BESLUIT van 8 mei 2006, houdende algemene eisen
ten aanzien van het horen van personen per videoconferentie (Besluit
videoconferentie)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Justitie en Onze Minister voor
Vreemdelingenzaken en Integratie van 13 januari 2006, 5396943/06/1;
Gelet op artikel 97 van de Vreemdelingenwet
2000;
De Raad van State gehoord (advies van
13 maart 2006, nr. W03.06.0013/I);
Gezien het nader rapport van 28 april
2006, nr. 5415979/06/6, van Onze Minister van Justitie en Onze Minister
voor Vreemdelingenzaken en Integratie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Toepassing ingevolge
het vreemdelingenrecht
Artikel 1
1. Het horen van een vreemdeling in een beroepsprocedure tegen
een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 94 en 96
van de Vreemdelingenwet 2000, kan per videoconferentie geschieden,
waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tussen de betrokken
personen totstandkomt.
2. De rechtbank beslist of van videoconferentie gebruik wordt
gemaakt.
Hoofdstuk II. Toepassing ingevolge het strafrecht
Artikel 2
1. In de navolgende gevallen wordt geen gebruik gemaakt van
videoconferentie:
a. ten aanzien van een minderjarige verdachte of veroordeelde,
vanaf de fase van de inbewaringstelling;
b. ten aanzien van de verdachte indien ten aanzien van hem het
vermoeden bestaat van een ziekelijke stoornis of gebrekkige
ontwikkeling van de geestvermogens;
c. ten aanzien van de verdachte van een zedenmisdrijf waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten;
d. ten aanzien van de verdachte van een strafbaar feit waarbij een
dodelijk slachtoffer is gevallen;
e. ten aanzien van de verdachte indien het slachtoffer ter zitting
gebruik maakt van het spreekrecht.
2. In de navolgende gevallen wordt geen gebruik gemaakt van
videoconferentie, tenzij met instemming van de verdachte of diens
raadsman:
a. ten aanzien van de verdachte, die in de desbetreffende zaak
wordt voorgeleid voor de rechter-commissaris in verband met de
inbewaringstelling;
b. ten aanzien van de verdachte, bij de inhoudelijke behandeling
van de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer.
3. Van toepassing van videoconferentie wordt bovendien geen
gebruik gemaakt indien de te horen persoon een zodanige auditieve of
visuele handicap heeft waardoor redelijkerwijs kan worden verondersteld
dat videoconferentie afbreuk doet aan zijn inbreng of positie in het
strafproces, dan wel aan de rechten van andere procesdeelnemers.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid kan van
videoconferentie gebruik worden gemaakt indien de meervoudige of
enkelvoudige kamer bepaalt dat videoconferentie noodzakelijk is in het
bijzondere belang van de beveiliging van de zitting.
Artikel 3
1. Indien de te horen persoon schriftelijk wordt opgeroepen
teneinde te worden gehoord, geeft deze oproep aan of tijdens het horen
gebruik zal worden gemaakt van videoconferentie. De oproep vermeldt op
welke wijze en binnen welke termijn hij kan aangeven zich niet te
kunnen verenigen met het gebruik van videoconferentie.
2. De mededeling van de te horen persoon dan wel in voorkomende
gevallen de officier van justitie, dat hij zich niet met de
gebruikmaking van videoconferentie kan verenigen, wordt schriftelijk
gedaan en bevat de gronden waarop het verzoek berust. De mededeling
wordt gericht aan de voorzitter van de meervoudige of enkelvoudige
kamer, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over
het horen is belast.
3. Op een mededeling als bedoeld in het tweede lid wordt zo
spoedig mogelijk beslist door de voorzitter van de meervoudige of
enkelvoudige kamer, de rechter-commissaris of de ambtenaar die met de
leiding over het horen is belast. Aan de te horen persoon en diens
raadsman, onderscheidenlijk in voorkomende gevallen de officier van
justitie, wordt de beslissing uiterlijk vierentwintig uur voor aanvang
van het horen meegedeeld.
4. Indien geen schriftelijke oproep aan het horen voorafgaat, kan
de te horen persoon, dan wel in voorkomende gevallen de officier van
justitie, niet later dan direct bij aanvang van het verhoor aan de
voorzitter van de meervoudige of enkelvoudige kamer, de
rechter-commissaris of de ambtenaar die met de leiding over het horen is
belast, mondeling dan wel schriftelijk mededelen zich niet te kunnen
verenigen met het gebruik van videoconferentie, onder vermelding van de
gronden. Op deze mededeling wordt beslist door de voorzitter van de
meervoudige of enkelvoudige kamer, de rechter-commissaris of de
ambtenaar die met de leiding over het horen is belast.
Hoofdstuk III. Eisen aan het systeem
Artikel 4
1. Het systeem door middel waarvan videoconferentie wordt
toegepast, is zodanig ingericht dat:
a. de betrokken personen een natuurgetrouwe weergave krijgen van
hetgeen zich in de andere ruimte afspeelt;
b. overleg kan worden gevoerd zonder dat dit voor derden hoorbaar
is;
c. stukken kunnen worden uitgewisseld, en
d. het systeem is beveiligd tegen verlies of tegen enige vorm van
onrechtmatige verwerking;
e. het systeem aan de internationale standaarden voldoet indien de
videoconferentie plaatsvindt met een persoon die zich buiten Nederland
bevindt.
2. Bij regeling van Onze Minister van Justitie kunnen nadere
eisen worden gesteld aan het systeem, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 6
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit videoconferentie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 8 mei 2006
BEATRIX
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
M.C.F. Verdonk
Uitgegeven de twintigste juni 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner