Artikel 10
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit gastoestellen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 8 januari 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
H.J. Simons
De Minister van Economische Zaken,
J.E. Andriessen
Uitgegeven de zesentwintigste maart 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I, behorende bij het Besluit gastoestellen
Fundamentele voorschriften (artikel 3, tweede lid)
Opmerking vooraf
De in de fundamentele voorschriften van deze bijlage vervatte
verplichtingen voor toestellen zijn ook van toepassing op toebehoren
indien zij gevaren betreffen die zich tevens kunnen voordoen bij
toebehoren.
1. Algemene voorwaarden
1.1. Een toestel moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat de
werking veilig is en het bij normaal gebruik als omschreven in artikel
1, eerste lid, onderdeel d, geen gevaar oplevert voor personen,
huisdieren of goederen.
1.2. Wanneer het toestel in de handel wordt gebracht, moeten:
- technische aanwijzingen voor de installateur worden
meegeleverd;
- gebruiks- en onderhoudsaanwijzingen voor de gebruiker worden
meegeleverd;
- de nodige waarschuwingen op het toestel, alsmede op de
verpakking worden vermeld.
De aanwijzingen en waarschuwingen moeten gesteld zijn in de
officiële talen (taal) van de Lid-Staat van bestemming.
1.2.1. In de technische aanwijzingen voor de installateur moeten alle
instructies voor installatie, afstelling en onderhoud worden vermeld,
zodat deze taken op de juiste wijze kunnen worden uitgevoerd en het
toestel veilig kan worden gebruikt. Ook moeten de aanwijzingen nadere
gegevens bevatten omtrent:
- de te gebruiken gassoort,
- de te gebruiken gasdruk,
- de vereiste luchtverversing,
- de aanvoer van verbrandingslucht,
- ter vermijding van de vorming van mengsels met een gevaarlijk
gehalte aan niet-verbrand gas voor toestellen die niet zijn voorzien
van het in punt 3.2.3 bedoelde toebehoren,
- de wijze van afvoer van verbrandingsprodukten,
- voor ventilatorbranders en met dergelijke branders uit te
rusten warmtegeneratoren: de kenmerken, de assemblagevoorschriften
om te kunnen voldoen aan de fundamentele voorschriften die gelden
voor het toestel als eindprodukt, en, in voorkomend geval, de lijst
van door de fabrikant aanbevolen combinaties.
1.2.2. In de gebruiks- en onderhoudsaanwijzingen voor de gebruiker
moeten alle nodige inlichtingen voor een veilig gebruik worden gegeven
en moet de aandacht van de gebruiker met name worden gevestigd op
eventuele gebruiksbeperkingen.
1.2.3. Bij de waarschuwingen op het toestel en op de verpakking
moeten de gassoort, de gasdruk en de eventuele gebruiksbeperkingen
duidelijk worden vermeld, en met name de beperking dat het toestel
alleen in voldoende verluchte ruimten mag worden geïnstalleerd.
1.3. Een in het toestel te gebruiken toebehoren moet zodanig zijn
ontworpen en gebouwd dat het op de juiste wijze overeenkomstig het
gebruiksdoel werkt indien het overeenkomstig de aanwijzingen voor de
installatie is aangebracht.
De instructies voor installatie, afstelling, werking en onderhoud
worden met het toebehoren meegeleverd.
2. Materialen
2.1. De materialen moeten geschikt zijn voor het voorziene gebruik en
bestand zijn tegen de mechanische, chemische en thermische
omstandigheden waaraan zij naar verwachting zullen worden blootgesteld.
2.2. De fabrikant of de leverancier moet garant staan voor
materiaaleigenschappen die van belang zijn voor de veiligheid.
3. Ontwerp en constructie
3.1. Algemeen
3.1.1. De constructie van het toestel moet zodanig zijn dat zich bij
normaal gebruik geen onstabiliteit, vervorming, breuk of slijtage
voordoet die de veiligheid in gevaar kan brengen.
3.1.2. Condensvorming bij het opwarmen en/of tijdens bedrijf mag niet
van invloed zijn op de veiligheid van het toestel.
3.1.3. Het ontwerp en de constructie van het toestel moeten zodanig
zijn dat bij aanwezigheid van vuur buiten het toestel het
ontploffingsgevaar minimaal is.
3.1.4. De constructie van het toestel moet zodanig zijn dat ongewenst
binnendringen van water en lucht in de gasleiding onmogelijk is.
3.1.5. Bij een normale variatie van de hulpenergie moet het toestel
veilig blijven functioneren.
3.1.6. Abnormale variatie of het uitvallen van de hulpenergie of
terugkomst ervan mogen niet tot een onveilige situatie leiden.
