| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Warenwet (WaW)
NADERE
REGELS ATTRACTIE- EN SPEELTOESTELLEN
Tekst zoals deze geldt op
7 maart 2009
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
De
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 4, vijfde lid, artikel 5,
derde lid, artikel 12, eerste lid, en artikel 16 van de Wet op de
gevaarlijke werktuigen;
Gelet op artikel 5, eerste lid, en artikel 19,
derde lid, van het Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling en de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan
onder:
a. besluit: Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen;
b. ’attractietoestel’, ’attractietoestel van een eenvoudig
ontwerp’, ’speeltoestel’, ’aangewezen instelling’ en ’wet’:
hetgeen het besluit daaronder verstaat;
c. sub-contractor: een instelling waaraan een aangewezen
instelling productonderzoek en daartoe te verrichten metingen
uitbesteedt.
Artikel 2
Als ambtenaren die ingevolge artikel 25 van de wet belast zijn met
het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet,
worden aangewezen de controleambtenaren van de Voedsel en Waren
Autoriteit.
Artikel 3
1. Als ambtenaren die ingevolge artikel 27, eerste lid, van de wet
bevoegd zijn om attractie- en speeltoestellen te beproeven of te
onderzoeken, te doen beproeven of te doen onderzoeken, dan wel
schriftelijk herstelling of behandeling binnen een daarbij vast te
stellen termijn te eisen, worden aangewezen de controleambtenaren van
de Voedsel en Waren Autoriteit.
2. Als ambtenaren die ingevolge artikel 27, eerste lid, van de wet
bevoegd zijn om attractie- en speeltoestellen, waarvan bij een
beproeving of onderzoek blijkt, dat zij niet aan de krachtens de wet
gegeven voorschriften voldoen, ten bewijze daarvan van een merk van
afkeuring te voorzien, worden aangewezen de controleambtenaren van de
Voedsel en Waren Autoriteit.
Artikel 4
Voor aanwijzing ingevolge artikel 7a, eerste lid, van de wet als
aangewezen instelling met betrekking tot attractie- en speeltoestellen
komen slechts instellingen in aanmerking die voldoen aan de in bijlage I
vermelde voorwaarden.
Artikel 4a
In het jaarverslag, bedoeld in artikel 7c, tweede lid, van de wet,
worden door de aangewezen instelling ten minste de volgende onderwerpen
behandeld:
a. de door de instelling afgegeven, ingetrokken dan wel
geweigerde certificaten;
b. wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking
hebbende accreditaties, reglementen en procedures;
c. wijzigingen in de op het werkveld van de instelling betrekking
hebbende taakverdeling;
d. wijzigingen in de bestuurssamenstelling;
e. wijzigingen in de statuten of het huishoudelijk reglement;
f. aan derden uitbestede werkzaamheden;
g. structurele knelpunten op het werkveld van de instelling die
zich in de uitvoeringspraktijk hebben voorgedaan;
h. het gevoerde overleg en de samenwerking op het werkveld met
andere instellingen;
i. door de instelling ontvangen klachten en de wijze van
afhandeling daarvan;
j. tegen de besluiten van de instelling ingediende bezwaren en
ingestelde beroepen en de wijze van afhandeling daarvan;
k. een financieel verslag betreffende de activiteiten waarvoor de
instelling is aangewezen.
Artikel 5
Als normen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het besluit worden
aangewezen de in bijlage II bij deze regeling vermelde normen.
Artikel 5a
Bij keuringen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het besluit
van attractietoestellen als bedoeld in artikel 21, eerste lid van het
besluit, worden tenminste beoordeeld het elektrisch schema van besturing
en installatie en het hydraulisch of pneumatisch schema als het toestel
hierdoor wordt aangedreven.
Artikel 6
1. Een certificaat van goedkeuring voor een attractie- of
speeltoestel komt overeen met het bij deze regeling als bijlage III
gevoegde model.
2. Een certificaat voor attractietoestellen als bedoeld in het
eerste lid verliest zijn geldigheidsduur twaalf maanden na de datum
van de keuring op grond waarvan het certificaat is afgegeven, met dien
verstande dat, indien buiten toedoen van de toestelhouder niet tijdig
kan worden gekeurd, het certificaat zijn geldigheid behoudt gedurende
ten hoogste vier maanden na afloop van de termijn waarvoor het is
afgegeven.
