde lid, van
verordening nr. 1005/2008.
2. Indien de invoer betrekking heeft op visserijproducten van de
soorten, genoemd in artikel 2, onderdeel a, van verordening nr.
640/2010, artikel 3, onderdeel b en c, van verordening nr. 1984/2003
of artikel 3, onderdeel a, van verordening nr. 1035/2001, wordt voor
de toepassing van het eerste lid gebruik gemaakt van:
a. het vangstcertificaat, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van
verordening nr. 640/2010, dat overeenkomstig artikel 4 van die
verordening is afgegeven, ingevuld en gewaarmerkt;
b. het statistisch document, bedoeld in artikel 4 van
verordening nr. 1984/2003, dat overeenkomstig dat artikel is
afgegeven, ingevuld en gewaarmerkt; onderscheidenlijk
c. het vangstdocument, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van
verordening nr. 1035/2001, dat overeenkomstig die verordening is
afgegeven, ingevuld en gewaarmerkt.
3. In aanvulling op het eerste lid is de invoer van
visserijproducten als bedoeld in artikel 2, achtste lid, van
verordening nr. 1005/2008, verboden indien de invoer van die producten
is geweigerd op grond van artikel 18, eerste en tweede lid, van die
verordening.
4. Indien de vrijgave en het in de handel brengen van
visserijproducten op grond van artikel 17, zevende lid, van
verordening nr. 1005/2008 is opgeschort, komen de kosten voor de
opslag van die producten gedurende de periode, bedoeld in artikel 17,
vijfde lid, van die verordening, ten laste van de marktdeelnemer.
Artikel 135. Vangstcertificaten bij aanlanding of overlading door
EU-vissersvaartuigen en bij interne verhandeling
1. Indien het betreft visserijproducten van de soorten, genoemd in
artikel 2, onderdeel a, van verordening nr. 640/2010, is het verboden
in strijd te handelen met de artikelen 3, tweede en tiende lid en 4,
eerste lid van die verordening, voor zover deze artikelen betrekking
hebben op aanlanden, overladen of intern verhandelen.
2. De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, van verordening nr. 640/2010.
3. Voor zover het betreft visserijproducten van de soorten, genoemd
in artikel 3, onderdeel a, van verordening nr. 1035/2001, is het
verboden in strijd te handelen met de artikelen 8, 9 10, 11 en 12 van
die verordening.
Artikel 136. Bevoegde autoriteit
1. Het vangstcertificaat, bedoeld in de artikelen 12 en 14, eerste
lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel c, onder i, van verordening
nr. 1005/2008, het vangstdocument, bedoeld in artikel 13, eerste lid,
van die verordening, het bewijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
onderdeel b, van die verordening, de verklaring, bedoeld in artikel
14, tweede lid, van die verordening, en de kopie van het
vangstcertificaat, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel c,
onder ii, van die verordening, worden overeenkomstig artikel 16,
eerste lid, van die verordening of overeenkomstig artikel 8 van
verordening nr. 1010/2009 ingeval de desbetreffende visserijproducten
met de in dit artikel bedoelde vervoermiddelen wordt getransporteerd,
ingediend bij de minister.
2. De minister is de bevoegde instantie, bedoeld in artikel 4,
derde lid, van verordening nr. 1984/2003.
Artikel 137. Erkende marktdeeldemers
1. In afwijking van artikel 136 kunnen erkende marktdeelnemers als
bedoeld in artikel 16, tweede lid, van verordening nr. 1005/2008,
handelen overeenkomstig dat lid.
2. Marktdeelnemers dienen een verzoek in tot erkenning bij de
minister overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 1010/2009.
3. De minister verleent de erkenning, bedoeld in het tweede lid,
slechts indien de marktdeelnemer voldoet aan artikel 16, derde lid,
onderdelen a tot en met g, van verordening nr. 1005/2008 en de
artikelen 9 tot en met 13 van verordening nr. 1010/2009.
4. De minister schorst de erkenning, bedoeld in het tweede lid,
indien zich één van de in de artikelen 22 tot en met 26 van
verordening nr. 1010/2009 bedoelde gevallen voordoet.