3.1.7. Het ontwerp en de constructie van het toestel moeten zodanig
zijn dat gevaren van elektrische aard uitgesloten worden. Het terzake
bepaalde in het Warenwetbesluit elektrotechnische produkten, is van
toepassing.
3.1.8. Onder druk staande delen van een toestel moeten bestand zijn
tegen de mechanische en thermische belasting waaraan ze blootstaan
zonder dat er vervormingen optreden die de veiligheid in gevaar brengen.
3.1.9. Een toestel moet zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat
een defect aan een beveiligings-, controle- of afstellingsinrichting
niet tot een onveilige situatie leidt.
3.1.10. Indien een toestel is uitgerust met beveiligings- en
afstellingsinrichtingen, mag de werking van de beveiligingsinrichtingen
niet worden beïnvloed door die van de afstellingsinrichtingen.
3.1.11. Alle onderdelen van een toestel die bij de fabricage zijn
aangebracht of afgesteld en die door de gebruiker en de installateur
ongemoeid moeten worden gelaten, moeten afdoende worden beschermd.
3.1.12. De bedienings- en afstellingshendels of -organen dienen
duidelijk te zijn aangegeven en te zijn voorzien van passende
instructies om een foutieve bediening te voorkomen. Zij dienen zodanig
te zijn ontworpen dat bij toeval hanteren uitgesloten is.
3.2. Het vrijkomen van onverbrand gas
3.2.1. Een toestel moet zodanig geconstrueerd zijn dat het gaslek uit
een toestel geen gevaar kan opleveren.
3.2.2. Een toestel moet zodanig geconstrueerd zijn dat de hoeveelheid
gas die bij ontsteking, herontsteking en na doving van de vlam vrijkomt,
voldoende beperkt is om een gevaarlijke opeenhoping van onverbrand gas
in het toestel te voorkomen.
3.2.3. Toestellen die bestemd zijn om te worden gebruikt in gesloten
ruimten, moeten voorzien zijn van een specifiek toebehoren ter
vermijding van gevaarlijke opeenhoping van niet-verbrand gas in de
ruimten.
Toestellen zonder zo een toebehoren mogen alleen worden gebruikt in
ruimten met voldoende luchtverversing om gevaarlijke opeenhoping van
niet-verbrand gas te vermijden.
Toestellen voor grootkeukens en toestellen die werken op gas dat
toxische componenten bevat, dienen van dit toebehoren te zijn voorzien.
3.3. Ontsteking
Een toestel moet zodanig geconstrueerd zijn dat bij normaal gebruik
- de ontsteking en herontsteking rustig verlopen;
- overlopen gewaarborgd is.
3.4. Verbranding
3.4.1. Een toestel moet zodanig zijn geconstrueerd dat bij normaal
gebruik een stabiele vlam gewaarborgd is, terwijl de
verbrandingsprodukten geen onaanvaardbare concentraties mogen bevatten
van stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid.
3.4.2. Een toestel moet zodanig geconstrueerd zijn dat er bij normaal
gebruik geen onvoorziene verbrandingsprodukten vrijkomen.
3.4.3. Een toestel dat is aangesloten op een afvoerleiding voor
verbrandingsprodukten moet zodanig geconstrueerd zijn dat er in geval
van abnormale trek in het desbetreffende vertrek geen
verbrandingsprodukten in gevaarlijke hoeveelheden vrijkomen.
3.4.4. Geisers en individuele verwarmingstoestellen die niet zijn
aangesloten op een afvoerleiding voor verbrandingsprodukten mogen geen
koolmonoxideconcentratie in het vertrek veroorzaken die gelet op de te
verwachten duur van de blootstelling, gevaar oplevert voor de gezondheid
van personen.
3.5. Doelmatig energiegebruik
Een toestel moet zodanig geconstrueerd zijn dat een doelmatig gebruik
van energie gewaarborgd is overeenkomstig de stand van de kennis en de
techniek en met inachtneming van de veiligheidsaspecten.
3.6. Temperaturen
3.6.1. Delen van een toestel die zich te dicht bij de vloer bevinden
mogen geen voor de omgeving gevaarlijke temperaturen bereiken.
3.6.2. De oppervlaktetemperatuur van de voor de gebruiker bestemde
bedieningsknoppen en -hendels mag geen voor de gebruiker gevaarlijke
waarden bereiken.
3.6.3. Het oppervlak van uitwendige delen van een voor huishoudelijk
gebruik bestemd toestel mag, met uitzondering van de oppervlakken of
delen die een rol spelen bij het doorgeven van de warmte, tijdens het
gebruik geen temperaturen bereiken die gevaar opleveren voor de
gebruiker, en in het bijzonder voor kinderen, voor wie met een
aangepaste reactietijd rekening moet worden gehouden.
