|
BESLUIT van 28 september 1993, houdende regelen
betreffende de algemene produktveiligheid
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur van 3 maart 1993, VVP/P nr. 93232 gedaan in overeenstemming met
Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op de Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van
de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1992, inzake de algemene
produktveiligheid (PbEG L 228);
Gelet op de artikelen 11, eerste lid, en 13 van
de Warenwet;
Gezien het advies van de Adviescommissie
Warenwet van 3 december 1992, nr. 14622/(41)5;
De Raad van State gehoord (advies van 23 juli
1993, nr. W13.93.0152);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 14
september 1993, VVP/P 931464 uitgebracht in overeenstemming met Onze
Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
a. product: een waar, niet zijnde eet- of drinkwaar, die bestemd is
voor de consument of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat
het door de consument kan worden gebruikt ook al is het niet voor hem
bestemd, en die in het kader van een handelsactiviteit tegen betaling
of gratis wordt geleverd of beschikbaar gesteld, ongeacht of het
nieuw, tweedehands of opnieuw in goede staat gebracht is;
b. producent:
- de fabrikant van het product, en een ieder die zich als
fabrikant aandient door op het product zijn naam, merk of ander
kenteken aan te brengen of degene die het product opnieuw in goede
staat brengt;
- de vertegenwoordiger van de fabrikant, indien laatstgenoemde
niet in de Gemeenschap gevestigd is, of, indien er geen in de
Gemeenschap gevestigde vertegenwoordiger is, de importeur van het
product;
- de andere personen die beroepshalve betrokken zijn bij de
verhandelingsketen, voor zover hun activiteiten van invloed zijn op
de veiligheidskenmerken van de producten die op de markt worden
gebracht;
c. distributeur: de persoon die beroepshalve betrokken is bij de
verhandelingsketen en wiens activiteit geen invloed heeft op de
veiligheidskenmerken van de produkten;
d. verordening (EG) nr. 764/2008: verordening (EG) nr. 764/2008 van
het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van
procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische
voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de
handel zijn gebracht, en tot intrekking van Beschikking nr. 3052/95/EG
(PbEU L 218);
e. verordening (EG) nr. 765/2008: verordening (EG) nr. 765/2008 van
het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van
de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het
verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr.
339/93 (PbEU L 218).
2. Dit besluit is niet van toepassing
op tweedehands producten die als antiek geleverd worden of als producten
die vσσr het gebruik gerepareerd moeten worden of opnieuw in goede
staat moeten worden gebracht, mits de leverancier de persoon aan wie hij
het product levert, hiervan duidelijk op de hoogte stelt.
3. Dit besluit is niet van toepassing op producten, indien ten
aanzien daarvan bij of ter uitvoering van een krachtens het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap tot stand gekomen bindende
regeling specifieke bepalingen zijn vastgesteld die op hetzelfde doel
zien als de eisen die bij of krachtens dit besluit worden gesteld.
Artikel 2
1. De producent dient binnen het bestek van zijn activiteiten:
a. de consument de relevante informatie te verstrekken die hem in
staat stelt een oordeel te vormen over de aan een product inherente
veiligheids- en gezondheidsrisico's gedurende de normale of
redelijkerwijs te verwachten gebruiksduur, indien deze risico's zonder
passende waarschuwing niet onmiddellijk herkenbaar zijn, opdat de
consument zich tegen deze risico's kan beschermen;
b. op de kenmerken van de door hem geleverde producten afgestemde
maatregelen te nemen om:
1°. op
de hoogte te kunnen blijven van mogelijke veiligheids- en
gezondheidsrisico's van deze producten;
2°. passende
acties te kunnen ondernemen om mogelijke veiligheids- en
gezondheidsrisico's van deze producten te voorkomen, waaronder:
- het uit de markt nemen van het
betrokken product;
- het passend en doeltreffend waarschuwen van de
consument;
- het terugroepen van het betrokken product.