5. De minister trekt de erkenning in indien zich één van de in
artikel 27 van verordening nr. 1010/2009 bedoelde gevallen voordoet.
6. Het aantal invoeroperaties, bedoeld in artikel 16, derde lid,
onderdeel b, van verordening nr. 1005/2008, bedraagt 50.
Artikel 138. Vangstcertificaten bij uitvoer
1. Het is verboden in strijd te handelen met artikel 15, eerste
lid, van verordening nr. 1005/2008, artikel 5, eerste en vijfde lid,
van verordening nr. 1984/2003 en artikel 18, eerste lid, van
verordening nr. 1035/2001.
2. De minister is de overheidsinstantie, bedoeld in artikel 12,
vierde lid, van verordening nr. 1005/2008, en de bevoegde autoriteit,
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van verordening nr. 1984/2003, en
artikel 18, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001.
3. De uitvoerder van vangsten van een vissersvaartuig dient het
verzoek tot validatie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van
verordening nr. 1005/2008, artikel 5, tweede lid, van verordening nr.
1984/2003, en artikel 18, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001,
in bij de minister.
Artikel 139. Vangstcertificaten bij wederuitvoer
1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 21, eerste
lid, van verordening nr. 1005/2008, de artikelen 3, tweede lid, van
verordening nr. 640/2010, voor zover dit artikel betrekking heeft op
wederuitvoer, en 6, tweede lid, van laatstgenoemde verordening, de
artikelen 6, eerste, vierde en zesde lid en 7 van verordening nr.
1984/2003 en artikel 19, eerste lid, van verordening nr. 1035/2001.
2. De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 7,
eerste lid, van verordening nr. 640/2010, artikel 6, tweede en vierde
lid, van verordening nr. 1984/2003 en artikel 19, eerste lid, van
verordening nr. 1035/2001.
3. De uitvoerder van producten, bedoeld in artikel 21, eerste lid,
van verordening nr. 1005/2008, dient het verzoek tot invulling van het
vangstcertificaat of een kopie van het vangstcertificaat, bedoeld in
dat artikellid, in bij de minister.
4. De uitvoerder van visserijproducten van de soorten, genoemd in
artikel 2, onderdeel a, van verordening nr. 640/2010, artikel 3,
onderdeel b en c, van verordening nr. 1984/2003 of artikel 3,
onderdeel a, van verordening nr. 1035/2001, dient het verzoek tot
waarmerking van het wederuitvoercertificaat, bedoeld in artikel 6,
tweede lid, van verordening nr. 640/2010, artikel 6, tweede en vierde
lid, van verordening nr. 1984/2003 onderscheidenlijk van het
vangstdocument, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van verordening nr.
1035/2001, in bij de minister.
5. De in het vierde lid bedoelde verzoeken gaan vergezeld van de
documenten, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening nr.
640/2010, artikel 6, tweede lid, van verordening nr. 1984/2003
onderscheidenlijk artikel 19, eerste lid, van verordening nr.
1035/2001.
Artikel 140. Maatregelen tegen bij IUU betrokken vaartuigen en staten
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen 4, tweede
tot en met vierde lid, 37, aanhef en onderdelen 3 tot en met 6, 9 en
10, 38, aanhef en onderdelen 1 tot en met 3 en 5 tot en met 7, 39,
eerste lid, 40, tweede lid, en 48, vierde lid, van verordening nr.
1005/2008.
2. Indien een vissersvaartuig van een derde land is opgenomen op de
lijst van IOO-vaartuigen, bedoeld in artikel 27 van verordening nr.
1005/2008, is het voor dat vissersvaartuig verboden om zonder door een
ambtenaar van de NVWA verleende toestemming als bedoeld in artikel 37,
onderdeel 7, van die verordening, de bemanning te vervangen.
3. Het is een vissersvaartuig dat is opgenomen op de lijst van
IOO-vaartuigen, bedoeld in artikel 27 van verordening nr. 1005/2008,
verboden de Nederlandse vlag te voeren.
4. Het is een Nederlands vissersvaartuig verboden
charterovereenkomsten te sluiten met derde landen die zijn opgenomen
op de lijst van niet-meewerkende derde landen, bedoeld in artikel 33
van verordening nr. 1005/2008.