3.7. Levensmiddelen en tapwater
Onverminderd de overige wettelijke voorschriften ter zake, mogen de
voor de constructie van een toestel gebruikte materialen en componenten
die in contact kunnen komen met levensmiddelen of met tapwater geen
afbreuk doen aan de kwaliteit daarvan.
Bijlage II, behorende bij het Besluit gastoestellen
A. CE-markering (artikel 5, eerste lid)
De CE-markering bestaat uit de initialen CE als hieronder aangegeven
(fig. 1)
[Illustratie verwijderd]
(fig. 1)
en wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangewezen
instelling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, die in één van
de vier procedures, genoemd in bijlage III, onderdeel B, dan wel de
EG-keuring per eenheid, genoemd in bijlage III, onderdeel C, heeft
uitgevoerd, betreffende de gastoestellen in kwestie.
B. Opschriften (artikel 6, eerste lid)
Op het toestel of de opschriftplaat moeten de volgende opschriften
zijn aangebracht:
- de naam van de fabrikant of zijn identificatieteken;
- het fabrieksmerk van het toestel;
- de gebruikte elektrische voeding, indien van toepassing;
- de toestelcategorie;
- de laatste twee cijfers van het jaar waarin de CE-markering is
aangebracht.
Aanvullende gegevens die nodig zijn voor installatie worden
bijgevoegd naar gelang van de aard van de verschillende toestellen.
Bij vergroting of verkleining van de CE-markering moeten de
verhoudingen van de onder A (fig. 1) gegradueerde afbeeldingen in acht
worden genomen.
De onderscheiden onderdelen van de CE-markering moeten nagenoeg
dezelfde hoogte hebben, die minimaal 5 mm bedraagt.
Bijlage III, behorende bij het Besluit gastoestellen
A. Eg-type-onderzoek (artikel 5, tweede lid, onderdeel a)
1. Eg-type-onderzoek
1.1. Het EG-type-onderzoek is dat deel van de procedure waarbij een
aangewezen instelling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, dan wel een
daaraan ingevolge artikel 7, derde lid, gelijkgestelde instelling,
vaststelt en verklaart dat een toestel, dat representatief is voor de
beoogde produktie, voldoet aan de fundamentele voorschriften in bijlage
I van dit besluit.
1.2. De aanvraag om een EG-type-onderzoek wordt door de fabrikant of
zijn in de Gemeenschap dan wel in een van de staten die partij zijn bij
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde
gevolmachtigde ingediend bij één enkele instelling als bedoeld onder
1.1.
1.2.1. De aanvraag omvat:
- naam en adres van de fabrikant alsmede van de gevolmachtigde
indien de aanvraag door deze laatste wordt ingediend;
- een schriftelijke verklaring dat er geen aanvraag is ingediend
bij een andere instelling als bedoeld onder 1.1;
- de ontwerp-documentatie als omschreven in bijlage IV van dit
besluit.
1.2.2. De fabrikant stelt een voor de beoogde produktie
representatief toestel, hierna "type" te noemen, ter
beschikking aan de instelling.
De instelling kan om meer exemplaren van het type verzoeken indien
dit nodig is voor het beproevingsprogramma.
Een type kan bovendien type-varianten omvatten, mits die varianten
geen afwijkende eigenschappen hebben wat betreft de soorten van gevaar.
1.3. De instelling als bedoeld onder 1.1
1.3.1. bestudeert de ontwerp-documentatie, controleert of het type
vervaardigd is in overeenstemming met de ontwerp-documentatie en
identificeert de onderdelen die ontworpen zijn overeenkomstig de
betreffende bepalingen van de in artikel 4 bedoelde normen en de
fundamentele voorschriften in bijlage I van dit besluit;
1.3.2. verricht de juiste onderzoeken en/of proeven of laat deze
verrichten om na te gaan of de door de fabrikant gekozen oplossingen
voldoen aan de fundamentele voorschriften wanneer de in artikel 4
bedoelde normen niet zijn toegepast;
1.3.3. verricht de juiste onderzoeken en/of proeven of laat deze
verrichten om na te gaan of, wanneer de fabrikant heeft besloten de
desbetreffende normen toe te passen, deze ook werkelijk zijn toegepast,
waardoor de garantie van overeenstemming met de fundamentele
voorschriften is geschapen.
1.4. Indien het type voldoet aan de fundamentele voorschriften in
bijlage I van dit besluit, verstrekt de instelling een
EG-type-onderzoekcertificaat aan de aanvrager. Het certificaat bevat de
conclusies van het onderzoek, alsmede eventuele voorwaarden voor de
geldigheid, de noodzakelijke gegevens voor de identificatie van het
goedgekeurde type en, voor zover van toepassing, een beschrijving van de
werking daarvan. De relevante technische gegevens, zoals tekeningen en
schema's, worden als bijlage bij het certificaat gevoegd.
