| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Warenwet (WaW)
GLASARTIKELENBESLUIT
(WARENWET)
Tekst zoals deze geldt op
6 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 7 november 1972, houdende vaststelling van het
Glasartikelenbesluit
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en
Milieuhygiëne van 8 september 1972, Directoraat-Generaal van de
Volksgezondheid, Hoofdafdeling Voedingsaangelegenheden, nr. 106624, en
van de Staatssecretaris van Economische Zaken;
Overwegende, dat regelen moeten worden gesteld ter uitvoering van de
Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december
1969 voor de onderlinge aanpassing der wetgevingen van de Lid-Staten
inzake kristalglas (69/493/ EEG) (PbEG L 326 van 29 december 1969);
Gelet op de artikelen 14 en 14a van de Warenwet (Stb. 1935,
793);
Gezien het advies van de commissie bedoeld in artikel 17, zevende
lid, van de Warenwet, door de Sociaal-Economische Raad ingesteld op
grond van artikel 43 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb.
1950, K 22);
De Raad van State gehoord (advies van 27 september 1972,
nr. 26);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid en
Milieuhygiëne van 24 oktober 1972, Directoraat-Generaal van de
Volksgezondheid, Hoofdafdeling Voedingsaangelegenheden, nr. 107474, en
van de Staatssecretaris van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde
wordt verstaan onder:
a. glas:
1°. niet-gekristalliseerd materiaal, verkregen door het
smelten van kwartszand met natrium- of kaliumhoudende en calcium-
of loodhoudende grondstoffen, al dan niet vermengd met andere
metaaloxyden;
2°. materiaal dat geheel of gedeeltelijk gekristalliseerd is
door opwarming en afkoeling van niet-gekristalliseerd materiaal,
verkregen door het smelten van kwarts- en aluminiumhoudende
grondstoffen met lithium- of magnesiumhoudende grondstoffen, al
dan niet vermengd met andere metaaloxyden;
b. glasartikelen: voor de handel bestemde of in de handel
gebrachte, geheel of hoofdzakelijk uit glas bestaande artikelen,
bestemd voor tafel-, keuken-, toilet- of kantoorgebruik, dan wel
voor versiering van het inwendige van woningen of gebouwen, met
uitzondering van: kralen, onechte parels, onecht koraal, en
dergelijk klein glaswerk, afzonderlijk of aaneengeregen tot
gordijnen of samengevoegd tot artikelen met een decoratieve
bestemming, blokjes, plaatjes en schilfers voor mozaïek of voor
dergelijke decoratieve doeleinden, met de blaaslamp vervaardigde
fantasievoorwerpen, ramen, glasplaten, glas-in-lood, spiegels,
verlichtingsartikelen, stolpen of kastjes voor klokken, meubelen en
delen daarvan, kerstartikelen en antiquiteiten;
c. verpakking: een verpakking, bestemd of geschikt om met
de inhoud aan de gebruiker te worden afgeleverd;
d. richtlijn 1969/493/EEG: richtlijn nr. 69/493/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1969 voor de
onderlinge aanpassing der wetgevingen van de Lid-Staten inzake
kristalglas (PbEG L 326).
Artikel 2
Aangeduid mag uitsluitend worden:
a. met de benaming volloodkristal 30% of een der andere
benamingen genoemd bij nummer 1 van kolom b, van bijlage I van
richtlijn 1969/493/EEG: het glasartikel, vervaardigd uit glas dat
tenminste 30% loodoxyde bevat en waarvan de volumieke massa
tenminste 3000 kg/m3 en de brekingsindex tenminste 1,545
bedragen;
b. met de benaming loodkristal 24% of een der andere benamingen
genoemd bij nummer 2 van kolom b, van bijlage I van richtlijn
1969/493/EEG: het glasartikel, vervaardigd uit glas dat niet voldoet
aan het onder a bepaalde en tenminste 24% loodoxyde bevat en waarvan
de volumieke massa tenminste 2900 kg/m3 en de brekingsindex
tenminste 1,545 bedragen;
c. met de benaming: sonoorglas, het glasartikel,
vervaardigd uit glas dat niet voldoet aan het bepaalde onder a
en b en:
1°. tenminste 10% loodoxyde, bariumoxyde, kaliumoxyde of
zinkoxyde dan wel tenminste 10% van een mengsel van twee of meer
van deze oxyden bevat en waarvan de volumieke massa tenminste 2450
kg/m3, en de brekingsindex, berekend op de natrium-D-lijn,
tenminste 1,520 bedragen of
2°. tenminste 10% loodoxyde, bariumoxyde of kaliumoxyde dan
wel tenminste 10% van een mengsel van twee of van al deze oxyden
bevat, dat een oppervlaktehardheid, volgens Vickers, van 550 ± 20
heeft en waarvan de volumieke massa tenminste 2400 kg/m3 bedraagt.