5. Het is verboden in strijd te handelen met een krachtens artikel
36 van verordening nr. 1005/2008 vastgestelde noodmaatregel.
6. Waarnemingsverslagen als bedoeld in artikel 48, vierde lid, van
verordening nr. 1005/2008, worden ingediend bij de minister.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 141. Bijhouden gegevens
Degene die ingevolge deze regeling en de in artikel 1, tweede lid,
genoemde verordeningen gegevens moet vermelden of anderszins moet
bijhouden of moet verstrekken, doet dit volledig, naar waarheid en
binnen de gestelde termijnen.
Artikel 142. Medebewind Productschap Vis
1. Van het bestuur van het Productschap Vis wordt medewerking
gevorderd ter uitvoering van:
a. artikel 59, tweede lid, van de controleverordening; en
b. artikel 15, eerste lid, van verordening nr. 1005/2008.
2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde medewerking bestaat
uit het registreren van de kopers van visserijproducten van een
vaartuig bij eerste verkoop, bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de
controleverordening.
3. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde medewerking bestaat
uit het overeenkomstig artikel 12, vierde lid, van verordening nr.
1005/2008 valideren van vangstcertificaten voor zover deze
certificaten betrekking hebben op de vangst van garnalen.
4. In afwijking van artikel 138, derde lid, wordt het in dat lid
bedoelde verzoek tot validatie, voor zover het betrekking heeft op de
in het derde lid van dit artikel bedoelde vissoorten, ingediend bij
het Productschap Vis.
5. Het Productschap Vis neemt terzake van het de uitvoering van het
medebewind de aanwijzingen van de minister in acht.
Artikel 143. Wijziging regelingen
[Wijzigt de Regeling LNV-subsidies en de Uitvoeringsregeling
visserij.]
Artikel 144. Overgangsbepalingen
1. Bescheiden die ingevolge de regelingen, bedoeld in artikel 145,
zijn verzameld, ingevuld, bewaard en bijgehouden, worden aangemerkt
als bescheiden op grond van deze regeling en op grond van de in
artikel 1, tweede lid, bedoelde verordeningen.
2. Voor zover er ter zake nog sprake is van enige
bestuursrechtelijke afdoening, met inbegrip van bezwaar- en
beroepsprocedures, vindt deze overeenkomstig de regelingen, bedoeld in
artikel 145, plaats.
3. Bestaande aanspraken en verplichtingen bij, op grond of in het
kader van de regelingen, bedoeld in artikel 145, blijven in stand.
4. Een ondernemer die op het tijdstip voor inwerkingtreding van
deze regeling recht had op een contingent voor een vissoort op grond
van artikel 11, eerste en tweede lid, van de Regeling
instandhoudingsmaatregelen zeevisserij, heeft voor 2011 een recht op
dat contingent als bedoeld inartikel 29, eerste lid, van deze
regeling.
5. Een toekenning voor het kalenderjaar van een groepscontingent op
grond van artikel 13, eerste lid, van artikel 16, eerste lid, van de
Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij, geldt als een
toekenning van een groepscontingent als bedoeld in artikel 32, eerste
lid, van deze regeling.
6. Een besluit tot aanhouding van een contingent, op grond van
artikel 23 van de Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij,
geldt als een besluit tot aanhouding als bedoeld in artikel 44 van
deze regeling.
7. Een document, uitgereikt voor 2011 op grond van artikel 12,
eerste lid, van de Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij,
wordt voor dat jaar beschouwd als een document als bedoeld in artikel
30, eerste lid, van deze regeling.
Artikel 145. Intrekken regelingen
De volgende regelingen worden ingetrokken:
a. de Regeling eisen, administratie en registratie inzake
uitoefening visserij;
b. de Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij;
c. de Regeling stelselmatige controle bij aanlanding 1988;
d. de Regeling technische maatregelen 2000; en
e. de Regeling visvergunning.
Artikel 146. Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de
datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt
geplaatst.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling
zeevisserij.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
H. Bleker.
Bijlagen niet opgenomen
|
|
|