| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Vreemdelingenwet 2000
(Vw 2000)
VREEMDELINGENBESLUIT
2000 (Vb 2000)
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 23 november 2000 tot uitvoering van de
Vreemdelingenwet 2000 (Vreemdelingenbesluit 2000)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 18 augustus 2000,
nr. 5077321/00/6;
Gelet op de artikelen 2, vierde lid, onderdeel b,
vijfde en zesde lid, 3, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid,
4, derde lid, 8, onderdeel f en g, 10, eerste lid, 11,
eerste en derde lid, 12, eerste en tweede lid, 14, tweede en derde lid,
15, 16, tweede lid, 17, eerste lid, onderdeel g, 18, tweede lid,
21, zesde lid, 22, tweede lid, 24, eerste lid, 28, tweede lid, 29,
tweede lid, 31, derde lid, 32, tweede lid, 35, tweede lid, 37, 39, derde
lid, 46, tweede lid , 48, vierde lid, 50, eerste en zesde lid, 51, derde
lid, 52, eerste lid, 54, eerste lid, 56, eerste lid, 60, 66, 68, derde
lid, 69, tweede lid, 71, tweede lid, 82, tweede lid, onderdeel a,
97, 102, 103, 107, vierde lid, 109, eerste lid, 111 en 112, van de
Vreemdelingenwet 2000;
De Raad van State gehoord (advies van 26
oktober 2000, nr. W03.00.0379/I);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Justitie van 21 november 2000, nr. 5059940/00/DVB;
Hebben
goedgevonden en verstaan;
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Afdeling 1. Definitiebepalingen
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Benelux-onderdanen: de onderdanen
van de staten die partij zijn bij het op 3 februari 1958 te
's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tot instelling van de
Benelux Economische Unie (Trb. 1958, 18);
b. Beneluxgebied: het gezamenlijke
grondgebied in Europa van het Koninkrijk België, van het
Groothertogdom Luxemburg en van het Koninkrijk der Nederlanden;
c. cruiseschip: hetgeen daaronder in
de Schengengrenscode wordt verstaan;
d. luchtvaartuig: hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Luchtvaartwet;
e. minderjarigheid: hetgeen daaronder
wordt verstaan in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
f. [vervallen;]
g. Schengengebied: het grondgebied
van de staten waarop de Schengengrenscode en de Schengen
Uitvoeringsovereenkomst van toepassing zijn;
h. Schengen Informatiesysteem: het in
titel IV van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst bedoelde
gemeenschappelijke informatiesysteem;
i. Schengen Uitvoeringsovereenkomst:
de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter
uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux
Economische Unie, de bondsrepubliek Duitsland en de Franse republiek
op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de
geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke
grenzen (Trb. 1990, 145), alsmede de daarop gebaseerde Protocollen;
j. schip: hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Scheepvaartverkeerswet;
k. staatloze: de persoon die voor de
toepassing van het op 28 september 1954 te New York gesloten verdrag
betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42 en 1957, 22) als
staatloze geldt;
l. vliegtuig: hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Luchtvaartwet;
m. [vervallen;]
n. de Wet: de Vreemdelingenwet 2000;
o. zeeschip: hetgeen daaronder wordt
verstaan in artikel 1, tweede lid, onder c, van de
Scheepvaartverkeerswet;
p. mijnbouwinstallatie: hetgeen
daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel o, van de
Mijnbouwwet;
q. continentaal plat: hetgeen
daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel c, van de
Mijnbouwwet;
r. gezinsvorming: gezinshereniging
van de echtgenoot, geregistreerd partner of niet-geregistreerde
partner, voor zover de gezinsband tot stand is gekomen op een
tijdstip waarop de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had;
s. richtlijn 2005/71/EG: richtlijn
2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een
specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde
landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PbEU L 289);
t. tewerkstellingsvergunning: de
vergunning, bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet arbeid
vreemdelingen;
u. richtlijn 2009/50/EG: Richtlijn
2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden
voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog
op een hooggekwalificeerde baan (PbEU L 155);
v. Europese blauwe kaart: de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, afgegeven ter uitvoering van artikel 7 van richtlijn
2009/50/EG, dan wel een door een andere staat die partij is bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven
verblijfsvergunning ter uitvoering van dat artikel.
Artikel 1.2
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. reisvisum: het visum, bedoeld in
artikel 2, punt 2, onder a, van de Verordening nr. 810/2009/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling
van een gemeenschappelijke Visumcode (Visumcode) (PbEU, L 243);
b. doorreisvisum: het visum, bedoeld
in artikel 2, punt 2, onder b, van de Visumcode.
Artikel 1.3
Ter uitvoering van een verdrag of een
EU-verordening, -richtlijn of -besluit, op grond waarvan de
grenscontrole plaatsvindt aan de buitengrenzen van het Schengengebied,
wordt in hoofdstuk 4, afdeling 1, alsmede in de artikelen 4.24 en 4.25,
artikel 4.29, eerste lid, onder i, artikel 4.35a, artikel 4.52a, eerste
lid, artikel 4.52b, eerste lid, artikel 6.5a, vierde lid, onder d,
enartikel 6.5b, eerste en tweede lid, onder «Nederland» mede verstaan:
de tot het Schengengebied behorende grondgebieden van andere staten.
Artikel 1.4
1. Onze Minister kan van zijn
bevoegdheden mandaat verlenen aan de burgemeester, de korpschef en de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee.
2. De burgemeester, de korpschef en de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee kunnen ondermandaat
verlenen aan de onder hen ressorterende ambtenaren voorzover dat in
overeenstemming is met de taak en functie van de desbetreffende
ambtenaar.
Afdeling 2. De Adviescommissie voor
vreemdelingenzaken
Paragraaf 1. Aanwijzing beschikkingen
waarover verplicht advies moet worden gevraagd
Artikel 1.5 [Vervallen per 29-04-2006]
Paragraaf 2. Inrichting en werkwijze
Artikel 1.6
De commissie kan haar werkwijze nader
vaststellen in een reglement van orde als bedoeld in artikel 21 van de
Kaderwet adviescolleges.
Artikel 1.7
1. De commissie adviseert schriftelijk
en met redenen omkleed.
2. De adviezen vermelden de namen van
de personen die ter vergadering aanwezig zijn geweest. Zij vermelden
tevens met welke stemmenverhouding zij zijn vastgesteld.
3. Het advies wordt door de voorzitter
en de secretaris ondertekend.
Artikel 1.8 [Vervallen per 29-04-2006]
Artikel 1.9 [Vervallen per 29-04-2006]
Artikel 1.10 [Vervallen per 29-04-2006]
Hoofdstuk 2. Toegang
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 2.1
1. De toegang wordt geweigerd op grond
van artikel 3, eerste lid, van de Wet, indien de vreemdeling het doel
van het voorgenomen verblijf of de verblijfsomstandigheden onvoldoende
aannemelijk heeft gemaakt, dan wel ter staving daarvan onvoldoende
documenten heeft overgelegd.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld
in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet.
Artikel 2.1a
1. De toegang wordt niet geweigerd,
indien de vreemdeling naar Nederland terugkeert als gezinslid van een
langdurig ingezetene, die houder is van een verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Wet en die na
verblijfsbeëindiging door een andere staat die partij is bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie uit die staat naar
Nederland terugkeert.
2. De toegang wordt evenmin geweigerd,
indien de vreemdeling uit een andere staat die partij is bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie naar Nederland
terugkeert als:
a. houder of voormalig houder van
een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart;
b. gezinslid van een vreemdeling
als bedoeld in onderdeel a, voor zover dat gezinslid houder is of
is geweest van een door Onze Minister afgegeven
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14
van de Wet, onder een beperking verband houdend met
gezinshereniging of gezinsvorming met die vreemdeling.
Artikel 2.1b
1. De toegang wordt niet geweigerd
indien de vreemdeling van een andere staat als bedoeld in artikel 1.3
het bevel heeft gekregen onmiddellijk naar Nederland terug te keren,
en hij op dat moment rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van
de Wet had.
2. De toegang wordt evenmin geweigerd
indien Nederland op grond van een op 13 januari 2009 geldende
bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling een vreemdeling
van een andere staat als bedoeld in artikel 1.3 moet terugnemen en die
vreemdeling in die andere staat verblijft zonder verblijfstitel of
andere toestemming tot verblijf. In dat geval geeft Onze Minister aan
die vreemdeling de kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid,
van de Wet, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als
bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Wet.
Artikel 2.2
1. De vervoerder, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de Wet neemt afschrift van het op de vreemdeling
betrekking hebbende document voor grensoverschrijding, indien hij de
vreemdeling rechtstreeks dan wel na transfer of transit naar Nederland
vervoert vanaf een luchthaven die is aangewezen bij ministeriële
regeling.
2. De vervoerder neemt afschrift door
het maken van een duidelijke en goed leesbare afbeelding van de
pagina's met de relevante gegevens van het document voor
grensoverschrijding van de vreemdeling die hij vervoert. De vervoerder
overhandigt het afschrift desgevraagd aan een ambtenaar belast met de
grensbewaking, indien bij inreis in Nederland geen geldig document
voor grensoverschrijding door de vreemdeling kan worden overgelegd.
3. Onder de relevante gegevens wordt in
ieder geval verstaan:
a. naam en voornaam of voornamen
van de vreemdeling;
b. geboortedatum van de
vreemdeling;
c. geboorteplaats van de
vreemdeling;
d. nationaliteit van de
vreemdeling;
e. plaats en datum van afgifte van
het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, alsmede
het nummer daarvan;
f. geldigheidsduur van het document
voor grensoverschrijding van de vreemdeling;
g. plaats en datum van afgifte van
het in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling
aangebrachte visum voor Nederland of het Schengengebied dan wel
het verblijfsdocument, alsmede de nummers daarvan;
h. geldigheidsduur van de in het
document voor grensoverschrijding aangebrachte visa of
verblijfsdocumenten, ook indien een visumverklaring is afgegeven,
dan wel gebruik wordt gemaakt van niet in het document voor
grensoverschrijding aangebrachte verblijfsdocumenten;
i. plaats en datum van afgifte van
de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte visa of
verblijfsdocumenten voor derde landen, welke noodzakelijk zijn
voor de reis naar Nederland, dan wel voor het uiteindelijke land
van bestemming, ook indien die visa dan wel verblijfsdocumenten
niet in het document voor grensoverschrijding zijn aangebracht,
maar afzonderlijk aan de vreemdeling zijn verstrekt;
j. het meest recente uitreisstempel
voorzover dit is aangebracht door de grensbewakingautoriteiten van
het land waarin de luchthaven van vertrek gelegen is, en
k. de in het document voor
grensoverschrijding aangebrachte foto.
De gegevens, bedoeld onder g, worden
ook vastgelegd indien een visumverklaring is afgegeven of het
verblijfsdocument als afzonderlijk document is verstrekt.
4. De afbeelding van de in het document
voor grensoverschrijding aangebrachte foto, bedoeld in het derde lid,
onder k, dient van zodanige kwaliteit te zijn, dat deze goed tot de
houder van het geldige document voor grensoverschrijding herleidbaar
is.
5. De ambtenaar belast met de
grensbewaking maakt de afbeelding definitief onbruikbaar, zodra de
grensbewakingsbelangen dit toestaan.
Artikel 2.2a
1. De vervoerder, bedoeld in artikel 4,
eerste lid, van de Wet, die passagiers vervoert door de lucht,
verzamelt op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking
de in het derde lid van dat artikel bedoelde passagiersgegevens en
overhandigt deze voor het eind van de instapcontroles aan een
ambtenaar belast met de grensbewaking.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling
vanuit een lidstaat van de Europese Unie of een land dat betrokken is
bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het
Schengenacquis, aan een buitengrens of binnen het grondgebied van
Nederland wordt gebracht.
3. De in artikel 4, derde lid, van de
Wet, bedoelde passagiersgegevens omvatten:
a. het nummer en de aard van het
gebruikte reisdocument;
b. de nationaliteit;
c. de volledige naam;
d. de geboortedatum;
e. de grensdoorlaatpost van
binnenkomst;
f. het vervoermiddel;
g. het tijdstip van vertrek en van
aankomst van het vervoermiddel;
h. het totale aantal met dat
vervoermiddel vervoerde passagiers, en
i. het eerste instappunt.
4. Bij ministeriële regeling kunnen
gevallen worden aangewezen waarin vervoerders verplicht zijn de in het
derde lid bedoelde passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken
zonder vordering daartoe.
5. De vervoerder vernietigt de
krachtens het eerste lid verzamelde gegevens binnen 24 uur na aankomst
in Nederland.
6. De vervoerder verstrekt de passagier
informatie betreffende:
a. zijn identiteit;
b. de doeleinden waarvoor de
gegevens worden verzameld;
c. de gegevens die worden
verzameld;
d. de ontvangers van de gegevens,
en
e. het bestaan van het recht om
kennis te nemen van zijn gegevens en het recht om om correctie van
onjuiste gegevens te verzoeken.
7. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld over de wijze waarop de gegevens door de vervoerder
worden verstrekt.
Artikel 2.2b
De ambtenaar belast met de grensbewaking
vernietigt de op grond vanartikel 2.2a verkregen passagiersgegevens
binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in Nederland, tenzij deze
later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken.
Artikel 2.2c
Onze Minister zendt binnen twee jaar na
de inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van de toepassing van de
artikelen 2.2a en 2.2b van dit besluit.
Afdeling 2. Document voor
grensoverschrijding
Artikel 2.3
1. Onverminderd de overige terzake bij
de Wet gestelde vereisten, wordt toegang tot Nederland niet geweigerd
op grond van artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet, indien de
vreemdeling in het bezit is van:
a. een geldig document voor
grensoverschrijding dat is voorzien van een geldige machtiging tot
voorlopig verblijf, indien hij zich naar Nederland begeeft voor
een verblijf aldaar van langer dan drie maanden, of
b. een door Onze Minister afgegeven
verklaring die aan hem recht geeft op terugkeer naar Nederland.
2. Een afzonderlijke geldige machtiging
tot voorlopig verblijf wordt gelijkgesteld met een geldig document
voor grensoverschrijding, indien de vreemdeling tevens in het bezit is
van het in deze machtiging vermelde document.
3. In afwijking van het eerste lid
wordt toegang niet geweigerd indien de vreemdeling zich naar Nederland
begeeft voor een verblijf van langer dan drie maanden en hij in het
bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding waarin de
benodigde machtiging tot voorlopig verblijf ontbreekt, mits de
vreemdeling:
a. de nationaliteit bezit van één
van bij ministeriële regeling aan te wijzen staten, of
b. behoort tot een bij
ministeriële regeling aan te wijzen categorie.
4. Bij ministeriële regeling kan, ter
uitvoering van een verdrag, dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie, van het eerste lid worden afgeweken ten
gunste van vreemdelingen ten aanzien van het bezit van een document
voor grensoverschrijding.
Artikel 2.4
1. Aan de vreemdeling, die als
passagier van een vliegtuig een vliegveld aandoet en in wiens geldig
document voor grensoverschrijding het voor binnenkomst in het
Beneluxgebied vereiste reisvisum of doorreisvisum met oponthoud
ontbreekt, kan toegang tot het Beneluxgebied worden verleend.
2. Toegang wordt slechts verleend,
indien:
a. de onderbreking plaats vindt
wegens van de wil van de vreemdeling onafhankelijke
omstandigheden;
b. hij van één van de in het
derde lid van dit artikel bedoelde vliegvelden zal vertrekken;
c. hij in het bezit is van een
geldig document voor grensoverschrijding en reisbiljetten op grond
waarvan zijn doorreis naar en zijn toegang tot het land van
bestemming vaststaat, en
d. hij voldoet aan artikel 12,
eerste lid, onder b en d, van de Wet.
3. De toegang wordt slechts verleend,
indien de vreemdeling een bij ministeriële regeling aangewezen
vliegveld in Nederland aandoet, dan wel een daartoe aangewezen
vliegveld in België of Luxemburg.
4. De toegang wordt verleend voor de
duur waarop de doorreis per eerstvolgende gelegenheid kan worden
voortgezet.
5. Indien toegang wordt verleend, stelt
de ambtenaar belast met de grensbewaking ter plaatse in het geldig
document voor grensoverschrijding van de vreemdeling een aantekening,
dan wel verstrekt hij aan de vreemdeling een afzonderlijke verklaring,
waaruit het verlenen van toegang blijkt.
6. Het model van de aantekening en
verklaring, bedoeld in het vijfde lid, wordt bij ministeriële
regeling vastgesteld.
Artikel 2.5 [Vervallen per 01-05-2008]
Artikel 2.6 [Vervallen per 20-08-2004]
Artikel 2.7 [Vervallen per 20-08-2004]
Artikel 2.8 [Vervallen per 01-05-2008]
Afdeling 3. Openbare orde
Artikel 2.9
1. Toegang tot Nederland wordt in ieder
geval geweigerd op grond van het feit dat de vreemdeling een gevaar
oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet, indien:
a. er ten aanzien van de
vreemdeling concrete aanwijzingen zijn dat deze een inbreuk op de
openbare orde of nationale veiligheid heeft gepleegd of zal
plegen, of
b. de vreemdeling in het
opsporingsregister of het Schengen Informatiesysteem ter fine van
weigering staat gesignaleerd.
2. Het eerste lid blijft buiten
toepassing, indien Onze Minister op grond van humanitaire
overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale
verplichtingen een afwijking noodzakelijk acht.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld
in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet, en het familielid,
bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde lid, en de vreemdeling,
bedoeld in artikel 8.7, vierde lid. Op deze vreemdelingen is artikel
8.8 van toepassing.
Afdeling 4. Middelen voor kosten van
verblijf
Artikel 2.10
1. Bij de vaststelling of de
vreemdeling beschikt over de in artikel 3, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet bedoelde middelen om te voorzien zowel in de kosten van
verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten
Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd, kunnen middelen waarover
de vreemdeling reeds beschikt en middelen waarover de vreemdeling kan
beschikken uit wettelijk toegestane arbeid worden betrokken.
2. Onder middelen worden in ieder geval
verstaan geldelijke middelen alsmede vervoersbewijzen.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld
in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet, het familielid, bedoeld
in artikel 8.7, tweede en derde lid, en de vreemdeling, bedoeld in
artikel 8.7, vierde lid.
Artikel 2.11
1. De toegang wordt geweigerd op grond
van artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de Wet, indien de
vreemdeling niet voldoet aan de door de ambtenaar belast met
grensbewaking gestelde voorwaarde om zekerheid te stellen voor de
kosten van verblijf in Nederland en voor de kosten van zijn reis naar
een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is.
2. De zekerheid, bedoeld in het eerste
lid, kan bestaan uit:
a. het deponeren van een
retour-passagebiljet;
b. het deponeren van een
garantiesom, of
c. een verklaring van een solvabele
derde die zich voor de kosten garant stelt.
3. Het model van de garantverklaring
wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld
in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet, het familielid, bedoeld
in artikel 8.7, tweede en derde lid, en de vreemdeling, bedoeld in
artikel 8.7, vierde lid.
5. De in het eerste lid bedoeld
voorwaarde om zekerheid te stellen voor de kosten van verblijf in
Nederland en voor de kosten van zijn reis naar een plaats buiten
Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd, kan, op grond van artikel
5, derde lid, van de Schengengrenscode, ook worden gesteld ten aanzien
van een onderdaan van een derde land die toegang vraagt voor een
verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden.
Hoofdstuk 3. Verblijf
Afdeling 1. Rechtmatig verblijf
Artikel 3.1
1. Het indienen van een aanvraag tot
het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning heeft
tot gevolg dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij de aanvraag
naar het voorlopig oordeel van Onze Minister een herhaalde aanvraag
betreft.
2. Uitzetting blijft niet achterwege,
indien de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd, bedoeld in de artikelen 14 en 28 van de Wet, naar het
voorlopig oordeel van Onze Minister, op grond van de Wet kan worden
afgewezen op de grond dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de
openbare orde of nationale veiligheid.
Artikel 3.1a
1. Het indienen van een aanvraag tot
het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28 van de wet heeft tot gevolg dat de uitzetting
achterwege blijft zo lang een besluit als bedoeld in artikel 5, derde
lid, van de richtlijn tijdelijke bescherming van kracht is, indien de
vreemdeling:
a. behoort tot de specifieke groep
vreemdelingen zoals omschreven in een besluit van de Raad van de
Europese Unie als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de
richtlijn tijdelijke bescherming;
b. de echtgenoot is van de
vreemdeling, bedoeld onder a, of de ongehuwde partner met wie die
vreemdeling een duurzame relatie onderhoudt, en ten tijde van de
gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde
besluit met die vreemdeling samenwoonde;
c. het minderjarige, ongehuwde, al
dan niet geadopteerde kind is van de vreemdeling, bedoeld onder a
of b;
d. een ander naast familielid is
van de vreemdeling, bedoeld onder a, die ten tijde van de
gebeurtenissen die hebben geleid tot het in de aanhef bedoelde
besluit volledig of grotendeels afhankelijk was van die
vreemdeling en met het gezin samenwoonde, en wiens achterlating
een schrijnende situatie zou vormen; of
e. behoort tot de bij regeling van
Onze Minister aan te wijzen groep vreemdelingen uit hetzelfde land
of dezelfde regio als de vreemdeling, bedoeld onder a, die om
dezelfde reden ontheemd zijn en die niet reeds bescherming
genieten in een ander land dat partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte.
2. In afwijking van het eerste lid kan
Onze Minister bepalen dat uitzetting niet achterwege blijft, indien:
a. de aanvraag met toepassing van
artikel 30, eerste lid, onder a, van de wet wordt afgewezen;
b. de vreemdeling reeds tijdelijke
bescherming geniet in een ander land dat partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte;
c. de vreemdeling met toepassing
van de richtlijn tijdelijke bescherming wordt overgebracht naar
een ander land dat partij is bij het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte;
d. de vreemdeling naar het land of
regio van herkomst is teruggekeerd;
e. ernstige redenen aanwezig zijn
om aan te nemen dat de vreemdeling:
1°. een misdrijf tegen de
vrede, een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de
menselijkheid heeft begaan als omschreven in de internationale
instrumenten die bepalingen inzake dergelijke misdrijven
bevatten;
2°. buiten Nederland een
ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan alvorens hij
tijdelijke bescherming verkreeg;
3°. zich schuldig heeft
gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doeleinden en
beginselen van de Verenigde Naties;
f. de vreemdeling ingevolge een
onherroepelijk geworden veroordeling wegens een bijzonder ernstig
misdrijf een gevaar vormt voor de Nederlandse samenleving; of
g. er redelijke gronden aanwezig
zijn om de vreemdeling als gevaar voor de nationale veiligheid te
beschouwen.
3. Bij de toepassing van het tweede
lid, onderdeel e, onder 2°, wordt de ernst van de verwachte
vervolging afgewogen tegen de aard van het misdrijf waarvan de
vreemdeling wordt verdacht, en kunnen bijzonder wrede handelingen, ook
indien deze met een vermeend politiek oogmerk zijn verricht, worden
aangemerkt als ernstige, niet-politieke misdrijven. Dit geldt voor
alle deelnemers aan het misdrijf, met inbegrip van hen die het
misdrijf hebben uitgelokt.
4. Een besluit op grond van het tweede
lid, onder e tot en met g, wordt met inachtneming van het
evenredigheidsbeginsel gebaseerd op het persoonlijke gedrag van de
vreemdeling.
Artikel 3.1b
1. Het indienen van een aanvraag tot
het verlenen van een Europese blauwe kaart heeft tot gevolg dat
uitzetting achterwege blijft, indien de vreemdeling direct
voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een door
de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe
kaart.
2. Het indienen van een aanvraag tot
het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, heeft tot gevolg dat uitzetting
achterwege blijft, indien:
a. de vreemdeling de echtgenoot, de
geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van een houder
van een Europese blauwe kaart is, dan wel het minderjarige kind
van die echtgenoot, partner of houder van de Europese blauwe
kaart;
b. de houder van de Europese blauwe
kaart, bedoeld in onderdeel a, direct voorafgaande aan de
indiening van de aanvraag houder was van een door de autoriteiten
van een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie afgegeven Europese blauwe kaart, en
c. geen sprake is van
gezinsvorming.
Artikel 3.2
Voor de toepassing van artikel 12, eerste
lid, onder b en d, van de Wet zijn de artikelen 2.9, 2.10 en 2.11 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.3
1. De termijn gedurende welke het aan
vreemdelingen krachtens artikel 12 van de Wet is toegestaan in
Nederland te verblijven is:
a. voor houders van een
doorreisvisum en voor vreemdelingen aan wie uitsluitend voor
doorreis een bijzonder doorlaatbewijs is afgegeven: de tijd welke
voor de voortzetting van hun reis noodzakelijk is;
b. voor houders van een
doorreisvisum met bevoegdheid tot oponthoud of van een reisvisum:
de duur waarvoor het visum is afgegeven of verlengd dan wel,
voorzover het een visum voor meer reizen betreft, de in het visum
aangegeven duur waarvoor ononderbroken verblijf is toegestaan;
c. voor vreemdelingen die voor een
verblijf van niet langer dan drie maanden naar Nederland zijn
gekomen: drie maanden of, in geval van verlenging door Onze
Minister van de termijn wegens bijzondere omstandigheden, zes
maanden;
d. voor houders van een visum voor
verblijf van langere duur of een verblijfstitel als bedoeld in
artikel 18, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 21, eerste lid,
van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst: drie maanden of, in geval
van verlenging door Onze Minister van de termijn wegens bijzondere
omstandigheden, zes maanden;
e. voor de houder van een
EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven
door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie, dan wel voor de echtgenoot of het
minderjarig kind van die houder in geval het gezin reeds was
gevormd in die staat: drie maanden;
f. voor andere vreemdelingen: acht
dagen.
2. De in het eerste lid, onder b en c,
bedoelde termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag
nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden
afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie
maanden binnen een tijdvak van zes maanden in Nederland te verblijven.
3. In afwijking van het tweede lid
verstrijkt de termijn, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, in
geval van verlenging wegens bijzondere omstandigheden, niet later dan
op de achtste dag nadat zich feiten of omstandigheden hebben
voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het
voornemen heeft langer dan zes maanden in Nederland te verblijven.
Afdeling 2. De verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd regulier
Paragraaf 1. Verlening onder beperking en
voorschriften
Artikel 3.4
1. De in artikel 14, tweede lid, van de
Wet bedoelde beperkingen houden verband met:
a. gezinshereniging of
gezinsvorming;
b. verblijf ter adoptie of als
pleegkind;
c. het afwachten van onderzoek naar
de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel
11 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie;
d. familiebezoek;
e. het verrichten van arbeid als
zelfstandige;
f. het verrichten van arbeid in
loondienst;
g. het verrichten van arbeid als
geestelijk voorganger of godsdienstleraar;
h. het zoeken en verrichten van
arbeid al dan niet in loondienst;
i. het zoeken van arbeid in
loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een
mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
j. het doorbrengen van verlof in
Nederland;
k. het afwachten van herstel en
hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een
Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het
continentaal plat;
l. verblijf als stagiaire of
practicant;
m. verblijf als
niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd
burgerpersoneel;
n. het volgen van studie;
o. de voorbereiding op studie;
p. verblijf als au pair;
q. verblijf in het kader van
uitwisseling;
r. het ondergaan van medische
behandeling;
s. de vervolging van mensenhandel;
t. het afwachten van een verzoek op
grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
u. voortgezet verblijf;
v. wedertoelating;
w. verblijf als vreemdeling die
buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;
x. verblijf als alleenstaande
minderjarige vreemdeling;
y. verblijf als kennismigrant als
bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid
vreemdelingen;
z. werkzaamheid in het kader van
grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in artikel 1e
van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen;
aa. verblijf als economisch
niet-actieve langdurig ingezetene;
bb. verblijf als onderzoeker in de
zin van richtlijn 2005/71/EG;
cc. verblijf als houder van de
Europese blauwe kaart.
2. De beperkingen, bedoeld in het
eerste lid, kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de
verblijfsvergunning.
3. Tenzij het doel waarvoor de
vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met
de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan
naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag als
bedoeld in artikel 28 van de Wet noodzakelijk is, kan Onze Minister de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste
lid.
4. Een beroep op de publieke middelen
kan in ieder geval gevolgen hebben voor het verblijfsrecht, indien de
verblijfsvergunning is verleend onder één van de beperkingen,
bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met r, en het derde lid. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over deze
beperkingen. Indien een beroep op de algemene middelen gevolgen kan
hebben voor het verblijfsrecht, stelt Onze Minister de vreemdeling
daarvan vooraf schriftelijk in kennis.
5. Het vierde lid is mede van
toepassing indien de verblijfsvergunning is verleend onder één van
de beperkingen, bedoeld in het eerste lid, onder y tot en met cc.
Artikel 3.5
1. Het verblijfsrecht op grond van de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, is tijdelijk of niet-tijdelijk.