1.5. De overige instellingen als bedoeld onder 1.1 worden
onmiddellijk door de ingevolge artikel 7, eerste lid, aangewezen
instelling in kennis gesteld van de afgifte van het
EG-type-onderzoekcertificaat voor het genoemde type en eventuele
aanvullingen als bedoeld in punt 1.7. Zij krijgen op hun verzoek een
afschrift van het EG-type-goedkeuringscertificaat en/of de aanvullingen
alsmede op grond van een gemotiveerd verzoek, een afschrift van de
bijlagen bij het certificaat, alsook de rapporten over de verrichte
onderzoeken en proeven.
1.6. Een ingevolge artikel 7, eerste lid, aangewezen instelling die
een EG-type-onderzoekcertificaat weigert te verstrekken dan wel intrekt,
stelt Onze Minister en de overige onder 1.1 bedoelde instellingen
daarvan in kennis onder opgave van de redenen van het besluit.
1.7. De aanvrager houdt de instelling die het
EG-type-onderzoekcertificaat heeft verstrekt op de hoogte van elke
wijziging in het goedgekeurde type die van invloed kan zijn op de
overeenstemming met de fundamentele voorschriften.
Voor wijziging in het goedgekeurde type moet aanvullende goedkeuring
worden verleend door de instelling die het EG-type-onderzoekcertificaat
heeft afgegeven indien dergelijke wijzigingen van invloed zijn op de
overeenstemming met de fundamentele voorschriften of op de voor het
toestel voorgeschreven gebruiksomstandigheden. Deze aanvullende
goedkeuring wordt gegeven in de vorm van een aanvulling op het
oorspronkelijke EG-type-onderzoekcertificaat.
B. Procedures als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdelen a en b
en vierde lid
Procedure 1. : EG-verklaring van type-overeenstemming
1.1. Ingevolge deze procedure verklaart de fabrikant dat de
betreffende toestellen in overeenstemming zijn met het type als
beschreven in het EG-type-onderzoekcertificaat als bedoeld in onderdeel
A van deze bijlage en voldoen aan de toepasselijke fundamentele
voorschriften in bijlage I. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde brengt de CE-markering op ieder toestel aan en
stelt een verklaring van overeenstemming op.
Deze verklaring van overeenstemming heeft betrekking op één
afzonderlijk toestel of op een aantal toestellen en wordt door de
fabrikant bewaard. De CE-markering wordt gevolgd door het
identificatienummer van de instelling, bedoeld in onderdeel A, punt 1.1
van deze bijlage, die belast is met de in punt 1.3 beschreven
steekproeven,
1.2. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen
dat het fabricageproces, met inbegrip van eindcontrole en beproeving van
het toestel, de homogeniteit van de produktie waarborgt, alsmede
overeenstemming van de toestellen met het type als omschreven in het
EG-type-onderzoekcertificaat en met de toepasselijke fundamentele
voorschriften. Een door de fabrikant gekozen instelling als bedoeld in
onderdeel A, 1.1 van deze bijlage, verricht de in punt 1.3 beschreven
steekproeven op de toestellen.
1.3. Controle ter plaatse van de toestellen dient door deze
instelling te worden uitgevoerd met willekeurige tussenpozen van ten
hoogste één jaar. Er wordt een voldoende aantal toestellen onderzocht,
terwijl er passende proeven als omschreven in de in artikel 4 bedoelde
desbetreffende normen, of daarmee gelijkstaande proeven, worden verricht
ten einde de garantie te scheppen van overeenstemming met de
toepasselijke fundamentele voorschriften in bijlage I. De instelling
bepaalt in elk apart geval of deze proeven volledig of gedeeltelijk
moeten worden uitgevoerd.
Procedure 2. : EG-verklaring van type-overeenstemming (produktiekwaliteitsbewaking)
2.1. Ingevolge deze procedure verklaart de fabrikant die aan de
voorschriften van punt 2.2 voldoet, dat de betreffende toestellen in
overeenstemming zijn met het in het EG-type-onderzoekcertificaat als
bedoeld in onderdeel A van deze bijlage, beschreven type en voldoen aan
de toepasselijke fundamentele voorschriften in bijlage I. De fabrikant
of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde brengt de
CE-markering op ieder toestel aan en stelt een verklaring van
overeenstemming op. Deze verklaring heeft betrekking op één
afzonderlijk toestel of op een aantal toestellen en wordt door de
fabrikant bewaard. De CE-markering wordt gevolgd door het
identificatienummer van de instelling, bedoeld in onderdeel A, punt 1.1,
die belast is met het EG-toezicht als bedoeld in punt 2.4.