Artikel 3
1. Glasartikelen mogen niet worden aangeduid met de symbolen
van een cirkel, vierkant of gelijkzijdige driehoek zonder
vermelding, bij het symbool, van een der bij artikel 2 toegelaten
benamingen.
2. Een symbool als in het eerste lid bedoeld mag uitsluitend
worden gebezigd, indien het daarmee aangeduide glasartikel is
vervaardigd uit glas als omschreven in de bepaling die in bijlage I
bij het gebezigde symbool is genoemd.
3. Indien het overeenkomstig het tweede lid gebezigde symbool
aangebracht is op het glasartikel of de verpakking daarvan, moet het
zijn uitgevoerd als aangegeven in bijlage I.
Artikel 4
Glasartikelen mogen niet worden aangeduid met een benaming, genoemd
bij de nummers 3 en 4 van kolom b, van bijlage I van richtlijn
1969/493/EEG, met uitzondering van de benaming sonoorglas.
Artikel 5
1. Glasartikelen waarop is aangebracht hetzij een opschrift
dat niet een bij artikel 2 toegelaten benaming is doch waarin
zodanige benaming of een bij artikel 4 verboden benaming voorkomt,
hetzij een opschrift, dat met een bij artikel 2 toegelaten benaming
of een bij artikel 4 verboden benaming kan worden verward, alsmede
glasartikelen aanwezig in een verpakking waarop een zodanig
opschrift is aangebracht, moeten op het glasartikel
onderscheidenlijk op de verpakking daarvan tevens zijn aangeduid
met:
a. de bij artikel 2 toegelaten benaming, voor zover het
glasartikel vervaardigd is uit glas als omschreven in artikel 2,
onder a, b, c, 1° of c, 2°;
b. de benaming: gewoon glas of een andere benaming, waaruit de
aard van het glas, waaruit het glasartikel is vervaardigd, blijkt,
voor zover het glasartikel vervaardigd is uit ander glas dan bedoeld
onder a.
2. Ten aanzien van de aanduidingen, welke ingevolge het eerste
lid op het glasartikel of op de verpakking moeten zijn aangebracht, is
het bepaalde in de artikelen 23 en 24, eerste lid, van het
Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 6
Aanduidingen met betrekking tot glasartikelen, welke misleidend
zijn ten aanzien van hun aard of samenstelling, zijn niet toegestaan.
Artikel 7
Voor zover voor de beoordeling of de aanduidingen van glasartikelen
overeenstemmen met de in dit besluit gestelde regelen, de aard of
samenstelling van het glas moet worden vastgesteld, moet worden
gebruik gemaakt van de methoden van onderzoek, aangegeven in bijlage
II van dit besluit, voor zover deze daartoe toereikend zijn.
Artikel 7a
Een wijziging van bijlage I van richtlijn 1969/493/EEG gaat voor de
toepassing van artikel 2 en artikel 4 gelden met ingang van de dag
waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn
gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant
wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 8
1. Dit besluit kan worden aangehaald als:
Glasartikelenbesluit (Warenwet).
2. Het treedt in werking met ingang van de vierde kalendermaand
volgende op de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
het wordt geplaatst.
Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne is belast met
de uitvoering van dit besluit, dat met de nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
Soestdijk, 7 november 1972.
JULIANA
De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne,
L.B.J. Stuyt
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
J. Oostenbrink
Uitgegeven de eenentwintigste december 1972
De Minister van Justitie,
Van Agt
Bijla ge I, behorende bij het Glasartikelenbesluit (Warenwet)
Symbolen, bedoeld in artikel 3.