2. Het verblijfsrecht is tijdelijk,
indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking, verband
houdend met:
a. gezinsvorming of
gezinshereniging met, of verblijf ter adoptie of als pleegkind
bij, een persoon met tijdelijk verblijfsrecht of een houder van de
verblijfsvergunning bedoeld in artikel 28 van de Wet;
b. het afwachten van onderzoek naar
de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel
11 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie;
c. familiebezoek;
d. het verrichten van arbeid als
geestelijk voorganger of godsdienstleraar, tenzij de houder
verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de
Associatieraad EEG/Turkije;
e. het zoeken en verrichten van
arbeid al dan niet in loondienst, tenzij de houder verblijfsrecht
ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
f. het zoeken van arbeid in
loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een
mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, tenzij de houder
verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de
Associatieraad EEG/Turkije;
g. het afwachten van herstel en
hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een
Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het
continentaal plat, tenzij de houder verblijfsrecht ontleent aan
het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
h. verblijf als stagiaire of als
practicant;
i. verblijf als
niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd
burgerpersoneel;
j. het volgen van studie;
k. de voorbereiding op studie;
l. verblijf als au pair;
m. verblijf in het kader van
uitwisseling;
n. het ondergaan van medische
behandeling;
o. de vervolging van mensenhandel;
p. het afwachten van een verzoek op
grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap;
q. verblijf als alleenstaande
minderjarige vreemdeling;
r. verblijf als vreemdeling die
buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken; of
s. werkzaamheid in het kader van
grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in artikel 1e
van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen;
t. het doorbrengen van verlof in
Nederland.
3. Bij regeling van Onze Minister
kunnen ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit
verdragen of uit verbindende besluiten van volkenrechtelijke
organisaties, gevallen worden aangewezen waarin het verblijfsrecht, in
afwijking van het tweede lid, niet-tijdelijk van aard is.
4. Indien de verblijfsvergunning is
verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, is
het verblijfsrecht niet-tijdelijk, tenzij bij de verlening van de
verblijfsvergunning anders is bepaald.
Artikel 3.6
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan slechts ambtshalve worden
verleend onder een beperking verband houdend met:
a. verblijf als vreemdeling die
buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;
b. verblijf als alleenstaande
minderjarige vreemdeling;
c. de vervolging van mensenhandel.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen
waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.
Artikel 3.7
1. Aan de verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan als voorschrift
tot het stellen van zekerheid worden verbonden:
a. het deponeren van een
waarborgsom ter dekking van de kosten, verbonden aan de reis van
de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang
is gewaarborgd;
b. de schriftelijke garantstelling
door een solvabele derde voor de kosten die voor de Staat en
andere openbare lichamen uit het verblijf van de houder van de
verblijfsvergunning kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten
van diens reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang
is gewaarborgd, en
c. het voldoende verzekerd zijn
tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname
en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
2. In plaats van een waarborgsom kan
een passagebiljet worden gedeponeerd.
3. In plaats van zekerheid, gesteld
overeenkomstig het eerste lid, onder a of b, kan zakelijke zekerheid
worden gesteld.
4. Het voorschrift, bedoeld in het
eerste lid, onder a, wordt niet aan de verblijfsvergunning verbonden
dan op aanwijzing van Onze Minister.
Artikel 3.8
De waarborgsom, bedoeld in artikel 3.7,
eerste lid, onder a, wordt gedeponeerd bij Onze Minister.
Artikel 3.9
1. De waarborgsom, bedoeld in artikel
3.7, eerste lid, onder a, wordt in ieder geval door Onze Minister aan
de rechthebbende teruggegeven:
a. zodra de verblijfsvergunning,
bedoeld in artikel 14 van de Wet, of het desbetreffende
voorschrift, is ingetrokken, dan wel de geldigheidsduur van de
verblijfsvergunning is verstreken;
b. zodra aan de vreemdeling de
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20
van de Wet, is verleend;
c. zodra de vreemdeling Nederlander
wordt of krachtens enige wet als Nederlander moet worden
behandeld;
d. bij overlijden van de
vreemdeling, dan wel
e. uiterlijk vijf jaar nadat de
waarborgsom is gestort.
2. Indien een waarborgsom wordt
teruggegeven wegens het intrekken of het verstrijken van de
geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in het eerste lid,
onder a, vindt de teruggave plaats met aftrek van de door de overheid
gemaakte of te maken kosten, verbonden aan de reis van de vreemdeling
naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd.
Artikel 3.10
1. Onze Minister berekent rente over
waarborgsommen, gedeponeerd krachtens artikel 3.7, eerste lid, onder
a.
2. De rente wordt berekend vanaf het
kalenderjaar volgend op het jaar waarin de waarborgsom is gestort.
Over het kalenderjaar waarin de waarborgsom is gedeponeerd, wordt geen
rente vergoed. Bij de berekening van de termijn waarover rente wordt
vergoed, wordt het kalenderjaar waarin de waarborgsom wordt
terugbetaald als vol jaar meegeteld.
Artikel 3.11
De waarborgsom wordt teruggegeven en de
rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in artikel
3.9, eerste lid, genoemde gronden zich voordoet.
Artikel 3.12
1. Verplichtingen, voortvloeiende uit
een garantstelling overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, onder b, of
het stellen van zakelijke zekerheid overeenkomstig artikel 3.7, derde
lid, hebben uitsluitend betrekking op kosten, veroorzaakt binnen vijf
jaren, nadat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet,
is verleend.
2. Onze Minister kan bepalen dat de in
het eerste lid genoemde termijn korter is dan vijf jaren, indien:
a. op andere wijze voldoende
zekerheid is gesteld;
b. de vreemdeling Nederland
definitief heeft verlaten;
c. aan de vreemdeling een
verblijfsvergunning onder een andere beperking of een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend; of
d. de vreemdeling de Nederlandse
nationaliteit heeft verkregen.
3. Het model van de garantstelling
wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 3.13
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt onder een beperking
verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan
het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde
hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot
en met 3.22 genoemde voorwaarden.
2. In de overige gevallen kan de in het
eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.
Artikel 3.14
De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan:
a. de vreemdeling van 21 jaar of
ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal
privaatrecht geldig huwelijk of een naar Nederlands internationaal
privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;
b. de vreemdeling van 21 jaar of
ouder, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie
onderhoudt, waarin de partners:
1°. niet tot elkaar in een
zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een
huwelijksbeletsel zou vormen, en
2°. ongehuwd zijn en geen in
Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het
huwelijk door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan
worden uitgeoefend, niet is ontbonden; of
c. het minderjarige biologische of
juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze
Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst
feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder
het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.
Artikel 3.15
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan het in artikel 3.14
bedoelde gezinslid van:
a. een Nederlander van 21 jaar of
ouder, of
b. een vreemdeling van 21 jaar of
ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a
tot en met e, dan wel l, van de Wet, dat niet-tijdelijk is in de
zin van artikel 3.5.
2. Indien de vreemdeling als gezinslid
in Nederland wil verblijven bij een hoofdpersoon die houder is van de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van
verlof in Nederland en die hoofdpersoon werkzaam is op een
mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, wordt de
verblijfsvergunning eerst verleend, nadat deze hoofdpersoon een
arbeidsverleden op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat
heeft van ten minste zeven jaar.
Artikel 3.16
Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon
met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of
een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, slechts verleend aan één echtgenoot,
geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die
vreemdeling geboren minderjarige kinderen.
Artikel 3.17
De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling en de
hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
Artikel 3.18
De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt
over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met
het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd of
behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel 3.71,
tweede lid, bedoelde categorieën.
Artikel 3.19
De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt
over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het
oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering
van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit
van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
Artikel 3.20
De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling geen
gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. De artikelen
3.77 en 3.78 zijn van toepassing.
Artikel 3.21
De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling bereid
is een onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan en
daaraan mee te werken, dan wel de nationaliteit bezit van een van de bij
ministeriële regeling vast te stellen landen.
Artikel 3.22
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon:
a. duurzaam en zelfstandig beschikt
over voldoende middelen van bestaan als bedoeld inartikel 3.74,
eerste lid, onder a, en
b. een garantstelling heeft
ondertekend, voorzover de vreemdeling als partner van die persoon
wil verblijven.
2. In afwijking van het eerste en
tweede lid wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien de
hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van Onze Minister
blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
3. Tenzij sprake is van gezinsvorming,
wordt de verblijfsvergunning in afwijking van het eerste lid eveneens
verleend, indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat
aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28 van de wet is verleend en gezinshereniging niet
mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de
hoofdpersoon bijzondere banden heeft.
Artikel 3.23
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan de in Nederland geboren
vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft
verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is
blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder,
die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en
met e, dan wel l, van de Wet, en die sedert de geboorte van de
vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.
2. Indien de aanvraag is ontvangen
voordat de vreemdeling de leeftijd van negen maanden heeft bereikt,
wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend aan de buiten Nederland
geboren vreemdeling, die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk
is blijven behoren tot het gezin van beide ouders, die sedert de
geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel
8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, hebben en het
hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst.
3. Indien de vader van de in het tweede
lid bedoelde vreemdeling onbekend is, wordt de verblijfsvergunning
verleend, indien de moeder sedert de geboorte van de vreemdeling
rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan
wel l, van de Wet heeft en het hoofdverblijf niet buiten Nederland
heeft verplaatst.
4. De verblijfsvergunning wordt
verleend, indien de vreemdeling:
a. beschikt over een geldige
machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het
verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of
behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel
3.71, tweede lid, bedoelde categorieën;
b. beschikt over een geldig
document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze
Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land
waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een
geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
c. bereid is een onderzoek naar of
behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te
werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële
regeling vast te stellen landen, en
d. geen gevaar vormt voor de
openbare orde of nationale veiligheid.
5. Bij de toepassing van het vierde
lid, onder d, zijn de artikelen 3.77 en 3.78 van toepassing.
Artikel 3.23a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend onder een
beperking verband houdend met gezinshereniging, aan de echtgenoot, de
geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner van de langdurig
ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a, b
dan wel l, van de Wet, en het minderjarige kind van die echtgenoot,
partner of langdurig ingezetene, indien dat kind, die echtgenoot of
partner:
a. in een andere staat die partij
is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is
toegelaten als gezinslid van de langdurig ingezetene;
b. beschikt over een geldig
document voor grensoverschrijding;
c. al dan niet tezamen met de
langdurig ingezetene duurzaam en zelfstandig beschikt over
voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste
lid, onder a;
d. geen gevaar vormt voor de
openbare orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78; en
e. geen gevaar vormt voor de
nationale veiligheid.
2. De verblijfsvergunning, bedoeld in
het eerste lid, kan worden verleend onder een beperking verband
houdend met gezinshereniging, aan het ongehuwde meerderjarige kind van
de langdurig ingezetene, de echtgenoot of partner, bedoeld in het
eerste lid, indien de achterlating van dat kind naar het oordeel van
Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen. De onderdelen a
tot en met e van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid wordt de verblijfsvergunning niet verleend aan de ongehuwde
partner of het kind van die partner, indien de relatie van die partner
met de langdurig ingezetene niet duurzaam is of niet naar behoren is
geattesteerd.
Artikel 3.23b
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend onder een
beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, aan
de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de ongehuwde partner
van de houder van de door Onze Minister afgegeven Europese blauwe
kaart, en het minderjarige kind van die echtgenoot, partner of houder
van de Europese blauwe kaart, indien:
a. dat kind, die echtgenoot of die
partner in een andere staat die partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie gedurende ten minste
achttien maanden is toegelaten als gezinslid van die houder van de
Europese blauwe kaart;
b. dat kind, die echtgenoot of die
partner in het bezit is van een geldig document voor
grensoverschrijding of een gewaarmerkt afschrift daarvan;
c. dat kind, die echtgenoot of die
partner geen gevaar voor de openbare orde als bedoeld in de
artikelen 3.77 en 3.78 of de nationale veiligheid vormt;
d. [dit onderdeel is nog niet in
werking getreden.]
2. De verblijfsvergunning wordt
verleend, indien de houder van de Europese blauwe kaart:
a. direct voorafgaande aan de
verlening van die kaart door Onze Minister houder was van een door
de autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese
blauwe kaart;
b. duurzaam en zelfstandig beschikt
over voldoende middelen van bestaan als bedoeld inartikel 3.74,
eerste lid, onder a.
3. [Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
Artikel 3.24
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband
houdend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid
van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als
bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, dan
de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of
het minderjarige kind, indien:
a. de vreemdeling naar het oordeel
van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van
herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie
deze vreemdeling wil verblijven, en
b. de achterlating van de vreemdeling
naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou
betekenen.
Artikel 3.24a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt onder een beperking
verband houdend met gezinshereniging verleend aan de bloedverwant in
rechtstreekse opgaande lijn van de alleenstaande minderjarige houder
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel
28 van de wet, die niet daadwerkelijk onder de hoede staat van een
krachtens wettelijk voorschrift of gewoonterecht voor hem
verantwoordelijke volwassene, indien die bloedverwant:
a. beschikt over een geldige
machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het
verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of
behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel
3.71, tweede lid, bedoelde categorieën;
b. beschikt over een geldig
document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze
Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land
waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een
geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
c. bereid is een onderzoek naar of
behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken
of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële
regeling vast te stellen landen, en
d. geen gevaar vormt voor de
openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de artikelen
3.77en 3.78.
2. Indien gezinshereniging mogelijk is
in een derde land waarmee de alleenstaande minderjarige of de
bloedverwant, bedoeld in het eerste lid, bijzondere banden heeft of
indien de aanvraag niet is ingediend binnen drie maanden nadat aan de
alleenstaande minderjarige, bedoeld in het eerste lid, de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de
wet, is verleend, wordt de vergunning eerst verleend, nadat de
alleenstaande minderjarige heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te
beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld inartikel
3.74, eerste lid, onder a.
Artikel 3.25
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband
houdend met gezinshereniging worden verleend aan de vreemdeling, die
vijfenzestig jaar of ouder is, die in het land van herkomst alleenstaand
is en die in Nederland wil verblijven bij zijn kinderen, indien:
a. vrijwel alle kinderen rechtmatig
als bedoeld in artikel 8, onder b, c en d, van de Wet, of als
Nederlander in Nederland verblijven, en
b. er in het land van herkomst geen
kind van de vreemdeling woont dat naar het oordeel van Onze Minister
geacht kan worden in de opvang van de vreemdeling te kunnen
voorzien.
Artikel 3.26
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met verblijf ter adoptie worden verleend aan de
minderjarige vreemdeling, die ter adoptie wil verblijven in het gezin
van een of meer Nederlanders of vreemdelingen met rechtmatig verblijf
als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet,
indien aan de vereisten van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter
adoptie is voldaan.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder b of c, van de Wet.
Artikel 3.27
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met het afwachten van het onderzoek naar de
geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders als bedoeld in artikel 11
van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, worden verleend
aan de minderjarige vreemdeling die door de aspirant-adoptiefouders in
een periode waarin zij hun gewone verblijfplaats in het buitenland
hadden, is opgenomen en door hen aldaar is verzorgd en opgevoed,
tezamen met de aspirant-adoptiefouders Nederland is ingereisd, indien:
a. de aspirant-adoptiefouders
Nederlanders zijn of vreemdelingen met rechtmatig verblijf als
bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet,
en
b. de ouders van de vreemdeling, of
indien deze zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben
de autoriteiten van het land van verblijf voor de komst naar
Nederland, hebben ingestemd met het vertrek van de vreemdeling
naar het land van verblijf vóór de komst van het gezin naar
Nederland en met de opneming van de vreemdeling ter adoptie.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder b of c, van de Wet.
3. Dit artikel is niet van toepassing
indien de vreemdeling op het tijdstip van de inreis sinds meer dan een
jaar bij de aspirant-adoptiefouders verblijft en door hen is verzorgd
en opgevoed of indien het kind is geadopteerd in overeenstemming met
het op 29 mei 1993 te 's-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake
de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de
interlandelijke adoptie (Trb. 1993, 197), welke overeenstemming blijkt
uit een schriftelijke verklaring van de centrale autoriteit van de
staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden.
Artikel 3.28
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met verblijf als pleegkind worden verleend aan de
minderjarige vreemdeling:
a. die als pleegkind in Nederland
wil verblijven in het gezin van één of meer Nederlanders of
vreemdelingen met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8,
onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet; en
b. die naar het oordeel van Onze
Minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst
heeft.
2. De aspirant-pleegouders dienen in
staat te zijn de vreemdeling een goede opvoeding en verzorging te
geven.
3. Bij de aanvraag wordt een medische
verklaring overgelegd en een garantverklaring ondertekend.
4. De aanvraag wordt niet op grond van
artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet afgewezen, indien de
persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven 65 jaar of ouder is of
naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig
arbeidsongeschikt is.
Artikel 3.29
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met familiebezoek worden verleend aan de vreemdeling:
a. die zes maanden of korter in
Nederland wil verblijven bij een in Nederland verblijvend
familielid dat rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder
a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft, of Nederlander is, en
b. wiens terugkeer naar het oordeel
van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. In afwijking van artikel 3.75 zijn
middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor de duur van het
voorgenomen verblijf van de vreemdeling beschikbaar zijn.
3. Indien het verblijf van de
vreemdeling wordt bekostigd door een in Nederland gevestigd familielid
of andere relatie, wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan
een inkomen als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onderdeel b. Het
familielid ondertekent een garantstelling. Het model van de
garantstelling wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 3.29a
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt verleend onder een
beperking verband houdend met verblijf als economisch niet-actieve
langdurig ingezetene aan de langdurig ingezetene, die:
a. beschikt over een geldig document
voor grensoverschrijding;
b. duurzaam en zelfstandig beschikt
over voldoende middelen van bestaan als bedoeld inartikel 3.74,
eerste lid, onder a;
c. geen gevaar vormt voor de openbare
orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78; en
d. geen gevaar vormt voor de
nationale veiligheid.
Artikel 3.30
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking,
verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden
verleend aan de vreemdeling die:
a. arbeid als zelfstandige verricht
of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een
wezenlijk Nederlands belang is gediend;
b. uit die werkzaamheden duurzaam
en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft, en
c. voldoet aan de
bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van die arbeid en aan de
vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf.
2. Bij ministeriële regeling kunnen in
overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken
ondernemingsactiviteiten worden aangewezen waarmee geen wezenlijk
Nederlands economisch belang is gediend.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen
wegens het ontbreken van een wezenlijk Nederlands belang, indien de
vreemdeling op het moment waarop de aanvraag is ontvangen een
ononderbroken arbeidsverleden heeft van ten minste zeven jaar:
a. aan boord van een Nederlands
zeeschip;
b. op het Nederlandse deel van het
continentaal plat;
c. in de internationale
binnenscheepvaart aan boord van Nederlandse schepen of daarmee
gelijkgestelde inrichtingen, of
d. in het internationale
wegtransport in dienst van een Nederlandse werkgever, voorzover
dat transport vanuit of naar Nederland plaatsvindt.
4. Voor de toepassing van het derde lid
worden niet als onderbrekingen aangemerkt tussentijdse perioden van
onvrijwillige werkloosheid, voorzover die in Nederland zijn
doorgebracht en elk zes maanden of korter duurden, en die perioden in
totaal niet langer dan twaalf maanden bedragen.
5. De verblijfsvergunning kan aan een
langdurig ingezetene worden verleend in afwijking van het eerste lid,
onder a.
Artikel 3.30a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, kan worden verleend onder een
beperking verband houdend met arbeid als kennismigrant aan een
vreemdeling als bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet
arbeid vreemdelingen, tenzij het overeengekomen loon naar het oordeel
van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sterk afwijkt
van het loon dat voor de te verrichten werkzaamheden in
overeenkomstige functies gebruikelijk is.
2. [Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
Artikel 3.30b
1. De Europese blauwe kaart wordt
verleend aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 1i van het Besluit
uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, die:
a. beschikt over een geldige
arbeidsovereenkomst of een bindend aanbod van een
hooggekwalificeerde baan in de zin van artikel 2, onder b, van
Richtlijn 2009/50/EG voor de duur van ten minste een jaar met een
werkgever in Nederland, waarmee een bruto inkomen wordt verworven
dat ten minste gelijk is aan het loon, bedoeld in artikel 1i van
het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen;
b. in Nederland arbeid verricht of
gaat verrichten voor een werkgever aan wie in de periode van
maximaal vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag geen
sanctie is opgelegd wegens overtreding van artikel 2 van de Wet
arbeid vreemdelingen of wegens het niet of onvoldoende afdragen
van loonbelasting, premies voor de werknemersverzekeringen of
premies voor de volksverzekeringen;
c. voor zover hij een
gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1 van de Algemene wet
erkenning EG-beroepskwalificaties wil uitoefenen, beschikt over
een erkenning van de beroepskwalificaties in de zin van artikel 5
van die wet, dan wel, voor zover hij geen gereglementeerd beroep
wil uitoefenen, beschikt over voor dat beroep of de desbetreffende
sector benodigde getuigschriften van hoger onderwijs in de zin van
artikel 2, onder h, van richtlijn 2009/50/EG;
d. in het bezit is van een geldig
document voor grensoverschrijding;
e. in het bezit is van een geldige
machtiging tot voorlopig verblijf, afgegeven onder een beperking
verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe
kaart, dan wel behoort tot een van de in artikel 17 van de Wet of
artikel 3.71, tweede lid, bedoelde categorieën, en
f. geen gevaar voor de openbare
orde als bedoeld in de artikelen 3.77 en 3.78 of de nationale
veiligheid vormt.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van de vreemdeling, die:
a. een aanvraag tot het verlenen
van verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel
28 van de Wet heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is
beslist, dan wel houder is van een zodanige verblijfsvergunning;
b. een aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in
artikel 14 van de Wet heeft ingediend als onderzoeker in de zin
van richtlijn 2005/71/EG, waarop nog niet onherroepelijk is
beslist;
c. gemeenschapsonderdaan of
langdurig ingezetene is;
d. in Nederland verblijft op grond
van een verdrag dat de toegang en het tijdelijk verblijf van
bepaalde categorieën natuurlijke personen in verband met handel
en investeringen gemakkelijker maken;
e. in Nederland verblijft als
seizoensarbeider of als vreemdeling die onder Richtlijn 96/71/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996
betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog
op het verrichten van diensten (PbEU 1997, L 18) valt en in
Nederland ter beschikking is gesteld.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder a, van de Wet, indien de
vreemdeling:
a. houder is van een door de
autoriteiten van een andere staat die partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie afgegeven Europese
blauwe kaart, en
b. ten minste achttien maanden in
de staat, bedoeld in onderdeel a, als houder van die Europese
blauwe kaart heeft verbleven.
4. [Dit lid is nog niet in werking
getreden.]
5. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het
eerste en tweede lid.
Artikel 3.31
1. Met inachtneming van het tweede lid
en de artikelen 3.33 en 3.99 tot en met 3.104, wordt de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid
in loondienst verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in
loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan
prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een
tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 1, onder e, van de
Wet arbeid vreemdelingen is afgegeven.
2. De in het eerste lid bedoelde
verblijfsvergunning wordt verleend, indien de vreemdeling:
a. beschikt over een geldige
machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het
verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of
behoort tot één van de in artikel 17 van de Wet of in artikel
3.71, tweede lid, bedoelde categorieën;
b. beschikt over een geldig
document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van Onze
Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land
waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een
geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld;
c. met de arbeid in loondienst
duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan als bedoeld
in artikel 3.74, eerste lid, onder a, verwerft;
d. bereid is een onderzoek naar of
behandeling voor tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken
of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële
regeling vast te stellen landen, en
e. geen gevaar vormt voor de
openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in de artikelen
3.77 en 3.78.
3. Indien de tewerkstellingsvergunning
is afgegeven met een geldigheidsduur korter dan één jaar, zijn de
middelen van bestaan in afwijking van artikel 3.75 duurzaam, indien de
vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van de
tewerkstellingsvergunning zelfstandig zal beschikken over voldoende
middelen van bestaan uit die arbeid.
4. In andere gevallen kan de in het
eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.
5. De aanvraag die is ingediend door
een langdurig ingezetene wordt niet afgewezen op de gronden, bedoeld
in het tweede lid, onder a of d.
Artikel 3.31a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking,
verband houdend met werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende
dienstverlening als bedoeld in artikel 1e, eerste lid, van het Besluit
uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, worden verleend indien de daar
bedoelde melding is gedaan, onder verstrekking van de in het tweede
lid van dat artikel voorgeschreven gegevens en bescheiden.
2. De aanvraag, bedoeld in het eerste
lid, wordt niet afgewezen op de gronden, bedoeld in artikel 16, eerste
lid, onder c of e, van de Wet.
Artikel 3.32
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet verleend onder een
beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige
of in loondienst, waaronder begrepen verblijf als houder van de Europese
blauwe kaart, indien die arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het
verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van
seksuele diensten aan derden.
Artikel 3.33
1. Onverminderd artikel 3.31 kan de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid
in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar slechts
worden verleend, indien de vreemdeling tevens schriftelijk verklaart
ermee bekend te zijn dat:
a. slechts verblijf wordt
toegestaan voor het verrichten van werkzaamheden als geestelijk
voorganger of godsdienstleraar ten behoeve van de met name te
noemen groepering;
b. het verblijf slechts kan worden
toegestaan voor de duur van de werkzaamheden;
c. hij na beëindiging daarvan
Nederland dient te verlaten, en
d. het hem niet is toegestaan om
gedurende zijn verblijf in Nederland werkzaamheden van andere aard
te verrichten.
2. Het model van de verklaring wordt
bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 3.34
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan worden verleend onder een
beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst
aan boord van een Nederlands schip of op een mijnbouwinstallatie op
het continentaal plat, aan de vreemdeling die:
a. een arbeidsverleden aan boord
van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het
continentaal plat heeft van ten minste zeven jaar;
b. tijdens het arbeidsverleden,
voorzover opgebouwd aan boord van een Nederlands zeeschip,
frequent Nederlandse havens heeft aangedaan, en
c. gedurende ten minste nog een
jaar beschikt over een arbeidsplaats aan boord van een Nederlands
schip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat,
waarmee hij duurzaam voldoende middelen van bestaan verwerft.
2. Het arbeidsverleden, bedoeld in het
eerste lid, onder a, is niet onderbroken ingeval van:
a. tussentijdse, in Nederland
doorgebrachte perioden van onvrijwillige werkloosheid van elk ten
hoogste zes maanden, of
b. tussentijdse perioden van
tewerkstelling buiten de desbetreffende sector van de
internationale arbeidsmarkt van, tezamen genomen, ten hoogste
twaalf maanden.
Artikel 3.35
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan worden verleend aan de
vreemdeling:
a. met een arbeidsverleden aan
boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op
het continentaal plat;
b. die uit hoofde van zijn
dienstbetrekking ingevolge een door Nederland gesloten sociaal
zekerheidsverdrag verzekerd is of is geweest voor de Nederlandse
sociale verzekeringen, en
c. die als uitvloeisel daarvan
recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, die
niet in het land van herkomst geldend kan worden gemaakt.
2. De verblijfsvergunning kan worden
verleend onder een beperking, verband houdend met het zoeken en
verrichten van arbeid al dan niet in loondienst in Nederland, indien
het arbeidsverleden ten minste zeven jaar bedraagt. Het
arbeidsverleden is niet onderbroken ingeval van:
a. tussentijdse, in Nederland
doorgebrachte perioden van onvrijwillige werkloosheid van elk ten
hoogste zes maanden, en
b. tussentijdse perioden van
tewerkstelling buiten de desbetreffende sector van de
internationale arbeidsmarkt van, tezamen genomen, ten hoogste
twaalf maanden.
3. De verblijfsvergunning kan worden
verleend onder een beperking verband houdend met het zoeken van arbeid
in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een
mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, indien het
arbeidsverleden korter is dan zeven jaar.
Artikel 3.36
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband
houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in
loondienst in Nederland worden verleend aan de vreemdeling met een
arbeidsverleden van ten minste zeven jaar aan boord van een Nederlands
zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, die in
Nederland arbeid binnen de werkingssfeer van de Wet arbeid vreemdelingen
wil verrichten.
Artikel 3.37
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan worden verleend onder een
beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland
aan de vreemdeling, die:
a. een arbeidsverleden aan boord
van een Nederlands zeeschip heeft van ten minste zeven jaar,
waarin de totale duur van de onderbrekingen niet langer is dan
achttien maanden;
b. tijdens dat arbeidsverleden zijn
verlofperioden nagenoeg geheel in Nederland heeft doorgebracht, en
c. gedurende ten minste nog een
jaar beschikt over een arbeidsplaats aan boord van een Nederlands
schip, waarmee hij duurzaam voldoende middelen van bestaan
verwerft.
2. De verblijfsvergunning, bedoeld in
het eerste lid, kan eveneens worden verleend aan de vreemdeling, die
gedurende nog ten minste een jaar beschikt over een arbeidsplaats op
een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, waarmee hij duurzaam
voldoende middelen van bestaan verwerft.