2.2. De fabrikant moet op afdoende wijze een
produktiekwaliteitssysteem opzetten dat de overeenstemming van de
toestellen met het in het EG-type-onderzoekcertificaat beschreven type
en met de toepasselijke fundamentele voorschriften waarborgt. De
fabrikant is onderworpen aan EG-toezicht als omschreven in punt 2.4.
2.3. Kwaliteitssystemen
2.3.1. De fabrikant dient voor de betrokken toestellen bij een
instelling als bedoeld in onderdeel A, 1.1 van deze bijlage, van zijn
keuze een aanvraag in voor goedkeuring van zijn kwaliteitssysteem.
Deze aanvraag bevat:
- documentatie over het kwaliteitssysteem;
- de verbintenis dat hij na goedkeuring van het kwaliteitssysteem
de daaruit voortvloeiende verplichtingen zal nakomen;
- de verbintenis het goedgekeurde kwaliteitssysteem te
onderhouden en de blijvende geschiktheid en doeltreffendheid ervan
te waarborgen;
- documentatie over het goedgekeurde type en een afschrift van
het EG-type-onderzoekcertificaat.
2.3.2. Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, voorschriften en
bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden vastgelegd in een
documentatie van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en
instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem dient er voor
te zorgen dat de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en
-dossiers door iedereen op dezelfde manier worden geïnterpreteerd. Zij
dienen met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van
- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de
verantwoordelijkheden van de bedrijfsleiding en van hun bevoegdheden
met betrekking tot de kwaliteit van de toestellen;
- de fabricageprocessen, de kwaliteitscontrole- en
kwaliteitsborgtechnieken en de systematisch toe te passen
maatregelen;
- de onderzoeken en proeven die voor, tijdens en na de fabricage
worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren;
- de middelen om controle uit te oefenen op het bereiken van de
vereiste kwaliteit van de toestellen en de doeltreffende werking van
het kwaliteitssysteem.
2.3.3. De instelling onderzoekt en evalueert het kwaliteitssysteem om
na te gaan of dit voldoet aan de in punt 2.3.2 bedoelde voorschriften.
Zij vermoedt overeenstemming met deze voorschriften bij
kwaliteitssystemen waar de betreffende geharmoniseerde norm wordt
toegepast.
Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis, en licht de
overige instellingen als bedoeld in onderdeel A, 1.1 van deze bijlage,
daarover in. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek, de
naam en het adres van de aangewezen instantie en de met redenen omklede
beoordelingsbeslissing betreffende de betrokken toestellen.
2.3.4. De fabrikant houdt de instelling die het kwaliteitssysteem
heeft goedgekeurd op de hoogte van elke aanpassing van het
kwaliteitssysteem en van veranderingen die bij voorbeeld kunnen
voortvloeien uit nieuwe kwaliteitsconcepten.
De instelling onderzoekt de voorgestelde wijzigingen en beslist of
het kwaliteitssysteem in zijn gewijzigde vorm aan de desbetreffende
voorschriften voldoet, dan wel of een nieuwe beoordeling nodig is.
Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De kennisgeving
bevat de conclusies waartoe de controle heeft geleid en de met redenen
omklede beoordelingsbeslissing.
2.3.5. Een instelling die de goedkeuring van een kwaliteitssysteem
intrekt, stelt de overige instellingen als bedoeld in onderdeel A, 1.1
van deze bijlage, daarvan in kennis en vermeldt de redenen van haar
besluit.
2.4. EG-toezicht
2.4.1. Het EG-toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de
fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien
uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.
2.4.2. De fabrikant verleent de instelling voor controledoeleinden
toegang tot de fabricage-, controle-, beproevings- en opslagruimten en
verstrekt haar alle nodige informatie, met name
- documentatie over het kwaliteitssysteem,
- de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, testgegevens,
ijkgegevens, kwalificatierapporten van het betrokken personeel enz.
2.4.3. De instelling verricht minimaal eens om de twee jaren een
controle om zich ervan te vergewissen dat de fabrikant de hand houdt aan
het goedgekeurde kwaliteitssysteem en het toepast, en bezorgt de
fabrikant een controleverslag.
2.4.4. Bovendien kan de instelling onaangekondigde bezoeken brengen
aan de fabrikant. Tijdens deze bezoeken kan de instelling de toestellen
beproeven of laten beproeven. Zij legt aan de fabrikant een verslag
betreffende het bezoek voor, alsmede eventueel een testrapport.
2.4.5. De fabrikant dient het verslag van de instelling op verzoek
van Onze Minister te kunnen overleggen.