_01.gif)
Bijlage II, behorende bij het
Glasartikelenbesluit (Warenwet)
Methoden van onderzoek, behorende bij het Glasartikelenbesluit
(Warenwet).
1. Chemische analyses
1.1. Bao en pbo
1.1.1. Bepaling van het totaalgehalte: BaO + PbO
Men weegt op 0,0001 gram nauwkeurig ongeveer 0,5 gram glaspoeder en
brengt dit in een platina capsule. Na bevochtiging met water voegt men
10 ml van een zwavelzuuroplossing 15% en 10 ml fluorwaterstofzuur toe.
Het geheel verhitten in een zandbad totdat witte dampen ontstaan. Laten
afkoelen en opnieuw behandelen met 10 ml fluorwaterstofzuur. Daarna
opnieuw verhitten tot het ontstaan van witte dampen. Laten afkoelen en
de wanden van de capsule met water besprenkelen. Opnieuw verhitten
totdat witte dampen ontstaan. Laten afkoelen, voorzichtig 10 ml water
toevoegen en daarna overgieten in een bekerglas van 400 ml. De capsule
wordt verscheidene malen gespoeld met een 10% zwavelzuuroplossing waarna
tot 100 ml wordt verdund met dezelfde oplossing. Gedurende 2-3 minuten
laten koken en een nacht laten rusten.
Met behulp van een filtreerdegel met porositeit 4 wordt gefiltreerd,
waarna het filtraat eerst wordt gewassen met een 10% zwavelzuuroplossing
en daarna 2 à 3 maal met ethylalcohol. Vervolgens het geheel gedurende
een uur in de droogkast laten drogen bij 150° C. Daarna wordt het BaSO4
+ PbSO4 gewogen.
1.1.2. Bepaling van BaO
Ongeveer 0,5 gram glaspoeder wordt op 0,0001 gram nauwkeurig gewogen
en in een platina capsule gebracht. Dit wordt bevochtigd met water
waarna 10 ml fluorwaterstofzuur en 5 ml perchloorzuur wordt toegevoegd.
Het geheel wordt verhit in een zandbad totdat witte dampen ontstaan.
Laten afkoelen en opnieuw 10 ml fluorwaterstofzuur toevoegen.
Verhitten totdat opnieuw witte dampen optreden. Laten afkoelen en de
wanden van de capsule met gedestilleerd water besprenkelen. Daarna weer
verhitten en afdampen tot bijna droog. Vervolgens 50 ml
chloorwaterstofzuur 10% toevoegen en licht verhitten ten einde het
oplossen te bevorderen. Overgieten in een bekerglas van 400 ml en
verdunnen met water tot 200 ml. Aan de kook brengen en een
zwavelwaterstofstroom door de hete oplossing voeren. Zodra het
loodsulfide op de bodem van het vat is neergeslagen wordt de gasstroom
afgesloten. Filtreren door middel van filtreerpapier met dicht weefsel
en wassen met koud water dat verzadigd is met zwavelwaterstof.
De filtraten worden gekookt en eventueel tot 300 ml ingedampt. Bij
het koken wordt 10 ml van een 10% zwavelzuuroplossing toegevoegd. De
oplossing wordt van het vuur genomen en men laat haar ten minste vier
uur staan.
Door middel van filtreerpapier met dicht weefsel wordt gefiltreerd,
waarna met koud water wordt gewassen. De neerslag wordt bij 1.050 °C
gecalcineerd en het BaSO4 wordt gewogen.
1.2. Bepaling van ZnO
De filtraten uit de afscheiding van het BaSO4 worden ingedampt tot op
een volume van 200 ml. Bij aanwezigheid van methylrood wordt
geneutraliseerd met ammoniak waarna 20 ml zwavelzuur 0,1 n wordt
toegevoegd. Daarna wordt de pH op 2 gebracht door toevoeging van 0,1 n
zwavelzuur of eventueel 0,1 n natriumhydroxyde en laat men de
zinksulfide koud neerslaan door het doorvoeren van een
zwavelwaterstofstroom. Gedurende vier uur laat men neerslaan, daarna
wordt de neerslag opgevangen op een filtreerpapier met dicht weefsel.