Artikel 3.38
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan voor de duur van de
uitkering krachtens de Ziektewet worden verleend onder een beperking
verband houdend met het afwachten van herstel en hervatting van de
arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een
mijnbouwinstallatie op het continentaal plat aan de vreemdeling die:
a. een arbeidsverleden aan boord van
een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het
continentaal plat heeft;
b. uit hoofde van zijn
dienstbetrekking ingevolge een door Nederland gesloten
sociaal-zekerheidsverdrag verzekerd is of is geweest voor de
Nederlandse sociale verzekeringen, en
c. als uitvloeisel daarvan recht
heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet, die niet in het land
van herkomst geldend kan worden gemaakt.
Artikel 3.39
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband
houdend met verblijf als stagiaire of als practicant worden verleend aan
de vreemdeling die als stagiaire onderscheidenlijk als practicant arbeid
in loondienst wil verrichten, indien ten behoeve van die arbeid een
tewerkstellingvergunning als bedoeld in de Wet arbeid vreemdelingen is
afgegeven.
Artikel 3.40
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan worden verleend onder een
beperking verband houdend met verblijf als niet-geprivilegieerd
militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel aan:
a. de militair die in Nederland
woonachtig is en die niet behoort tot een in Nederland gelegerde
of op doortocht zijnde krijgsmacht en evenmin verbonden is aan een
hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier en
niet geprivilegieerd is;
b. de vreemdeling die behoort tot
het burgerpersoneel, die in Nederland woont en die in dienst is
van een krijgsmacht of van een internationaal militair
hoofdkwartier, of
c. de vreemdeling die gezinslid of
familielid is van de vreemdeling, bedoeld onder a of b.
2. Onder gezinslid of familielid wordt
verstaan:
a. de echtgenoot of echtgenote;
b. het kind beneden de leeftijd van
21 jaar, en
c. de bloedverwant of aanverwant
van de vreemdeling of zijn echtgenoot, in opgaande en neerdalende
lijn, voorzover die te zijnen laste komt.
Artikel 3.41
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met het volgen van studie worden verleend aan de
vreemdeling:
a. die voltijds hoger, voortgezet
of beroepsonderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aan
te wijzen onderwijsinstelling;
b. die met een door de bevoegde
autoriteiten van de onder a bedoelde onderwijsinstelling afgegeven
schriftelijke verklaring aantoont dat hij als student is of zal
worden ingeschreven voor voltijdsonderwijs, en
c. wiens vertrek uit Nederland na
voltooiing of tussentijdse beëindiging van de studie naar het
oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. Indien de vreemdeling in Nederland
wil verblijven voor het volgen van voortgezet onderwijs of
beroepsonderwijs, kan de verblijfsvergunning slechts worden verleend,
indien het een dagopleiding betreft waarvoor Nederland naar het
oordeel van Onze Minister het meest aangewezen land is en waarmee de
vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een positieve bijdrage
kan leveren aan de ontwikkeling van het land van herkomst.
3. In afwijking van het eerste lid,
onder b, kan de verblijfsvergunning worden verleend aan de vreemdeling
die in Nederland wil verblijven ter voorbereiding op hoger onderwijs
in Nederland, indien uit een door de bevoegde autoriteiten afgegeven
schriftelijke verklaring blijkt dat de vreemdeling als student zal
worden ingeschreven voor voltijdsonderwijs.
4. De aanvraag die is ingediend door
een langdurig ingezetene die in Nederland hoger of beroepsonderwijs
als bedoeld in het eerste lid, onder a, wil volgen wordt niet
afgewezen op grond dat hij het onderwijs niet voltijds wil volgen en
evenmin op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c.
Artikel 3.41a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de behandeling van de aanvraag
tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend
met het volgen van studie als bedoeld in artikel 3.41.
Artikel 3.42
1. Indien de studie en het verblijf
middels periodieke betalingen worden bekostigd, zijn middelen van
bestaan in afwijking van artikel 3.75 slechts duurzaam, indien naar
het oordeel van Onze Minister voldoende zekerheid is verschaft over
het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom.
2. In afwijking van artikel 3.75 zijn
middelen van bestaan duurzaam, indien deze op het tijdstip waarop de
aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, voor een jaar
of zoveel korter als de voorgenomen studie in Nederland zal duren,
beschikbaar zijn.
3. In afwijking van artikel 3.75 zijn
middelen van bestaan eveneens duurzaam, indien op een ten name van de
vreemdeling gestelde bankrekening in Nederland een bedrag beschikbaar
is, gelijk aan het maandelijkse normbedrag, bedoeld in het eerste lid,
vermenigvuldigd met twaalf of zoveel minder als het aantal maanden dat
de voorgenomen studie in Nederland zal duren.
Artikel 3.43
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met verblijf als au pair worden verleend aan de
vreemdeling:
a. die achttien jaar of ouder, maar
jonger dan zesentwintig jaar is;
b. die ongehuwd is en niet de zorg
heeft voor kinderen;
c. die niet eerder rechtmatig
verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel
l, van de Wet, heeft gehad;
d. die als au pair verblijft in een
gastgezin, bestaande uit twee of meer personen, voor wie de
vreemdeling niet eerder werkzaamheden heeft verricht;
e. die als tegenprestatie voor het
verblijf in het gastgezin niet meer dan dertig uur per week lichte
huishoudelijke werkzaamheden verricht, en
f. wiens vertrek uit Nederland naar
het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. De verblijfsvergunning kan worden
verleend, indien het gastgezin duurzaam en zelfstandig beschikt over
voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste
lid, onderdeel b en een garantverklaring heeft ondertekend. In
afwijking van artikel 3.75, zijn middelen van bestaan duurzaam, indien
zij voor ten minste één jaar beschikbaar zijn.
3. Bij de aanvraag wordt door de
vreemdeling en het gastgezin een schriftelijke verklaring ondertekend,
waarin zij onder meer verklaren dat de vreemdeling als au pair
tijdelijk in het gastgezin verblijft.
4. Het model van de verklaringen wordt
bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 3.44
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan worden verleend onder een
beperking verband houdend met verblijf in het kader van uitwisseling
aan de vreemdeling:
a. die vijftien jaar of ouder, maar
jonger dan zesentwintig jaar is;
b. die ongehuwd is en niet de zorg
heeft voor kinderen;
c. die op grond van een door Onze
Minister goedgekeurd uitwisselingsprogramma tijdelijk in Nederland
wil verblijven in een gastgezin, bestaande uit twee of meer
personen voor wie de vreemdeling niet eerder werkzaamheden heeft
verricht;
d. die niet eerder rechtmatig
verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel
l, van de Wet, heeft gehad, en
e. wiens vertrek uit Nederland naar
het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. Bij de aanvraag wordt door de
uitwisselingsorganisatie een garantverklaring ondertekend. Het model
van de verklaring wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
3. Overeenkomstig bij regeling van Onze
Minister te stellen regels kan de verblijfsvergunning in afwijking van
het eerste lid, onder a, b en c, worden verleend ter uitvoering van
het Europese uitwisselingsprogramma«Youth in action».
Artikel 3.45
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan worden verleend onder een
beperking verband houdend met uitwisseling aan de vreemdeling van
achttien jaar of ouder met de Australische, Canadese of
Nieuw-Zeelandse nationaliteit:
a. die voldoet aan de nader door
Onze Minister te stellen vereisten ten aanzien van leeftijd en
burgerlijke staat;
b. die niet de zorg heeft voor
afhankelijke gezinsleden, en
c. wiens vertrek uit Nederland naar
het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd.
2. In afwijking van artikel 3.75 zijn
middelen van bestaan duurzaam, indien zij voor een periode van zes
weken beschikbaar zijn.
Artikel 3.46
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden
verleend, indien Nederland naar het oordeel van Onze Minister het
meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke
medische behandeling en de financiering van die medische behandeling
naar het oordeel van Onze Minister deugdelijk is geregeld.
2. Bij de aanvraag ondertekent de
vreemdeling een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij
toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek
noodzakelijk is voor de toepassing van het eerste lid.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder a of c, van de Wet of op de
grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk
is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de
aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in
artikel 64 van de Wet.
Artikel 3.47
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 3.46, kan worden verleend aan de vreemdeling van Surinaamse
nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een
daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, indien voortzetting
van de medische behandeling in Nederland zes maanden na zijn inreis
medisch noodzakelijk is en de financiering daarvan naar het oordeel
van Onze Minister deugdelijk is geregeld.
2. Bij de aanvraag ondertekent de
vreemdeling een medische verklaring, ertoe strekkende dat hij
toestemming verleent voor medisch onderzoek, voor zover dat onderzoek
noodzakelijk is voor de toepassing van het eerste lid.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder a of c, van de Wet of op de
grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk
is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de
aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in
artikel 64 van de Wet.
Artikel 3.48
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend aan
de vreemdeling die:
a. slachtoffer-aangever is van
mensenhandel, voorzover er sprake is van een strafrechtelijk
opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in
feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan
aangifte is gedaan;
b. slachtoffer is van mensenhandel,
voorzover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek
of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg
van de verdachte van het strafbare feit, bedoeld in artikel 273f
van het Wetboek van Strafrecht, en het slachtoffer hieraan op
andere wijze dan door het doen van aangifte medewerking verleent;
of
c. getuige-aangever is van
mensenhandel, voorzover er sprake is van een strafrechtelijk
opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in
feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan
aangifte is gedaan en het verblijf in Nederland van de
getuige-aangever naar het oordeel van Onze Minister in het belang
van de opsporing of vervolging van de verdachte noodzakelijk is;
d. zonder verblijfstitel
slachtoffer is geworden van arbeidsgerelateerde uitbuiting, dan
wel als minderjarige zonder verblijfstitel is tewerkgesteld, voor
zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of
vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van
de voormalig werkgever en de vreemdeling hieraan medewerking
verleent.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet.
Artikel 3.49
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan worden verleend onder een
beperking verband houdend methet afwachten van een beslissing op een
verzoek als bedoeld in artikel 17 van de Rijkswet op het
Nederlanderschap aan de in Nederland verblijvende vreemdeling die bij
de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek heeft ingediend tot
vaststelling van zijn Nederlanderschap, indien dat verzoek naar het
oordeel van Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond is
ontbloot.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder b en c, van de Wet.
Artikel 3.50
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt onder een beperking
verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling
die:
a. als minderjarige houder is
geweest van een verblijfsvergunning onder een beperking verband
houdend met gezinshereniging, verblijf ter adoptie of verblijf als
pleegkind, bij een Nederlander of een vreemdeling met
niet-tijdelijk verblijfsrecht in de zin van artikel 3.5, en
b. langer dan een jaar houder is
geweest van de in onderdeel a bedoelde verblijfsvergunning, dan
wel in Nederland is geboren uit ouders met niet-tijdelijk
verblijfsrecht in de zin van artikel 3.5.
2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht niet
verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 28 van de Wet.
3. De verblijfsvergunning wordt
verleend, tenzij:
a. de vreemdeling onjuiste gegevens
heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot
afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden
hebben geleid;
b. de vreemdeling een gevaar voor
de nationale veiligheid vormt;
c. de aanvraag met toepassing van
de artikelen 3.86 of 3.87 kan worden afgewezen, of
d. de vreemdeling het hoofdverblijf
buiten Nederland heeft verplaatst.
4. Indien een van de ouders in
Nederland is gevestigd en de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt de
verblijfsvergunning aan de minderjarige vreemdeling verleend, tenzij
de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens
heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag
tot het verlenen zouden hebben geleid, of de vreemdeling het
hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
Artikel 3.51
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking,
verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de
vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met:
a. gezinshereniging of
gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht;
b. het ondergaan van medische
behandeling, voorzover die medische behandeling naar het oordeel
van Onze Minister gedurende ten minste nog één jaar in Nederland
noodzakelijk zal zijn;
c. verblijf als alleenstaande
minderjarige vreemdeling, of
d. verblijf als vreemdeling die
buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.
2. De verblijfsvergunning kan worden
verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan
aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de
oorspronkelijke verblijfsvergunning.
3. De verblijfsvergunning kan eveneens
worden verleend, indien de relatie tussen de vreemdeling aan wie de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met
gezinsvorming of gezinshereniging, of verblijf ter adoptie of als
pleegkind is verleend en de persoon met het niet-tijdelijke
verblijfsrecht door het overlijden van die persoon is verbroken.
4. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet. Artikel 3.80ais
van toepassing
5. Voor de toepassing van het eerste
lid, onder a, en het derde lid, wordt onder persoon met niet-tijdelijk
verblijfsrecht niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet.
6. De verblijfsvergunning kan eveneens
worden verleend, indien de vreemdeling:
a. onmiddellijk voorafgaand aan de
indiening van de aanvraag twee jaar rechtmatig verblijf in
Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet heeft
gehad als gezinslid van een houder van een door Onze Minister
afgegeven Europese blauwe kaart, en
b. op het tijdstip waarop de
aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven, als
gezinslid van de in onderdeel a bedoelde houder van de Europese
blauwe kaart ten minste vijf jaar legaal en ononderbroken verblijf
heeft gehad op het grondgebied van een staat die partij is bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 3.52
In andere gevallen dan genoemd in de
artikelen 3.50 en 3.51, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend
met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die
rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan
wel l, van de Wetheeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze
Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan
worden dat hij Nederland verlaat.
Artikel 3.53
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met wedertoelating worden verleend aan de
oud-Nederlander die in Nederland is geboren en getogen.
2. De verblijfsvergunning, bedoeld in
het eerste lid, kan eveneens worden verleend:
a. aan de meerderjarige
oud-Nederlander die buiten Nederland is geboren, indien deze in
een ander land woont dan dat waarvan hij onderdaan is en naar het
oordeel van Onze Minister bijzondere banden heeft met Nederland,
of
b. aan andere oud-Nederlanders.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder b en c, van de Wet, indien de
aanvraag is ingediend door de in het eerste lid bedoelde vreemdeling.
Artikel 3.54
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met wedertoelating voorts worden verleend aan de
minderjarige vreemdeling, in wiens opvang en wettelijke
vertegenwoordiging in Nederland is voorzien en die:
a. vanaf zijn vierde levensjaar
tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in
artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, of als
Nederlander, of
b. vóór indiening van de aanvraag
vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in
artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, of als
Nederlander.
2. Het eerste lid, onder b, is alleen
van toepassing voorzover Nederland naar het oordeel van Onze Minister
het meest aangewezen land is voor de vreemdeling.
3. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet. De artikelen
3.77 en 3.78 zijn niet van toepassing. De artikelen 3.86 en 3.87 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.55
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met wedertoelating voorts worden verleend aan de
vreemdeling, die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond
van artikel 8 van de Remigratiewet, en die direct voorafgaande aan de
remigratie:
a. gedurende drie achtereenvolgende
jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e
dan wel l, van de Wet, in Nederland had;
b. als het minderjarige kind van
een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als
bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet,
zelf rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e
dan wel l, van de Wet had, ongeacht de duur daarvan, en
tegelijkertijd met die Nederlander of die vreemdeling om verblijf
verzoekt, of
c. als het minderjarige kind van
een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als
bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet,
zelf rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e
dan wel l, van de Wet had, ongeacht de duur daarvan, die binnen
een jaar na remigratie meerderjarig is geworden en die zelfstandig
om verblijf verzoekt.
2. De aanvraag wordt niet afgewezen op
grond van artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet. De artikelen
3.77 en 3.78 zijn niet van toepassing. De artikelen 3. 86 en 3.87 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.56
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige
vreemdeling worden verleend aan de alleenstaande minderjarige
vreemdeling:
a. wiens aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet
is afgewezen, anders dan met toepassing van artikel 30 van de Wet;
b. die zich naar het oordeel van
Onze Minister niet zelfstandig kan handhaven in het land van
herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan
gaan, en
c. voor wie naar het oordeel van
Onze Minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate
opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar
hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.
2. Artikel 16, eerste lid, onder d en
e, van de Wet is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.56a
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking
verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van
richtlijn 2005/71/EG worden verleend aan de vreemdeling:
a. die onderzoek verricht bij een
bij ministeriële regeling aan te wijzen onderzoeksinstelling;
b. die een met een
onderzoeksinstelling gesloten gastovereenkomst overlegt, waaruit
blijkt:
1°. dat het onderzoeksproject
is goedgekeurd, na toetsing van:
a. het doel en de duur van het
onderzoek en de beschikbaarheid van de hiervoor benodigde
financiële middelen;
b. de kwalificaties van de
vreemdeling in het licht van het doel van het onderzoek, die
gestaafd worden met een gewaarmerkte kopie van een door de
vreemdeling behaald passend diploma van hoger onderwijs, dat
toegang geeft tot doctoraatprogramma’s; en
2°. wat de rechtsbetrekking en
de arbeidsvoorwaarden van de vreemdeling zijn, en
c. die een garantstelling van de
onderzoeksinstelling overlegt.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld over het eerste lid.
Paragraaf 2. Geldigheidsduur
Artikel 3.57
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt verleend voor ten hoogste
één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.
Artikel 3.58
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning worden verleend onder een beperking verband houdend
met gezinshereniging als minderjarige of verblijf ter adoptie of als
pleegkind, voor de duur van het verblijfsrecht op grond van artikel 8,
onder a, c, e, of l, van de Wet, van de ouder, adoptiefouder of
pleegouder, dan wel, indien deze rechtmatig verblijf in Nederland heeft
als bedoeld in artikel 8, onder b of d, van de Wet of als Nederlander
voor vijf jaren.
Artikel 3.59
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het
verrichten van arbeid in loondienst worden verleend voor de duur
waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is
verleend. Indien ten behoeve van die arbeid op grond van artikel 1,
eerste lid, onder j of l, van het Besluit uitvoering Wet arbeid
vreemdelingen geen tewerkstellingvergunning is vereist, kan de
verblijfsvergunning worden verleend voor de duur van maximaal vijf
jaren.
Artikel 3.59a
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als
kennismigrant als bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet
arbeid vreemdelingen worden verleend voor de duur van maximaal vijf
jaren.
Artikel 3.59b
1. In afwijking vanartikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning met het oog op werkzaamheid in het kader van
grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in artikel 1e van
het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, worden verleend voor
de duur van de werkzaamheden als vermeld in de krachtens artikel 1e,
tweede lid, door de dienstverrichter verstrekte verklaring, met een
maximum van twee jaren.
2. De geldigheidsduur van de in het
eerste lid bedoelde verblijfsvergunning wordt na twee jaren niet
verlengd.
Artikel 3.59c
1. De Europese blauwe kaart wordt
verleend met een geldigheidsduur tot drie maanden na afloop van de
arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.30b, eerste lid, onder a,
maar niet langer dan vier jaar.
2. De verblijfsvergunning op grond van
artikel 3.23b wordt verleend voor de duur van het verblijfsrecht van
de houder van de Europese blauwe kaart.
Artikel 3.60
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met medische
behandeling worden verleend voor vijf jaren, indien de medische
behandeling naar verwachting van Onze Minister blijvend aan Nederland is
gebonden.
Artikel 3.61 [Vervallen per 15-05-2004]
Artikel 3.62
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met
wedertoelating worden verleend voor vijf jaren.
Artikel 3.63
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als
niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel
worden verleend voor drie jaren, maar niet langer dan de duur van de
tewerkstelling van de vreemdeling of het verblijfsrecht van de persoon
bij wie verblijf als gezinslid is toegestaan.
Artikel 3.64
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet
verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren.
Artikel 3.65
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als
au pair worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar, te
rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling Nederland is
ingereisd.
Artikel 3.66
In afwijking van artikel 3.57 kan de
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf in
het kader van uitwisseling worden verleend voor de duur van ten hoogste
een jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag waarop de vreemdeling
Nederland is ingereisd.
Artikel 3.67
1. In afwijking van artikel 3.57, kan
de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden verlengd met vijf
jaren, indien de houder van de verblijfsvergunning op het moment
waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven:
a. gedurende een jaar rechtmatig
verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet heeft op
grond van een huwelijk, een geregistreerd partnerschap of een
relatie als bedoeld in artikel 3.14, en het verblijfsrecht
niet-tijdelijk in de zin van artikel 3.5 is, of
b. gedurende vijf jaren
aaneengesloten rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder
a, van de Wet heeft en het verblijfsrecht niet-tijdelijk in de zin
van artikel 3.5 is.
2. In afwijking van artikel 3.57, kan
de verblijfsvergunning worden verleend of verlengd met een langere
geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te
verlengen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt
verstrekt ingevolge artikel 3.57 alweer zou zijn geëindigd.
3. In afwijking van artikel 3.57 wordt
de verblijfsvergunning aan de echtgenoot van een langdurig ingezetene
met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a, b dan wel l,
van de Wet, en het minderjarige kind van die echtgenoot of die
langdurig ingezetene, verleend en verlengd met een geldigheidsduur die
gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van die langdurig
ingezetene.
Artikel 3.68
1. In afwijking van artikel 3.57 wordt
de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met
verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG verleend
voor de duur van het onderzoek als omschreven in de gastovereenkomst
met een maximum van vijf jaren.
2. In afwijking van artikel 3.57 wordt
de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verlengd voor de duur
van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, telkens met een maximum
van vijf jaren.
Artikel 3.69
In afwijking van artikel 3.57 wordt de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet
onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op een studie,
verblijf als au pair of verblijf in het kader van uitwisseling ten
hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan na
één jaar niet verlengd.
Artikel 3.70
In afwijking van artikel 3.57 wordt de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, onder een beperking verband houdend met familiebezoek, verleend
voor ten hoogste zes maanden en wordt de geldigheidsduur ervan na zes
maanden niet verlengd.
Paragraaf 3. De afwijzing van de aanvraag
Artikel 3.71
1. De aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een
geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
2. Van het vereiste van een geldige
machtiging tot verblijf is, op grond van artikel 17, eerste lid, onder
g, van de Wet, vrijgesteld de vreemdeling:
a. die voor het bereiken van het
negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig
verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder
a tot en met e, dan wel l, van de Wet of als Nederlander en in die
periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;
b. van twaalf jaar of jonger, die
in Nederland is geboren en naar het oordeel van Onze Minister
feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die
1°. sedert het moment van
geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland
heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l,
van de Wet of als Nederlander, of
2°. op het moment van de
geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland
had op grond van artikel 8, onder f tot en met k, van de Wet
en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van
artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft,
voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland
heeft verplaatst;
c. die in Nederland verblijft op
grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in
Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse
diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor
de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 21
van de Wet;
d. die ten minste zeven jaren
werkzaam is of is geweest op een Nederlands zeeschip of een
mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;
e. die in aanmerking komt voor een
verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de
Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de
Associatie of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op 12
september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een
associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische
Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970
te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die
overeenkomst (Trb. 1971, 70) of dat Besluit nr. 1/80;
f. die in aanmerking komt voor
terugkeer naar Nederland op grond van artikel 8 van de
Remigratiewet;
g. die in Nederland verblijft, bij
de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek heeft ingediend tot
vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van
Onze Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is;
h. die tijdelijke bescherming heeft
en in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, onder een beperking als
bedoeld in artikel 3.30 of3.31;
i. die houder is van een
verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van richtlijn
2005/71/EG afgegeven door een andere staat die Partij is bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dan wel de
echtgenoot, partner of het minderjarig kind is van die houder,
tenzij sprake is van gezinsvorming;
j. die binnen drie maanden nadat
aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28 van de Wet is verleend, een aanvraag heeft
ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een
beperking verband houdend met gezinshereniging, voor zover de
gezinsband reeds bestond voordat de hoofdpersoon in Nederland
hoofdverblijf had en er geen gezinshereniging mogelijk is in een
derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere
banden heeft;
k. die minderjarig is, schoolgaand
is en drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland heeft en
een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14
van de Wet, onder een beperking verband houdend met
gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met
rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met
e dan wel l, van de Wet;
l. van wie uitzetting in strijd met
artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.
3. Het tweede lid, met uitzondering van
onderdeel h, is niet van toepassing op de vreemdeling die als
geestelijk voorganger of godsdienstleraar wil verblijven.
4. Onze Minister kan het eerste lid
buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn
oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 3.71a
1. Een vreemdeling beschikt over kennis
op basisniveau van de Nederlandse taal en van de Nederlandse
maatschappij als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder h, van de
Wet, indien hij binnen één jaar direct voorafgaand aan de aanvraag
om de machtiging tot voorlopig verblijf het basisexamen inburgering,
bedoeld in artikel 3.98a, met goed gevolg heeft afgelegd.
2. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, wordt niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder
h, van de Wet, indien de vreemdeling:
a. in Nederland wil verblijven als
gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning als bedoeld
in artikel 28 of 33 van de Wet;
b. ingevolge de wetgeving van een
lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
heeft voldaan aan een inburgeringsvereiste om de status van
langdurig ingezetene in de zin van richtlijn 2003/109/EG van 25
november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten
onderdanen van derde landen (PbEU L 16) te verkrijgen;
c. ten genoegen van Onze Minister
voor Wonen, Wijken en Integratie heeft aangetoond door een
geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te
zijn het basisexamen inburgering, bedoeld in artikel 3.98a, af te
leggen;
d. het basisexamen inburgering,
bedoeld in artikel 3.98a, niet met goed gevolg heeft afgelegd en
afwijzing van die aanvraag naar het oordeel van Onze Minister voor
Wonen, Wijken en Integratie zou leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard.
3. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het
tweede lid, onderdelen a en b, en bij regeling van Onze Minister voor
Wonen, Wijken en Integratie kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de toepassing van het tweede lid, onderdelen c en d.
Artikel 3.72
Een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, wordt niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Wet
afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister
heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij
onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document
voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
Artikel 3.73
1. De in artikel 16, eerste lid, onder
c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval
zelfstandig, indien verworven uit:
a. wettelijk toegestane arbeid in
loondienst, voorzover de vereiste premies en belastingen zijn
afgedragen;
b. wettelijk toegestane arbeid als
zelfstandige, voorzover de vereiste premies en belastingen zijn
afgedragen;
c. inkomensvervangende uitkeringen
krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premies zijn
afgedragen, of
d. eigen vermogen, voorzover de
bron van de inkomsten niet wordt aangetast en de vereiste
belastingen zijn afgedragen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
Artikel 3.74
1. De in artikel 16, eerste lid, onder
c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval
voldoende, indien de som van het loon, bedoeld in artikel 16 van de
Wet financiering sociale verzekeringen, uit arbeid in loondienst, het
bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een
socialeverzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, de
bruto-winst uit arbeid als zelfstandige en het inkomen uit eigen
vermogen ten minste gelijk is aan:
a. het minimumloon, bedoeld in de
artikelen 8, eerste lid, onder a, en 14, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag,
bedoeld in artikel 15 van die wet;
b. in bij regeling van Onze
Minister aangewezen gevallen: 150 procent van het minimumloon,
bedoeld in onderdeel a.
2. De in artikel 16, eerste lid, onder
c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn eveneens voldoende,
indien het netto-inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag voor
uitwonende studenten, bedoeld in de Wet op de Studiefinanciering 2000,
indien de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven voor
studie of in het kader van uitwisseling.
3. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld over de voorgaande leden. Daarbij
kunnen gevallen worden vastgesteld waarin de in artikel 16, eerste
lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan voldoende zijn,
indien het inkomen ten minste gelijk is aan een combinatie van de in
het eerste en tweede lid genoemde normbedragen.
4. De normbedragen, bedoeld in de
voorgaande leden, worden door Onze Minister bekendgemaakt.
Artikel 3.75
1. De in artikel 16, eerste lid, onder
c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval
duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip
waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
2. Middelen van bestaan verkregen uit
eigen vermogen zijn duurzaam, indien zij gedurende een aaneengesloten
periode van een jaar beschikbaar zijn geweest en nog beschikbaar zijn
op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking
wordt gegeven.
3. In afwijking van het eerste lid,
zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens
duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de
beschikking wordt gegeven gedurende een aaneengesloten periode van
drie jaren jaarlijks voldoende middelen van bestaan uit arbeid in
loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog beschikbaar
zijn. Indien tijdens de periode van drie jaren gedurende een periode
van in totaal niet langer dan zesentwintig weken een
werkloosheidsuitkering is ontvangen, wordt die uitkering gelijkgesteld
met inkomen uit arbeid in loondienst.
4. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de duurzaamheid
van middelen van bestaan.
Artikel 3.76
Indien de arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde duur is aangegaan, legt de vreemdeling bij zijn aanvraag
daartoe strekkende bewijsmiddelen over.