Procedure 3. : EG-verklaring van type-overeenstemming (produktiekwaliteitsbewaking)
3.1. Ingevolge deze procedure verklaart de fabrikant die voldoet aan
de verplichtingen van punt 3.2, dat de toestellen in kwestie in
overeenstemming zijn met het type beschreven in het
EG-type-onderzoekcertificaat zoals bedoeld in onderdeel A van deze
bijlage en voldoen aan de op de toestellen van toepassing zijnde
fundamentele voorschriften in bijlage I. De fabrikant of zijn in de
Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde brengt de CE-markering op ieder
toestel aan en stelt een verklaring van overeenstemming op. Deze
verklaring van overeenstemming heeft betrekking op één of meer
toestellen en wordt door de fabrikant bewaard. De CE-markering wordt
gevolgd door het identificatienummer van de instelling, bedoeld in
onderdeel A, punt 1.1, die belast is met het EG-toezicht als bedoeld in
punt 3.4.
3.2. De fabrikant zet een goedgekeurd kwaliteitssysteem op voor de
eindcontrole en de beproeving van de toestellen, zoals omschreven in
punt 3.3, en is onderworpen aan het EG-toezicht zoals omschreven in punt
3.4.
3.3. Kwaliteitssysteem
3.3.1. In het kader van deze procedure dient de fabrikant voor de
betrokken toestellen bij een instelling als bedoeld in onderdeel A, 1.1
van deze bijlage, van zijn keuze een aanvraag in voor goedkeuring van
zijn kwaliteitssysteem.
Deze aanvraag bevat:
- documentatie over het kwaliteitssysteem;
- de verbintenis dat hij na goedkeuring van het kwaliteitssysteem
de daaruit voortvloeiende verplichtingen zal nakomen;
- de verbintenis het goedgekeurde kwaliteitssysteem te
onderhouden en de blijvende geschiktheid en doeltreffendheid ervan
te waarborgen;
- documentatie met betrekking tot het goedgekeurde type en een
afschrift van het EG-type-onderzoekcertificaat.
3.3.2. In het kader van het kwaliteitssysteem worden alle toestellen
onderzocht en worden passende proeven als omschreven in de in artikel 4
bedoelde toepasselijke norm of normen, dan wel gelijkwaardige proeven
uitgevoerd om na te gaan of zij in overeenstemming zijn met de
toepasselijke fundamentele voorschriften van deze richtlijn.
Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, voorschriften en
bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden opgenomen in een
documentatie van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en
instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem maakt een
uniforme interpretatie van de kwaliteitsprogramma's, -plannen,
handleidingen en dossiers mogelijk.
De documentatie over het kwaliteitssysteem dient met name een
behoorlijke beschrijving te bevatten van:
- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de
verantwoordelijkheden van de bedrijfsleiding en van hun bevoegdheden
met betrekking tot de kwaliteit van de toestellen;
- controles en proeven die na de fabricage dienen te worden
verricht;
- de middelen die bestemd zijn om de doeltreffende werking van
het kwaliteitssysteem te toetsen.
3.3.3. De instelling beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan
of het voldoet aan het in punt 3.3.2 bepaalde. Zij vermoedt
overeenstemming met deze bepalingen bij kwaliteitssystemen waarin de
betreffende geharmoniseerde norm wordt toegepast. Zij stelt de fabrikant
van haar beslissing in kennis en licht de overige instellingen als
bedoeld in onderdeel A, 1.1 van deze bijlage, daarover in. De
kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek, de naam en het adres
van de aangewezen instantie en de met redenen omklede
beoordelingsbeslissing betreffende de betrokken toestellen.
3.3.4. De fabrikant houdt de instelling die het kwaliteitssysteem
heeft goedgekeurd, op de hoogte van elke aanpassing van het
kwaliteitssysteem aan veranderingen die bijvoorbeeld kunnen voortvloeien
uit nieuwe technologieën en nieuwe kwaliteitsconcepten.
De instelling onderzoekt de voorgestelde wijzigingen en beslist of
het gewijzigde kwaliteitssysteem voldoet aan de desbetreffende
bepalingen. Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. De
kennisgeving bevat de conclusies waartoe de controle heeft geleid en de
met redenen omklede beoordelingsbeslissing.
3.3.5. Een instelling die de goedkeuring van een kwaliteitssysteem
intrekt, stelt de overige instellingen als bedoeld in onderdeel A, 1.1
van deze bijlage, daarvan in kennis en vermeldt de redenen van haar
besluit.
3.4. EG-toezicht
3.4.1. Het EG-toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de
fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien
uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.
3.4.2. De fabrikant verleent de instelling voor inspectiedoeleinden
toegang tot de fabricage-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt
haar alle nodige informatie, met name:
- documentatie over het kwaliteitssysteem,
- de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, testgegevens,
ijkgegevens, kwalificatierapporten betreffende het betrokken
personeel, enz.