3. Een certificaat voor speeltoestellen als bedoeld in het eerste
lid heeft een onbeperkte geldigheidsduur.
4. Een eerste certificaat van goedkeuring voor attractietoestellen
als bedoeld in artikel 21, eerste lid van het besluit, verliest zijn
geldigheidsduur 6 maanden na de datum van de keuring op grond waarvan
het certificaat is afgegeven, indien bij deze keuring de documenten
zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, niet beoordeeld zijn.
5. Een eerste certificaat van goedkeuring voor attractietoestellen
als bedoeld in artikel 21, eerste lid van het besluit, verliest zijn
geldigheidsduur 18 maanden na de datum van de keuring op grond waarvan
het certificaat is afgegeven, indien de keuring is aangevraagd vóór
1 januari 2007 en de documenten als bedoeld in artikel 5, tweede lid,
zijn beoordeeld.
Artikel 7
Attractietoestellen die zijn voorzien van een certificaat van
goedkeuring, worden door de aangewezen instelling tevens voorzien van
een merk van goedkeuring, bestaande uit een metalen plaat waarop volgens
onderstaand model vermeld: ’GOEDGEKEURD’, de maand en het jaar van
de keuring op grond waarvan het certificaat van goedkeuring is
afgegeven, de naam van de aangewezen instelling en het nummer van het
certificaat van goedkeuring.
schaal 1 : 2
GOEDGEKEURD
maand jaar
naam keuringsinstantie
nr. ......
Het merk van goedkeuring is duurzaam en goed leesbaar en wordt
aangebracht op een duidelijk zichtbare plaats.
Artikel 8
1. In afwijking van artikel 7 zijn fabrikanten en importeurs van
eenvoudige attractietoestellen, aan wie ten gevolge van de goedkeuring
van een het type kenmerkend monster als bedoeld in artikel 8, derde
lid, van het besluit een certificaat van goedkeuring is afgegeven,
gedurende de geldigheidsduur van het voornoemde certificaat, verplicht
tot het aanbrengen van een merk van goedkeuring als bedoeld in artikel
7 op de door hen vervaardigde of geămporteerde toestellen, die geheel
overeenkomstig het goedgekeurde monster zijn vervaardigd, voordat zij
deze toestellen voor het eerst in het verkeer brengen.
2. In afwijking van artikel 7 vermeldt het merk van goedkeuring,
bedoeld in het eerste lid, in plaats van de maand en het jaar van de
keuring, de maand en het jaar waarin het merk op het toestel wordt
aangebracht. Het merk van goedkeuring verliest zijn geldigheidsduur
twaalf maanden na de datum die erop staat vermeld, met dien verstande
dat, indien buiten toedoen van de toestelhouder niet tijdig kan worden
gekeurd, het merk zijn geldigheid behoudt gedurende ten hoogste vier
maanden na afloop van de termijn waarvoor het is afgegeven.
Artikel 9
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 10
Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere regels attractie- en
speeltoestellen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Erica Terpstra.
Bijlage I bij artikel 4 van de Nadere
regeling attractie- en speeltoestellen
Voorwaarden waaraan aangewezen instellingen en sub-contractors moeten
voldoen
1. De aangewezen instelling en de sub-contractor, de directeuren
daarvan en de met de keuring of beoordeling belaste werknemers zijn
niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier of de installateur van
de toestellen die zij keuren of beoordelen, noch de gemachtigde van
één der genoemde personen. Zij treden bij het ontwerpen, de bouw, de
verkoop of het onderhoud van deze toestellen noch rechtstreeks, noch
als gemachtigde van de betrokken partijen op.
2. De aangewezen instelling, de sub-contractor en de werknemers die
met de keuringen zijn belast, voeren de keuringen of beoordelingen uit
met de grootste mate van beroepsintegriteit en technische bekwaamheid;
zij zijn vrij van elke pressie en beďnvloeding, met name van
financiële aard, die hun boordeling of de uitslagen van hun keuring
kan beďnvloeden, met name door personen of groepen van personen die
bij de resultaten van de keuring of beoordeling belang hebben.
3. De aangewezen instelling en de sub-contractor beschikken over de
nodige werknemers en middelen om de met de uitvoering van de keuringen
verbonden technische en administratieve taken op passende wijze te
vervullen; tevens hebben de aangewezen instelling en de sub-contractor
toegang tot het nodige materiaal voor bijzondere keuringen of
beoordelingen.