Men wast met koud water verzadigd met zwafelwaterstof. De neerslag op
het filter wordt opgelost door er 25 ml van een warme 10%
chloorwaterstofzuuroplossing over te gieten. Dan wordt het filter met
kokend water gewassen totdat men een volume van ongeveer 150 ml
verkrijgt. Men neutraliseert met ammoniak in aanwezigheid van
lakmoespapier, waarna 1 tot 2 gram vaste urotropine wordt toegevoegd om
de pH op ongeveer 5 vast te leggen. Men voegt een paar druppels van een
vers bereide, waterige 0,5% dimethylphenoloranje-oplossing toe en
titreert met een oplossing van complexon III 0,1 n totdat het rose
omslaat naar citroengeel.
1.3. Bepaling van K2O
door neerslag en weging van kaliumtetraphenylboride.
Ontsluiting: na breken en zeven wordt 2 gram glas ontsloten
door middel van 2 ml geconcentreerde
HNO3
15 ml HC1O4
25 ml HF
in een platina capsule in een heetwaterbad en daarna in een zandbad.
Na het afscheiden van dikke perchloride dampen totdat het mengsel droog
is, wordt het opgelost met 20 ml heet water en 2-3 ml geconcentreerd
HC1.
De oplossing overgieten in een maatkolf van 200 ml en tot aan het
volume aanvullen met gedestilleerd water.
Reagentia: 6% oplossing van natriumtetraphenylboride: 1,5 gram
van het reagens wordt opgelost in 250 ml gedestilleerd water. De dan
overblijvende lichte troebelheid wordt verwijderd door toevoeging van 1
gram aluminiumhydroxyde. Gedurende vijf minuten roeren, daarna
filtreren, waarbij de eerste 20 ml nogmaals gefiltreerd moeten worden.
Wasoplossing van de neerslag: Men bereidt een weinig kaliumzout door
neerslag in een oplossing van ongeveer 0,1 gram KC1 op 50 ml HC1 0,1 n;
hierin wordt al roerend de oplossing van tetraphenylboride toegevoegd
totdat de neerslag beëindigd is. Filtreren op glasspecie en wassen met
gedestilleerd water. Drogen in een droogtoestel bij
omgevingstemperatuur, waarna 20 à 30 mg van dit zout wordt gebracht in
250 ml gedestilleerd water. Van tijd tot tijd roeren. Na 30 minuten
wordt 0,5 à 1 gram aluminiumhydroxyde toegevoegd. Na enige minuten
roeren wordt gefiltreerd.
Werkwijze: Van de chloorwaterstofoplossing voor de ontsluiting
neemt men een hoeveelheid af overeenkomend met circa 10 mg K2O. Deze
hoeveelheid wordt verdund tot ongeveer 100 ml waarna de
reageeroplossing, namelijk 10 ml op 5 mg geschat K2O, onder matig roeren
wordt toegevoegd. Ten hoogste 15 minuten laten staan, daarna filtreren
met behulp van een getareerde, gesinterde filtreerdegel nr. 3 of 4.
Wassen met een wasoplossing. 30 minuten drogen bij 120 °C. De
omzettingsfactor voor K2O = 0,13143.
1.4. Toleranties
± 0,1 in absolute waarde voor elke bepaling.
Wanneer een analyse binnen deze toleranties een waarde oplevert die
lager ligt dan de vastgestelde limieten (30, 24 of 10%) dan moet het
gemiddelde worden genomen van ten minste drie analyses. Is de
analysewaarde gelijk aan of hoger dan 29,95, 23,95 resp. 9,95, dan moet
het glas worden ondergebracht in de categorieën overeenkomend met 30,
24 resp. 10%.
2. Fysische bepalingen
2.1. Volumieke massa
Methode met behulp van de hydrostatische balans op ± 0,01
nauwkeurig. Een monster van ten minste 20 gram wordt gewogen in de
buitenlucht alsmede ondergedompeld in gedestilleerd water bij 20° C.
2.2. Brekingsindex
De brekingsindex wordt gemeten met een refractometer op ± 0,001
nauwkeurig.
2.3. Microhardheid
De Vickers hardheid wordt gemeten volgens de norm ASTM E 92-65
(herziening 1965) waarbij wordt uitgegaan van een last van 50 gram en
het gemiddelde van 15 bepalingen wordt genomen.
|
|
|