3.4.3. De instelling verricht minimaal eens om de twee jaar een
controle om zich ervan te vergewissen dat de fabrikant de hand houdt aan
het goedgekeurde kwaliteitssysteem en het toepast en verstrekt de
fabrikant een controlerapport.
3.4.4. Bovendien kan de instelling onaangekondigde bezoeken brengen
aan de fabrikant. Tijdens deze bezoeken kan de instelling de toestellen
beproeven of laten beproeven. Zij legt de fabrikant een rapport
betreffende het bezoek voor en een testrapport.
3.4.5. De fabrikant dient het verslag van de instelling op verzoek te
kunnen voorleggen.
4. EG-keuring
4.1. Ingevolge deze procedure garandeert en verklaart de fabrikant of
zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde dat de betreffende
toestellen, in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het
EG-typeonderzoekcertificaat, bedoeld in onderdeel A van de bijlage, en
voldoen aan de desbetreffende eisen van dit besluit.
4.2. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen
dat het fabricageprocédé waarborgt dat de toestellen in
overeenstemming zijn met het type als beschreven in het
EG-typeonderzoekcertificaat, bedoeld in onderdeel A van deze bijlage, en
voldoen aan de desbetreffende eisen van dit besluit. De fabrikant of
zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde brengt op elk toestel
de CE-markering aan en stelt een verklaring van overeenstemming op. De
verklaring van overeenstemming kan slaan op een of meer toestellen en
wordt door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde
gevolmachtigde bewaard.
4.3. De instelling, bedoeld in onderdeel A, punt 1.1, van deze
bijlage, verricht de nodige onderzoeken en proeven om na te gaan of het
toestel voldoet aan de eisen van dit besluit; dit geschiedt naar keuze
van de fabrikant door middel van controle en beproeving van elk toestel
afzonderlijk overeenkomstig punt 4.4, dan wel door middel van controle
en beproeving op statistische basis overeenkomstig punt 4.5.
4.4. Keuring door controle en beproeving van elk toestel
afzonderlijk.
4.4.1. Elk toestel wordt afzonderlijk onderzocht en onderworpen aan
de nodige proeven, beschreven in de in artikel 4 bedoelde relevante
norm(en) dan wel aan gelijkwaardige proeven, om na te gaan of het in
overeenstemming is met het type als beschreven in het
EG-typeonderzoekcertificaat, bedoeld in onderdeel A van deze bijlage, en
voldoet aan de desbetreffende eisen van dit besluit.
4.4.2. De instelling brengt op ieder goedgekeurd toestel haar
identificatienummer aan of laat dit doen; tevens stelt zij voor de
verrichte proeven een verklaring van overeenstemming op. Die verklaring
van overeenstemming kan voor een of meer toestellen gelden.
4.4.3. De fabrikant of zijn gevolmachtigde moet in staat zijn
desgevraagd de verklaringen van overeenstemming van de instelling over
te leggen.
4.5. Statistische keuring.
4.5.1. De fabrikant biedt zijn produkten aan in homogene partijen en
neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het
fabricageprocédé de homogeniteit van iedere partij waarborgt.
4.5.2. Voor de statistische methode wordt gebruik gemaakt van de
volgende gegevens:
De toestellen worden onderworpen aan een statistische
attributenkeuring en worden daarvoor verdeeld in identificeerbare
partijen bestaande uit exemplaren van één model die onder nagenoeg
gelijke omstandigheden zijn vervaardigd. Met willekeurige tussenpozen
wordt een partij onderzocht. De voor de steekproef uitgekozen toestellen
worden afzonderlijk onderzocht en onderworpen aan de nodige proeven, als
beschreven in de in artikel 4 bedoelde toepasselijke norm(en), dan wel
aan gelijkwaardige proeven om te bepalen of de partij wordt goedgekeurd
of afgekeurd.
Een en ander geschiedt aan de hand van een bemonsteringsschema,
waarbij de volgende criteria gelden:
. het normale kwaliteitsniveau van de aangeboden partij, dat
overeenkomt met een goedkeuringskans van 95% en een
niet-overeenstemmingsgehalte van 0,5 tot 1,5%;
. de grenskwaliteit van de aangeboden partij, die overeenkomt met
een goedkeuringskans van 5% en een niet-overeenstemmingsgehalte van
5 tot 10%.
4.5.3. Indien een partij wordt goedgekeurd, brengt de instelling,
bedoeld in onderdeel A, punt 1.1, op ieder toestel haar
identificatienummer aan of laat zij dit doen; tevens stelt zij voor de
verrichte proeven een verklaring van overeenstemming op. Alle toestellen
van de partij mogen in de handel worden gebracht, behalve de produkten
van het monster die niet in overeen stemming werden bevonden.