Artikel 3.77
1. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, kan op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet
worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien:
a. er ernstige redenen zijn om te
veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan
gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het
Vluchtelingenverdrag;
b. de vreemdeling de echtgenoot of
echtgenote, het minderjarige kind, de partner of het meerderjarige
kind, bedoeld in artikel 29, onder e en f, van de Wet, is van een
in Nederland verblijvende vreemdeling ten aanzien van wie er
ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat deze zich schuldig
heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het
Vluchtelingenverdrag, of
c. de vreemdeling terzake van een
misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf
of vrijheidsontnemende maatregel, tot een taakstraf of tot een
onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van
misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een
strafbeschikking is uitgevaardigd.
2. Bij de toepassing van het eerste
lid, onder c, wordt mede betrokken de buiten Nederland gepleegde
inbreuk op de openbare orde, voorzover die naar Nederlands recht een
misdrijf oplevert.
3. Bij de toepassing van het eerste en
tweede lid komt aan gratieverlening geen betekenis toe.
4. In geval de aanvraag verband houdt
met gezinshereniging of gezinsvorming houdt Onze Minister bij de
toepassing van het eerste lid, onder c, ten minste rekening met de
aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur
van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele
of sociale banden met het land van herkomst.
5. In geval de aanvraag is ingediend
door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor
langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die
partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
houdt Onze Minister bij de toepassing van het eerste lid, onder c,
mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat
door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is
gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig
ingezetene of dat gezinslid uitgaat.
6. Bij de toepassing van het vijfde lid
houdt Onze Minister tevens rekening met de leeftijd van de
vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn
gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van
banden met het land van herkomst.
7. Bij de indiening van de aanvraag
ondertekent de vreemdeling van twaalf jaar of ouder een
antecedentenverklaring. Het model van de verklaring wordt bij
ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 3.78
Buiten de gevallen, bedoeld in artikel
3.77, kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, slechts op grond van
artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet worden afgewezen wegens
gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het
oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
Artikel 3.79
1. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, kan slechts op grond van artikel 16, eerste lid, onder e, van de
Wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet bereid is een
onderzoek naar of behandeling voor tuberculose te ondergaan of daaraan
niet meewerkt.
2. De aanvraag kan niet op grond van
artikel 16, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien
de vreemdeling de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële
regeling vast te stellen landen, langdurig ingezetene is dan wel als
gezinslid van een langdurig ingezetene in een andere staat die partij
is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is
toegelaten.
Artikel 3.79a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van
de Wet, onder een beperking verband houdend met seizoenarbeid, lerend
werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, verblijf als
houder van de Europese blauwe kaart of wetenschappelijk onderzoek in
de zin van richtlijn 2005/71/EG wordt niet afgewezen op de grond dat
de werkgever niet krachtens artikel 2c van de Wet als referent is
erkend of ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen
verklaring als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wet heeft
afgelegd, indien de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft, in welk
geval de werkgever niet als referent wordt aangewezen.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin de
aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, ter uitvoering van verdragen
of besluiten van volkenrechtelijke organisaties niet wordt afgewezen
om de reden dat ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen
verklaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder i, van de Wet,
is overgelegd. Daarbij kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de
aanwijzing als referent.
Paragraaf 4. Verlenging
Artikel 3.80
1. De aanvraag tot het wijzigen of het
verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld
in artikel 14 van de Wet, is tijdig ingediend, indien deze is
ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur
verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de
termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend.
2. De niet-tijdig ingediende aanvraag
tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt
gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning.
Artikel 3.80a
1. Een aanvraag tot het wijzigen van
een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, in een
verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet
verblijf wordt afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een
vreemdeling als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en
onderdeel a, die het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de
Wet inburgering, niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing, indien de vreemdeling:
a. jonger dan 16 jaar of 65 jaar of
ouder is;
b. ten minste acht jaren tijdens de
leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig
het bepaalde bij en krachtens artikel 2.6 van het Besluit
inburgering;
c. beschikt over een document als
bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en
tweede lid, van het Besluit inburgering, dan wel voldoet aan een
van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van
dat besluit;
d. op grond van artikel 6, eerste
lid, of artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering van de
inburgeringsplicht is ontheven;
e. verblijf heeft in Nederland op
basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die
afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met
huiselijk geweld.
3. Onze Minister kan het eerste lid
voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn
oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als
bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering door
een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke
handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid
voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn
oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent de afwijzing van de aanvraag om
wijziging van de verblijfsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in
het eerste lid, en omtrent de toepassing van het tweede lid, onder d,
en derde lid.
Artikel 3.81
Onverminderd artikel 3.80a, wordt een
aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel
14 van de Wet, beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen 3.71, 3.77,
3.78 en 3.79 niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 van
overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
Artikel 3.82
1. Indien de niet-tijdig ingediende
aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van
de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Wet, naar het
oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn
nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en
met e, dan wel l, van de Wet, of als Nederlander, is geëindigd, zijn
de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 niet van toepassing en zijn de
artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste is niet van toepassing,
indien de vreemdeling:
a. zijn hoofdverblijf buiten
Nederland heeft gevestigd;
b. onjuiste gegevens heeft
verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die
gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het
verlenen of verlengen zouden hebben geleid, of
c. in Nederland wil verblijven als
geestelijk voorganger of godsdienstleraar, tenzij de houder
verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de
Associatieraad EEG/Turkije.
Artikel 3.83
De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18, eerste
lid, onder b, van de Wetafgewezen, indien de vreemdeling naar het
oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering
van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit
van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
Artikel 3.84
1. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18,
eerste lid, onder c, van de Wet afgewezen om reden dat de vreemdeling
onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft
achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot
het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien er sedert de
verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning een
periode van twaalf jaren is verstreken.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing, indien de houder van de Europese blauwe kaart die kaart
heeft vervalst, veranderd of op frauduleuze wijze heeft verkregen.
Artikel 3.85
1. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14 van de Wet, wordt niet op grond van artikel 18, eerste
lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling en degene
bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en
duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld
inartikel 3.74, eerste lid, onder a.
2. De aanvraag wordt evenmin op grond
van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de
persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid verblijft 65 jaar of
ouder is of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig
arbeidsongeschikt is.
Artikel 3.86
1. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14 van de Wet, kan worden afgewezen op grond van artikel
18, eerste lid, onder e, van de Wet wegens gevaar voor de openbare
orde, indien:
a. de vreemdeling met een
verblijfsduur korter dan drie jaar wegens een misdrijf waartegen
een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd, bij
onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of
jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in
artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek
van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke strafbeschikking
een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van
een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur
van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die
straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het tweede
lid bedoelde norm;
b. de vreemdeling wegens een
misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is
bedreigd, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een
gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel
als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b,
van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke
strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het
buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is
opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te
leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk
is aan de in het tweede lid bedoelde norm.
2. De in het eerste lid, bedoelde norm
bedraagt bij een verblijfsduur van:
|
minder dan 1 jaar: |
1 maand; |
|
ten minste 1 jaar, maar minder dan
2 jaar: |
3 maanden; |
|
ten minste 2 jaar, maar minder dan
3 jaar: |
6 maanden; |
|
ten minste 3 jaar, maar minder dan
4 jaar: |
9 maanden; |
|
ten minste 4 jaar, maar minder dan
5 jaar: |
12 maanden; |
|
ten minste 5 jaar, maar minder dan
6 jaar: |
24 maanden; |
|
ten minste 6 jaar, maar minder dan
7 jaar: |
30 maanden; |
|
ten minste 7 jaar, maar minder dan
8 jaar: |
36 maanden; |
|
ten minste 8 jaar, maar minder dan
9 jaar: |
45 maanden; |
|
ten minste 9 jaar, maar minder dan
10 jaar: |
54 maanden; |
|
ten minste 10 jaar, maar minder dan
15 jaar: |
60 maanden; |
|
ten minste 15 jaar, maar minder dan
20 jaar: |
96 maanden. |
3. Bij de toepassing van het eerste
en tweede lid wordt de duur van het onvoorwaardelijk opgelegde
gedeelte van de gevangenisstraf wegens een misdrijf waartegen een
gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd, met de factor
twee vermenigvuldigd.
4. De aanvraag kan voorts worden
afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet,
indien de vreemdeling wegens ten minste vijf misdrijven, dan wel bij
een verblijfsduur korter dan twee jaar wegens ten minste drie
misdrijven, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een
gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als
bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van
het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke
strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse
equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de
totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten
van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het
vijfde lid bedoelde norm.
5. De in het vierde lid bedoelde norm
bedraagt bij een verblijfsduur van:
|
minder dan 1 jaar: |
2 weken; |
|
ten minste 1 jaar, maar minder dan
2 jaar: |
1 maand; |
|
ten minste 2 jaar, maar minder dan
3 jaar: |
3 maanden; |
|
ten minste 3 jaar, maar minder dan
4 jaar: |
4 maanden; |
|
ten minste 4 jaar, maar minder dan
5 jaar: |
5 maanden; |
|
ten minste 5 jaar, maar minder dan
6 jaar: |
6 maanden; |
|
ten minste 6 jaar, maar minder dan
7 jaar: |
7 maanden; |
|
ten minste 7 jaar, maar minder dan
8 jaar: |
8 maanden; |
|
ten minste 8 jaar, maar minder dan
9 jaar: |
9 maanden; |
|
ten minste 9 jaar, maar minder dan
10 jaar: |
10 maanden; |
|
ten minste 10 jaar, maar minder dan
15 jaar: |
12 maanden; |
|
ten minste 15 jaar, maar minder dan
20 jaar: |
14 maanden. |
6. Voor de toepassing van de
voorgaande leden wordt onder verblijfsduur verstaan: de duur van het
rechtmatige verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e,
dan wel l, van de Wet of als Nederlander, direct voorafgaande aan
het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen.
7. Bij de berekening van de in het
tweede en vijfde lid bedoelde normen wordt betrokken:
a. indien een taakstraf is
opgelegd:
1°. de duur van de
vrijheidsstraf die de rechter heeft vastgesteld voor het
geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren
verricht;
2°. voor iedere twee uren
bij strafbeschikking opgelegde taakstraf: een dag
vrijheidsstraf;
b. indien een maatregel als
bedoeld in artikel 77h, vierde lid, onder b, van het Wetboek van
Strafrecht is opgelegd: de duur van de vervangende jeugddetentie
die de rechter heeft vastgesteld voor het geval dat de
veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de
maatregel heeft meegewerkt.
8. Bij de toepassing van de
voorgaande leden, wordt mede betrokken de buiten Nederland gepleegde
of bestrafte inbreuk op de openbare orde, voor zover die naar
Nederlands recht een misdrijf oplevert waartegen een gevangenisstraf
van twee, onderscheidenlijk drie of zes jaren of meer is bedreigd en
waarbij de strafmaat vergelijkbaar is met de strafmaat die in
Nederland zou zijn opgelegd wanneer het feit in Nederland zou zijn
gepleegd.
9. In afwijking van de voorgaande
leden wordt de aanvraag niet afgewezen, indien de vreemdeling
minderjarig is en één van zijn ouders met de Nederlandse
nationaliteit in Nederland is gevestigd.
10. Indien de vreemdeling in
Nederland is geboren of voor zijn tiende jaar rechtmatig verblijf
als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l van de Wet,
heeft gekregen, wordt de aanvraag in afwijking van de voorgaande
leden niet afgewezen:
a. bij een verblijfsduur van tien
jaar, tenzij er sprake is van een geweldsmisdrijf of handel in
verdovende middelen, of
b. bij een verblijfsduur van
vijftien jaar.
11. In afwijking van de voorgaande
leden wordt de aanvraag niet afgewezen:
a. bij een verblijfsduur van tien
jaren, tenzij er sprake is van een geweldsmisdrijf of handel in
verdovende middelen;
b. bij een verblijfsduur van
twintig jaren.
12. In afwijking van de voorgaande
leden kan de aanvraag eveneens op grond van artikel 18, eerste lid,
onder e, van de Wet worden afgewezen, indien:
a. er ernstige redenen zijn om te
veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt
aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het
Vluchtelingenverdrag;
b. de vreemdeling de echtgenoot
of de echtgenote, het minderjarige kind, de partner of het
meerderjarige kind, bedoeld in artikel 29, onder e of f, van de
Wet, is van een in Nederland verblijvende vreemdeling ten
aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen
dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld
in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
13. In geval de verblijfsvergunning
is verleend onder een beperking verband houdende met verblijf als
familie- of gezinslid houdt Onze Minister bij de toepassing van de
voorgaande leden in ieder geval terdege rekening met de aard en de
hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling, alsmede het bestaan
van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van
herkomst.
14. In geval de aanvraag is ingediend
door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning
voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat
die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese
Unie, houdt Onze Minister bij de toepassing van de voorgaande leden
mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk
dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare
orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het
gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat.
15. Bij de toepassing van het
veertiende lid houdt Onze Minister rekening met de leeftijd van de
vreemdeling, de gevolgen van verblijfsbeëindiging voor de
vreemdeling en zijn gezinsleden en met de banden met Nederland en
het land van herkomst.
16. In afwijking van de voorgaande
leden wordt de aanvraag niet afgewezen, indien de vreemdeling
verblijfsrecht ontleent aan Besluit 1/80 van de Associatieraad
EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, tenzij
diens persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige
bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
17. Onverminderd het zestiende lid,
wordt de aanvraag niet afgewezen, indien uitzetting van de
vreemdeling in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara
gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt
gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb.
1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen
Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of Besluit
1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling
van de Associatie.
18. De aanvraag wordt niet afgewezen,
indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel
8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden.
19. De vreemdeling van twaalf jaar of
ouder ondertekent een antecedentenverklaring, waarvan het model bij
ministeriële regeling is vastgesteld.
20. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het
dertiende tot en met het zeventiende lid.
Artikel 3.87
Buiten de gevallen, bedoeld in artikel
3.86, kan de aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, slechts op grond van
artikel 18, eerste lid, onder e, van de Wet worden afgewezen wegens
gevaar voor de openbare orde, indien zwaarwegende belangen naar het
oordeel van Onze Minister daartoe nopen.
Artikel 3.87a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14 van de wet, verleend onder een beperking verband houdend
met studie, kan in ieder geval op grond van artikel 18, eerste lid,
onder f, van de Wet worden afgewezen, indien de houder daarvan:
a. niet meer studeert aan een
krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende
onderwijsinstelling, of
b. niet overeenkomstig bij regeling
van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
vastgestelde normen voldoende studievoortgang boekt.
2. Tenzij de erkenning als referent van
de onderwijsinstelling is ingetrokken om reden dat deze geen
geaccrediteerd onderwijs in de zin van hoofdstuk 5A van de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek meer aanbiedt, is het
eerste lid, onder a, niet van toepassing, indien de vreemdeling als
student in de zin van artikel 2 van richtlijn 2004/114/EG op grond van
die richtlijn is toegelaten.
3. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid,
onder a, en het tweede lid.
Artikel 3.88
De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14 van de Wet, verleend onder een beperking verband houdend
met de vervolging van mensenhandel, wordt niet op grond van artikel 18,
eerste lid, onder f, van de Wet afgewezen om de enkele reden dat een
beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de
verdachte is genomen, indien de vreemdeling tegen die beslissing
schriftelijk beklag heeft gedaan bij het Gerechtshof en op dat beklag
nog niet is beslist.
Artikel 3.89
1. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 14 van de Wet, verleend onder een beperking verband
houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet op
grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet afgewezen op de
grond dat de vreemdeling voor een periode van korter dan één jaar
beschikt over arbeid in loondienst waarmee voldoende zelfstandige
middelen van bestaan worden verworven. In dat geval wordt de
geldigheidsduur verlengd met een periode gelijk aan de periode waarin
de vreemdeling beschikt over de arbeid.
2. De in het eerste lid bedoelde
aanvraag wordt evenmin afgewezen op de grond dat niet wordt voldaan
aan de beperking of de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam
beschikt over voldoende middelen van bestaan, indien de vreemdeling:
a. volledig arbeidsongeschikt is en
een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, of
b. arbeid verricht ingevolge de Wet
Sociale Werkvoorziening en aanspraak heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 3.89a
De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14 van de Wet, verleend onder een beperking verband houdend
met het verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG,
wordt, indien de aanwijzing van de onderzoeksinstelling na afgifte van
de verblijfsvergunning niet verlengd of ingetrokken wordt, eerst op
grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet afgewezen nadat de
vreemdeling die te goeder trouw is gedurende een termijn van drie
maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te
voldoen.
Artikel 3.89b
1. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart kan worden afgewezen,
indien de houder niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van
die kaart, zoals opgenomen in artikel 3.30b, met uitzondering van het
eerste lid, onder e.
2. In afwijking van het eerste lid,
onder a, wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur
van de Europese blauwe kaart niet met toepassing van artikel 18,
eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen op de grond dat de houder
werkloos is, tenzij deze:
a. langer dan drie
achtereenvolgende maanden werkloos is;
b. tijdens de geldigheidsduur van
de Europese blauwe kaart eerder werkloos is geweest, of
c. een uitkering krachtens de Wet
werk en bijstand heeft aangevraagd.
3. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart wordt niet met toepassing
van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet, afgewezen op grond
van werkloosheid als bedoeld in het tweede lid, onder a of b.
4. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het
eerste en tweede lid.
Artikel 3.89c [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend
met seizoenarbeid, lerend werken of arbeid in loondienst, arbeid als
kennismigrant, verblijf als houder van de Europese blauwe kaart,
wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG wordt
niet afgewezen op de grond dat de werkgever niet krachtens artikel 2c
van de Wet als referent is erkend of ten behoeve van het verblijf van
de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 2a, eerste lid,
van de Wet heeft afgelegd, indien de vreemdeling de Turkse
nationaliteit heeft, in welk geval de werkgever niet als referent
wordt aangewezen.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin de
aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke
organisaties niet wordt afgewezen om de reden dat ten behoeve van het
verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel 16,
eerste lid, onder i, van de Wet, is overgelegd. Daarbij kunnen nadere
regels worden gesteld omtrent de aanwijzing als referent.
Paragraaf 5. Intrekking
Artikel 3.90
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, die is verleend onder een
beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, wordt
niet ingetrokken op de enkele grond dat de samenwoning tijdelijk is
verbroken, indien de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is
toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing, indien er sedert de verbreking van de samenwoning een jaar
is verstreken.
Artikel 3.91
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, die is verleend onder een
beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst,
wordt niet ingetrokken op de enkele grond dat de vreemdeling werkloos
is, tenzij:
a. de verblijfsvergunning is verleend
voor een tijdelijk doel als bedoeld in artikel 3.5;
b. de werkloosheid is ingetreden na
beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur of
uitzendwerk;
c. de vreemdeling van de werkloosheid
een verwijt kan worden gemaakt, of
d. de werkgever beschikt over een
tewerkstellingsvergunning, die op grond van artikel 8, tweede lid,
onder 3°, van de Wet arbeid vreemdelingen in samenhang met
paragraaf 23 van de Uitvoeringsregels Wet arbeid vreemdelingen
behorende bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wet arbeid
vreemdelingen, is verleend zonder toetsing aan prioriteitgenietend
aanbod voor de desbetreffende functie op de arbeidsmarkt.
Artikel 3.91a
De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, die is verleend onder een
beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van
richtlijn 2005/71/EG, wordt eerst ingetrokken op de grond dat de
aanwijzing van de onderzoeksinstelling na afgifte van de
verblijfsvergunning niet verlengd of ingetrokken wordt, nadat de
vreemdeling die te goeder trouw is gedurende drie maanden in de
gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen.
Artikel 3.91b [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Onverminderdartikel 3.91a kan de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
wet, verleend onder een beperking verband houdend met studie, in ieder
geval op grond van artikel 19 van de Wet, in samenhang met artikel 18,
eerste lid, onder f, van de Wet worden ingetrokken, indien de houder
daarvan:
a. niet meer studeert aan een
krachtens artikel 2c van de Wet als referent erkende
onderwijsinstelling, of
b. niet overeenkomstig bij regeling
van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
vastgestelde normen voldoende studievoortgang boekt.
2. Tenzij de erkenning van de
onderwijsinstelling is ingetrokken om reden dat deze geen
geaccrediteerd onderwijs meer aanbiedt, is het eerste lid, onder a,
niet van toepassing, indien de vreemdeling als student in de zin van
artikel 2 van richtlijn 2004/114/EG voldoet aan de in die richtlijn
opgenomen voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning.
3. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid,
onder a, en het tweede lid.
Artikel 3.91c
De Europese blauwe kaart kan worden
ingetrokken op de in artikel 3.89b, eerste lid, genoemde gronden. Het
tweede tot en met vierde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 3.91d [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, verleend onder een
beperking verband houdend met seizoenarbeid, lerend werken of arbeid
in loondienst, arbeid als kennismigrant, verblijf als houder van de
Europese blauwe kaart, wetenschappelijk onderzoek in de zin van
richtlijn 2005/71/EG wordt niet ingetrokken op de grond dat de
werkgever niet krachtens artikel 2c van de Wet als referent is erkend
of ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als
bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wet heeft afgelegd, indien
de vreemdeling de Turkse nationaliteit heeft, in welk geval de
werkgever niet als referent wordt aangewezen.
2. Bij regeling van Onze Minister
kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke
organisaties niet wordt ingetrokken om de reden dat ten behoeve van
het verblijf van de vreemdeling geen verklaring als bedoeld in artikel
18, eerste lid, onder h, van de Wet, is overgelegd. Daarbij kunnen
nadere regels worden gesteld omtrent de aanwijzing als referent.
Afdeling 3. De verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd
Paragraaf 1. Toekenning Europese status
van langdurig ingezetene
Artikel 3.92
1. De aanvraag tot het verlenen of
wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld
in artikel 20 van de Wet wordt niet op grond van artikel 21, eerste
lid, onder a, van de Wet afgewezen, om reden dat het rechtmatig
verblijf, bedoeld in artikel 8 onder a, b, dan wel l, van de Wet niet
vijf jaren aaneensluitend is geweest, indien:
a. de aanvraag is ingediend door
een meerderjarige vreemdeling die:
1°. tussen het vierde en het
negentiende levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland
heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel
l, van de Wet, en wiens aanvraag is ontvangen voor het
drieëntwintigste levensjaar, of
2°. voor het negentiende
levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven
als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en
voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het
meest aangewezen land is;
b. de vreemdeling niet het
hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
2. De aanvraag, ingediend door
vreemdeling met niet-tijdelijk verblijfsrecht, wordt niet op grond van
artikel 21, eerste lid, onder b, van de Wet afgewezen, indien de duur
van het niet-tijdelijke verblijfsrecht en de helft van het verblijf op
grond van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend
met studie, waaronder begrepen beroepsopleiding, tezamen ten minste
vijf jaar bedraagt.
3. De aanvraag wordt niet op grond van
artikel 21, eerste lid, onder a of c, van de Wet afgewezen, indien de
vreemdeling:
a. buiten Nederland heeft verbleven
in verband met beroepsmatige detachering in een staat die partij
is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
b. als langdurig ingezetene houder
is geweest van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als
bedoeld in artikel 20 van de Wet en deze vergunning heeft verloren
wegens:
1°. verblijf voor studie of
beroepsopleiding in een andere staat die partij is bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zonder in
die staat de status van langdurig ingezetene te hebben
verkregen, indien de aanvraag wordt gedaan binnen zes maanden
na beëindiging van die studie of opleiding, dan wel de
verblijfstitel in die staat,
2°. verblijf buiten het
grondgebied van de Gemeenschap gedurende een aaneengesloten
periode van tenminste twaalf maanden, indien de aanvraag wordt
gedaan binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van
het verlies, of
3°. verkrijging van de status
van langdurig ingezetene in een andere staat als bedoeld onder
1°, indien de aanvraag wordt gedaan binnen twaalf maanden na
het onherroepelijk worden van het verlies;
c. de vreemdeling vijf jaar legaal
en ononderbroken op het grondgebied van de Europese Unie verblijft
als houder van een Europese blauwe kaart, onmiddellijk voorafgaand
aan de indiening van de aanvraag ten minste achttien
achtereenvolgende maanden als houder van een Europese blauwe kaart
in een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie en ten minste twee achtereenvolgende
jaren direct voorafgaande aan de aanvraag als houder van een door
Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart in Nederland heeft
verbleven, waarbij perioden van afwezigheid van het grondgebied
van de Europese Unie geen onderbreking vormen van de termijn van
vijf jaar, indien zij minder dan twaalf achtereenvolgende maanden
beslaan en niet langer dan achttien maanden hebben geduurd;
d. de vreemdeling als houder van
een Europese blauwe kaart in de periode van vijf jaar niet langer
dan twaalf achtereenvolgende maanden en in totaal niet langer dan
achttien maanden buiten Nederland heeft verbleven.
4. Voor de toepassing van artikel 21,
eerste lid, onder d, van de Wet, zijn de artikelen 3.73 tot en met
3.76 van overeenkomstige toepassing.
5. Behoudens gevallen als bedoeld in
artikel 3.87, kan de aanvraag slechts op grond van artikel 21, eerste
lid, onder e, van de Wet worden afgewezen, indien de totale duur van
de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld
in artikel 3.86, eerste dan wel tweede lid. Artikel 3.86, derde tot en
met negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Bij de toepassing van het vijfde lid
houdt Onze Minister mede rekening met de ernst van de inbreuk of het
soort van inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is
gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling
uitgaat en het bestaan van banden met Nederland.
7. In de gevallen, bedoeld in het
eerste lid, wordt bij de berekening van het tijdvak van vijf jaar
buiten beschouwing gelaten het gedeelte van het verblijf buiten
Nederland, dat tien maanden in totaal of bij aaneengesloten verblijf
buiten Nederland zes maanden te boven gaat.
8. Bij regeling van Onze Minister kan
worden bepaald dat het derde lid, aanhef en onder c en d, slechts van
toepassing is, indien de vreemdeling het in die onderdelen bedoelde
grondgebied van de Europese Unie, respectievelijk Nederland heeft
verlaten om in het land van herkomst:
a. arbeid in loondienst of als
zelfstandige, dan wel vrijwilligerswerk te verrichten;
b. een studie te volgen.
Paragraaf 2. Verlening op nationale
voorwaarden
Artikel 3.93
1. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van
de Wet wordt niet op grond van artikel 21, eerste lid, onder a, van de
Wet afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een meerderjarige
vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft
verbleven:
a. op grond van een bijzondere
geprivilegieerde status, die anders dan door eigen toedoen is
verloren;
b. op grond van een bijzondere
geprivilegieerde status als:
1°. geaccrediteerd lid van het
administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als
particulier bediende, in dienst van een buitenlandse
diplomatieke of consulaire post,
2°. geaccrediteerd lid van het
hoogste kader, het hoofd inbegrepen, van een internationale
organisatie, van het geaccrediteerd lid van het
administratief, technisch of bedienend personeel van een
internationale organisatie, of
c. als afhankelijk gezinslid van
een vreemdeling als bedoeld onder a of b.
2. De aanvraag wordt niet op grond van
artikel 21, eerste lid, onder b, afgewezen, indien de vreemdeling op
het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen niet-tijdelijk
verblijfsrecht heeft en in de periode van vijf aaneengesloten jaren
direct voorafgaande aan dat tijdstip rechtmatig verblijf als bedoeld
in artikel 8 onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet had.
3. De aanvraag wordt niet op grond van
artikel 21, eerste lid, onder d, van de Wet afgewezen, indien de
aanvraag is ingediend door een vreemdeling:
a. als bedoeld in artikel 3.92,
eerste lid, onder a, of
b. die duurzaam beschikt over een
uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van
arbeidsongeschiktheid van ten minste vijfenvijftig procent en op
basis van een volledige werkweek, of een vergelijkbare
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
4. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de
Wet, wordt niet afgewezen op de in artikel 21, eerste lid, onder h,
van de Wet genoemde grond dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft
verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van
de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden
hebben geleid, indien sedert de verlening, de verlenging of de
wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken.
5. In afwijking van artikel 3.92,
vierde lid, zijn de middelen van bestaan van de vreemdeling als
bedoeld in het eerste lid duurzaam indien zij nog gedurende ten minste
één jaar beschikbaar zijn.
6. Bij de berekening van de in het
eerste lid bedoelde periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf
worden ten aanzien van de vreemdeling als bedoeld in het eerste lid
onderdeel b, onder 2°, alsmede zijn afhankelijke gezinslid, bedoeld
in onderdeel c, mede in aanmerking genomen perioden waarin die
vreemdeling respectievelijk dat afhankelijke gezinslid rechtmatig
verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de
Wet heeft gehad.
Artikel 3.94
Deartikelen 3.92, eerste en zevende lid,
en 3.93, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, indien de
aanvraag is ingediend door een vreemdeling die in aanmerking komt voor
de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet en die
direct voorafgaande aan de remigratie:
a. als Nederlander in Nederland
verbleef;
b. rechtmatig verblijf als bedoeld in
artikel 8, onder b of d, van de Wet in Nederland had; of
c. gedurende vijf jaren rechtmatig
verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e dan wel l, van de
Wet in Nederland had.