4. De werknemer die met de keuring of de beoordeling is belast:
a. heeft met goed gevolg een op de keuringswerkzaamheden
gerichte, technische beroepsopleiding afgerond;
b. heeft voldoende kennis van de voorschriften betreffende de
keuringen of beoordelingen die hij verricht en voldoende ervaring
met deze keuringen of beoordelingen;
c. bezit de vereiste vakbekwaamheid om op grond van de
verrichte keuringen of beoordelingen verklaringen,
processen-verbaal en rapporten op te stellen.
5. De onafhankelijkheid van de werknemers die met de keuringen of
beoordelingen zijn belast dient te zijn gewaarborgd. De bezoldiging
van elke functionaris is niet afhankelijk van het aantal keuringen of
beoordelingen dat hij verricht, noch van de uitslagen van de keuringen
of beoordelingen.
6. De aangewezen instelling dient over een kwaliteitssysteem te
beschikken dat aantoonbaar voldoet aan de normen NEN-EN 45.004 of
NEN-EN 45.011. Een sub-contractor dient over een kwaliteitssysteem te
beschikken dat aantoonbaar voldoet aan de normen NEN-EN 45.001.
7. De aangewezen instelling dient een verzekering tegen wettelijke
aansprakelijkheid te sluiten.
8. De aangewezen instelling en de sub-contractor hebben
rechtspersoonlijkheid.
Bijlage II bij artikel 5 van de Nadere regeling attractie- en
speeltoestellen
Normen voor attractie- en speeltoestellen
a. NEN-EN 1176-1 Speeltoestellen - Deel 1 Algemene veiligheidseisen
en beproevingsmethoden;
b. NEN-EN 1176-2 Speeltoestellen - Deel 2 Aanvullende bijzondere
veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor schommels;
c. NEN-EN 1176-3 Speeltoestellen - Deel 3 Aanvullende bijzondere
veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor glijbanen;
d. NEN-EN 1176-4 Speeltoestellen - Deel 4 Aanvullende bijzondere
veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor kabelbanen;
e. NEN-EN 1176-5 Speeltoestellen - Deel 5 Aanvullende bijzondere
veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor draaitoestellen;
f. NEN-EN 1176-6 Speeltoestellen - Deel 6 Aanvullende bijzondere
veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor wiptoestellen;
g. NEN-EN 1176-7 Speeltoestellen - Deel 7 Leidraad voor de
plaatsing, controle, onderhoud en gebruik;
h. NEN-EN 1177 Speeltoestellen - Schokabsorberende
bodemoppervlakken van speelplaatsen - Veiligheidseisen en
beproevingsmethoden.
i. NEN-EN 1069-1 Waterglijbanen met een hoogte van meer dan 2m.
Deel 1: Specificaties en beproevingsmethoden;
j. NEN-EN 1069-2 Waterglijbanen met een hoogte van meer dan 2m.
Deel 2: Instructies;
k. NEN-EN 13814 Machines en constructies op kermisterreinen en
amusementsparken – Veiligheid.
Bijlage III bij artikel 6 van de Nadere regeling attractie- en
speeltoestellen
Model certificaat van goedkeuring
Warenwet
certificaat van goedkeuring
afgegeven door naam aangewezen instelling
(aangewezen bij ministeriële beschikking van ..., nr ...)
Certificaat nr. ... Dossier nr. ...
Betreft: ...
Evt. nadere aanduidingen: ...
Eigenaar/houder: ...
Adres eigenaar/houder: ...
Soort toestel: ...
Fabrikant: ...
Jaar van fabrikage: ...
Leverancier: ...
Jaar van leverantie: ...
Datum Keuring: ...
Naam aangewezen instelling, adres aangewezen instelling te plaats
verklaart, dat het bovenaangehaalde toestel voldoet aan de
vervaardigingsvoorschriften genoemd in het Warenwetbesluit attractie- en
speeltoestellen.
Naam aangewezen instelling
Namens het bestuur,
Uitsluitend voor attractietoestellen:
Vorig certificaat nr. ...
d.d. ...
Huidig certificaat afgegeven d.d. ...
Is geldig tot ...
|
|
|