Indien een partij wordt afgekeurd, neemt de instelling de nodige
maatregelen om te voorkomen dat die partij in de handel wordt gebracht.
Ingeval het vaak voorkomt dat partijen worden afgekeurd, kan de
instelling de statistische keuring staken.
Tijdens de fabricage mag de fabrikant onder verantwoordelijkheid van
de instelling het identificatienummer van die instelling aanbrengen.
4.5.4. De fabrikant of zijn gevolmachtigde moet in staat zijn
desgevraagd de verklaringen van overeenstemming van de instelling over
te leggen.
C. EG-eenheidskeuring (artikel 5, tweede lid, onderdeel b)
6.1. De EG-eenheidskeuring is de procedure waarbij de fabrikant of
zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde garandeert en verklaart
dat het toestel waarvoor de in procedure 1 bedoelde verklaring is
afgegeven, voldoet aan de desbetreffende eisen van dit besluit. De
fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolgmachtigde brengt op
het toestel de CE-markering aan en stelt een verklaring van
overeenstemming op, die hij bewaart.
6.2. De instelling als bedoeld in onderdeel A, punt 1.1, onderzoekt
het toestel en verricht met behulp van de ontwerp-documentatie de nodige
proeven om na te gaan of het toestel voldoet aan de fundamentele
voorschriften in bijlage I.
De instelling brengt haar identificatienummer op het goedgekeurde
toestel aan of laat dit doen; tevens stelt zij voor de verrichte proeven
een verklaring van overeenstemming op.
6.3. Op basis van de in bijlage IV bedoelde ontwerp-documentatie moet
kunnen worden beoordeeld of het produkt voldoet aan de eisen van dit
besluit en of inzicht kan worden verkregen in het ontwerp, de fabricage
en de werking van het toestel.
De ontwerp-documentatie omschreven in bijlage IV, wordt ter
beschikking gesteld van de instelling.
6.4. Indien de instelling dit nodig acht, kunnen na installatie van
het toestel de nodige onderzoeken en proeven worden verricht.
6.5. De fabrikant of zijn gevolmachtigde moet desgevraagd de
verklaringen van overeenstemming van de instelling kunnen overleggen.
Bijlage IV, behorende bij het Besluit gastoestellen
Ontwerp-documentatie (1.2.1. bijlage III)
De ontwerp-documentatie omvat de volgende informatie, voor zover die
voor de instelling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, dan wel een
daaraan ingevolge het derde lid van artikel 7 gelijkgestelde instelling
met het oog op de beoordeling nodig is:
- een algemene beschrijving van het toestel;
- ontwerp- en fabricagetekeningen en schema's van delen en
onderdelen van het toestel, leidingen, enz.;
- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor begrip van
het bovenstaande, de werking van de toestellen inbegrepen;
- een lijst van de in artikel 4 bedoelde normen die geheel of
gedeeltelijk zijn toegepast en beschrijvingen van de oplossingen die
zijn gekozen om te voldoen aan de fundamentele voorschriften,
wanneer de in artikel 4 bedoelde normen niet zijn toegepast;
- keuringsverslagen;
- de handleidingen voor de installatie en het gebruik.
In voorkomend geval bevat de ontwerp-documentatie ook de volgende
gegevens:
- de verklaringen betreffende de in het toestel verwerkte
uitrusting;
- de verklaringen en certificaten betreffende de methoden voor de
fabricage en/of de inspectie en/of de controle van het toestel;
- alle andere documenten die kunnen bijdragen tot een betere
evaluatie door de aangewezen instantie.
Bijlage V, behorende bij het Besluit gastoestellen
Voorwaarden waaraan aan te wijzen instellingen moeten voldoen
(artikel 7, tweede lid).
De voor aanwijzing in aanmerking komende instellingen moeten aan de
volgende voorwaarden voldoen:
- beschikbaarheid van personeel, alsmede van de nodige middelen
en uitrusting;
- technische bekwaamheid en professionele integriteit van het
personeel;
- onafhankelijkheid bij het uitvoeren van proeven, het opstellen
van verslagen, het afgeven van verklaringen en het uitoefenen van
het in dit besluit voorgeschreven toezicht, van het kaderpersoneel
en het technisch personeel ten aanzien van alle kringen,
groeperingen en personen die rechtstreeks of indirect belangen
hebben op het gebied van de toestellen;
- bewaring van het beroepsgeheim door het personeel;
- afsluiting van een verzekering van wettelijke
aansprakelijkheid, tenzij deze op grond van het nationale recht
reeds door de Staat wordt gedekt.