Paragraaf 3. Intrekking en wijziging
Artikel 3.95
1. De verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, wordt niet met
toepassing van artikel 22, eerste lid, onder a, van de Wet
ingetrokken, indien de vreemdeling:
a. niet het hoofdverblijf buiten
Nederland heeft verplaatst;
b. aantoont dat hij langer dan zes
jaar voor studie verblijft in een andere staat die partij is bij
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; of
c. aantoont dat hij, in geval van
verblijf gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden
of meer buiten het grondgebied van de staten die partij zijn bij
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, gedurende
die periode op het grondgebied heeft verbleven van de staten die
partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte van 2 mei 1992, dan wel de Zwitserse
Bondsstaat, tenzij hij langer dan zes jaar afwezig is geweest van
het Nederlands grondgebied;
d. voormalig houder van een
Europese blauwe kaart is, dan wel het gezinslid van een voormalig
houder van een Europese blauwe kaart is, en niet langer dan een
aaneengesloten periode van 24 maanden heeft verbleven buiten het
grondgebied van de staten die partij zijn bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie, bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, dan wel
van de Zwitserse Bondsstaat.
2. Indien de verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, op frauduleuze
wijze is verkregen, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op de in
artikel 22, eerste lid, onder b, van de Wet genoemde grond, tenzij
sedert de verkrijging een periode van twaalf jaren is verstreken, in
welk geval de verblijfsvergunning wordt gewijzigd, indien daarop de
aantekening «EG-langdurig ingezetene» was gesteld.
3. De verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Wet, kan slechts op
grond van artikel 22, eerste lid, onder c, van de Wet worden
ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten
minste gelijk is aan de toepasselijke norm, bedoeld inartikel 3.86,
tweede en vijfde lid. Artikel 3.86 is van overeenkomstige toepassing.
4. Onze Minister houdt bij de
toepassing van het derde lid mede rekening met de ernst van de inbreuk
of het soort inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is
gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling
uitgaat.
5. Bij de toepassing van het derde lid
houdt Onze Minister tevens rekening met de leeftijd van de
vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn
gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van
banden met het land van herkomst.
6. Indien de intrekking van de
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de
Wet, overeenkomstig het derde lid niet leidt tot verwijdering, wordt
de verblijfsvergunning gewijzigd, in geval daarop de aantekening «EG-langdurig
ingezetene» was gesteld, door die aantekening te vervangen door de
aantekening «II».
7. Bij regeling van Onze Minister kan
worden bepaald dat het eerste lid, aanhef en onder d, slechts van
toepassing is, indien de vreemdeling het in dat onderdeel bedoelde
grondgebied heeft verlaten om in het land van herkomst:
a. arbeid in loondienst of als
zelfstandige, dan wel vrijwilligerswerk te verrichten;
b. een studie te volgen.
Artikel 3.96 [Vervallen per 01-12-2006]
Artikel 3.96a
1. De aanvraag tot het verlenen of het
wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld
in artikel 20 van de Wet wordt afgewezen, indien de vreemdeling het
inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering niet
heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing, indien de vreemdeling:
a. 65 jaar of ouder is;
b. ten minste acht jaren tijdens de
leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig
het bepaalde bij en krachtens artikel 2.6 van het Besluit
inburgering;
c. beschikt over een document als
bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en
tweede lid, van het Besluit inburgering, dan wel voldoet aan een
van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van
dat besluit;
d. op grond van artikel 6, eerste
lid, of artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering van de
inburgeringsplicht is ontheven;
e. meerderjarig is en:
1°. voor het negentiende
levensjaar tien jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven
als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet,
voor zover diens aanvraag is ontvangen voor het
negenentwintigste levensjaar, of
2°. voor het negentiende
levensjaar vijf jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven
als bedoeld in artikel 8, onder a, b dan wel l, van de Wet, en
voor wie Nederland naar het oordeel van Onze Minister het
meest aangewezen land is;
f. oud-Nederlander is, die het
Nederlanderschap heeft verloren door het afleggen van een
verklaring van afstand, dan wel door intrekking van het besluit
waarbij het Nederlanderschap is verleend op de grond dat hij heeft
nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het
mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te
verliezen, en die voorafgaand aan de naturalisatie ten minste vijf
jaren rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8,
onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft gehad;
g. meerderjarig is, in aanmerking
komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de
Remigratiewet en voorafgaand aan de remigratie ten minste vijf
jaren rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8,
onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet heeft gehad.
3. Onze Minister kan het eerste lid
voorts buiten toepassing laten, indien de vreemdeling naar zijn
oordeel blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als
bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering door
een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke
handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid
voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn
oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid,
onder d, en derde lid.
Artikel 3.97 [Vervallen per 01-12-2006]
Artikel 3.98 [Vervallen per 01-12-2006]
Afdeling 4. Procedurele bepalingen
Artikel 3.98a
1. Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie stelt het basisexamen inburgering ter beoordeling van de
kennis van de Nederlandse taal en van de Nederlandse maatschappij als
bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder h, van de Wet, vast door
middel van een geautomatiseerd systeem.
2. Het basisexamen inburgering omvat
een onderzoek naar de Nederlandse lees-, luister- en spreekvaardigheid
van de vreemdeling.
3. Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie stelt een examenprogramma vast voor de vereiste lees-,
luister- en spreekvaardigheid. Dit examenprogramma strekt tot waarborg
dat de vreemdeling die het basisexamen inburgering met goed gevolg
heeft afgelegd, beschikt over de volgende vaardigheden in de
Nederlandse taal op het niveau A1 van het Europees Raamwerk voor
Moderne Vreemde Talen:
a. leesvaardigheid;
b. luistervaardigheid, en
c. spreekvaardigheid.
4. De normering van de onderdelen lees-,
luister- en spreekvaardigheid van het basisexamen inburgering wordt
gerelateerd aan een van de niveaus van het Europees Raamwerk voor
Moderne Vreemde Talen.
5. Het basisexamen inburgering omvat
tevens een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving.
6. Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie stelt een examenprogramma vast voor de vereiste kennis van
de Nederlandse samenleving. Dit examenprogramma waarborgt dat de
vreemdeling die het basisexamen inburgering met goed gevolg heeft
afgelegd, beschikt over elementaire praktische kennis van:
a. Nederland, waaronder topografie,
geschiedenis en staatsinrichting;
b. huisvesting, onderwijs, arbeid,
gezondheidszorg en inburgering in Nederland;
c. zijn rechten en zijn
verplichtingen na aankomst in Nederland;
d. rechten en verplichtingen van
anderen in Nederland, en
e. in Nederland gangbare
omgangsregels.
7. Het basisexamen inburgering wordt
afgelegd in de Nederlandse taal op een niveau dat niet hoger is dan
het niveau, bedoeld in het derde lid.
8. De examenprogramma’s, bedoeld in
het derde en zesde lid, worden overeenkomstig door Onze Minister voor
Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels en tegen een door Onze
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen bedrag
beschikbaar gesteld.
Artikel 3.98b
1. Tot het basisexamen inburgering
wordt niet toegelaten de vreemdeling die:
a. niet overeenkomstig door Onze
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels de aan
het basisexamen verbonden kosten heeft voldaan, of
b. geen medewerking heeft verleend
aan het vastleggen van gegevens met het oog op zijn identificatie.
2. De kosten, bedoeld in het eerste
lid, onder a, bedragen€ 350,00.
3. De medewerking, bedoeld in het
eerste lid, onder b, bestaat uit het zich digitaal laten fotograferen,
het laten nemen van digitale vingerafdrukken en het laten maken van
een scan of kopie van het paspoort of, indien de vreemdeling door de
autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet in het bezit
kan worden gesteld van een paspoort, een ander identiteitsbewijs.
4. Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie stelt een examenreglement vast. Het examenreglement bevat
in elk geval bepalingen omtrent:
a. de gang van zaken tijdens het
basisexamen inburgering;
b. de maatregelen om
onregelmatigheden en ordeverstoring tijdens het basisexamen
inburgering te voorkomen, en
c. de maatregelen die in geval van
onregelmatigheden of ordeverstoring kunnen worden getroffen.
Artikel 3.98c
1. Het basisexamen inburgering wordt
onder toezicht van een door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke
of consulaire vertegenwoordiging aan te wijzen ambtenaar, medewerker,
autoriteit of instelling afgelegd op een door dat hoofd vast te
stellen tijdstip en in een door dat hoofd aan te wijzen ruimte.
2. Het basisexamen inburgering wordt
afgelegd door middel van een telefonische of digitale verbinding met
een geautomatiseerd systeem, dat door een door Onze Minister voor
Wonen, Wijken en Integratie aan te wijzen instantie volgens door Onze
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie te stellen regels wordt
beheerd.
3. Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie beoordeelt de resultaten van het basisexamen inburgering
door middel van het geautomatiseerde systeem, bedoeld in het tweede
lid.
4. Het resultaat van het basisexamen
inburgering wordt in de gevallen waarin Onze Minister voor Wonen,
Wijken en Integratie niet door middel van het geautomatiseerde
systeem, bedoeld in het tweede lid, tot een beoordeling daarvan heeft
kunnen komen, beoordeeld door examinatoren.
Artikel 3.98d
1. De resultaten van het basisexamen
inburgering worden niet heroverwogen.
2. Onverminderd artikel 3.98b, kan de
vreemdeling die het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft
afgelegd, het examen te allen tijde opnieuw afleggen.
Artikel 3.99
1. De aanvraag, bedoeld in de artikelen
14 en 20 van de Wet, wordt gedaan door het indienen van een formulier,
waarvan het model bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
2. De door een vreemdeling ingediende
aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de
geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14 van de Wet, kan mede betrekking hebben op diens
inwonende kinderen jonger dan twaalf jaar.
3. Overeenkomstig bij regeling van Onze
Minister te stellen regels wordt de aanvraag door de vreemdeling in
persoon ingediend.
Artikel 3.100
Indien de vreemdeling, hangende de
besluitvorming op een eerdere aanvraag, wijziging van het gevraagde
verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.
Artikel 3.101
1. De aanvraag, bedoeld in de artikelen
14 en 20 van de Wet, wordt ingediend op een bij ministeriële regeling
aan te wijzen plaats.
2. In afwijking van het eerste lid
wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de
aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer
wordt gelegd.
3. In afwijking van het eerste lid kan
de aanvraag, bedoeld in artikel 14 van de Wet, tevens worden ingediend
bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in
Australië, Nieuw Zeeland of Canada, indien de vreemdeling de
Australische, Nieuw Zeelandse of Canadese nationaliteit bezit en in
Nederland wil verblijven in het kader van een uitwisselingsprogramma
tussen Nederland en die landen.
Artikel 3.102
1. De vreemdeling legt bij de in
persoon ingediende aanvraag tot het verlenen, het wijzigen of het
verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, of tot het verlenen
van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel
20 van de Wet, in ieder geval over een geldig document voor
grensoverschrijding, alsmede, voorzover redelijkerwijs mogelijk, de
gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat
wordt voldaan aan de voorwaarden voor de verlening, wijziging of
verlenging.
2. Bij de niet in persoon ingediende
aanvraag legt de vreemdeling afschriften over van de in het eerste lid
genoemde gegevens en bescheiden en overlegt hij op verzoek van Onze
Minister de originelen.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid, legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig
document voor grensoverschrijding, voorzover redelijkerwijs mogelijk,
gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege
de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer
in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan
worden gesteld. In dat geval overlegt hij tevens aanvullende gegevens
of bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit.
Artikel 3.103
De aanvraag wordt getoetst aan het recht
dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit
deWet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop
de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
Artikel 3.103a
1. Indien Onze Minister een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet verleent aan
of verlengt van een vreemdeling die houder is van een door een andere
staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie, ter uitvoering van artikel 8 van de Richtlijn nr.
2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van
langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PbEU 2004, L16)
afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, doet hij
daarvan mededeling aan de autoriteiten van die staat. Indien Onze
Minister aan die houder ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van
deze richtlijn een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen
verleent, doet hij daarvan eveneens mededeling aan die autoriteiten.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing indien Onze Minister besluit de
verblijfsvergunning van de in het eerste lid bedoelde houder in te
trekken of niet te verlengen.
3. Indien Onze Minister overweegt een
vreemdeling, die houder is als bedoeld in het eerste lid, uit te
zetten naar een staat die geen partij is bij het Verdrag, bedoeld in
het eerste lid, raadpleegt hij de autoriteiten van de andere staat,
bedoeld in het eerste lid. Indien Onze Minister dienovereenkomstig
besluit uit te zetten, verstrekt hij die autoriteiten alle nodige
informatie met betrekking tot de uitzetting.
4. Indien Onze Minister beslist op een
aanvraag tot het verlenen van een Europese blauwe kaart ten behoeve
van een vreemdeling die door een andere staat die partij is bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie reeds in het bezit
is gesteld van een Europese blauwe kaart, doet hij daarvan mededeling
aan de autoriteiten van die andere staat.
5. Onze Minister vormt het contactpunt
dat door een staat als bedoeld in het eerste en vierde lid kan worden
geraadpleegd, ter uitvoering van de in het eerste en vierde lid
bedoelde richtlijn, en is verantwoordelijk voor het ontvangen en
toezenden van de informatie, bedoeld in de voorgaande leden.
Artikel 3.103b
1. Indien Onze Minister een
inreisverbod uitvaardigt, registreert Onze Minister dit inreisverbod
in het Schengen Informatiesysteem.
2. Indien Onze Minister overweegt een
vreemdeling die houder is van een verblijfstitel of andere toestemming
tot verblijf, afgegeven door een andere staat als bedoeld in artikel
1.3, uit te zetten naar de staat waarvan de vreemdeling de
nationaliteit bezit of bij het ontbreken van een nationaliteit naar de
staat van zijn vroegere verblijfplaats, wint Onze Minister de nodige
informatie in bij de autoriteiten van die andere staat. Indien Onze
Minister besluit de vreemdeling uit te zetten, verstrekt hij de
autoriteiten van die andere staat alle nodige informatie met
betrekking tot de uitzetting.
3. Onze Minister vormt het contactpunt
ter uitvoering van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en
procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde
landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU, L 348) en is
verantwoordelijk voor het inwinnen en verstrekken van de informatie,
bedoeld in het tweede lid.
Artikel 3.104
1. De beschikking, waarbij de aanvraag
tot het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur
van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 en 20 van de Wet,
geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of waarbij de
verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd, wordt
bekendgemaakt door uitreiking van het document, bedoeld in artikel 9,
eerste lid, van de Wet, waaruit het rechtmatig verblijf op grond van
artikel 8, onder a onderscheidenlijk onder b, van de Wet blijkt.
2. Indien de vreemdeling, niet zijnde
gemeenschapsonderdaan, in aanmerking komt voor meer dan één
verblijfsdocument wordt één document uitgereikt en worden de overige
beschikkingen bekendgemaakt door het stellen van een aantekening op
dat document.
3. De beschikking ten aanzien van een
zich in het buitenland bevindende vreemdeling, waarbij de aanvraag tot
het verlenen, het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van
een verblijfsvergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, of
waarbij de verblijfsvergunning ambtshalve wordt verleend of gewijzigd,
wordt bekendgemaakt na zijn aankomst in Nederland. Het eerste en
tweede lid zijn van toepassing.
4. De beschikking, die niet of niet
mede strekt tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de
geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14
of 20 van de Wet, wordt bekend gemaakt door toezending naar het laatst
bekende adres van de vreemdeling.
5. Bij de bekendmaking van de
beschikking, waarbij wordt beslist op de aanvraag, bedoeld in artikel
20 van de Wet, wordt de aanvrager meegedeeld welke rechten en plichten
hij heeft krachtens de Richtlijn nr. 2003/109/EG van de Raad van 25
november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen
van derde landen (PbEU 2004, L16).
Afdeling 5. De verblijfsvergunning asiel
Paragraaf 1. De verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd
Artikel 3.105
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, wordt verleend of verlengd
voor vijf jaar.
2. Bij dit besluit kunnen gevallen
worden aangewezen waarin de verblijfsvergunning wordt verleend of
verlengd voor minder dan vijf achtereenvolgende jaren, met dien
verstande dat de verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste
lid, onder a, van de Wet voor ten minste drie jaar en de
verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van
de Wet voor ten minste één jaar wordt verleend of verlengd.
Artikel 3.105a
Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of sprake is van
omstandigheden als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet.
Artikel 3.105b
Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft
gemaakt dat hij verdragsvluchteling als bedoeld in artikel 29, eerste
lid, onder a, van de Wet is, kan verlening van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet op grond van die
toelatingsgrond slechts worden geweigerd, indien:
a. er goede redenen bestaan om de
vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale
veiligheid; of
b. de vreemdeling bij onherroepelijk
geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder
ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap.
Artikel 3.105c
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, die is verleend op grond van
artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet, wordt ingetrokken dan
wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt
afgewezen indien sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 32,
eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet.
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, die is verleend op grond van
artikel 29, eerste lid, onder a, van die wet, kan slechts op grond van
artikel 32, eerste lid, onder b, van de Wet worden ingetrokken dan wel
de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan worden
afgewezen, indien:
a. er goede redenen bestaan om de
vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale
veiligheid; of
b. de vreemdeling bij
onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een
bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de
gemeenschap.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of
sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.105d [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 3.105e
Aan de vreemdeling die aannemelijk heeft
gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die de
rechtsgrond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b,
van de Wet, vormen, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28 van die wet verleend, tenzij er ernstige redenen
zijn om aan te nemen dat:
a. de vreemdeling een misdrijf tegen
de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid
heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten
waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van
dergelijke misdrijven;
b. de vreemdeling een ernstig
misdrijf heeft gepleegd;
c. de vreemdeling zich schuldig heeft
gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en
beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de
artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
d. de vreemdeling een gevaar vormt
voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of
e. de vreemdeling heeft aangezet tot
of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde
misdrijven of daden,
in welk geval verlening van evenbedoelde
verblijfsvergunning op voormelde grond wordt geweigerd.
Artikel 3.105f
1. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, die is verleend op grond van
artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet wordt ingetrokken dan wel
de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan wordt
afgewezen, indien sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 32,
eerste lid, onder a dan wel c, van de Wet.
2. De verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, die is verleend op grond van
artikel 29, eerste lid, onder b, van die wet wordt slechts ingetrokken
dan wel de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan
wordt slechts afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder b,
van de Wet, indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
a. de vreemdeling een misdrijf
tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de
menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de
internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te
treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
b. de vreemdeling een ernstig
misdrijf heeft gepleegd;
c. de vreemdeling zich schuldig
heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen
en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule
en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
d. de vreemdeling een gevaar vormt
voor de gemeenschap of voor de nationale veiligheid; of
e. de vreemdeling heeft aangezet
tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c
genoemde misdrijven of daden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of
sprake is van de situatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.106
De indicatoren die in ieder geval zullen
worden betrokken in de beoordeling of er sprake is van een situatie als
bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, van de Wet zijn:
a. de aard van het geweld in het land
van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de
mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate
waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van
het geweld;
b. de activiteiten van internationale
organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en
voorzover deze een graadmeter vormen voor de positie van de
internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land
van herkomst, en
c. het beleid in andere landen van de
Europese Unie.
Artikel 3.106a
1. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van
de Wet wordt slechts afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid,
onder d, of met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder h, van de
Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten
en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het
betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden
behandeld:
a. het leven en de vrijheid worden
niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit,
lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke
overtuiging, en
b. het beginsel van non-refoulement
overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en
c. het verbod op verwijdering in
strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere
wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd
in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
d. de mogelijkheid bestaat om om de
vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling
wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het
Vluchtelingenverdrag.
2. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van
de Wet wordt slechts afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid,
onder d, of met toepassing van artikel 31, tweede lid, onder h, van de
Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken
derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.
3. Bij de beoordeling of sprake is van
een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten
en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en
omstandigheden van het eerder verblijf.
4. Bij de beoordeling of de aanvraag
tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28 van de Wet wordt afgewezen op grond van artikel
30, eerste lid, onder d, van de Wet, wordt mede betrokken het beroep
van de vreemdeling inhoudende dat hij in het derde land zal worden
blootgesteld aan foltering, wrede, onmenselijke of vernederende
behandeling of bestraffing.
Artikel 3.107
1. Onder een persoon als bedoeld in
artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt mede verstaan een
persoon die heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de
in dat artikel genoemde misdrijven of daden.
2. Indien artikel 1F van het
Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan
de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de
Wet in de weg staat, wordt aan die vreemdeling evenmin een
verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in
artikel 29 van de Wet.
3. Aan de echtgenoot of echtgenote, het
minderjarig kind, de partner of het meerderjarig kind, bedoeld in
artikel 29, eerste lid, onder e of f, van de Wet, van de vreemdeling,
bedoeld in het eerste lid, wordt geen verblijfsvergunning als bedoeld
in artikel 28 van de Wet, verleend, tenzij dit gezinslid aannemelijk
heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die
zelfstandig een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning
op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet
vormen.
Paragraaf 1a. De verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd
Artikel 3.107a
1. De aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33 van de
Wet, wordt afgewezen indien de vreemdeling het inburgeringsexamen,
bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering niet heeft behaald.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing, indien de vreemdeling:
a. 65 jaar of ouder is;
b. ten minste acht jaren tijdens de
leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven overeenkomstig
het bepaalde bij en krachtens artikel 2.6 van het Besluit
inburgering;
c. beschikt over een document als
bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, en
tweede lid, van het Besluit inburgering, dan wel voldoet aan een
van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van
dat besluit;
d. op grond van artikel 6, eerste
lid, of artikel 31, tweede lid, van de Wet inburgering van de
inburgeringsplicht is ontheven.
3. Onze Minister kan het eerste lid
buiten toepassing, voor zover de vreemdeling naar zijn oordeel
blijkens een door deze vreemdeling overgelegd advies als bedoeld in
artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering door een
psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke
handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
4. Onze Minister kan het eerste lid
voorts buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn
oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid,
onder d, en derde lid.
Paragraaf 2. Procedurele bepalingen
Artikel 3.108
1. Het model van de aanvraag tot het
verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 28 en 33
van de Wet, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2. De aanvraag wordt door de
vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger in persoon ingediend
op een bij ministeriële regeling te bepalen plaats.
3. In afwijking van het tweede lid
wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de
aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer
wordt gelegd.
Artikel 3.108a
1. Op de aanvraag tot het verlengen van
de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als
bedoeld in artikel 28 van de Wet wordt binnen zes maanden na ontvangst
van de aanvraag een beschikking gegeven.
2. De termijn voor het geven van de
beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste voor zes
maanden worden verlengd indien naar het oordeel van Onze Minister voor
de beoordeling van de aanvraag advies van of onderzoek door derden of
het openbaar ministerie nodig is.
3. De artikelen 43 en 43a van de Wet
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.109
1. De aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de
Wet, wordt door de vreemdeling niet eerder ingediend dan zes dagen
nadat hij overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels te kennen
heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen.
2. Gedurende de in het eerste lid
bedoelde termijn wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om te
worden voorgelicht over de asielprocedure en om zich op de
asielprocedure voor te bereiden en zich daartoe te laten bijstaan. Aan
de vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde
aanvraag in te willen dienen wordt tijdig mededeling gedaan van de hem
toekomende bevoegdheid zich bij een gehoor als bedoeld in deartikelen
3.112, eerste lid en 3.113, tweede lid, te doen bijstaan.
3. Gedurende de in het eerste lid
bedoelde termijn worden de vreemdeling van overheidswege geen vragen
gesteld naar zijn asielmotieven.
4. Van de vreemdeling die te kennen
geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen,
worden door Onze Minister identificatiefoto’s vervaardigd en wordt
een dactyloscopisch signalement opgemaakt. De vreemdeling verleent
hieraan zijn medewerking.
5. De vreemdeling die te kennen geeft
de in het eerste lid bedoelde aanvraag in te willen dienen wordt een
medisch onderzoek aangeboden. Voor dit onderzoek is de schriftelijke
toestemming van de vreemdeling vereist.
6. In afwijking van het eerste lid
wordt geen termijn gesteld indien:
a. de vreemdeling een gevaar vormt
voor de openbare orde of nationale veiligheid;
b. de vreemdeling overlast bezorgt
aan vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, aan
personen die werkzaam zijn in de voorziening of aan anderen;
c. de vreemdeling reeds eerder een
aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 28 van de Wet, heeft ingediend, of
d. de vreemdeling rechtens zijn
vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 van de Wet, tenzij de
aanvraag wordt ingediend in een Aanmeldcentrum.
7. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde termijn niet van
toepassing is indien de aanvraag wordt ingediend in het Aanmeldcentrum
Schiphol.
Artikel 3.110
1. Voor het onderzoek naar de aanvraag
tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,
bedoeld in artikel 28 van de Wet, zijn in een Aanmeldcentrum acht
dagen beschikbaar.
2. Onze Minister kan de in het eerste
lid genoemde termijn verlengen. In dat geval zijn voor het onderzoek
in een Aanmeldcentrum ten hoogste veertien dagen beschikbaar.
3. De termijnen, genoemd in het eerste
en tweede lid, vangen aan op de dag waarop de aanvraag tot het
verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in
artikel 28 van de Wet, wordt ingediend. Voor die termijnen tellen, met
uitzondering van het Aanmeldcentrum Schiphol, de dagen gedurende het
weekeinde en de dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet
zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen niet mee, tenzij bij
ministeriële regeling wordt bepaald dat deze wel meetellen.
Artikel 3.111
1. Bij de aanvraag tot het verlenen van
de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van
de Wet, worden door de vreemdeling in persoon alle gegevens verstrekt,
waaronder begrepen de relevante documenten, op basis waarvan in
samenwerking met de vreemdeling beoordeeld kan worden of er een
rechtsgrond voor verlening van de vergunning aanwezig is.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de verstrekking van de in het eerste lid
bedoelde gegevens.
Artikel 3.112
1. Nadat de vreemdeling op de eerste
dag de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet heeft ingediend,
wordt hij op diezelfde dag door Onze Minister aan een eerste gehoor
onderworpen.
2. Het eerste gehoor geschiedt
overeenkomstig een bij ministeriële regeling vastgestelde
vragenlijst. De vragenlijst bevat geen vragen omtrent de beweegredenen
van de aanvraag.
3. Een afschrift van de ingevulde
vragenlijst wordt op de eerste dag aan de vreemdeling ter kennis
gebracht.
4. In afwijking van het eerste lid kan
een eerste gehoor achterwege worden gelaten indien de vreemdeling
reeds eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning, als bedoeld in
artikel 28 van de Wet, heeft ingediend.
Artikel 3.113
1. Gedurende de tweede dag wordt de
vreemdeling in staat gesteld zich op het nader gehoor voor te
bereiden.
2. Op de derde dag wordt de vreemdeling
door Onze Minister aan een nader gehoor onderworpen.
3. Van het nader gehoor wordt een
schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van het verslag van nader
gehoor wordt op de derde dag aan de vreemdeling ter kennis gebracht.
4. De vreemdeling kan uit eigen
beweging of desgevraagd nadere gegevens verstrekken uiterlijk op de
vierde dag. Het verslag van nader gehoor vermeldt deze termijn.
5. In afwijking van het tweede lid
blijft een nader gehoor in een Aanmeldcentrum achterwege:
a. indien de vreemdeling om
medische redenen niet aan een nader gehoor kan worden onderworpen,
of
b. ten aanzien van een
alleenstaande minderjarige vreemdeling beneden de leeftijd van
twaalf jaar.
Bij ministeriële regeling kunnen
andere gevallen worden aangewezen waarin een nader gehoor in een
Aanmeldcentrum achterwege blijft.
6. Indien een nader gehoor in een
Aanmeldcentrum achterwege is gebleven wordt de vreemdeling door Onze
Minister zo spoedig mogelijk aan een nader gehoor onderworpen. Van het
nader gehoor wordt een schriftelijk verslag gemaakt. Een afschrift van
het verslag van nader gehoor wordt zo spoedig mogelijk aan de
vreemdeling ter kennis gebracht. Het verslag van nader gehoor vermeldt
de termijn waarbinnen de vreemdeling uit eigen beweging of desgevraagd
nadere gegevens kan verstrekken. Deze termijn bedraagt ten minste twee
dagen.
Artikel 3.114
1. Indien Onze Minister voornemens is
de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 28 van de Wet, af te wijzen binnen acht dagen, wordt het
schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt op de
vijfde dag.
2. De vreemdeling brengt zijn
zienswijze op het in het eerste lid bedoelde voornemen schriftelijk
naar voren uiterlijk op de zesde dag.
3. De schriftelijke zienswijze is
tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de
termijn is ontvangen.
4. Het tijdstip van uitreiken van het
voornemen en de ontvangst van de schriftelijke zienswijze worden door
Onze Minister vastgelegd.
5. Onze Minister houdt rekening met een
na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de
beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de
termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke
zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet
bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet
ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke
zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de
vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat
aan het geven van de beschikking niet in de weg.