2. Onder de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, worden onder meer begrepen:
a. de vermelding, op het product of op de verpakking ervan, van
de identiteit en de contactinformatie van de producent alsmede de
referentie van het product, of in voorkomend geval, van de partij
waartoe het product behoort, tenzij weglating van die vermelding
gerechtvaardigd is;
b. in alle gevallen waarin dat toepasselijk is:
1°. het uitvoeren van steekproeven op in
de handel gebrachte producten;
2°. het onderzoek van klachten;
3°. in voorkomend geval, het bijhouden van
een klachtenregister;
4°. in voorkomend geval, het inlichten van
de distributeurs over de bewaking van de producten.
3. De distributeur neemt deel aan de bewaking van de veiligheid
van de op de markt gebrachte producten, vooral door:
a. informatie over de risico's
van producten door te geven;
b. de nodige documentatie bij te houden en te verstrekken om de
oorsprong van de producten op te sporen;
Artikel 2a
1. Het is verboden producten te verhandelen anders dan met
inachtneming van de voorschriften, bedoeld in artikel 2.
2. Het is verboden producten te verhandelen anders dan met
inachtneming van bij of krachtens artikel 2d gestelde voorschriften.
3. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 30, tweede
lid, van verordening (EG) nr. 765/2008.
Artikel 2b
1. Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a en 21b van de
Warenwet wordt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen voor
wat betreft:
a. pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel a, en tweede lid, onderdelen a en b van de Wet
pleziervaartuigen;
b. luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid,
onderdeel k, van de Wet luchtvaart, met uitzondering van de
luchtvaartuigen, genoemd in artikel 1, derde lid, van het Besluit
luchtvaartuigen.
2. Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a en 21b van de
Warenwet wordt de Dienst Wegverkeer aangewezen voor wat betreft
motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de
Wegenverkeerswet 1994, bestemd voor gebruik op voor het openbaar verkeer
openstaande wegen of paden, aanhangwagens als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van die wet, onderdelen en uitrustingstukken van deze
motorrijtuigen en aanhangwagens, alsmede voorzieningen ter bescherming
van weggebruikers en passagiers, voor zover hieraan bij of krachtens de
Wegenverkeerswet 1994 eisen worden gesteld.
3. Voor de toepassing van de artikelen 21, 21a, 21b, 32a, 32e,
32f, 32g en 32h, van de Warenwet wordt Onze Minister van Economische
Zaken aangewezen voor wat betreft randapparaten en radioapparaten als
bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.
4. Met het toezicht op de naleving van het eerste lid, onderdelen
a en b, en tweede lid, met betrekking tot de daar genoemde waren, zijn
belast de bij besluit van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
aangewezen ambtenaren.
5. Met het toezicht op de naleving van het derde lid met
betrekking tot de daar genoemde waren, zijn belast de bij besluit van
Onze Minister van Economische Zaken aangewezen ambtenaren.
6. Onze Minister stelt nadere regels voor zover die noodzakelijk
zijn voor de goede uitvoering van de bij of krachtens verordening (EG)
nr. 764/2008 en de bij of krachtens verordening (EG) nr. 765/2008
gestelde voorschriften. Deze nadere regels kunnen mede betrekking hebben
op het aanwijzen van autoriteiten die belast zijn met de controle van
producten die de communautaire markt binnenkomen.
Artikel 2c
Bij regeling van Onze Minister kan voor een product dat onder
bepaalde omstandigheden een risico met zich meebrengt, worden bepaald
dat op dat product in het Nederlands, op duidelijke wijze begrijpelijke
waarschuwingen worden aangebracht met betrekking tot de risico's die het
kan opleveren.
Artikel 2d
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
ter uitvoering van een beschikking, als bedoeld in artikel 13 van
richtlijn nr. 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PbEU
L 11).
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van 29 juni 1994.
Artikel 4
Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit algemene
productveiligheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
's-Gravenhage, 28 september 1993
BEATRIX
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
H.J. Simons
Uitgegeven de negentiende oktober 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|