6. Onze Minister maakt de beschikking
uiterlijk op de achtste dag bekend door uitreiking of toezending
ervan.
Artikel 3.115
1. Onze Minister kan de in artikel
3.110, eerste lid, genoemde termijn verlengen:
a. in geval van overschrijding van
de termijnen, bedoeld in de artikelen 3.112, eerste en derde lid,
3.113, tweede en derde lid, en 3.114, eerste en zesde lid, tenzij
de overschrijding aan Onze Minister kan worden toegerekend;
b. in geval van overschrijding van
de termijnen, bedoeld in de artikelen 3.113, eerste en vierde lid,
of 3.114, tweede lid, en de vreemdeling een met redenen omkleed
verzoek om verlenging heeft ingediend, tenzij de overschrijding
aan de vreemdeling kan worden toegerekend;
c. indien naar het oordeel van Onze
Minister nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van
de vreemdeling noodzakelijk is, of
d. indien de vreemdeling zijn
eerder tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen essentieel
wijzigt of aanvult.
2. De vreemdeling wordt van de
verlenging schriftelijk in kennis gesteld. Bij de kennisgeving wordt
de reden van de verlenging aangegeven alsmede op welk moment de
verlengde termijn eindigt.
3. Indien Onze Minister de in artikel
3.110, eerste lid, genoemde termijn heeft verlengd en voornemens is de
aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 28 van de Wet, af te wijzen binnen veertien dagen, wordt het
schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt.
4. De vreemdeling brengt zijn
zienswijze uiterlijk op de dag na de uitreiking van het voornemen naar
voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze
termijn wordt ingewilligd.
5. Artikel 3.114, derde tot en met
vijfde lid, is van toepassing.
6. Onze Minister maakt de beschikking
uiterlijk op de veertiende dag bekend door uitreiking of toezending
ervan.
7. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels gesteld worden omtrent de toepassing van het eerste lid
alsmede de wijze waarop het onderzoek naar de aanvraag wordt vervolgd
indien de in artikel 3.110, eerste lid, genoemde termijn wordt
verlengd.
Artikel 3.116
1. Het schriftelijke voornemen om:
a. de aanvraag tot het verlenen van
de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te
wijzen indien de termijnen, bedoeld in deartikelen 3.112, eerste
en derde lid, 3.113, tweede en derde lid, of3.114, eerste en zesde
lid, dan wel de op grond van artikel 3.115, eerste lid, verlengde
termijn, zijn overschreden;
b. de aanvraag tot het verlengen
van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 28 van de Wet, af te wijzen;
c. de aanvraag tot het verlenen van
de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33 van de Wet, af te
wijzen, of
d. de verblijfsvergunning, bedoeld
in de artikelen 28 en 33 van de Wet, in te trekken, wordt aan de
vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan.
2. De termijn waarbinnen de vreemdeling
zijn zienswijze schriftelijk naar voren brengt bedraagt, tenzij een
met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt
ingewilligd:
a. in het geval, bedoeld in het
eerste lid, onder a: vier weken, en
b. in de gevallen, bedoeld in het
eerste lid, onder b, c en d: zes weken.
3. De termijn, bedoeld in het tweede
lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is
uitgereikt of toegezonden.
4. De schriftelijke zienswijze is
tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de
termijn is ontvangen. Bij verzending per post is de zienswijze tijdig
ingediend, indien deze voor het einde van de termijn ter post is
bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is
ontvangen.
5. De ontvangst van de schriftelijke
zienswijze wordt door Onze Minister bevestigd.
6. Onze Minister houdt rekening met een
na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de
beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de
termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende schriftelijke
zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet
bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet
ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke
zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de
vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat
aan het geven van de beschikking niet in de weg.
Artikel 3.117
1. De termijnen, genoemd in de
artikelen 3.112, 3.113, eerste tot en met vierde lid, en 3.114, zijn
niet van toepassing op de aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, van de
vreemdeling aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen op grond van
artikel 59 van de Wet terwijl de vrijheidsontneming voortduurt, tenzij
de aanvraag is ingediend in een Aanmeldcentrum.
2. De vreemdeling wordt door Onze
Minister zo spoedig mogelijk na de indiening van de aanvraag aan een
eerste gehoor onderworpen.
3. De vreemdeling wordt door Onze
Minister zo spoedig mogelijk nadat een afschrift van de ingevulde
vragenlijst, bedoeld in artikel 3.112, derde lid, aan hem ter kennis
is gebracht, aan een nader gehoor onderworpen.
4. Indien Onze Minister voornemens is
de aanvraag af te wijzen, wordt het schriftelijk voornemen daartoe zo
spoedig mogelijk uitgereikt of toegezonden.
5. De vreemdeling brengt zijn
zienswijze binnen twee weken schriftelijk naar voren.
6. De termijn, bedoeld in het vijfde
lid, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het voornemen is
uitgereikt of toegezonden.
7. De schriftelijke zienswijze is
tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de
termijn is ontvangen.
8. Artikel 3.116, vijfde en zesde lid,
zijn van toepassing.
Artikel 3.118
1. Indien Onze Minister voornemens is
om:
a. de aanvraag tot het verlenen van
de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, af te
wijzen na ommekomst van de in artikel 3.110, eerste of tweede lid,
genoemde termijn;
b. de aanvraag tot het verlengen
van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in
artikel 28 van de Wet, af te wijzen, of
c. de aanvraag tot het verlenen van
de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33 van de Wet, af te
wijzen, terwijl de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen
op grond van artikel 6 of artikel 59 van de Wet en de
vrijheidsontneming voortduurt, wordt het schriftelijk voornemen
daartoe uitgereikt of toegezonden.
2. Deartikelen 3.117, vijfde tot en met
zevende lid, en 3.116, vijfde en zesde lid, zijn van toepassing.
Artikel 3.118a
1. Indien Onze Minister oordeelt dat
een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland
bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk
is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet, en uit dien
hoofde het andere land om overname of terugname zal verzoeken, wordt
het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend
op aanvaarding van het verzoek tot overname of terugname door het
andere land, aan de vreemdeling uitgereikt.
2. Indien Onze Minister het voornemen,
bedoeld in het eerste lid, op de vijfde dag aan de vreemdeling
uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk op de zesde
dag schriftelijk naar voren. Indien Onze Minister de in artikel 3.110,
eerste lid, genoemde termijn heeft verlengd en dat voornemen aan de
vreemdeling uitreikt, brengt de vreemdeling zijn zienswijze uiterlijk
op de dag na de uitreiking van het voornemen naar voren, tenzij een
met redenen omkleed verzoek om verlenging van deze termijn wordt
ingewilligd.
3. Indien Onze Minister het voornemen,
bedoeld in het eerste lid, na ommekomst van de in artikel 3.110,
eerste of tweede lid, genoemde termijn aan de vreemdeling uitreikt,
brengt de vreemdeling zijn zienswijze binnen een week schriftelijk
naar voren, tenzij een met redenen omkleed verzoek om verlenging van
deze termijn wordt ingewilligd. Deze termijn vangt aan met ingang van
de dag na die waarop het voornemen is uitgereikt.
4. De schriftelijke zienswijze is
tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de
termijn is ontvangen.
5. In het geval, bedoeld in het tweede
lid, worden het tijdstip van uitreiken van het voornemen en de
ontvangst van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister
vastgelegd. In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt de ontvangst
van de schriftelijke zienswijze door Onze Minister bevestigd.
6. Onze Minister houdt rekening met een
na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de
beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de
termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende zienswijze wordt
rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en
de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd.
Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van
de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar
voren kan brengen, staat niet aan het verzoek om overname in de weg,
en evenmin aan het nemen van de beschikking bij aanvaarding van het
verzoek tot overname.
Artikel 3.119
Wanneer na het uitreiken of toezenden van
het voornemen feiten of omstandigheden:
a. bekend worden, of
b. reeds bekend waren maar naar
aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden
beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van
aanmerkelijk belang kunnen zijn en Onze Minister voornemens blijft
de aanvraag af te wijzen, wordt dit aan de vreemdeling meegedeeld en
wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar
voren te brengen.
Artikel 3.120
Indien de termijn voor het geven van de
beschikking op grond van artikel 42, vierde lid, van de Wet wordt
verlengd, wordt de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis gesteld.
Bij de kennisgeving wordt aangegeven op welk moment de verlengde
beslistermijn eindigt.
Artikel 3.121
Bij ministeriele regeling worden
voorschriften gesteld omtrent:
a. het verstrekken van inlichtingen
aan de vreemdeling over de te volgen procedure, en
b. het stellen van aantekeningen in
het dossier van de vreemdeling ingeval van intrekking van diens
aanvraag.
Artikel 3.122
1. Aan de vreemdeling aan wie op grond
van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van
die wet is verleend, wordt zo spoedig mogelijk na verlening van die
verblijfsvergunning in een voor hem begrijpelijke taal informatie
verschaft over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de
verblijfsvergunning.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de
informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt verschaft.
Hoofdstuk 4. Grensbewaking, toezicht en
uitvoering
Afdeling 1. Grensbewaking
Paragraaf 1. Voorzieningen in het belang
van de grensbewaking
Artikel 4.1
1. Grensbewaking als bedoeld in artikel
46 van de Wet wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en
uitreizen van personen via een buitengrens.
2. Onder uitreizen wordt begrepen het
zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat
voor de uitreis uit Nederland bestemd is.
Artikel 4.2
1. In het belang van de grensbewaking
worden aan de buitengrenzen grensdoorlaatposten ingesteld.
2. Bij ministeriële regeling worden de
plaatsen aangewezen waar grensdoorlaatposten, al dan niet tijdelijk,
zijn gevestigd.
3. De grensdoorlaatposten worden
bediend door ambtenaren van de Koninklijke marechaussee. De in de
politieregio Rotterdam-Rijnmond gelegen grensdoorlaatposten worden
eveneens bediend door de ambtenaren van het regionale politiekorps
Rotterdam-Rijnmond.
4. Bij ministeriële regeling worden de
tijden vastgesteld gedurende welke de grensdoorlaatposten zijn
opengesteld.
Artikel 4.3 [Vervallen per 01-05-2008]
Paragraaf 2. Algemene verplichtingen in
het kader van de grensbewaking
Artikel 4.4
Benelux-onderdanen behoeven Nederland
niet in- of uit te reizen via een grensdoorlaatpost.
Artikel 4.5
1. De vreemdeling die Nederland inreist,
is verplicht desgevorderd aan een ambtenaar, belast met de
grensbewaking:
a. het in zijn bezit zijnde
document voor grensoverschrijding, de benodigde machtiging tot
voorlopig verblijf dan wel het benodigde reisvisum of
doorreisvisum te tonen en te overhandigen;
b. inlichtingen te verstrekken over
het doel en de duur van zijn voorgenomen verblijf in Nederland;
c. aan te tonen over welke middelen
hij met het oog op de toegang tot Nederland beschikt of kan
beschikken.
2. Het eerste lid, onder a, is van
overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die Nederland uitreist
via een buitengrens.
3. Het eerste lid, onder b en c, is
niet van toepassing op de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft
als bedoeld in artikel 8, onder e, dan wel l, van de Wet, het
familielid, bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde lid, en de
vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, vierde lid.
Artikel 4.6
Een ieder die zich op of nabij een plaats
bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de
aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van
de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.
Artikel 4.7
De Nederlander die Nederland in- of
uitreist, toont en overhandigt, desgevorderd, aan een ambtenaar, belast
met de grensbewaking, het in zijn bezit zijnde reis- of
identiteitspapier of maakt zo nodig op andere wijze zijn
Nederlanderschap aannemelijk.
Artikel 4.8
De bestuurder van een voertuig geeft
eigener beweging aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, kennis
van de aanwezigheid in zijn voertuig van vreemdelingen ten aanzien van
wie hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij niet voldoen aan de
bij de Schengengrenscode of de bij of krachtens de Wet vastgestelde
verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn
onderworpen.
Paragraaf 3. Verplichtingen met het oog
op grensbewaking bij binnenkomst over zee
Artikel 4.9
De gezagvoerder van een schip verleent,
desgevorderd, de medewerking aan een ambtenaar, belast met de
grensbewaking, welke nodig is om deze ambtenaar in staat te stellen de
door hem op grond van de Schengengrenscode uit te oefenen grenscontrole
uit te voeren. Deze medewerking bestaat uit:
a. het op een daartoe gegeven teken
zodanig vaart verminderen en het zodanig op of bijdraaien van zijn
schip, dat een dienstvaartuig behoorlijk langszij kan komen;
b. het toelaten van ambtenaren,
belast met de grensbewaking, aan boord van zijn schip;
c. het op vordering van een
ambtenaar, belast met de grensbewaking, tot stilstand brengen of
aanleggen van zijn schip.
Artikel 4.10
Artikel 4.8 is van overeenkomstige
toepassing op gezagvoerders van andere schepen dan zeeschepen.
Artikel 4.11
1. De op grond van bijlage VI, onder
3.1.2, van de Schengengrenscode te verstrekken bemanningslijst en
passagierslijst, worden bij het binnenvaren van Nederland onmiddellijk
verstrekt aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. Bij
ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld van de in
bijlage VI, onder 3.1.2, van de Schengengrenscode bedoelde
bemanningslijst en passagierslijst.
2. De in bijlage VI, onder 3.1.2, van
de Schengengrenscode bedoelde grensdoorlaatposten waar de kopie van de
bemanningslijst of, in voorkomend geval, de passagierslijst kan worden
afgegeven, zijn:
a. de grensdoorlaatpost ter plaatse
waar het schip voor het eerst ligplaats neemt;
b. voor schepen die bestemd zijn om
rechtstreeks ligplaats te nemen in een gemeente, waar geen
grensdoorlaatpost is gevestigd:
1°. één van de
doorlaatposten Hoek van Holland-haven, Rotterdam-havens
(ambulant), Dordrecht-haven of Moerdijk, indien Nederland over
de Nieuwe Waterweg wordt binnengevaren;
2°. de Beneluxdoorlaatpost
Gent-Terneuzen (ambulant), indien de kanaalzone Gent-Terneuzen
wordt bevaren en het schepen betreft die niet, of anders dan
rechtstreeks, uit open zee naar België varen;
3°. de eerste
grensdoorlaatpost na binnenkomst, gelegen aan de waterweg
waardoor het schip vaart, in alle overige gevallen.
Artikel 4.12
De in bijlage VI, onder 3.1.4, van de
Schengengrenscode bedoelde bevoegde autoriteit aan wie onverwijld alle
wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of de
passagiers wordt doorgegeven, is het hoofd van de grensdoorlaatpost in
de gemeente waar het schip zich bevindt of, indien in die gemeente geen
grensdoorlaatpost is gevestigd, aan het hoofd van de grensdoorlaatpost
via welke hij Nederland is binnengekomen.
Artikel 4.13
1. De in bijlage VI, onder 3.1.5, van
de Schengengrenscode bedoelde kennisgeving van afvaart wordt gedaan
aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waarlangs hij zal vertrekken.
Indien in de gemeente waar het schip ligplaats heeft geen
grensdoorlaatpost is gevestigd, wordt de kennisgeving gedaan aan het
hoofd van de grensdoorlaatpost waaraan de bemanningslijst
overeenkomstig artikel 4.11, tweede lid, is afgegeven.
2. De in bijlage VI, onder 3.1.5, van
de Schengengrenscode bedoelde kennisgeving wordt gedaan:
a. ten hoogste zes en ten minste
drie uur vóór het daadwerkelijke vertrek van het schip;
b. indien het schip zich korter dan
drie uur bevindt op de plaats waar de kennisgeving moet
geschieden, op een zodanig tijdstip dat de met de bediening van de
grensdoorlaatpost belaste ambtenaar in staat is de door hem uit te
oefenen personencontrole uit te voeren.
Artikel 4.14
De artikelen 4.11 tot en met 4.13, gelden
niet voor gezagvoerders van zeeschepen die, zonder ligplaats in een
Nederlandse haven te nemen, door de Nederlandse territoriale zee varen.
Paragraaf 4. Verplichtingen met het oog
op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
Artikel 4.15
1. De gezagvoerder van een vliegtuig
verstrekt in tweevoud aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking,
de in bijlage VI, onder 2.3.1, van de Schengengrenscode bedoelde
algemene verklaring en de in bijlage VII, onder 2.1, van de
Schengengrenscode bedoelde gegevens over de bemanning.
2. Bij ministeriële regeling wordt het
model van de bemannings- en passagierslijst aangewezen.
Artikel 4.16
De vordering aan de gezagvoerder van een
luchtvaartuig, bedoeld in artikel 51, derde lid, van de Wet, wordt
gedaan door tussenkomst van de luchtverkeersleiding.
Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden
van ambtenaren
Artikel 4.17
1. De korpschef verstrekt periodiek ten
minste de volgende gegevens aan Onze Minister:
a. gegevens over de wijze van
behandeling van aanvragen betreffende een verblijfsvergunning;
b. gegevens over het aantal en
soort van de verleende verblijfsvergunningen;
c. gegevens over de uitzetting van
vreemdelingen, en
d. gegevens over de uitvoering van
het toezicht op vreemdelingen.
2. De bevelhebber van de Koninklijke
marechaussee en, voorzover van toepassing, de korpschef van het
regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond verstrekken periodiek ten
minste de volgende inlichtingen aan Onze Minister:
a. gegevens over de
toegangsweigering;
b. gegevens over de controle op de
zorgplicht van vervoerders;
c. gegevens over de uitzetting van
vreemdelingen, en
d. gegevens over de uitvoering van
het toezicht op vreemdelingen.
Artikel 4.17a
1. De bevoegdheid, bedoeld in artikel
50, eerste lid, van de Wet, om ter bestrijding van illegaal verblijf
na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van
hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, wordt
uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen:
a. op luchthavens bij de aankomst
van vluchten vanuit het Schengengebied;
b. in treinen gedurende ten hoogste
dertig minuten na het passeren van de gemeenschappelijke landgrens
met België of Duitsland of, als binnen deze periode het tweede
station na het passeren van de grens nog niet is bereikt, tot
uiterlijk het tweede station na het passeren van de grens;
c. op wegen en vaarwegen in een
gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens
met België of Duitsland.
2. Het toezicht, bedoeld in het eerste
lid, wordt uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens
over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan
daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het
verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf.
3. Het toezicht, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, wordt ten hoogste zeven keer per week uitgevoerd ten
aanzien van vluchten op eenzelfde vliegroute, met een maximum van
eenderde van het totale aantal geplande vluchten per maand op die
vliegroute. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van
de passagiers op een vlucht staande gehouden.
4. Het toezicht, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, wordt per dag in ten hoogste twee treinen per
traject en ten hoogste acht treinen in totaal uitgevoerd, en per trein
in ten hoogste twee treincoupés.
5. Het toezicht, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, wordt op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste
negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In
het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende
vervoermiddelen stilgehouden.
Artikel 4.18
1. Aan de vreemdeling die met
toepassing van artikel 50, tweede of derde lid, van de Wet is
overgebracht naar een plaats, bestemd voor verhoor, wordt tijdig
mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het
verhoor te doen bijstaan door een raadsman.
2. De in het eerste lid bedoelde
vreemdeling wordt niet verder beperkt in de uitoefening van
grondrechten, dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de
handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van
tenuitvoerlegging.
Artikel 4.19
1. Een beslissing van de bevelhebber
van de Koninklijke marechaussee of de korpschef, genomen krachtens
artikel 50, vierde lid, van de Wet, wordt ten uitvoer gelegd in een
cel van de Koninklijke marechaussee respectievelijk op een
politiebureau. De Regeling politiecellencomplex is van overeenkomstige
toepassing op de tenuitvoerlegging van de beslissing in een cel van de
Koninklijke marechaussee.
2. De artikelen 5.3 en 5.5 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.20
Indien de bevelhebber van de Koninklijke
marechaussee of de korpschef zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 50,
vierde lid, van de Wet mandateert doet hij dat niet dan aan een
ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens
hulpofficier van justitie is.
Artikel 4.21
1. Als documenten in de zin van artikel
50, eerste lid, laatste volzin, van de Wet, worden aangewezen:
a. voor vreemdelingen die
rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met
d, van de Wet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt
document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld
bij ministeriële regeling;
b. voor vreemdelingen die
rechtmatig verblijven als bedoeld in artikel 8 onder e, van de
Wet: een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart,
indien zij de nationaliteit van een staat bezitten als bedoeld in
artikel 8.7, eerste lid, of, indien zij een zodanige nationaliteit
niet bezitten:
1°. een geldig nationaal
paspoort met een voor inreis benodigd visum, indien na inreis
nog geen drie maanden zijn verstreken;
2°. een geldig nationaal
paspoort met een stempel van de inreis, indien voor inreis
geen visum benodigd is en na inreis nog geen drie maanden zijn
verstreken;
3°. een geldig nationaal
paspoort met een door de bevoegde autoriteiten afgegeven
verklaring als bedoeld in artikel 8.13, vierde lid, indien na
afgifte van de verklaring nog geen zes maanden zijn
verstreken; of
4°. een door de bevoegde
autoriteiten afgegeven verblijfsdocument als bedoeld in
artikel 8.13, vijfde lid, dan wel artikel 8.20, eerste lid;
c. voor vreemdelingen die een
aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd, bedoeld in artikel 28 van de Wet, hebben ingediend: een
vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit zulks
blijkt en waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële
regeling;
d. voor vreemdelingen, anders dan
bedoeld onder c, die rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8,
onder f, g, h, j, k, of m, van de Wet hebben en die niet
beschikken over een ingevolge de Wet vereist geldig document voor
grensoverschrijding: een vanwege de bevoegde autoriteiten
verstrekt document, waarvan het model wordt vastgesteld bij
ministeriële regeling, dat is voorzien van een inlegvel als
bedoeld in artikel 4.29, derde lid, waarop de verblijfsrechtelijke
positie is aangetekend;
e. voor andere vreemdelingen: een
ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot Nederland vereist
geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor
grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend of
waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is
geplaatst.
2. Geen document, anders dan bedoeld in
het eerste lid, onder a of b, wordt verstrekt aan kinderen beneden de
leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze
Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een
document te worden gesteld.
3. Op het ingevolge het eerste lid,
onder a tot en met d, afgegeven document wordt aangetekend of het de
vreemdeling toegestaan is arbeid te verrichten en of voor deze arbeid
ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning is
vereist.
4. Indien aan het verblijf in Nederland
van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde vreemdelingen een
beperking als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, is verbonden, wordt
op het document de aantekening «beroep op de publieke middelen kan
gevolgen hebben voor verblijfsrecht» gesteld.
Artikel 4.22
1. De documenten, bedoeld in artikel
4.21, eerste lid, onder a tot en met d, worden door Onze Minister
vervangen, indien:
a. de vreemdeling aan wie het
document werd afgegeven, overeenkomstig artikel 4.44 aangifte
heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie
ondeugdelijk worden van dat document, en
b. Onze Minister heeft vastgesteld
dat er gegronde redenen zijn om te veronderstellen dat de aangifte
naar waarheid is gedaan.
2. Onverminderd het eerste lid worden
de documenten, bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder a, telkens
vijf jaren na de afgifte ervan, vervangen.
Artikel 4.23
1. De ambtenaren belast met de
grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op
vreemdelingen, nemen op grond van artikel 52, eerste lid, van de Wet
het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring:
a. voorzover zulks nodig is voor
het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in artikel 4.45, of voor
het stellen van een aantekening als bedoeld in artikel 4.24 tot en
met artikel 4.35;
b. indien de persoon ter
vaststelling van zijn identiteit is staande gehouden en niet
aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in Nederland te
verblijven, terwijl de gelegenheid ontbreekt hem, met toepassing
van artikel 50, tweede of derde lid, van de Wet naar een plaats,
bestemd voor verhoor, over te brengen;
c. gedurende de tijd dat de persoon
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, of
d. voorzover zulks nodig is met het
oog op de uitzetting of de overgave aan de buitenlandse
grensautoriteiten als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de
Wet.
2. In het geval, bedoeld in het eerste
lid, onder b, wordt het reis- of identiteitspapier aan de persoon
teruggegeven, indien hij aan de korpschef of de bevelhebber van de
Koninklijke marechaussee de gegevens heeft verstrekt die deze in het
belang van de toepassing van de Wet vraagt, tenzij er uit anderen
hoofde gronden aanwezig zijn om het document in bewaring te houden.
Artikel 4.24
1. Naast het plaatsen van de in artikel
10 en bijlage IV van de Schengengrenscode bedoelde inreis- en
uitreisstempel, kunnen ambtenaren belast met de grensbewaking, op
grond van artikel 52, eerste lid, van de Wet, in het reis- of
identiteitspapier van de vreemdeling aantekeningen stellen omtrent:
a. inreis in Nederland;
b. het doel en de duur van het
voorgenomen verblijf in Nederland;
c. de middelen waarover de
vreemdeling met het oog op de toegang tot Nederland beschikt of
kan beschikken;
d. aanmelding bij een korpschef;
e. de toepassing van artikel 2.4;
f. het weigeren van toegang tot
Nederland;
g. vertrek of uitzetting uit
Nederland, of
h. uitreis uit Nederland.
2. Elke doorhaling of
vervallenverklaring van een in een reis- of identiteitspapier van een
vreemdeling gestelde aantekening, wordt door de ambtenaar die de
doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens
paraaf voorzien.
Artikel 4.25
1. De ambtenaren belast met de
grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van de
vreemdeling die toegang tot Nederland heeft en die Nederland langs een
doorlaatpost in- of uitreist een aantekening als bedoeld in artikel
4.24, eerste lid, onder a en h, waaruit blijkt langs welke
doorlaatpost en op welke datum de in- of uitreis heeft plaatsgevonden.
2. Bij de aantekening, welke ingevolge
het eerste lid wordt gesteld in het reis- of identiteitspapier van een
vreemdeling die Nederland inreist, wordt vermeld het aantal in
gezelschap van de houder van dat document reizende vreemdelingen dat
daarin is opgenomen of staat bijgeschreven. Bij inreis in Nederland
van een vreemdeling, reizende in groepsverband op een collectief
paspoort of op een collectieve lijst, worden de namen van de in het
document opgenomen vreemdelingen die zich niet bij het gezelschap
bevinden of aan wie de toegang tot Nederland wordt geweigerd, door de
ambtenaar, belast met de grensbewaking, doorgehaald.
Artikel 4.26
De ambtenaren belast met de
grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een
vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 4.24, eerste lid,
onder d, inhoudende dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de
korpschef, onder vermelding van de plaats, moet melden, indien daartoe
naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking in het
belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat. Deze
aantekening kan ook geplaatst worden in een bijzonder doorlaatbewijs.
Artikel 4.27
1. De ambtenaren belast met de
grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een
vreemdeling een aantekening als bedoeld inartikel 4.24, eerste lid,
onder f, indien zij vermoeden dat de vreemdeling andermaal zal
trachten Nederland in te reizen zonder te voldoen aan de vereisten
voor toegang, bedoeld in artikel 5 van de Schengengrenscode of artikel
3 van de Wet.
2. Uit de aantekening, bedoeld in het
eerste lid, blijkt dat de toegang is geweigerd, met vermelding van de
datum en zo nodig de grond waarop deze weigering berust.
Artikel 4.28
1. De ambtenaren belast met de
grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een
vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 4.24, eerste lid,
onder g, indien zij vermoeden dat de vreemdeling zal trachten zich
andermaal naar Nederland te begeven zonder te voldoen aan de vereisten
voor toegang tot Nederland. Een zodanige aantekening wordt niet
gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de
vreemdeling door of diens toegang tot een derde land daardoor wordt
bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening, bedoeld in het
eerste lid, blijkt het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling,
met vermelding van de datum en zo nodig de reden van het vertrek of de
uitzetting.
Artikel 4.29
1. De ambtenaren belast met het
toezicht op vreemdelingen, stellen in het reis- en identiteitspapier
van een vreemdeling aantekeningen omtrent:
a. aanmelding of vervoeging bij een
korpschef;
b. de woon- of verblijfplaats
binnen Nederland en vertrek naar het buitenland;
c. het verlenen, het verlengen van
de geldigheidsduur of het intrekken van een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd;
d. het verlenen of het intrekken
van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
e. het opleggen van een individuele
verplichting tot periodieke aanmelding overeenkomstig artikel 54,
tweede lid, van de Wet;
f. het beperken van de vrijheid van
beweging overeenkomstig artikel 56 van de Wet;
g. vertrek of uitzetting uit
Nederland;
h. ongewenstverklaring;
i. de datum en plaats van inreis in
Nederland, en
j. het inreisverbod.
2. Elke doorhaling of
vervallenverklaring van een in het reis- of identiteitspapier van een
vreemdeling gestelde aantekening wordt door de ambtenaar die de
doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens
paraaf voorzien.
3. In afwijking van het eerste lid,
wordt een aantekening op een aan de vreemdeling te verstrekken
afzonderlijk inlegblad gesteld, indien:
a. het reis- of identiteitspapier
van de vreemdeling zich niet voor het stellen van een zodanige
aantekening leent;
b. de vreemdeling houder is van een
buitenlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort;
c. de vreemdeling in Nederland
rechtmatig verblijft als bedoeld in artikel 8, onder f, van de Wet
indien de vreemdeling een aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 of 20 van de Wet heeft
ingediend en, naar het oordeel van de korpschef, termen aanwezig
zijn de aanvraag af te wijzen;
d. de vreemdeling geen geldig
document voor grensoverschrijding heeft, of
e. de vreemdeling houder is van een
document als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, onder a, b, c of
d, en niet in het bezit is van een geldig document voor
grensoverschrijding.
Artikel 4.30
1. De aantekeningen, bedoeld in artikel
4.29, eerste lid, onder a, hebben betrekking op de aanmelding
ingevolge de artikelen 4.47 tot en met 4.51.
2. Uit de aantekening blijkt de datum
van aanmelding.
3. Uit de aantekening blijkt of het de
vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid
ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning
vereist is.
4. Indien het betreft een vreemdeling
die naar Nederland is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord
van een zeeschip kan de aantekening worden aangevuld met een zinsnede
waaruit zulks blijkt en wordt een uiterlijke datum van verblijf
opgenomen.
Artikel 4.31
1. De aantekening, bedoeld in artikel
4.29, eerste lid, onder g, wordt gesteld indien op grond van artikel
3.1 uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. De datum waarop
de aanvraag is ontvangen wordt eveneens aangetekend. Indien de
aanvraag wordt afgewezen, wordt «vervallen» aangetekend.
2. Uit de aantekening blijkt of het de
vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid
ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning
vereist is.
Artikel 4.32
1. Uit de aantekening, bedoeld in
artikel 4.29, eerste lid, onder b, blijkt op welke datum de
vreemdeling is veranderd van woon- of verblijfplaats binnen Nederland.
2. De aantekening, bedoeld in het
eerste lid, wordt door de korpschef van het regionale politiekorps
waarin de nieuwe woon- of verblijfplaats is gelegen, gesteld.
Artikel 4.33
1. Uit de aantekening, bedoeld in
artikel 4.29, eerste lid, onder e, blijkt de verplichte periode van
aanmelding overeenkomstig artikel 54, tweede lid, van de Wet alsmede
eventuele verdere bijzonderheden.
2. Nadat de vreemdeling voor de eerste
maal heeft voldaan aan de verplichting tot periodieke aanmelding
ingevolge artikel 4.51, kunnen de daarop volgende aanmeldingen worden
aangetekend door in het reis- of identiteitspapier de datum van de
aanmelding te stellen.
3. Uit de aantekening, bedoeld in het
eerste en tweede lid, blijkt of het de vreemdeling is toegestaan
arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wet arbeid
vreemdelingen een tewerkstellingsvergunning vereist is.
Artikel 4.34
1. De aantekeningen, bedoeld in artikel
4.29, eerste lid, onder g, betreffen:
a. een aantekening waaruit de
uiterlijke datum van vertrek blijkt, indien aan de vreemdeling
overeenkomstig artikel 62 van de Wet een termijn is gegund
waarbinnen hij Nederland uit eigen beweging dient te verlaten;
b. een aantekening waaruit blijkt
tot welke datum uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft
ingevolge artikel 64 van de Wet;
c. een aantekening waaruit de datum
van indienen van een bezwaarschrift blijkt, indien de uitzetting
achterwege blijft hangende een beslissing op een door de
vreemdeling ingediend bezwaar, eventueel met doorhaling van de
aantekening, bedoeld onder a;
d. een aantekening omtrent
uitzetting, indien naar het oordeel van de korpschef of de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee gegronde reden bestaat
om te vermoeden dat de vreemdeling zal trachten naar Nederland
terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot
Nederland.
2. Bij een aantekening als bedoeld in
het eerste lid, onder b, wordt tevens gesteld dat arbeid niet is
toegestaan.
3. De aantekening, bedoeld in het
eerste lid, onder d, wordt niet gesteld, indien het vertrek, de
uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating
tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
Artikel 4.35
1. De aantekening, bedoeld in artikel
4.29, eerste lid, onder h, wordt geplaatst, indien de korpschef of de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de
vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te
voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening
wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis
van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land
daardoor wordt bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening blijkt de datum
waarop de vreemdeling ongewenst is verklaard.
Artikel 4.35a
1. De aantekening, bedoeld in artikel
4.29, eerste lid, onder j, wordt geplaatst, indien de korpschef of de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de
vreemdeling zal trachten naar Nederland terug te keren zonder te
voldoen aan de vereisten voor toegang tot Nederland. De aantekening
wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis
van de vreemdeling door, of diens toegang tot een derde land, niet
zijnde een andere staat als bedoeld in artikel 1.3, daardoor wordt
bemoeilijkt.
2. Uit de aantekening blijken de duur
van het inreisverbod en de datum waarop het is uitgevaardigd.
Artikel 4.36
Bij ministeriële regeling kunnen
modellen van de aantekeningen, bedoeld in deze afdeling, worden
vastgesteld.
Afdeling 3. Verplichtingen in het kader
van toezicht
Paragraaf 1. Kennisgeving van verandering
van woon- of verblijfplaats en vertrek naar het buitenland
Artikel 4.37
1. De vreemdeling die rechtmatig
verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met h, van de Wet,
is verplicht om in geval van:
a. verandering van adres binnen de
gemeente waar de vreemdeling woont of verblijft, hiervan binnen
vijf dagen kennis te geven aan de korpschef van het regionale
politiekorps waarin de gemeente is gelegen;
b. verandering van woon- of
verblijfplaats binnen Nederland, zo mogelijk onder opgave van het
nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de
korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is
gelegen van waaruit de vreemdeling vertrekt;
c. verandering van woon- of
verblijfplaats binnen Nederland, onder opgave van het nieuwe
adres, hiervan binnen vijf dagen na aankomst in de nieuwe woon- of
verblijfplaats in persoon kennis te geven aan de korpschef van het
regionale politiekorps waarin de nieuwe woon- of verblijfsplaats
is gelegen;
d. vertrek naar het buitenland, zo
mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het
vertrek kennis te geven aan de korpschef van het regionale
politiekorps waarin de gemeente waaruit de vreemdeling vertrekt is
gelegen.
2. De in het eerste lid, onder a en c,
bedoelde kennisgeving blijft achterwege indien de vreemdeling als
ingezetene is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens van de nieuwe woonplaats.
3. De vreemdeling die niet rechtmatig
verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met h, van de Wet,
geeft kennis van verandering van woon- of verblijfplaats binnen
Nederland als bedoeld in het eerste lid, onder b, indien Onze Minister
dat vordert.
4. De in het eerste en derde lid
omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de
leeftijd van twaalf jaar op de wettelijke vertegenwoordiger. Voor
kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook
worden voldaan door de wettelijke vertegenwoordiger.
5. De in het eerste en derde lid
omschreven verplichtingen rusten niet op de onderdaan van een staat
die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese
Unie, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de
onderdaan van Zwitserland met verblijfsrecht van maximaal drie maanden
als bedoeld in artikel 8.11.
6. Van vertrek naar het buitenland
wordt geen kennis gegeven door de vreemdeling die rechtmatig verblijft
als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, van de Wet, indien de
vreemdeling zijn hoofdverblijf niet naar het buitenland verplaatst.
Paragraaf 2. Het verstrekken van gegevens
Artikel 4.38
1. De vreemdeling verstrekt op
vordering van Onze Minister de gegevens, bedoeld in de artikelen 4.39
tot en met 4.44, binnen de in de vordering aangegeven tijd.
2. Indien daartoe in het belang van het
toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat kan de in het
voorgaande lid bedoelde vordering inhouden dat de vreemdeling de
gegevens in persoon verstrekt.
3. In het belang van de
vreemdelingenregistratie kan een vordering als bedoeld in het eerste
lid bij algemene bekendmaking worden gedaan.
4. Indien de vreemdeling jonger is dan
twaalf jaar, dan kan de vordering, bedoeld in het eerste tot en met
derde lid, worden gericht tot de wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 4.39
De vreemdeling die geen rechtmatig
verblijf heeft, doet onmiddellijk van zijn aanwezigheid in persoon
mededeling aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de
gemeente waar hij verblijft is gelegen.
Artikel 4.40
Personen die nachtverblijf verschaffen
aan een vreemdeling, van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen
vermoeden dat deze vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft
als bedoeld in artikel 8 van de Wet, doen daarvan onmiddellijk
mededeling aan de korpschef van het regionale politiekorps waarin de
gemeente waar de vreemdeling verblijft is gelegen.
Artikel 4.41
Werkgevers, van wie bij Onze Minister
bekend is dat zij een vreemdeling in dienst hebben gehad die niet
rechtmatig verbleef of aan wie het niet was toegestaan arbeid te
verrichten, verstrekken aan Onze Minister, op diens vordering,
onmiddellijk de gegevens omtrent de vreemdeling die bij hen
tewerkgesteld wordt, in dienst is of in dienst is geweest. Onze Minister
kan een termijn stellen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.
Artikel 4.42
1. De vreemdeling die rechtmatig
verblijft als bedoeld in artikel 8, onder i, van de Wet en die arbeid
gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, deelt dit onmiddellijk mee aan
de korpschef van het regionale politiekorps, waarin de gemeente waar
de vreemdeling verblijft is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op de vreemdeling die:
a. houder is van een geldige
machtiging tot voorlopig verblijf afgegeven voor een verblijfsdoel
waarbij het verrichten van arbeid is toegestaan;
b. kan aantonen dat hij naar
Nederland is gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende ten
hoogste drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn
binnenkomst, of
c. naar Nederland is gekomen om aan
te monsteren of als zeeman werk te zoeken aan boord van een
zeeschip.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing indien de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het
verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van
seksuele diensten aan derden, tenzij de vreemdeling
gemeenschapsonderdaan is.
Artikel 4.43
1. De vreemdeling die rechtmatig
verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet en die niet
langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is
verleend, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef van het
regionale politiekorps waarin de gemeente waar de vreemdeling
verblijft is gelegen.
2. Onverminderd het eerste lid, stelt
de houder van de door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart,
voor zover deze nog geen drie jaar als houder van die kaart in
Nederland verblijft, Onze Minister vooraf in kennis van zijn voornemen
om een arbeidsovereenkomst te sluiten met een andere werkgever. Hij
stelt Onze Minister zo mogelijk vooraf in kennis van zijn werkloosheid
en van andere wijzigingen die van belang kunnen zijn voor de
intrekking van de Europese blauwe kaart.
Artikel 4.44
De vreemdeling die rechtmatig verblijft
als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet en
wiens document, bedoeld in artikel 9 van de Wet, waaruit het rechtmatig
verblijf blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is
geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon
aangifte bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de
gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft is gelegen.
Artikel 4.44a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De referent die weet of
redelijkerwijs kan vermoeden dat de vreemdeling, wiens referent hij
is, niet langer voldoet aan de beperking waaronder de
verblijfsvergunning is verleend, doet hiervan binnen vier weken
mededeling aan Onze Minister.
2. De referent doet binnen vier weken
mededeling aan Onze Minister van de beëindiging van diens aan het
referentschap ten grondslag liggende relatie tot de vreemdeling.
3. Bij regeling van Onze Minister
worden regels gesteld omtrent de door de referent te verstrekken
gegevens betreffende:
a. de vreemdeling wiens referent
hij is of is geweest;
b. de nakoming van zijn
verplichtingen als referent, en
c. zijn positie als referent,
en kan ten aanzien van de referent
worden voorzien in een verplichting tot jaarlijkse bevestiging of
correctie van de gegevens die bij Onze Minister blijkens diens opgaaf
bekend zijn.
4. In het belang van het toezicht op
vreemdelingen of het toezicht op referenten kan Onze Minister of de
ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met het toezicht
op referenten bepalen dat de referent de gegevens in persoon
verstrekt.
Artikel 4.44b [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De houder van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van
de Wet, ten behoeve van wiens verblijf geen referent optreedt,
verstrekt Onze Minister gegevens die van belang zijn voor de
toepassing van de wet.
2. In het belang van het toezicht op
vreemdelingen kan Onze Minister of de ambtenaar belast met het
toezicht op vreemdelingen bepalen dat de vreemdeling de gegevens in
persoon verstrekt.
3. Bij regeling van Onze Minister
worden nadere regels worden gesteld omtrent het eerste lid.
Paragraaf 3. Medewerking aan vastleggen
van gegevens met het oog op identificatie
Artikel 4.45
De medewerking van de vreemdeling,
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onderdeel c, van de Wet, bestaat uit:
a. het op vordering van een ambtenaar
belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht
op vreemdelingen, beschikbaar stellen van een goedgelijkende
pasfoto, en
b. het zich laten fotograferen en het
laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel
van de ambtenaar, belast met de grensbewaking of een ambtenaar
belast met het toezicht op vreemdelingen, gegronde reden bestaat.
Paragraaf 4. Medisch onderzoek
Artikel 4.46
1. De vreemdeling die naar Nederland is
gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, werkt op grond
van artikel 54, eerste lid, onderdeel d, van de Wet mee aan een
onderzoek naar tuberculose.
2. Het eerste lid geldt niet voor
onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie, onderdanen van een staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte,
Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw Zeeland, Suriname,
de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland.
Het eerste lid is evenmin van
toepassing op familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde
en vierde lid, die voor hun komst naar Nederland reeds rechtmatig
verblijf hebben verkregen in een andere staat die partij is bij het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte dan wel Zwitserland en die
zich vanuit die staat dan wel Zwitserland naar Nederland verplaatsen.
Paragraaf 5. Aanmelding na binnenkomst in
Nederland
Artikel 4.47
1. De vreemdeling die rechtmatig
verblijft als bedoeld in artikel 8, onder i, van de Wet en die naar
Nederland is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden,
meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon
aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente
is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft.
2. Voor de berekening van de in het
eerste lid bedoelde termijn van drie maanden wordt eerder verblijf in
Nederland binnen een tijdvak van zes maanden, onmiddellijk
voorafgaande aan de binnenkomst, mede in aanmerking genomen.
3. Indien de vreemdeling jonger is dan
twaalf jaar, doet degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft de
melding.
Artikel 4.48
1. De vreemdeling die rechtmatig
verblijft als bedoeld in artikel 8, onder i, van de Wet en die naar
Nederland is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden,
meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon
aan bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente
is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft.
2. Een verplichting tot aanmelding
krachtens het voorgaande lid rust ten aanzien van de vreemdeling
beneden de leeftijd van twaalf jaar op degene bij wie de vreemdeling
woont of verblijft.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in
een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of
krachtens gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe
aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van
nachtverblijf aan personen.
Artikel 4.49
1. De vreemdeling die houder is van een
visum of een document voor grensoverschrijding waarin door de daartoe
bevoegde autoriteit een aantekening is gesteld omtrent aanmelding bij
een vreemdelingendienst in Nederland, meldt zich binnen drie dagen na
binnenkomst in Nederland in persoon aan bij de korpschef van het
regionale politiekorps waarin de in deze aantekening vermelde gemeente
is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van
Zwitserland.
Artikel 4.50
1. De vreemdeling die naar Nederland is
gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, meldt
zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan bij
de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar
hij werk zoekt is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van
Zwitserland.
Paragraaf 6. Periodieke aanmelding
Artikel 4.51
1. Tot periodieke aanmelding als
bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder f, van de Wet, bij de
korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente van
verblijf is gelegen, is verplicht de vreemdeling die:
a. geen rechtmatig verblijf heeft
en in afwachting is van de feitelijke mogelijkheid tot vertrek of
uitzetting, of
b. rechtmatig verblijft als bedoeld
in artikel 8, onder f, g of h, van de Wet.
2. De vreemdeling, bedoeld in het
eerste lid, meldt zich wekelijks, tenzij Onze Minister een andere
termijn stelt, dan wel ontheffing verleent.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing, indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
4. Het eerste lid is niet van
toepassing op onderdanen van een staat die partij is bij het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte en op onderdanen van
Zwitserland.
Paragraaf 7. Documenten en het stellen
van zekerheid
Artikel 4.52
1. De vreemdeling levert het document,
bedoeld in artikel 9 van de Wet, in ieder geval in persoon in bij de
korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente van
verblijf is gelegen:
a. zodra hij niet meer rechtmatig
verblijft, doch uiterlijk op het moment waarop de vertrektermijn,
bedoeld in artikel 62 van de Wet, verstrijkt, en
b. vóór zijn vertrek naar het
buitenland, indien hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland
verplaatst.
2. De persoon die het Nederlanderschap
heeft verkregen levert het document, bedoeld in artikel 9 van de Wet,
in bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente
waar hij zijn woon- of verblijfsplaats heeft is gelegen.
Artikel 4.52a
1. De ambtenaar belast met de
grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen kan van de vreemdeling
die Nederland ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wet uit eigen
beweging binnen vier weken moet verlaten zekerheid verlangen, teneinde
het risico te beperken dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het
toezicht.
2. De zekerheid, bedoeld in het eerste
lid, kan ook worden verlangd in geval van uitstel van vertrek of
uitzetting:
a. op grond dat het vertrek of de
uitzetting in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement;
b. zolang de vreemdeling rechtmatig
verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder h of j, van de Wet;
of
c. wegens technische redenen, zoals
het ontbreken van vervoermiddelen of het mislukken van het vertrek
of de uitzetting wegens onvoldoende identificatie.
3. De zekerheid, bedoeld in het eerste
lid, kan bestaan uit:
a. de overlegging van een reis- of
identiteitsdocument;
b. de overlegging van een
passagebiljet;
c. het deponeren van een
waarborgsom;
d. een verklaring van een solvabele
derde die zich voor de kosten garant stelt;
e. de overlegging van bewijs van
het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten met inbegrip van
opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische
inrichting.
3. Het model van de garantverklaring
wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 4.52b
1. De waarborgsom, bedoeld in artikel
4.52a, derde lid, onder c, wordt door Onze Minister in ieder geval aan
de rechthebbende teruggegeven:
a. zodra de vreemdeling, bedoeld in
artikel 4.52a, eerste lid, binnen de voor hem geldende
vertrektermijn uit eigen beweging Nederland heeft verlaten zonder
zich tussentijds aan het toezicht te hebben onttrokken; dan wel
b. zodra de vreemdeling na uitstel
van het vertrek of de uitzetting, bedoeld inartikel 4.52a, tweede
lid, Nederland heeft verlaten of is uitgezet zonder zich
tussentijds aan het toezicht te hebben onttrokken.
2. Onze Minister berekent rente over de
waarborgsommen, gedeponeerd krachtensartikel 4.52a, derde lid, onder
c. Artikel 3.9, tweede lid, en artikel 3.10, tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. De waarborgsom wordt teruggegeven en
de rente wordt uitbetaald zo spoedig mogelijk nadat één van de in
het eerste lid genoemde gronden zich voordoet.
Paragraaf 8. Administratieplichten
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
Artikel 4.53 [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. De referent voert overeenkomstig bij
regeling van Onze Minister gestelde regels een administratie met
gegevens met betrekking tot:
a. de vreemdeling wiens referent
hij is of was;
b. de nakoming van zijn
verplichtingen als referent, en
c. zijn positie als referent.
2. In de administratie, bedoeld in het
eerste lid, worden in ieder geval opgenomen:
a. een kopie van het geldig
document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, tenzij Onze
Minister overeenkomstig artikel 3.72 heeft geoordeeld dat die
vreemdeling niet in het bezit kan worden gesteld van een dergelijk
document;
b. gegevens waaruit blijkt dat de
referent tijdig en volledig heeft voldaan aan zijn verplichtingen
op grond van de artikelen 2a, tweede lid, onder b, 24a, eerste
lid, onder a en tweede lid, en 54, tweede lid, onder a, van de
Wet;
c. de bij regeling van Onze
Minister genoemde gegevens.
3. Voor zover zulks noodzakelijk is
voor de naleving van diens informatieplicht en administratieplicht, en
de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor niet
onevenredig wordt geschaad, verlangt de referent van de vreemdeling
opgave van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het
bepaalde bij of krachtens de Wet en verstrekt de vreemdeling die
gegevens.
4. De referent verstrekt Onze Minister
of de ambtenaar belast met het toezicht op referenten overeenkomstig
door Onze Minister te stellen regels gegevens uit de administratie.
Gedurende vijf jaar na beëindiging van het referentschap bewaart de
gewezen referent de administratie en verstrekt hij op verzoek van de
ambtenaar belast met het toezicht op referenten daaruit de gegevens en
bescheiden, welke van belang zijn voor het toezicht op referenten.
Hoofdstuk 5. Vrijheidsbeperkende en
vrijheidsontnemende maatregelen
Paragraaf 1. Vrijheidsbeperkende
maatregelen
Artikel 5.1
1. De maatregel van beperking van
vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Wet
kan bestaan uit:
a. een verplichting zich bij
verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te
bevinden, of
b. een verplichting zich te houden
aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde
gedeelten van Nederland te bevinden.
2. De maatregel, bedoeld in het eerste
lid, wordt niet opgelegd aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf
heeft op grond van artikel 8, onderdeel a, van de Wet en houder is van
een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven
door een andere staat die partij is bij het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie anders dan om redenen van veiligheid.
3. De maatregel wordt evenmin opgelegd
aan een houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe
kaart anders dan om redenen van veiligheid.
Paragraaf 2. Vrijheidsontnemende
maatregelen
Artikel 5.1a
1. De vreemdeling die geen rechtmatig
verblijf heeft, kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang
van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien:
a. een risico bestaat dat de
vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of
b. de vreemdeling de voorbereiding
van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
2. De vreemdeling kan eveneens in
bewaring worden gesteld op grond dat de het belang van de openbare
orde of de nationale veiligheid zulks vordert, indien een concreet
aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de
Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18
februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te
bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een
asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de
lidstaten wordt ingediend (PbEU, L 50).
Artikel 5.1b
1. Aan de voorwaarden voor
inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, wordt voldaan
indien de vreemdeling:
a. Nederland niet op de
voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de
vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
b. zich niet aan een of meer andere
voor hem geldende verplichtingen vanhoofdstuk 4 heeft gehouden;
c. eerder een visum, besluit,
kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen
beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg
heeft gegeven;
d. niet dan wel niet voldoende
meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
e. meerdere aanvragen tot het
verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot
verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
f. in verband met zijn aanvraag om
toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met
betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar
Nederland of een andere lidstaat;
g. zich zonder noodzaak heeft
ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
h. in het Nederlandse rechtsverkeer
gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
i. geen vaste woon- of
verblijfplaats heeft;
j. niet beschikt over voldoende
middelen van bestaan;
k. arbeid heeft verricht in strijd
met de Wet arbeid vreemdelingen;
l. verdachte is van enig misdrijf
dan wel daarvoor is veroordeeld; of
m. tot ongewenst vreemdeling is
verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een
inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a,
zevende lid, van de Wet.
2. Aan de voorwaarden voor
inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, wordt niet
voldaan indien slechts één van de feiten of omstandigheden, bedoeld
in het eerste lid, van toepassing is.
Artikel 5.2
1. Voordat de vreemdeling op grond van
artikel 59 van de Wet in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien:
a. de vreemdeling reeds op een
andere grond in bewaring gesteld is, of
b. het voorafgaande gehoor van de
vreemdeling niet kan worden afgewacht.
3. Slechts in het geval bedoeld in het
tweede lid, onder b, wordt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de
tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.
4. Van het gehoor wordt proces-verbaal
opgemaakt.
5. Aan de vreemdeling wordt tijdig
mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het
gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
Artikel 5.3
1. De maatregel waarbij de bewaring op
grond van artikel 59 van de Wet wordt opgelegd wordt gedagtekend en
ondertekend; de maatregel wordt met redenen omkleed. Aan de
vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk
een afschrift daarvan uitgereikt.
2. Op de voortzetting van de bewaring
op een andere grond is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.4
1. De bewaring op grond van artikel 59
van de Wet wordt ten uitvoer gelegd op een politiebureau, een cel van
de Koninklijke marechaussee, in een huis van bewaring of een ruimte of
plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, of artikel 58, eerste lid
van de Wet. Bij de tenuitvoerlegging van de bewaring wordt de
vreemdeling niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten dan
wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van
de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
2. Indien de tenuitvoerlegging van de
bewaring een aanvang neemt op een politiebureau of in een cel van de
Koninklijke marechaussee, wordt zodra dit redelijkerwijs mogelijk is
de tenuitvoerlegging voortgezet in een huis van bewaring of een ruimte
of plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid of artikel 58, eerste
lid, van de Wet.
3. De bewaring wordt opgeheven zodra er
geen grond meer aanwezig is.
Artikel 5.5
1. Gedurende de tenuitvoerlegging van
een vrijheidsontnemende maatregel ingevolge de artikelen 6, tweede
lid, 58, eerste lid, of 59, eerste lid, van de Wet, kan de vreemdeling
voor korte duur naar elders worden gebracht, wanneer dit
redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van de Wet.
2. Van de tenuitvoerlegging van een
vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt op
verzoek van de vreemdeling zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan
diens naaste verwanten of aan een in Nederland gevestigde diplomatieke
of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan
is.
3. In geval de vrijheidsontnemende
maatregel een minderjarige betreft wordt daarvan, zo daartoe de
gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan
degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige
uitoefenen.
Artikel 5.6
Overeenkomstig door Onze Minister te
geven algemene en bijzondere aanwijzingen stelt de korpschef of de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee Onze Minister tijdig vóór
het verstrijken van de in artikel 94, eerste lid, van de wet genoemde
termijn in kennis van de bewaring dan wel het voortduren daarvan.
Artikel 5.7
1. De aanwijzing bedoeld in de
artikelen 57, eerste lid, en 58, eerste lid, van de Wet wordt zoveel
mogelijk gegeven bij de beschikking waarbij de aanvraag tot het
verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Wet,
is afgewezen. De aanwijzing wordt met redenen omkleed.
2. Artikel 5.3 is van overeenkomstige
toepassing indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gegeven
wordt bij afzonderlijke beschikking.
Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting,
inreisverbod en ongewenstverklaring
Afdeling 1. Vertrek en uitzetting
Artikel 6.1
1. Een risico als bedoeld in artikel
62, tweede lid, onder a, van de Wet kan worden aangenomen indien
feiten of omstandigheden als bedoeld inartikel 5.1b, eerste lid, op de
vreemdeling van toepassing zijn.
2. Artikel 5.1b, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.1a
1. Onze Minister is bevoegd om, bij de
uitoefening van zijn bevoegdheid tot uitzetting als bedoeld in artikel
63, tweede lid, van de Wet alle daartoe benodigde handelingen te
verrichten.
2. Bij toepassing van het eerste lid
worden de grondrechten, de waardigheid en fysieke integriteit van de
vreemdeling geëerbiedigd.
3. In geval van uitzetting door de
lucht houdt Onze Minister rekening met de gemeenschappelijke
richtsnoeren voor veiligheidsvoorzieningen voor gezamenlijke
verwijdering door de lucht, bedoeld in artikel 7 van de beschikking
van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004, nr. 2004/573/EG (PbEU,
L 261).
Artikel 6.1b
1. Ingeval de vreemdeling ingevolge
artikel 62, tweede lid, van de Wet onmiddellijk moet vertrekken of
niet is vertrokken binnen de voor hem geldende vertrektermijn, kan de
uitzetting worden uitgesteld. Bij het uitstel wordt in ieder geval
rekening gehouden met de fysieke of mentale gesteldheid van de
vreemdeling en technische redenen, zoals het ontbreken van
vervoermiddelen of het mislukken van de uitzetting wegens onvoldoende
identificatie.
2. Ingeval de uitzetting wordt
uitgesteld op grond van het eerste lid, is artikel 4.52a van
overeenkomstige toepassing, onverminderd het overigens krachtens de
artikelen 54 en 56 van de Wet bepaalde.
Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
Artikel 6.2
Onze Minister is bevoegd de kosten van
uitzetting, bedoeld in de artikelen 65, tweede lid, en 66 van de Wet te
verhalen op de vreemdeling of op een vervoersonderneming.
Artikel 6.3
1. De kosten van uitzetting van een
vreemdeling welke ingevolge artikel 65, tweede lid, van de Wet op een
vervoersonderneming kunnen worden verhaald, zijn verschuldigd aan het
openbaar lichaam te welks laste die kosten zijn gekomen.
2. De in het voorgaande lid bedoelde
kosten van uitzetting omvatten in ieder geval de kosten verbonden aan:
a. het vervoer van de uit te zetten
vreemdeling per eerste gelegenheid, doch op de wijze die, gelet op
de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten
Nederland;
b. de begeleiding van de
vreemdeling naar een plaats van vertrek uit Nederland alsmede zijn
begeleiding naar een plaats buiten Nederland, voorzover deze
noodzakelijk is, en
c. het verblijf van de vreemdeling
in Nederland in de periode nadat de vervoersonderneming van een
ambtenaar belast met de grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen
de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten
Nederland.
Artikel 6.4
1. De noodzakelijke kosten van
uitzetting die ten laste komen van de Staat of van andere openbare
lichamen kunnen door de Staat, of door het andere openbare lichaam te
welks laste zij zijn gekomen, worden verhaald op de vreemdeling en,
indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem
uitoefenen.
2. De in het voorgaande lid bedoelde
kosten van uitzetting omvatten de kosten, genoemd in artikel 6.3,
tweede lid, onder a en b.
Afdeling 3. Inreisverbod
Artikel 6.5
1. Tegen een vreemdeling wordt geen
inreisverbod uitgevaardigd, indien een redelijke termijn als bedoeld
in artikel 3.82 nog niet is verstreken na afloop van het rechtmatig
verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van
de Wet, of als Nederlander.
2. Tegen een vreemdeling wordt geen
inreisverbod uitgevaardigd, indien deze:
a. als slachtoffer of getuige in
aanmerking komt voor bedenktijd voor de aangifte van mensenhandel
of mensensmokkel;
b. als slachtoffer- of
getuige-aangever in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning
als bedoeld in artikel 14 van de Wet;
c. als slachtoffer van huiselijk
geweld van de persoon bij wie eerder verblijf als bedoeld in
artikel 8, onder a, c dan wel e of l, van de Wet was toegestaan of
als slachtoffer van eergerelateerd geweld in aanmerking komt voor
een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet;
d. als echtgenoot of minderjarig
kind in het land van herkomst is achtergelaten door de persoon bij
wie eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a,
c dan wel e, of l, van de Wet was toegestaan, en op die grond in
aanmerking komt voor de verlening van een verblijfsvergunning als
bedoeld in artikel 14 van de Wet;
e. in aanmerking komt voor een
verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op grond
dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;
f. minderjarig is; of
g. in aanmerking komt voor een
verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de
Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de
Associatie, of niet wordt uitgezet om reden dat diens uitzetting
in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten
Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht
tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964,
217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen
Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of
genoemd Besluit nr. 1/80.
3. Het inreisverbod wordt opgeheven,
indien zich een van de gevallen, bedoeld in het tweede lid, voordoet.
4. Van het eerste tot en met derde lid
kan worden afgeweken ingeval de vreemdeling een gevaar vormt voor de
openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
5. Bij regeling van Onze Minister
kunnen andere gevallen worden aangewezen waarin het inreisverbod om
humanitaire of andere redenen achterwege wordt gelaten dan wel wordt
opgeheven.
Artikel 6.5a
1. De duur van het inreisverbod
bedraagt ten hoogste twee jaren.
2. In afwijking van het eerste lid,
bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste één jaar, indien
het betreft de vreemdeling die de vrije termijn, bedoeld in artikel
3.3, heeft overschreden met meer dan drie dagen maar niet meer dan
drie maanden.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste drie
jaren, indien het betreft een vreemdeling die is veroordeeld tot een
vrijheidsstraf van minder dan zes maanden.
4. In afwijking van het eerste tot en
met derde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf
jaren, indien het betreft een vreemdeling die:
a. is veroordeeld tot een
vrijheidsstraf van zes maanden of langer;
b. gebruik heeft gemaakt van valse
of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel opzettelijk
reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die niet op hem
betrekking hebben;
c. reeds het onderwerp is geweest
van meer dan één terugkeerbesluit, of
d. zich op het grondgebied van
Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.
5. In afwijking van het eerste tot en
met vierde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien
jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging
vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige
bedreiging kan blijken uit onder meer:
a. een veroordeling naar aanleiding
van een geweldsdelict of opiumdelict;
b. een veroordeling tot een
vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf
van meer dan zes jaren is bedreigd;
c. de omstandigheid dat hem artikel
1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, of
d. de oplegging van een maatregel
als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.
6. In afwijking van het eerste tot en
met vijfde lid, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste
twintig jaren, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze
Minister een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of
indien naar zijn oordeel zwaarwegende belangen nopen tot een duur van
meer dan tien jaren.
Artikel 6.5b
1. Onze Minister kan op aanvraag het
inreisverbod dat is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a,
tweede lid, van de Wet, opheffen indien de vreemdeling aantoont
Nederland geheel in overeenstemming met de op hem rustende
verplichting, bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet, te hebben
verlaten.
2. In andere gevallen dan bedoeld in
het eerste lid, kan Onze Minister op aanvraag het inreisverbod
opheffen, indien de vreemdeling aantoont dat hij sinds zijn vertrek
uit Nederland na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten
minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten Nederland
heeft verbleven en hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt
aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.
3. De gegevens, bedoeld in artikel 4:2,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die de vreemdeling bij
de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, verstrekt, zijn in ieder
geval:
a. een schriftelijke verklaring dat
hij voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden voor
opheffing van het inreisverbod;
b. een kopie van de documenten voor
grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn inreisverbod
heeft gehouden;
c. een overzicht van de plaatsen
waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft verbleven,
voorzien van bewijsstukken;
d. een schriftelijke verklaring,
afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten van de staat of
staten waar de vreemdeling sinds zijn inreisverbod heeft
verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet
schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging
onderworpen is.
4. Het derde lid, onderdeel d, is niet
van toepassing op de vreemdeling ten aanzien wie van de duur van het
inreisverbod is bepaald met toepassing vanartikel 6.5a, eerste of
tweede lid.
Artikel 6.5c
In zeer uitzonderlijke en dringende
gevallen kan Onze Minister het inreisverbod tijdelijk opheffen. Aan de
tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van
binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
Afdeling 4. Ongewenstverklaring
Artikel 6.6
1. De aanvraag om opheffing van de
ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Wet,
wordt ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging
terzake van enig misdrijf is onderworpen, en deze vreemdeling:
a. indien hij ongewenst is
verklaard wegens een geweldsdelict, een opiumdelict of een
misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is
bedreigd, na de ongewenstverklaring ten minste tien
achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;
b. indien hij ongewenst is
verklaard wegens andere misdrijven dan bedoeld in onderdeel a, na
de ongewenstverklaring tenminste vijf achtereenvolgende jaren
buiten Nederland heeft verbleven;
c. indien hij ongewenst is
verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder a, van de
Wet, na de ongewenstverklaring tenminste één jaar buiten
Nederland heeft verbleven.
2. In afwijking van het eerste lid,
aanhef en onder b, wordt de aanvraag ingewilligd nadat de daar
bedoelde vreemdeling tenminste tien achtereenvolgende jaren buiten
Nederland heeft verbleven, indien zwaarwegende belangen zich naar het
oordeel van Onze Minister verzetten tegen opheffing van de
ongewenstverklaring na vijf jaren.
3. De in het eerste lid genoemde
termijnen vangen opnieuw aan, indien de vreemdeling tijdens de
ongewenstverklaring:
a. een als misdrijf strafbaar
gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd die tot
ongewenstverklaring zou kunnen leiden, of
b. zonder voorafgaande tijdelijke
opheffing of in strijd met de aan die tijdelijke opheffing
verbonden voorwaarden in Nederland heeft verbleven.
4. De gegevens, bedoeld in artikel 4:2,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die de vreemdeling
verstrekt zijn in ieder geval:
a. een schriftelijke verklaring van
de vreemdeling dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na de
ongewenstverklaring tien, onderscheidenlijk vijf achtereenvolgende
jaren of één jaar buiten Nederland heeft verbleven en dat hij
zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en
dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;
b. een kopie van de documenten voor
grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn
ongewenstverklaring heeft gehouden;
c. een overzicht van de plaatsen
waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft
verbleven, voorzien van bewijsstukken, en
d. een schriftelijke verklaring,
afgegeven door de terzake bevoegde autoriteiten van het land of de
landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft
verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet
schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging
onderworpen is.
Artikel 6.7
In zeer uitzonderlijke en dringende
gevallen kan Onze Minister de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen.
Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats
van binnenkomst en de duur van het verblijf in Nederland.
Hoofdstuk 7. Rechtsmiddelen
Artikel 7.1 [Vervallen per 01-07-2004]
Artikel 7.2
1. De uitzetting van de vreemdeling
blijft, in afwijking van artikel 73, tweede lid, van de Wet
achterwege, indien het betreft een vreemdeling, die:
a. onderdaan is van een land dat
partij is bij het Europees Vestigingsverdrag;
b. onmiddellijk voorafgaande aan
het tijdstip waarop het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8,
onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet is geëindigd,
gedurende twee aaneengesloten jaren dit rechtmatig verblijf heeft
gehad;
c. zijn hoofdverblijf niet buiten
Nederland heeft gevestigd, en
d. tijdig bezwaar heeft gemaakt dan
wel administratief beroep heeft ingesteld tegen een beschikking
waarbij het rechtmatig verblijf is beëindigd.
2. Het eerste lid blijft buiten
toepassing, indien de uitzetting van de vreemdeling wegens dwingende
redenen van nationale veiligheid gerechtvaardigd is.
Hoofdstuk 8. Algemene en strafbepalingen
Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
Artikel 8.1
1. Onze Minister onderscheidenlijk de
korpschef verstrekt op de wijze als beschreven in dit artikel de
gegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een
vreemdeling die een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in
artikel 107, vijfde lid, van de Wet nodig hebben voor de toekenning
van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of
vergunningen.
2. De basisgegevens betreffende de
verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen worden door Onze
Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt aan de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, met het oog op de verstrekking
daarvan ingevolge de Wet gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens aan een orgaan als bedoeld in het eerste lid. De
basisgegevens zijn de gegevens betreffende het verblijfsrecht van de
vreemdeling, bedoeld in bedoeld in bijlage 1a van het Besluit
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
3. Een bestuursorgaan of een orgaan als
bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de Wet vraagt Onze Minister
onmiddellijk nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van
een vreemdeling, indien bij het bestuursorgaan of een orgaan als
bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de Wet, na raadpleging van de
basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een
vreemdeling uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
onduidelijkheid bestaat omtrent de verblijfsrechtelijke positie van
die vreemdeling, omdat:
a. de vreemdeling niet voorkomt in
de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, maar wel
beschikt over het bescheid, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van
de Wet;
b. de verblijfsrechtelijke gegevens
in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens afwijken
van de gegevens omtrent het verblijf van die vreemdeling op het
bescheid, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet, of
c. de verblijfsrechtelijke gegevens
in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en het
bescheid, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet afwijken
van andere bescheiden, waarover het bestuursorgaan beschikt,
waardoor gerede twijfel over de juistheid van de gegevens over de
verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling is ontstaan.
4. Onze Minister verstrekt het
bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 107, vijfde lid,
van de Wet, in de gevallen, bedoeld in het derde lid, desgevraagd
onmiddellijk de nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie
van de vreemdeling.
5. Indien een bestuursorgaan of een
orgaan als bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de Wet, in een
individueel geval aanwijzingen heeft dat op korte termijn een
wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling
optreedt of recent een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie is
opgetreden en het bestuursorgaan heeft met redenen omkleed aannemelijk
gemaakt dat vanwege het spoedeisende karakter bij het toekennen van
een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning
niet gewacht kan worden op de aanpassing van de basisgegevens in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, verstrekt Onze
Minister desgevraagd onmiddellijk nadere gegevens over een
desbetreffende wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van de
vreemdeling. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan.
6. De korpschef, bedoeld in het eerste
en tweede lid, is de korpschef van het regionale politiekorps waarin
de gemeente is gelegen waar de vreemdeling is ingeschreven in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens dan wel waar hij
tijdelijke woon- of verblijfplaats heeft. Indien de vreemdeling geen
woon- of verblijfplaats heeft, verstrekt de korpschef van het
regionale politiekorps waarin het bestuursorgaan of een orgaan als
bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de Wet, waarbij de vreemdeling
zich meldt, is gelegen, de gegevens.
Artikel 8.2
1. Een bestuursorgaan of een orgaan als
bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de Wet verstrekt Onze Minister
of de korpschef desgevraagd de gegevens omtrent de toekenning of de
beëindiging van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen,
ontheffingen of vergunningen aan een vreemdeling, die nodig zijn voor:
a. de verlening, de verlenging van
de geldigheidsduur van, de wijziging van het verblijfsdoel van of
intrekking van een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikel
8, onder a tot en met d, van de Wet;
b. de beoordeling of aan de
voorwaarden en beperkingen waaronder die verblijfsvergunning is
verleend, wordt voldaan, of
c. de beoordeling of een
vreemdeling als gemeenschapsonderdaan rechtmatig verblijf heeft
als bedoeld in artikel 8, onder e, van de Wet.
2. Indien uit de verblijfsrechtelijke
gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan
wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in artikel 9, tweede
lid, van de Wet blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de
beperking dat een beroep op publieke middelen gevolgen kan hebben voor
het verblijfsrecht, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een
orgaan als bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de Wet, uit eigen
beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid,
die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt
voldaan.
3. Indien uit de verblijfsrechtelijke
gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan
wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in artikel 9, tweede
lid, van de Wet blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de
beperking dat arbeid niet is toegestaan, dan wel arbeid uitsluitend is
toegestaan bij een bepaalde werkgever, dan wel arbeid slechts is
toegestaan indien de werkgever beschikt over een
tewerkstellingsvergunning, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde
een orgaan als bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de Wet, belast
met de verstrekking van ontheffingen of vergunningen als bedoeld in de
artikelen 8.3 en 8.4, uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de
gegevens, bedoeld in het eerste lid die nodig zijn voor de beoordeling
of aan deze beperking wordt voldaan.
4. Onze Minister kan, in
overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, bepalen dat de
gegevens, bedoeld in dit artikel, periodiek of in gestandaardiseerde
vorm worden verstrekt.
5. Het bestuursorgaan verstrekt de
gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, aan Onze Minister.
Artikel 8.2a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Gegevens en inlichtingen ten behoeve
van de vreemdelingenadministratie kunnen in ieder geval worden
verstrekt door:
a. de colleges van burgemeester en
wethouders, voor zover deze zijn belast met de uitvoering van de
Wet werk en bijstand en aanverwante inkomensvoorzieningswetten en
de Wet inburgering;
b. de Sociale Verzekeringsbank;
c. het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen;
d. de Rijksbelastingdienst;
e. de Gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens;
f. de Dienst Uitvoering Onderwijs
van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
g. de Gemeentelijke
gezondheidsdienst, bedoeld in artikel 17 van de Wet publieke
gezondheid;
h. de Arbeidsinspectie van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
i. de Kamers van Koophandel;
j. de FIOD-ECD, en
k. de Sociale Inlichtingen- en
Opsporingsdienst van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
2. Gegevens en inlichtingen worden in
ieder geval verstrekt ten behoeve van de vreemdelingenadministratie,
indien zij noodzakelijk zijn voor:
a. de voorbereiding van
beschikkingen omtrent de machtiging tot voorlopig verblijf, de
verblijfsvergunning en de ongewenstverklaring;
b. de erkenning als referent, en de
schorsing en intrekking van die erkenning;
c. het toezicht op naleving van
wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking, het
toezicht op vreemdelingen en het toezicht op referenten;
3. Bij regeling van Onze Minister
worden regels gesteld omtrent:
a. de gevallen waarin en de wijze
waarop in ieder geval gegevens en inlichtingen worden verstrekt;
b. de doorlevering van gegevens en
inlichtingen;
c. de verwijdering en vernietiging
van de in de vreemdelingenadministratie opgenomen gegevens;
d. de gevallen waarin de
verstrekking van gegevens en inlichtingen anders dan kosteloos
geschiedt.
De regels, bedoeld onder a en b, worden
gesteld in overeenstemming met Onze Minister die het mede aangaat,
tenzij uit de aard van de gegevens volgt dat daaraan geen behoefte
bestaat.
Artikel 8.3
1. De vreemdeling die geen rechtmatig
verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Wet kan geen aanspraak
maken op een beschikking als bedoeld in:
a. de artikelen 4, eerste lid, en
15 van de Vestigingswet Bedrijven 1954;
b. de artikelen 30b en 30h van de
Wet op de kansspelen;
c. artikel 3 van de Drank- en
Horecawet;
d. de artikelen 2, eerste lid, en 7
van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en
recherchebureaus;
e. artikel 4, tweede lid, van de
Wet personenvervoer 2000.
2. De vreemdeling, bedoeld in het
eerste lid, kan geen aanspraak maken op de toekenning van vergunningen
en ontheffingen door bestuursorganen van gemeenten, provincies,
waterschappen en met toepassing van de Wet gemeenschappelijke
regelingen ingestelde openbare lichamen of gemeenschappelijke
regelingen, voorzover die vergunningen of ontheffingen betrekking
hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of
beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten.
Artikel 8.4
De vreemdeling die rechtmatig in
Nederland verblijf heeft op de gronden, genoemd in artikel 8, onder f
tot en met j, van de Wet, kan geen aanspraak maken op een beschikking
als bedoeld in artikel 8.3.
Afdeling 2. Afwijking op grond van
verdragen
Paragraaf 1. Benelux
Artikel 8.5
1. Aan een vreemdeling die onderdaan is
van België of Luxemburg en die het vereiste document voor
grensoverschrijding bezit, kan, in afwijking vanhoofdstuk 2, de
toegang tot Nederland slechts worden geweigerd, indien hij een actuele
bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt.
2. De ambtenaren belast met de
grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op
vreemdelingen, weigeren niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing
van Onze Minister de toegang tot Nederland aan een vreemdeling als
bedoeld in het eerste lid. De weigering geschiedt schriftelijk.
Artikel 8.6
1. De aanvraag tot het verlenen van de
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de
Wet, ingediend door een vreemdeling die onderdaan is van België of
Luxemburg die geen gemeenschapsonderdaan is, kan slechts worden
afgewezen, indien de vreemdeling:
a. een actuele bedreiging voor de
openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of
b. niet over voldoende middelen van
bestaan beschikt.
2. De aanvraag tot het verlengen van de
geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld
in artikel 14 van de Wet, ingediend door de in het eerste lid bedoelde
vreemdeling, wordt niet afgewezen, en de verblijfsvergunning wordt
niet ingetrokken, op grond van de omstandigheid dat de vreemdeling
niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt.
3. In afwijking van artikel 21, eerste
en tweede lid, van de Wet, wordt de aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de
Wet, ingediend door een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid die
nog niet gedurende een tijdvak van vijf jaren rechtmatig verblijf
heeft gehad, slechts afgewezen, indien hij:
a. een actuele bedreiging voor de
openbare orde of de nationale veiligheid vormt; of
b. niet zelfstandig en duurzaam
beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. In afwijking van artikel 21 van de
Wet, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in
artikel 20 van de Wet, die is verleend aan de vreemdeling, bedoeld in
het eerste lid, slechts worden ingetrokken op de in het derde lid,
onder a, bedoelde grond.
Paragraaf 2. EG/EER
Artikel 8.7
1. Deze paragraaf is van toepassing op
vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij
is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel
van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland
verblijven.
2. Deze paragraaf is eveneens van
toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het
eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland
voegen, voor zover het betreft:
a. de echtgenoot;
b. de partner, waarmee de
vreemdeling een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig
geregistreerd partnerschap is aangegaan;
c. de rechtstreekse bloedverwant in
neergaande lijn, van een vreemdeling als bedoeld in het eerste
lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover
die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die
echtgenoot of geregistreerd partner; of
d. de rechtstreekse bloedverwant in
opgaande lijn die ten laste is van de vreemdeling of van het
gezinslid, bedoeld onder a of b.
3. Deze paragraaf is voorts van
toepassing op andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid, die
een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland
begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, in geval zij:
a. in het land van herkomst ten
laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling; of
b. vanwege ernstige
gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die
vreemdeling strikt behoeven.
4. Deze paragraaf is eveneens van
toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in
het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland
voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die
vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de
neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant
jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner
in Nederland voegt.
Artikel 8.8
1. Aan een vreemdeling als bedoeld in
artikel 8.7, die in het bezit is van een geldig document voor
grensoverschrijding, kan de toegang tot Nederland slechts worden
geweigerd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, dan wel
volksgezondheid:
a. indien de vreemdeling op grond
van zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige
bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt;
b. in het geval van potentieel
epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante
instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel andere
infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien
waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van
Nederlanders worden getroffen;
c. indien hij om redenen van de
openbare orde of openbare veiligheid uit Nederland is verwijderd
en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.
2. De ambtenaren, belast met de
grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, weigeren niet dan
ingevolge een bijzondere aanwijzing van Onze Minister de toegang tot
Nederland aan een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid. De
weigering geschiedt schriftelijk.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op de onderdaan van België of Luxemburg die geen
gemeenschapsonderdaan is. Op deze vreemdeling isartikel 8.5 van
toepassing.
4. Een vreemdeling die niet beschikt
over het vereiste document voor grensoverschrijding, wordt niet
uitgezet dan nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid
is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze te laten
vaststellen of bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf
geniet.
Artikel 8.9
Aan een vreemdeling als bedoeld in
artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit
bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en
die beschikt over een geldige verblijfskaart, afgegeven door de bevoegde
autoriteiten van een staat als bedoeld inartikel 8.7, eerste lid,
waaruit het verblijfsrecht als familielid blijkt, wordt de toegang niet
geweigerd wegens het ontbreken van een geldig visum. In het paspoort
wordt geen aantekening gesteld omtrent inreis in Nederland of uitreis
uit Nederland.
Artikel 8.10
De toegang van een persoon die in het
bezit is van een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven Nederlands
paspoort of Nederlandse identiteitskaart, en die om redenen van openbare
orde, openbare veiligheid of volksgezondheid uit een andere lidstaat is
verwijderd, wordt de toegang, ook indien het document is vervallen of de
Nederlandse nationaliteit van de houder wordt betwist, niet geweigerd,
indien deze persoon naar Nederland terugkeert uit een staat waar hem
verblijf was toegestaan ingevolge het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte of ingevolge de Overeenkomst van 21 juni 1999 van de
Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse
Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000,
16 en 86).
Artikel 8.11
1. De vreemdeling, bedoeld in artikel
8.7, eerste lid, heeft rechtmatig verblijf gedurende een periode van
drie maanden na inreis, indien hij:
a. beschikt over een geldige
identiteitskaart of een geldig paspoort; of
b. het bewijs van zijn identiteit
en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen levert.
2. De vreemdeling, bedoeld in artikel
8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van
een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en beschikt
over een geldig paspoort, heeft rechtmatig verblijf gedurende een
periode van drie maanden na inreis.
Artikel 8.12
1. De vreemdeling, bedoeld in artikel
8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig
verblijf in Nederland, indien hij:
a. in Nederland werknemer of
zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken
en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk
heeft;
b. voor zichzelf en zijn
familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over
een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;
c. is ingeschreven voor een
opleiding die is opgenomen in het Centraal register opleidingen
hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13 van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of in het Centraal
register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, om als hoofdbezigheid een studie of
beroepsopleiding te volgen, beschikt over een verzekering die de
ziektekosten in Nederland volledig dekt, en hij met een verklaring
of een gelijkwaardig middel naar zijn keuze de zekerheid verschaft
dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zichzelf
en zijn familieleden;
d. een familielid als bedoeld in
artikel 8.7, tweede lid, is van een vreemdeling als bedoeld onder
a of b;
e. de echtgenoot, de geregistreerde
partner of een kind is dat ten laste is van een vreemdeling als
bedoeld onder c;
f. familielid is als bedoeld
inartikel 8.7, derde lid, en hij in het land van herkomst ten
laste is van of inwoont bij een vreemdeling als bedoeld in het
eerste lid, onder a, b of c;
g. familielid is als bedoeld in
artikel 8.7, derde lid, en hij vanwege ernstige gezondheidsredenen
een persoonlijke verzorging door een vreemdeling als bedoeld in
het eerste lid, onder a, b of c, strikt behoeft; of
h. partner is als bedoeld in
artikel 8.7, vierde lid, en hij een deugdelijk bewezen duurzame
relatie heeft met een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid,
onder a, b of c, dan wel rechtstreekse bloedverwant in de
neergaande lijn, jonger dan 18 jaar, is van een zodanige partner.
2. Het rechtmatig verblijf van de
vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, eindigt niet om de
enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige
is:
a. in geval van tijdelijke
arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of ongeval;
b. indien hij na werkzaamheden als
werknemer of zelfstandige van ten minste een jaar onvrijwillig
werkloos is en als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is ingeschreven;
c. gedurende een periode van ten
minste zes maanden, nadat hij onvrijwillige werkloos is geworden
door de afloop van een arbeidsovereenkomst korter dan een jaar,
dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig
werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ingeschreven;
d. indien hij een beroepsopleiding
gaat volgen, die, behoudens ingeval van onvrijwillige
werkloosheid, verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit.
3. Voor de toepassing van het eerste
lid, onder b, beschikt de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van
het normbedrag dat inartikel 3.74 voor de desbetreffende categorie is
vastgesteld, in ieder geval over voldoende middelen van bestaan.
4. De vreemdeling, bedoeld in het
eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in
artikel 8.11, eerste lid, bedoelde periode aan bij Onze Minister ter
inschrijving in de vreemdelingenadministratie in geval hij beoogt
langer dan drie maanden in Nederland te verblijven.
5. Bij regeling van Onze Minister
kunnen regels worden gesteld omtrent de gegevens en bescheiden die de
vreemdeling bij de in het vorige lid bedoelde melding moet verstrekken
of overleggen.
6. Onze Minister verstrekt na de in het
vierde lid bedoelde inschrijving onmiddellijk een verklaring van
inschrijving, waarin naam en adres van de ingeschreven vreemdeling en
de datum van inschrijving worden vermeld.
7. De in het vierde en vijfde lid
omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de
leeftijd van twaalf jaar op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor
kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook
worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
Artikel 8.13
1. De vreemdeling, bedoeld in artikel
8.7, tweede, derde of vierde lid, die niet de nationaliteit bezit van
een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, heeft langer
dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor
zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in
artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c.
2. De vreemdeling, bedoeld in het
eerste lid, meldt zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in
artikel 8.11, tweede lid, bedoelde periode aan bij Onze Minister, in
geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven,
en dient daarbij een aanvraag in tot afgifte van een
verblijfsdocument.
3. Bij de indiening van de aanvraag
legt de vreemdeling over:
a. een geldig paspoort;
b. de verklaring van inschrijving
van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie
hij in Nederland verblijft;
c. een document waaruit de
familierechtelijke relatie of duurzame relatie blijkt met de
vreemdeling, bedoeld onder b; en
d. voor zover hij in Nederland
verblijft als familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid,
onder c of d: bewijs dat hij een dergelijk familielid is;
e. voor zover hij in Nederland
verblijft als familielid als bedoeld in artikel 8.7, derde lid:
een door de bevoegde instantie van het land van herkomst afgegeven
verklaring dat hij ten laste komt van of inwoont bij de
vreemdeling, bedoeld onder b, onderscheidenlijk bewijs van
ernstige gezondheidsredenen die de persoonlijke zorg door die
vreemdeling noodzakelijk maken;
f. voor zover hij in Nederland
verblijft als partner als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid: een
bij regeling van Onze Minister vast te stellen relatieverklaring;
g. voor zover hij in Nederland
verblijft als rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn,
jonger dan 18 jaar, van een partner als bedoeld onder f: bewijs
dat is voldaan aan de artikelen 3.13 tot en met 3.22.
4. Onze Minister verstrekt onmiddellijk
na de ontvangst van de aanvraag een verklaring dat de aanvraag is
ingediend.
5. Onze Minister verstrekt de
verblijfsgerechtigde vreemdeling binnen zes maanden na de ontvangst
van de aanvraag een verblijfsdocument waarvan het model wordt
vastgesteld bij ministeriële regeling. Artikel 25, tweede en derde
lid, van de Wet is niet van toepassing.
6. Het verblijfsdocument wordt
afgegeven met een geldigheidsduur:
a. die gelijk is aan de duur van
het voorgenomen verblijf van de vreemdeling, bedoeld in artikel
8.7, eerste lid, bij wie de vreemdeling in Nederland verblijft,
indien die duur korter is dan vijf jaar;
b. van vijf jaar in de overige
gevallen.
7. De in het tweede en derde lid
omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de
leeftijd van twaalf jaar op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor
kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook
worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
Artikel 8.14
Het rechtmatig verblijf van de
vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die de
nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat
artikel, eindigt niet door het overlijden of het vertrek van de
vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, bij wie hij in
Nederland verbleef. Het eindigt evenmin door de ontbinding of
nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het
geregistreerde partnerschap.
Artikel 8.15
1. Het rechtmatig verblijf van de
vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, die
niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste
lid van dat artikel, eindigt niet door afwezigheid uit Nederland:
a. van ten hoogste zes maanden per
jaar;
b. om belangrijke redenen gedurende
een eenmalige periode van ten hoogste twaalf maanden;
c. voor de vervulling van militaire
verplichtingen;
d. wegens uitzending vo
| |